CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 14 mei 2009 (1)
Zaak C‑141/08 P
Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening – Antidumpingonderzoek – Status van marktgericht bedrijf – Redenen voor Commissie om beslissing te wijzigen – Vermeende onjuiste opvatting van bewijs door Gerecht van eerste aanleg – Rechten van verdediging – Tijd gegund aan onderzochte partij om opmerkingen in te dienen”
1. Kort gezegd, gaat het in deze hogere voorziening(2) om een Chinese exporteur bij wie een antidumpingonderzoek is ingesteld en wiens verzoek voor een zelfde beoordeling van zijn normale prijzen als die van een exporteur die op marktvoorwaarden opereert aanvankelijk door de Commissie is afgewezen, nadien in meer positieve zin is herzien en uiteindelijk onverwachts toch is afgewezen.
2. De exporteur betoogde voor het Gerecht van eerste aanleg dat de Commissie i) ten onrechte had aangenomen dat zij de oorspronkelijke beslissing niet kon wijzigen en ii) de exporteur onvoldoende tijd had gegund om op de definitieve beoordeling te reageren.
3. Het Gerecht concludeerde dat i) de Commissie slechts terloops had opgemerkt dat zij oude feiten niet opnieuw kon onderzoeken, waardoor ii) ook indien de exporteur voldoende tijd was gegund voor zijn reactie, die reactie slechts de terloopse opmerking had kunnen betreffen en niet de inhoudelijke redenen voor de afwijzing, zodat de rechten van de verdediging van de exporteur niet waren aangetast.
4. De exporteur stelt thans dat de beoordeling van de redenen van de Commissie een kennelijk onjuiste bewijswaardering inhoudt, en bijgevolg, indien voldoende tijd was gegund, een reactie relevant had kunnen zijn.
5. Het Hof zal om te beginnen moeten uitmaken of het Gerecht blijk heeft gegeven van „een onjuiste opvatting van de bewijzen”. Anders is het Hof in beginsel niet bevoegd om te beoordelen welke waarde aan die bewijzen moet worden gehecht.(3) Slechts indien er sprake is van een onjuiste opvatting kan het de stelling onderzoeken dat niet voldoende tijd voor een reactie is gegund.
Antidumpingprocedures en toepasselijke regeling
6. De bescherming van de bedrijfstak van de Gemeenschap tegen de invoer met dumping is met name geregeld in verordening (EG) nr. 384/96(4) (hierna: „basisverordening”).
7. Volgens artikel 1, leden 1 en 2, van die verordening kan een antidumpingrecht worden toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt. Ten aanzien van een product wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
8. Volgens artikel 5, lid 1, wordt een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van de dumping geopend naar aanleiding van een schriftelijke klacht die namens een bedrijfstak van de Gemeenschap wordt ingediend. Artikel 6 regelt de onderzoeksprocedures, terwijl in de artikelen 2 tot en met 4 in essentie de toe te passen criteria zijn gegeven.
9. Artikel 2 betreft de vaststelling van de dumping. Het geeft regels voor de bepaling van de normale waarde (deel A, leden 1 tot en met 7) en de uitvoerprijs (deel B, leden 8 en 9), die moeten worden vergeleken (deel C, lid 10) om de dumpingmarge te kunnen vaststellen (deel D, leden 11 en 12). In casu is alleen deel A relevant.
10. Volgens artikel 2, lid 1, eerste alinea, is de normale waarde gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. De normale waarde wordt vastgesteld volgens de regels die daarna in de leden 1 tot en met 6 zijn gegeven en die gelden voor ondernemingen die op marktvoorwaarden opereren.
11. Voor andere ondernemingen bepaalt artikel 2, lid 7, sub a, eerste alinea: „Bij invoer uit landen zonder markteconomie, wordt de normale waarde vastgesteld op basis van de prijs of de door berekening vastgestelde waarde in een derde land met een markteconomie, of op basis van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, met inbegrip van de Gemeenschap, of, indien zulks niet mogelijk is, op elke andere redelijke grondslag, met inbegrip van de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.”
12. Artikel 2, lid 7, sub b, bepaalt evenwel dat bij onderzoeken betreffende producten uit onder meer de Volksrepubliek China (zijnde een land zonder markteconomie) de „normale waarde [wordt] vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de sub c vermelde criteria en de procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het bepaalde sub a van toepassing.”
13. Artikel 2, lid 7, sub c, dat bepalend was voor de beslissing of de exporteur in de voorliggende zaak voor de eerdergenoemde status (aangeduid met „status van marktgericht bedrijf”) in aanmerking kwam, noemt verschillende criteria, die alle aantoonbaar moeten zijn vervuld wil men voor de status in aanmerking kunnen komen. Een van die criteria is vervat in het tweede gedachtestreepje van de eerste alinea, dat bepaalt dat bedrijven moeten beschikken over „een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt”.(5)
14. De laatste alinea van artikel 2, lid 7, sub c, bepaalt: „Binnen drie maanden na de inleiding van de procedure, wordt, na specifieke raadpleging van het Raadgevend Comité en nadat de industrie van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken, vastgesteld of de producent voldoet aan de bovengenoemde criteria. Deze vaststelling blijft gedurende de hele procedure van kracht.”(6)
15. Volgens de uitlegging van die bepaling door het Gerecht in het arrest Nanjing Metalink/Raad(7) heeft zij „met name tot doel te verzekeren dat deze vraag [of de status van marktgericht bedrijf moet worden toegekend] niet wordt beantwoord aan de hand van het effect ervan op de berekening van de dumpingmarge”. Het stelt vervolgens dat „de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening aldus [dient] te worden uitgelegd, dat de instellingen de elementen waarover zij bij de oorspronkelijke vaststelling van de status van marktgericht bedrijf beschikten, niet opnieuw mogen onderzoeken. Deze bepaling verzet zich er evenwel niet tegen dat de toekenning van de status van marktgericht bedrijf niet wordt gehandhaafd, wanneer als gevolg van een wijziging van de feitelijke situatie op basis waarvan deze status was verleend, niet langer kan worden geoordeeld dat de betrokken producent onder marktvoorwaarden opereert.”(8)
16. In de loop van het onderzoek kan de Commissie volgens artikel 7 voorlopige rechten instellen. Echter, alleen wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen te nemen, stelt de Raad op voorstel van de Commissie, ingediend ten minste één maand voor het vervallen van voorlopige rechten en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in (artikel 9, lid 4). In het geval dat een definitief recht wordt ingesteld, moet de hele procedure in ieder geval binnen vijftien maanden na de opening worden beëindigd (artikel 6, lid 9).
17. De laatste relevante bepaling is artikel 20, leden 4 en 5. Volgens artikel 20 kunnen de partijen bij een onderzoek de Commissie verzoeken om een mededeling van bijzonderheden betreffende de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan voorlopige maatregelen zijn ingesteld (lid 1), en een „definitieve mededeling” van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan wordt overwogen de instelling van definitieve maatregelen te bevelen (lid 2). Artikel 20, leden 4 en 5, luidt als volgt:
„4. De definitieve mededeling wordt schriftelijk gedaan. Zij geschiedt, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, zo spoedig mogelijk en normaal uiterlijk één maand voordat de Commissie een definitief besluit neemt of voordat zij ingevolge artikel 9 een voorstel tot het nemen van definitieve maatregelen doet. Kan de Commissie bepaalde feiten of overwegingen op dat tijdstip niet mededelen, dan deelt zij deze mede zodra dit mogelijk is. De mededeling doet geen afbreuk aan besluiten die de Commissie of de Raad daarna nemen, maar indien deze besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden deze zo spoedig mogelijk medegedeeld.
5. Opmerkingen die na de definitieve mededeling zijn gemaakt, worden uitsluitend in aanmerking genomen indien zij zijn ontvangen binnen een door de Commissie in elk afzonderlijk geval vast te stellen termijn die ten minste tien dagen bedraagt, waarbij de spoedeisendheid van de kwestie in aanmerking wordt genomen.”
Feiten
18. De feiten zijn in de punten 4 tot en met 23 van het bestreden arrest beschreven. Ik zal die uiteenzetting hieronder beknopt weergeven en tevens verwijzen naar en citeren uit bepaalde aan het Gerecht overgelegde stukken waarnaar in deze hogere voorziening wordt verwezen.
19. Op 4 februari 2006 startte de Commissie een onderzoek naar de invoer van strijkplanken, waaronder die welke worden vervaardigd en geëxporteerd door Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd (hierna: „Yongjian”), gevestigd te Foshan, Volksrepubliek China.
20. Yongjian verzocht op 23 februari 2006 om erkenning als marktgericht bedrijf. Naar aanleiding van de verkregen gegevens antwoordde de Commissie op 11 augustus 2006 dat volgens haar niet aan de criteria van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, van de basisverordening was voldaan, omdat Yongjians boekhouding en accountantsverslagen niet aan de internationale boekhoudstandaarden (International Accounting Standards, hierna: „IAS-normen”) voldeden. In september 2006 vond een verdere briefwisseling plaats; de Commissie bleef echter bij haar standpunt.
21. Vervolgens heeft de Commissie verordening (EG) nr. 1620/2006(9) vastgesteld, waarbij de afwijzing van Yongjians verzoek om erkenning als marktgericht bedrijf werd bevestigd en een voorlopig antidumpingrecht van 18,1 % op de door haar geproduceerde strijkplanken werd ingesteld.
22. Yongjian diende verdere opmerkingen en statistieken in ter ondersteuning van haar verzoek om erkenning als marktgericht bedrijf. Punt 13 van het bestreden arrest vervolgt:
„Bij brief van 20 februari 2007 heeft de Commissie verzoekster een definitieve algemene mededeling en een bijzondere mededeling toegezonden. De Commissie heeft in het eerste document haar voornemen kenbaar gemaakt om verzoekster toch de status van marktgericht bedrijf te verlenen.[(10)] De Commissie was immers van mening dat de tekortkomingen in de boekhoudpraktijken van de onderneming die in het stadium van de voorlopige maatregelen aan het licht waren gekomen, geen noemenswaardige invloed hadden op de in de boekhouding weergegeven financiële resultaten en dat de onvolledigheid van de boekhouding in de eerste plaats geen probleem opleverde wat de gegevens over exportverkopen betrof, aangezien de Commissie die gegevens reeds had aanvaard toen zij in staat was de betrouwbaarheid ervan na te gaan, en in de tweede plaats niet doorslaggevend was wat de binnenlandse verkopen betrof, nu deze te gering waren om representatief te zijn. In die omstandigheden, aldus de Commissie, moest de normale waarde worden bepaald op grond van de productiekosten, waarvan de staalkosten een essentieel onderdeel waren. De Commissie was in dat verband van oordeel dat de Chinese officiële statistische gegevens over de invoer van staal die in de loop van de administratieve procedure waren overgelegd, de betrouwbaarheid van de boekhoudgegevens van de onderneming ten aanzien van de kosten van staal bevestigden en aldus een berekening van de normale waarde op basis van de aangenomen waarde in China mogelijk maakten.”
23. De definitieve algemene mededeling vermeldde derhalve een definitief recht van 0 % voor Yongjians strijkplanken.
24. In maart 2007 ontving de Commissie opmerkingen van de klagers, die volgens punt 14 van het bestreden arrest „te kennen [hebben] gegeven dat verzoekster niet aan het in artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, van de basisverordening genoemde criterium voldeed en dat de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening zich er hoe dan ook tegen verzette dat de instellingen de beslissing over de status van marktgericht bedrijf in de loop van de procedure wijzigen”.
25. Op 6 en 22 maart 2007 onderzocht het raadgevend comité de voorstellen van de Commissie van 20 februari. In punt 15 van het bestreden arrest wordt opgemerkt: „Verschillende leden van het raadgevend comité hebben zich tegen de verlening van de status van marktgericht bedrijf aan verzoekster verzet.”
26. Het lijkt mij nuttig om hier de punten 13 tot en met 18 van de memorie tot interventie van de Italiaanse regering in eerste aanleg(11) weer te geven:
„13 Tijdens de bijeenkomsten van het antidumpingcomité van 6 en 22 maart 2007 hebben verschillende leden van dat comité zich tegen de toekenning van de status van marktgericht bedrijf aan verzoekster verzet.
14 In het bijzonder is de Commissie schending van artikel 7, lid 2, sub c, [sic] van de antidumpingbasisverordening verweten, zoals uitgelegd in het arrest van 14 november 2006 in de zaak T‑138/02, Metalink.
15 In wezen kan de status van marktgericht bedrijf niet worden toegekend aan ondernemingen uit derde landen waarbij een onderzoek is ingesteld nadat eenmaal de eerste drie maanden van het onderzoek zijn verstreken, tenzij zich een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan.
16 Dat was niet het geval voor de Chinese ondernemingen waaraan de Commissie later de status van marktgericht bedrijf wilde toekennen. Bovendien waren de redenen die de weigering van een dergelijke erkenning in de voorlopige fase rechtvaardigden ernstig en naar alle waarschijnlijkheid niet snel te verhelpen: een onregelmatige boekhouding in strijd met de IAS-normen.
17 Dat standpunt is door de Italiaanse delegatie op de bijeenkomst van het antidumpingcomité van 6 maart 2007 nadrukkelijk verdedigd en is onderschreven door de delegaties van Portugal, Litouwen, Frankrijk, Spanje, Polen, Griekenland, België en Tsjechië.
18 Naar aanleiding van die hevige tegenstand van de lidstaten en gezien de duidelijke schending van de Metalink-rechtspraak, heeft de Commissie het standpunt dat zij reeds in de voorlopige verordening had ingenomen bevestigd en heeft zij in de herziene definitieve mededeling van 23 maart 2007 de toekenning geweigerd van de status van marktgericht bedrijf aan de drie betrokken Chinese ondernemingen, waaronder verzoekster.”
27. Op vrijdagavond 23 maart 2007 zond de Commissie Yongjian per fax een herziene definitieve algemene mededeling en een herziene definitieve bijzondere mededeling. In die mededelingen bevestigde zij haar aanvankelijke weigering om de status van marktgericht bedrijf te verlenen, in wezen op grond dat Yongjians boekhoudpraktijken duidelijk in strijd waren met de IAS-normen. Zij stelde bijgevolg een definitief recht voor van 18,1 % voor de producten van Yongjian. De Commissie verwees naar en verwierp de argumenten van Yongjian vóór toekenning van de status van marktgericht bedrijf, maar maakte geen melding van haar eerdere intentie om de toekenning van die status voor te stellen en gaf dus geen reden voor de wijziging van haar standpunt sinds 20 februari.
28. Yongjian kreeg aanvankelijk tot donderdag 29 maart 2007 (zes kalenderdagen) de tijd om opmerkingen te maken. Op maandag 26 maart verzocht zij om inzage in het dossier, waartoe zij toegang kreeg op dinsdag 27 maart. Op woensdag 28 maart verzocht zij om verlenging met een week van de termijn om opmerkingen in te dienen.
29. De Commissie antwoordde op 29 maart en wees erop dat Yongjian het dossier reeds vier maal had ingezien en dat de enige nieuwe informatie de herziene mededelingen betrof. Zij merkte verder op dat die mededelingen „in wezen geen nieuwe vaststellingen bevatten [...] maar de voorlopige vaststellingen [van de Commissie] bevestigen”. Zij stelde tot slot: „Naar onze mening zijn derhalve de aangevoerde gronden ter rechtvaardiging van dit verzoek om verlenging onvoldoende. Niettemin kunnen wij bij uitzondering akkoord gaan met een verlenging van de uiterste datum tot maandag 2 april 2007.” Yongjian kreeg dus uiteindelijk tien kalenderdagen de tijd om opmerkingen te maken.
30. De Commissie had ondertussen op 23 maart 2007 het raadgevend comité het herziene definitieve werkdocument ter raadpleging toegezonden. Dat document is op 27 maart 2007, na een schriftelijke procedure, door het raadgevend comité goedgekeurd. De Commissie had ook het op de herziene definitieve algemene mededeling gebaseerde voorstel voor de definitieve maatregelen op 29 maart 2007 aan de Raad toegezonden.
31. Yongjian diende op 2 april 2007 haar opmerkingen in bij de Commissie. Zij betwistte daarin de conclusie dat zij niet aan de voorwaarden voor verlening van de status van marktgericht bedrijf voldeed en verzocht de Commissie niet de stelling van de klagers te volgen, dat de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening de Commissie belette om haar eerdere beslissing te herzien.
32. De Commissie heeft daarop bij brief van 4 april 2007 aan de advocaat van Yongjian geantwoord. Voor zover relevant stelde zij daarin het volgende:
„Op 20 februari 2007 hebben de diensten van de Commissie kennis gegeven van hun voornemen om de beoordeling te wijzigen inzake de erkenning als marktgericht bedrijf en bijgevolg de dumpingmarges en rechten van drie Chinese producenten/exporteurs, waaronder uw cliënte, en de betrokken partijen uitgenodigd opmerkingen in te dienen. Deze mededeling vormde in geen geval een nieuwe beslissing inzake de erkenning als marktgericht bedrijf.
Zoals duidelijk in de herziene definitieve algemene mededeling is gesteld, is de Commissie doorgegaan met het verzamelen en verifiëren van alle gegevens die zij nodig achtte voor haar definitieve conclusies (zie punt 4). De Commissie heeft aldus geen van de belanghebbenden het recht ontnomen om door het nodige bewijsmateriaal gestaafde opmerkingen in te dienen.
In overeenstemming met voormeld beginsel en naar aanleiding van de opmerkingen dienaangaande van de EG-bedrijfstak hebben de diensten van de Commissie besloten geen verder gevolg te geven aan de wijzigingen met betrekking tot de status van marktgericht bedrijf, maar hun voorlopige conclusies te bevestigen. Vastgesteld is uiteindelijk dat de gevolgen van de betrokken boekhoudpraktijken, die zoals gezegd een schending van de IAS-normen opleverden, niet irrelevant konden worden geacht.
De toelichtingen die uw cliënte heeft gegeven na de voorlopige mededeling zijn bezien tezamen met de opmerkingen van de EG-bedrijfstak na de definitieve mededeling van 20 februari 2007. Daarbij is komen vast te staan dat de boekhouding van uw cliënte niet in overeenstemming met de IAS-normen is gecontroleerd, nu is gebleken dat uw cliënte het toerekeningsbeginsel heeft veronachtzaamd (schending van IAS-norm 1.25), onderlinge verrekeningen heeft toegepast (schending van IAS-norm 1.32) en transacties als een geheel heeft opgevoerd terwijl zij afzonderlijk hadden moeten worden vermeld (schending van IAS-norm 1.13 en IAS-norm 1.29). De uitgevoerde audits hebben geen aanleiding tot opmerkingen over deze onregelmatigheden gegeven.
In haar opmerkingen van 2 april 2007 heeft uw cliënte op het punt van de onregelmatigheden in de boekhouding en de vraag of zij al of niet met de IAS-normen in overeenstemming zijn, weer dezelfde argumenten ingeroepen als vóór de definitieve mededeling, maar zoals u weet staat de rechtspraak over de beslissing over verzoeken betreffende de status van marktgericht bedrijf een nieuw onderzoek van oude feiten niet toe.
Ten aanzien van de nieuwe gegevens over de prijs van staal die uw cliënte ná de voorlopige mededeling heeft verstrekt, merken wij op dat ook deze informatie is beoordeeld tezamen met de opmerkingen die door de EG-bedrijfstak na de definitieve mededeling van 20 februari 2007 zijn gemaakt. Daarbij is vastgesteld dat de nieuwe gegevens over de staalprijs geen aanleiding zijn voor een nieuwe beoordeling van alle in de boekhouding van uw cliënte geconstateerde lacunes.
Aangezien het nieuwe bewijsmateriaal omtrent de staalprijs derhalve geen wijziging in de beslissing over de status van marktgericht bedrijf kon brengen, moest de normale waarde in het geval van uw cliënte worden vastgesteld in overeenstemming met de relevante bepalingen van artikel 2, lid 7, van de basisverordening, dat wil zeggen dat deze moest worden vastgesteld op basis van de prijs of de door berekening vastgestelde waarde in een vergelijkbaar land.
Wat de vaststelling van de exportprijs aangaat, merken wij op dat uw cliënte in haar opmerkingen over de voorlopige of de definitieve mededeling nimmer de fundamentele uitgangspunten van de diensten van de Commissie voor de beoordeling van de rechtstreekse exportverkopen aan ongerelateerde afnemers heeft betwist. De opmerkingen van uw cliënte hadden enkel betrekking op de gebruikte wisselkoers of op technische details op de Excel-presentatie van de gegroepeerde productcontrolenummers (PCN’s) die zijn gebruikt voor de dumpingberekeningen (welke beide zijn besproken in de algemene dan wel de bijzondere definitieve mededeling). Uit het voorgaande volgt logischerwijs dat uw cliënte de vaststellingen van de diensten van de Commissie had aanvaard. Opmerkingen dienaangaande die thans worden gemaakt, kunnen derhalve niet in aanmerking worden genomen.
Artikel 20, lid 4, van de basisverordening bepaalt dat de definitieve mededeling geen afbreuk doet aan besluiten die de Commissie of de Raad daarna nemen, maar indien deze besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden deze zo spoedig mogelijk meegedeeld. Daartoe diende de herziene definitieve algemene mededeling van 23 maart 2007.
Wij merken evenwel op dat de Commissie bereid is de situatie met betrekking tot de status van marktgericht bedrijf van uw cliënte over een jaar te herzien indien daarvoor voldoende bewijs wordt overgelegd.”
33. Met betrekking tot de redenen van de Commissie om haar standpunt te wijzigen, verwijs ik voor de volledigheid naar punt 23 van het verweerschrift van de Raad voor het Gerecht(12), waar hij stelt:
„De Commissie heeft in februari 2007 naar aanleiding van bewijs dat zij op dat moment ‚gewichtig’ achtte inderdaad een wijziging van haar standpunt over de status van marktgericht bedrijf overwogen. Zij heeft in de eerste mededeling aangegeven dat zij een voorstel voor een dergelijke wijziging mogelijk achtte op basis van een nieuwe beoordeling van de gegevens en de bevestiging van bepaalde staalimportprijzen, die als nieuw bewijsmateriaal werden beschouwd. Zij stond op het punt te concluderen dat derhalve voldoende ‚nieuwe gegevens en toelichtingen’ bestonden die een herziening van de vastgestelde beslissing over de status van marktgericht bedrijf rechtvaardigden. Na ontvangst van de opmerkingen van de belanghebbenden en na raadpleging van het antidumpingcomité wijzigde de Commissie evenwel haar visie op die overwegingen en heeft zij de aanvankelijk genomen beslissing bevestigd, namelijk dat verzoekster geen recht had op de status van marktgericht bedrijf, met het oog op artikel 2, lid 7, sub c, tweede gedachtestreepje, het ontbreken van voldoende nieuwe gegevens en de volstrekt duidelijke tekst van artikel 2, lid 7, sub c. Zij concludeerde dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor herziening van de aanvankelijk genomen beslissing, zoals die zijn geformuleerd in het arrest Nanjing Metalink International, en dat derhalve de basisverplichting van de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, zoals uitgelegd in voormeld arrest, van toepassing was. [...]”
34. Yongjian heeft de Commissie bij brief van 5 april 2007 verzocht definitieve maatregelen voor te stellen op basis van de definitieve algemene mededeling van 20 februari 2007, daar de beslissing betreffende de status van marktgericht bedrijf volgens haar blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.
35. De Raad is evenwel op 23 april 2007 overgegaan tot vaststelling van de litigieuze verordening(13), waarbij onder meer een definitief antidumpingrecht van 18,1 % op de invoer van de door Yongjian geproduceerde strijkplanken is ingesteld.
Procesverloop en uitspraak in eerste aanleg
36. Yongjian verzocht om nietigverklaring van die verordening voor zover die haar betrof. De Commissie, de drie klagers die de EG-bedrijfstak vertegenwoordigen(14) en de Italiaanse Republiek hebben alle geïntervenieerd ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
37. Yongjian voerde twee middelen aan: i) onjuiste uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening en ii) schending van artikel 20 van de basisverordening en van de rechten van de verdediging.
Eerste middel: onjuiste uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening
38. Yongjian stelde dat de enige verklaring van de Commissie voor de plotse wijziging van haar standpunt in de brief van 4 april 2007 was opgenomen: dat de rechtspraak in de weg stond aan een nieuwe beoordeling van oude feiten. (Indien evenwel de werkelijke reden een andere was, was in het aan de Raad gezonden voorstel in strijd met artikel 253 EG geen enkele motivering gegeven.)
39. De verwijzing naar de rechtspraak kon enkel betrekking hebben op het arrest Nanjing Metalink/Raad. Volgens dat arrest heeft de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening evenwel tot doel te verzekeren dat de vraag betreffende de status van marktgericht bedrijf objectief wordt beantwoord, en niet aan de hand van het effect ervan op de berekening van de dumpingmarge. De instellingen mogen dus de informatie waarover zij reeds bij de oorspronkelijke vaststelling beschikten, niet opnieuw onderzoeken, maar mogen wel de status van marktgericht bedrijf intrekken wanneer blijkt dat, als gevolg van gewijzigde omstandigheden of nieuwe bewijzen, de betrokken onderneming niet langer aan de vereiste criteria voldoet. Een dergelijke regel veronderstelt dat een beslissing over de status van marktgericht bedrijf voorafgaat aan een beslissing over de normale waarde.
40. In het onderhavige geval nam de Commissie evenwel beide stappen tegelijkertijd. Er was derhalve geen enkele reden voor een verschillende behandeling van de vraag naar de status van Yongjian gezien het bepaalde in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening en de overige aspecten van de voorlopige bepaling, welke herzien zouden kunnen worden. Aangezien de Commissie tot de conclusie was gekomen dat de aanvankelijke beslissing over de status van marktgericht bedrijf ongerechtvaardigd was om de redenen die in de definitieve mededeling van 20 februari 2007 zijn uiteengezet, en niet had toegelicht waarom die redenen onjuist zouden kunnen zijn, had zij niet alleen het recht maar ook de verplichting om haar beslissing recht te zetten. Het voorstel voor definitieve maatregelen leverde derhalve een schending op van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, die de litigieuze verordening ongeldig maakte.
41. Het Gerecht merkte om te beginnen op dat uit de punten 12 tot en met 14 van de litigieuze verordening volgde dat „de in de [litigieuze] verordening vervatte weigering om de beslissing over de status van marktgericht bedrijf te wijzigen, niet werd ingegeven door de beperking die artikel 2, lid 7, sub c, laatste volzin, van de basisverordening stelt aan een nieuw onderzoek van oude feiten, maar door de non-conformiteit van verzoeksters boekhouding met de IAS-normen en het ontbreken van een nieuw element dat op deze beoordeling van invloed zou kunnen zijn. Deze weigering vloeide dus voort uit een inhoudelijke toepassing van de criteria van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, van deze verordening.”(15)
42. Uit de herziene mededelingen volgde evenmin dat de weigering om voor te stellen dat de status van marktgericht bedrijf zou worden verleend, werd ingegeven door het verbod van nieuw onderzoek van oude feiten; de argumenten van de Commissie hadden uitsluitend betrekking op de non-conformiteit van de boekhoudpraktijken van Yongjian.(16)
43. Het Gerecht verwees vervolgens naar de brief van de Commissie van 4 april 2007 als „[h]et enige document waarin de Commissie uiteenzet dat de rechtspraak over de bepaling van de status van marktgericht bedrijf niet toestaat dat oude feiten opnieuw worden beoordeeld”. Het haalde de relevante passage aan: „In haar opmerkingen van 2 april 2007 heeft uw cliënte op het punt van de onregelmatigheden in de boekhouding en de vraag of zij al of niet met de IAS-normen in overeenstemming zijn, weer dezelfde argumenten ingeroepen als vóór de definitieve mededeling, maar zoals u weet staat de rechtspraak over de beslissing over verzoeken betreffende de status van marktgericht bedrijf een nieuw onderzoek van oude feiten niet toe.”(17)
44. Het Gerecht stelde vervolgens in de punten 47 tot en met 50 van zijn arrest:
„47 Zoals uit deze brief volgt, heeft de Commissie naar de rechtspraak over het verbod van een nieuw onderzoek van oude feiten verwezen ter afwijzing van de argumenten die verzoekster reeds vóór de toezending van de definitieve mededeling had ingeroepen. De Commissie heeft ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht verduidelijkt, zonder daarin door verzoekster te zijn tegengesproken, dat de in die opmerking bedoelde argumenten vervat waren in de brief van 1 september 2006, die door verzoekster vóór de aanvankelijke beslissing over de status van marktgericht bedrijf was toegezonden, welke beslissing dateert van 15 september 2006 en in de voorlopige verordening ten uitvoer is gelegd.
48 Evenwel moet worden opgemerkt dat de Commissie in haar brief van 4 april 2007 haar weigering om de status van marktgericht bedrijf te verlenen had gebaseerd op het feit dat, in strijd met de IAS-normen, verzoeksters boekhouding het toerekeningsbeginsel veronachtzaamde, daarin onderlinge verrekeningen werden toegepast en daarin transacties als een geheel werden opgevoerd, terwijl zij afzonderlijk hadden moeten worden vermeld. De Commissie heeft in dit verband opgemerkt dat de uitgevoerde audits geen aanleiding tot opmerkingen over deze punten hebben gegeven. Het Gerecht neemt er nota van dat de Commissie eveneens heeft aangegeven dat de gegevens over de staalprijs geen aanleiding konden zijn voor een nieuwe beoordeling van de in de boekhouding van verzoekster geconstateerde lacunes.
49 Uit deze brief in zijn geheel volgt dat de opmerking van de Commissie over de onmogelijkheid om oude feiten opnieuw te onderzoeken terloops is gemaakt, daar de instelling haar weigering om de verlening van de status van marktgericht bedrijf voor te stellen, heeft gebaseerd op een beoordeling van de vraag of verzoekster voldeed aan de toepasselijke inhoudelijke criteria.
50 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de bewering van verzoekster dat de Commissie zich in de onderhavige zaak heeft gebaseerd op een verbod om oude feiten opnieuw te onderzoeken, geen steun vindt in de feiten. Aangezien het eerste middel reeds om deze reden moet worden afgewezen, is het debat over de uitlegging van de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening en van punt 44 van het reeds aangehaalde arrest Nanjing Metalink/Raad irrelevant geworden.”
45. Na een korte bespreking van een aantal andere punten, die in hogere voorziening niet aan de orde zijn, heeft het Gerecht bijgevolg het eerste middel van Yongjian afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 20 van de basisverordening en van de rechten van de verdediging
46. Yongjian betoogde dat de Commissie volgens artikel 20, leden 4 en 5, van de basisverordening definitieve mededeling moet doen van de essentiële feiten en overwegingen op grond waarvan zij overweegt de instelling van definitieve maatregelen aan te bevelen, zulks ten minste tien dagen vóór zij het voorstel voor definitieve maatregelen aan de Raad voorlegt, zodat partijen opmerkingen kunnen indienen en de Commissie deze in overweging kan nemen. In dit geval heeft de Commissie echter amper zes dagen na de kennisgeving van de herziene mededeling aan Yongjian, het daarop gebaseerde voorstel voor definitieve maatregelen toegezonden, en vier dagen vóór de aan verzoekster gestelde termijn voor de indiening van haar opmerkingen.
47. Het Gerecht was het op dat punt in wezen met Yongjian eens. Het merkte om te beginnen op dat ofschoon artikel 20, lid 5, van de basisverordening niet preciseert dat de Commissie op het verstrijken van de termijn van tien dagen moet wachten alvorens haar voorstel aan de Raad toe te zenden, aan deze bepaling geen uitlegging kan worden gegeven die onverenigbaar is met artikel 20, lid 4, volgens hetwelk de Commissie de definitieve mededeling niet later dan één maand vóór de toezending van een voorstel voor een eindbeslissing aan de Raad doet. Bijgevolg kan de Commissie haar voorstel pas aan de Raad toezenden nadat de termijn van tien dagen is verstreken.(18)
48. Het Gerecht verwierp vervolgens het argument van de Raad, dat de Commissie rekening kon houden met de opmerkingen door haar bij de Raad aanhangige voorstel nadien te wijzigen. Artikel 250, lid 2, EG verleent de Commissie de bevoegdheid om haar voorstel te wijzigen als dit nodig is om de standpunten binnen de instelling of van de in het besluitvormingsproces betrokken instellingen met elkaar in overeenstemming te brengen, maar dat is geen geschikt middel om met de opmerkingen van partijen afdoende rekening te houden.(19) Bovendien kunnen die opmerkingen belangrijke gevolgen hebben voor de inhoud van de eindbeslissing. De omstandigheid dat reeds een voorstel voor definitieve maatregelen aanhangig is, kan echter op zich reeds de uit die opmerkingen te trekken gevolgen beïnvloeden. Indien de Commissie de mogelijkheid zou hebben om haar voorstel nog vóór de ontvangst van de opmerkingen van de belanghebbenden aan de Raad toe te zenden, zou dit derhalve kunnen belemmeren dat met deze laatste terdege rekening wordt gehouden.(20)
49. In de onderhavige zaak was de Commissie gehouden Yongjian in kennis te stellen van haar nieuwe standpunt, dat was gebaseerd op een nieuwe of andere overweging als bedoeld in artikel 20, lid 4, van de basisverordening, namelijk dat de gegevens over de prijs van de staalimporten niet van dien aard waren dat zij een wijziging brachten in de conclusies ten aanzien van de verlening van de status van marktgericht bedrijf, die uit de niet-naleving van de IAS-normen door Yongjian moesten worden getrokken. Artikel 20, lid 4, biedt geen steun voor de stelling van de Commissie dat ingeval er enkel een wijziging in de beoordeling van onveranderd gebleven feiten optreedt, er geen mededeling aan belanghebbenden hoeft te worden gedaan. Wanneer de beoordeling van de relevante feitelijke elementen voor het eerst wordt gemaakt, dient deze aan de belanghebbenden te worden meegedeeld opdat zij hun opmerkingen daarover kunnen indienen. Nu de herziene definitieve mededelingen op 23 maart 2007 ter kennis van Yongjian zijn gebracht en het voorstel voor definitieve maatregelen op 29 maart 2007, dus zes dagen later, aan de Raad is toegezonden, heeft de Commissie niet in overeenstemming met de vereisten van artikel 20, lid 5, van de basisverordening gehandeld.(21)
50. Ondanks die opvatting wees het Gerecht niettemin het tweede middel van Yongjian af.
51. Het merkte op dat de niet-naleving van de termijn van tien dagen van artikel 20, lid 5, van de basisverordening enkel tot de nietigverklaring van de litigieuze verordening kan leiden, indien de mogelijkheid bestaat dat als gevolg van deze onregelmatigheid de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden en dat aan de rechten van de verdediging van Yongjian daadwerkelijk afbreuk is gedaan.(22) De herziene definitieve mededelingen bevatten evenwel geen nieuwe feiten die nog niet aan Yongjian waren meegedeeld, en Yongjian heeft in een eerdere fase van de procedure de gelegenheid gehad zich uit te laten over het standpunt dat opnieuw was vervat in de herziene definitieve mededelingen van 23 maart 2007. Bovendien heeft Yongjian, afgezien van de argumenten over de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, in haar brief van 2 april 2007 in antwoord op het standpunt van de Commissie geen nieuwe argumenten aangedragen. Haar opmerkingen in die brief over de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, en het reeds aangehaalde arrest Nanjing Metalink/Raad waren in elk geval niet van dien aard dat zij de inhoud van de litigieuze verordening konden beïnvloeden. Zoals in het kader van het eerste middel is geconstateerd, was de weigering om de status van marktgericht bedrijf te verlenen gebaseerd op de toepassing van de materiële criteria van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, van de basisverordening.(23)
Hogere voorziening
52. Yongjian heeft twee middelen aangevoerd, die ik hierna zal samenvatten, tezamen met de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Raad, de Commissie en de klagers, en de schriftelijke opmerkingen van de Italiaanse Republiek.
Eerste middel van de hogere voorziening: duidelijk met de inhoud van het dossier onverenigbare vaststelling
53. Yongjian stelt in wezen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening en van punt 44 van het arrest Nanjing Metalink/Raad irrelevant was, nu die conclusie kennelijk onverenigbaar is met de inhoud van het dossier. Bijgevolg is eveneens ten onrechte geen uitspraak gedaan over de fundamentele vraag of de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, de Commissie belette om terug te komen van haar oorspronkelijke beslissing de status van marktgericht bedrijf niet te verlenen.
54. Haar argumenten richten zich op het eerste deel van die stelling en steunen voor een belangrijk deel op de verklaringen van de Italiaanse regering en de Raad in hun schriftelijke opmerkingen in eerste aanleg(24), volgens welke de Commissie weer haar oorspronkelijke standpunt heeft ingenomen in antwoord op de bezwaren dat een nieuwe beoordeling in strijd zou zijn met de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening zoals uitgelegd in het arrest Nanjing Metalink/Raad. Volgens Yongjian blijkt duidelijk uit de stukken dat die kwestie niet ondergeschikt maar essentieel was voor de verandering van gedachten door de Commissie op het laatste moment, en daarmee voor de eindbeslissing om een antidumpingrecht van 18,1 % in plaats van 0 % in te stellen. De tegengestelde vaststelling van het Gerecht geeft duidelijk blijk van een onjuiste opvatting van de bewijzen in de zin van de rechtspraak en is derhalve vatbaar voor toetsing door het Hof.
55. De Raad, de Commissie en de klagers wijzen alle op de rechtspraak volgens welke enkel het Gerecht bevoegd is de feiten vast te stellen en te beoordelen, tenzij uit de overgelegde stukken blijkt dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn of de voorgelegde bewijsmiddelen onjuist zijn geïnterpreteerd(25), en een rekwirant, wanneer hij een dergelijke onjuiste uitlegging stelt, precies moet aangeven welk bewijsmateriaal volgens hem verkeerd is voorgesteld en moet aantonen welke fouten in de analyse tot de verkeerde voorstelling hebben geleid.(26)
56. De Raad merkt voorts op dat Yongjian slechts verwijst naar de verklaringen in de schriftelijke opmerkingen van de Raad (in feite een argument ontleend aan bewijsmateriaal waarover het Gerecht reeds beschikt) en van de Italiaanse regering (weergegeven in de vaststelling van het Gerecht dat „[v]erschillende leden van het raadgevend comité zich tegen de verlening van de status van marktgericht bedrijf aan verzoekster hebben verzet”). Zij verwijst niet naar de teksten die het Gerecht wél als bewijs heeft gebruikt, namelijk de overwegingen van de considerans van de litigieuze verordening, de in de herziene definitieve mededeling vermelde redenen en de toelichting in de brief van de Commissie van 4 april 2007.
57. De Commissie voegt hieraan toe dat opmerkingen van de Raad en de Italiaanse regering geen bewijs kunnen vormen voor de redenen van de Commissie zelf om weer haar oorspronkelijke standpunt in te nemen. Die redenen zijn gegeven in haar voorstel aan de Raad en waren gebaseerd op het feit dat Yongjian niet aan de toepasselijke materiële criteria voldeed.
58. De Italiaanse regering merkt op dat Yongjian niet de feiten en feitelijke vaststellingen heeft betwist op basis waarvan het Gerecht tot de conclusie is gekomen dat de Commissie haar oorspronkelijke beslissing niet heeft herzien met een concreet beroep op de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening.
59. Ter terechtzitting hebben de klagers aangevoerd dat de werkelijke reden voor de wijziging van het standpunt was, dat de Commissie in de definitieve mededeling van 20 februari 2007 Yongjians opvatting had aanvaard dat non-conformiteit met de IAS-normen enkel een belemmering voor de toekenning van de status van marktgericht bedrijf vormde indien dit van invloed was op de dumpingberekeningen, maar nadien op andere gedachten is gebracht door het argument van klagers dat de formele niet-naleving een beletsel vormde, ongeacht de gevolgen ervan, hetgeen de basis vormde voor de herziene mededeling van 23 maart.
60. Zowel de Italiaanse regering als de klagers benadrukken dat volgens het arrest Nanjing Metalink/Raad een weigering om de status van marktgericht bedrijf te verlenen alleen kan worden teruggedraaid ingeval er sprake is van een wijziging van de bekende feiten, terwijl Yongjian slechts heeft getracht aan te tonen dat de – door haar erkende – onregelmatigheden in de boekhouding geen gevolgen hadden voor haar prijzen.
Tweede middel van de hogere voorziening: onjuiste conclusie met betrekking tot de gevolgen van de schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening
61. Yongjian wijst op het fundamentele karakter van het recht van verweer in het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder in het kader van een antidumpingprocedure.(27) Hoewel Yongjian aanvaardt dat de niet-eerbiediging van dat recht de geldigheid van een bestreden maatregel uitsluitend kan aantasten indien het resultaat zonder die onregelmatigheid anders had kunnen zijn(28), betoogt zij dat dit alleen zo is wanneer er geen enkele mogelijkheid bestaat dat de uitkomst anders zal zijn.(29)
62. Yongjian herhaalt dat in casu de uitlegging van de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening bepalend was voor de beslissing om een antidumpingrecht van 18,1 % in plaats van 0 % in te stellen. Door het feit dat Yongjian niet in de gelegenheid is gesteld aan te tonen dat de uitlegging van de Commissie onjuist was, is haar het recht ontzegd om te worden gehoord. Indien zij dat recht had kunnen uitoefenen, had dit tot een wezenlijk ander resultaat kunnen leiden.
63. De Raad wijst op de vaststelling van het Gerecht dat de schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening niet van invloed was op de inhoud van de litigieuze verordening, en dus ook niet op het recht van verweer van Yongjian. Het argument van Yongjian is dan ook in hoge mate irrelevant. Het gaat in ieder geval uit van de vooronderstelling dat het eerste middel doel treft. Yongjians recht van verweer met betrekking tot de weigering om de status van marktgericht bedrijf toe te kennen is niet aangetast, aangezien zij reeds eerder in de gelegenheid was gesteld om te worden gehoord. Dat Yongjian in antwoord op het standpunt van de Commissie geen nieuwe argumenten had aangedragen en evenmin had verduidelijkt welke argumenten zij had kunnen aanvoeren, is bovendien een feitelijke vaststelling van het Gerecht, die in hogere voorziening niet kan worden getoetst.
64. Volgens de Commissie berust het middel op onjuiste vooronderstellingen. Het gaat er met name van uit dat Yongjian nieuwe en doorslaggevende argumenten had kunnen aanvoeren indien de Commissie tot na 2 april had gewacht om haar voorstel aan de Raad toe te zenden, en dat de Commissie ervan overtuigd was dat Yongjian recht had op de status van marktgericht bedrijf, maar meende die status vanwege de Nanjing Metalink-rechtspraak niet te kunnen toekennen. Het Gerecht heeft vastgesteld dat noch het een noch het ander het geval was, maar Yongjian betwist die vaststelling niet als een onjuiste voorstelling van de bewijzen.
65. De Italiaanse regering en de klagers onderschrijven in wezen de stellingen van de Raad en de Commissie.
Uitlegging van artikel 20, leden 4 en 5, van de basisverordening
66. De Raad, de Commissie en de klagers zijn het voorts niet eens met de opvatting van het Gerecht dat artikel 20, lid 5, van de basisverordening een termijn van tien dagen voor het maken van opmerkingen voorschrijft in alle gevallen waarin de Commissie haar oordeel baseert op feiten of overwegingen die verschillen van die in de definitieve mededelingen.
67. De twee instellingen hebben ter terechtzitting een onderscheid gemaakt tussen i) de definitieve mededeling als bedoeld in artikel 20, lid 4, eerste en tweede volzin, ii) feiten en overwegingen die de Commissie op het moment van de definitieve mededeling niet kan meedelen, als bedoeld in artikel 20, lid 4, derde volzin, en iii) andere feiten en overwegingen waarop besluiten daarna kunnen zijn gebaseerd, als bedoeld in de laatste volzin van voormelde bepaling. De vereiste termijn van tien dagen is naar hun mening enkel van toepassing in het geval van i), dat het onderzoek in zijn geheel betreft en dus van veel groter belang is dan eventuele daaropvolgende correcties. In het geval van ii) en iii) bestaat altijd een recht op antwoord;(30) het enige vereiste is dat de gestelde termijn redelijk moet zijn in het licht van de aard van de feiten of overwegingen.
68. Zowel de instellingen als de klagers wijzen erop dat bij antidumpingprocedures strikte termijnen gelden(31), waarvan de naleving zou worden bemoeilijkt indien onbelangrijke wijzigingen tot een verlenging zouden leiden. De Commissie voegt daaraan toe dat zij haar voorstel aan de Raad had kunnen wijzigen en dat ook zou hebben gedaan indien Yongjian na de toezending van het oorspronkelijke voorstel relevante opmerkingen had ingediend. De klagers stellen dat, indien Yongjians opmerkingen van 2 april 2007 tot een wijziging in het standpunt van de Commissie hadden geleid, vervolgens een termijn van tien dagen had moeten worden gegund opdat de EG-bedrijfstak zijn opmerkingen had kunnen maken, waardoor de totale termijn voor de procedure zou zijn overschreden. Alleen wanneer het om doorslaggevende nieuwe elementen gaat waarover partijen nog niet eerder opmerkingen hebben kunnen maken, moet de Commissie hen daarover informeren en hun tien dagen de tijd geven om opmerkingen te maken wanneer zij haar standpunt wijzigt – niet wanneer, zoals in casu, over alle relevante elementen reeds een volledig debat heeft plaatsgevonden.
Beoordeling
Eerste middel van de hogere voorziening: duidelijk met de inhoud van het dossier onverenigbare vaststelling
69. Het centrale en wezenlijke element van dit middel is de stelling dat de Commissie, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, haar uiteindelijke standpunt over de status van marktgericht bedrijf wel degelijk heeft gebaseerd op de overweging dat de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening haar belette haar oorspronkelijke beslissing te herzien.
70. Yongjian betwist niet de juistheid van enige feitelijke bevinding van het Gerecht, maar de beoordeling door het Gerecht van de vastgestelde feiten en de daaraan ontleende conclusie.
71. Uit de omvangrijke vaste rechtspraak blijkt dat het Hof „niet bevoegd [is] om de feiten vast te stellen, noch in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht daarvoor in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem overgelegde bewijzen. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van deze bewijzen.”(32)
72. Het begrip „verkeerde opvatting van het bewijs” is door het Hof voor het eerst gebruikt in het arrest Hilti/Commissie.(33) Het lijkt te zijn ontleend aan het Franse rechtsbegrip „dénaturation”, wat een grond is voor een beroep in cassatie. Dénaturation doet zich voor wanneer de rechter die over de zaak ten gronde moet oordelen, zijn bevoegdheid overschrijdt door een duidelijk en ondubbelzinnig geformuleerd document (zoals een overeenkomst, een laatste wilsbeschikking, een verslag, een vonnis, of een buitenlandse wet) uit te leggen op een wijze die niet met die formulering strookt. De uitlegging van een vaag of dubbelzinnig geformuleerd document valt daarentegen binnen de bevoegdheid van de rechter en kan in cassatie niet worden betwist.(34)
73. In het voorliggende geval heeft het Gerecht in zijn beoordeling verwezen naar de overwegingen van de considerans van de litigieuze verordening, naar de herziene definitieve algemene mededeling en naar de brief van de Commissie van 4 april 2007.
74. Op basis van de eerste twee documenten heeft het Gerecht vastgesteld dat de enige redenen die voor de eindbeslissing over de status van marktgericht bedrijf zijn gegeven, betrekking hadden op het feit dat Yongjians boekhoudpraktijken niet aan de IAS-normen voldeden.(35)
75. Die vaststelling lijkt niet te kunnen worden betwist en geeft zeker geen blijk van een onjuiste opvatting van het bewijs. Yongjian stelt dat overigens ook niet.
76. Uit de brief van 4 april 2007 volgt volgens het Gerecht dat de Commissie, ondanks haar opmerking: „zoals u weet staat de rechtspraak over de beslissing over verzoeken betreffende de status van marktgericht bedrijf een nieuw onderzoek van oude feiten niet toe”, in feite haar weigering om de status van marktgericht bedrijf te verlenen had gebaseerd op het feit dat Yongjians boekhouding in strijd was met de IAS-normen, in de zin dat zij het toerekeningsbeginsel veronachtzaamde, daarin onderlinge verrekeningen werden toegepast en daarin transacties als een geheel werden opgevoerd, terwijl zij afzonderlijk hadden moeten worden vermeld, welke punten bij de audits geen aanleiding tot opmerkingen hebben gegeven. Het Gerecht heeft voorts nota genomen van de verklaring van de Commissie dat de gegevens over de staalprijs geen aanleiding konden zijn voor een nieuwe beoordeling van de in de boekhouding van verzoekster geconstateerde lacunes. Het concludeerde bijgevolg dat de opmerking van de Commissie over de onmogelijkheid om oude feiten opnieuw te onderzoeken terloops is gemaakt, daar de weigering om de verlening van de status van marktgericht bedrijf voor te stellen, was gebaseerd op een beoordeling van de vraag of Yongjian voldeed aan de toepasselijke inhoudelijke criteria.(36)
77. Niets in die vaststellingen of conclusies geeft volgens mij een verkeerde voorstelling van de relevante passages van de brief van 4 april 2007(37) in de zin van de strikte criteria die volgens de rechtspraak van het Hof gelden.
78. Men zou weliswaar kunnen stellen dat uit de brief van 4 april 2007 eveneens valt af te leiden dat de voornaamste reden voor de plotse wijziging van het standpunt van de Commissie inderdaad was gelegen in haar mening dat zij niet op haar oorspronkelijke beslissing kon terugkomen. Zonder dat ik een oordeel over deze hypothese vel, is het echter duidelijk dat dit niet de enige conclusie is die uit de bewoordingen van de brief valt af te leiden. De feitelijk door het Gerecht getrokken conclusie vloeit dus voort uit een beoordeling van het bewijs die, nu er geen sprake is van een onjuiste voorstelling van dat bewijs, geen rechtsvraag oplevert die vatbaar is voor toetsing door het Hof.
79. De inhoud van de opmerkingen in eerste aanleg van de Italiaanse regering en de Raad maakt dit niet anders. Zelfs al zouden de aangehaalde verklaringen(38) als bewijzen in plaats van als argumenten kunnen worden beschouwd, het is duidelijk dat geen van deze partijen had kunnen weten wat precies de wijziging van het standpunt van de Commissie tussen de definitieve en de herziene definitieve mededelingen had veroorzaakt.
80. In haar eigen opmerkingen in eerste aanleg heeft de Commissie – die als enige het Gerecht met gezag over haar motieven kon informeren – immers specifiek gesteld, dat zowel de leden als de diensten van de Commissie naar aanleiding van de bezwaren van verschillende lidstaten bij nader inzien na de definitieve mededelingen tot de conclusie waren gekomen dat de tekortkomingen in de boekhouding van Yongjian van dien aard waren dat niet aan het criterium van artikel 2, lid 7, sub c, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, van de basisverordening was voldaan. De verwijzing naar het arrest Nanjing Metalink/Raad in de brief van 4 april 2007 was louter bedoeld ter indicatie dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd.(39)
81. Ik meen derhalve dat het eerste middel niet kan slagen. Het verwijt dat het Gerecht het bewijs onjuist heeft voorgesteld, is niet gegrond. Indien de beoordeling door het Gerecht van het bewijs standhoudt wat zijn conclusie betreft, dat de Commissie de wijziging van haar standpunt niet had gebaseerd op de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening zoals uitgelegd in het arrest Nanjing Metalink/Raad, is het argument betreffende de uitlegging van dat artikel en die rechtspraak zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening kennelijk irrelevant.
82. Dat gezegd zijnde, maak ik van deze gelegenheid gebruik om op te merken dat de benadering van het Gerecht in de punten 44 en 47 van het arrest Nanjing Metalink/Raad, zoals die hierboven in punt 15 is uiteengezet, mijns inziens juist is op alle punten waarop het Gerecht met zoveel woorden ingaat.
83. Het Gerecht maakt volgens mij terecht onderscheid tussen het opnieuw beoordelen van bewijsmateriaal dat reeds is beoordeeld (hetgeen verboden is) en het bereiken van een gewijzigde conclusie op basis van een wijziging in de feitelijke situatie (hetgeen is toegestaan). Ik merk nog op dat – zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft erkend en ter terechtzitting heeft bevestigd – de mogelijkheid om tot een dergelijke gewijzigde conclusie te komen beide kanten op moet werken: het moet een wijziging van de beslissing mogelijk maken, ongeacht of deze gunstig (zoals in Nanjing Metalink/Raad) dan wel ongunstig uitvalt voor de exporteur.
84. Indien derhalve Yongjian gewijzigde feitelijke omstandigheden had kunnen aantonen, maar de Commissie met een beroep op artikel 2, lid 7, sub c, laatste volzin, van de basisverordening had geweigerd daarmee rekening te houden, zou Yongjian plausibele redenen hebben gehad voor een verzoek om rechterlijke toetsing van de beslissing over de status van marktgericht bedrijf in de litigieuze verordening.
Tweede middel van de hogere voorziening: onjuiste conclusie met betrekking tot de gevolgen van de schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening
85. Mijn conclusie dat het eerste middel van Yongjian moet worden afgewezen, impliceert ook de afwijzing van het tweede middel.
86. Het Gerecht heeft op basis van de feiten geoordeeld dat de wijziging van het standpunt van de Commissie tussen de definitieve en de herziene definitieve mededelingen volledig was gebaseerd op kwesties waarover Yongjian reeds opmerkingen had kunnen maken, en niet was ingegeven door de uitlegging van de Commissie van de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening.
87. Indien die vaststelling standhoudt – en naar mijn mening is dat het geval – is Yongjian geen verweer onthouden ten aanzien van enig aspect dat de uitkomst had kunnen beïnvloeden. De conclusie van het Gerecht dat er weliswaar sprake was van schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening, maar dat dit de inhoud van de litigieuze verordening en derhalve verzoeksters rechten van de verdediging niet had aangetast, zodat de onregelmatigheid niet de onwettigheid en de nietigverklaring van de litigieuze verordening met zich kon brengen, is volledig in overeenstemming met de aangehaalde rechtspraak.(40)
88. Yongjian heeft evenmin een argument aangevoerd dat niet uitgaat van de veronderstelling dat de standpuntwijziging van de Commissie daadwerkelijk was gebaseerd op de visie dat de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening de Commissie belette haar oorspronkelijke beoordeling over de status van marktgericht bedrijf te herzien, zodat Yongjian opmerkingen had kunnen maken om die visie te weerleggen. Zij stelt dat een schending van het recht om te worden gehoord ingevolge het arrest Alrosa/Commissie(41) alleen als zuivere schending van vormvoorschriften buiten beschouwing kan worden gelaten, indien er geen enkele mogelijkheid bestaat dat de uitkomst anders had kunnen zijn; het is echter een materieel gebrek dat de geldigheid van de vastgestelde maatregel aantast, indien slechts de precieze omvang van het mogelijke gevolg voor de uitkomst niet is vast te stellen. Dat argument is evenwel niet relevant wanneer de enige opmerkingen die de betrokken partij naar haar zeggen niet heeft kunnen maken, betrekking hebben op kwesties waarvan is vastgesteld dat deze de uitkomst niet kunnen beïnvloeden.
Uitlegging van artikel 20, leden 4 en 5, van de basisverordening
89. Rest nog de door de Raad, de Commissie en de klagers opgeworpen vraag of het Gerecht terecht heeft overwogen dat de Commissie volgens artikel 20, lid 5, van de basisverordening partijen tien dagen de tijd moet gunnen om op iedere nieuwe mededeling van feiten of overwegingen te reageren voordat zij haar voorstel aan de Raad voorlegt.
90. Deze vraag is niet in een incidentele hogere voorziening aan de orde gesteld(42), en is ook niet relevant voor de beslissing op deze hogere voorziening. Indien opmerkingen over de uitlegging van de laatste volzin van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening geen enkele invloed zouden kunnen hebben gehad op de uitkomst van de beoordeling door de Commissie van de status van marktgericht bedrijf, en derhalve op de inhoud van de litigieuze verordening, is het feit dat Yongjian niet de gelegenheid heeft gehad die opmerkingen te maken irrelevant – ongeacht of het ontbreken van die gelegenheid al dan niet formeel een schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening opleverde.
91. Niettemin is het een kwestie van evident belang voor de instellingen en alle betrokken partijen in antidumpingprocedures. Ik zal er hier daarom kort op ingaan.
92. In de eerste plaats ben ik niet bijzonder onder de indruk van het beroep van de instellingen en de klagers op de strikte totale termijn die voor antidumpingonderzoeken geldt. De gemeenschapswetgever heeft die termijn ingesteld tezamen met een aantal kortere tijdslimieten die moeten worden nageleefd binnen de totale termijn. Het is aan de instellingen de nodige stappen te nemen om aan al die termijnen te kunnen voldoen; er is geen enkele reden om hen te ontheffen van naleving van een deeltermijn op grond dat dit de eerbiediging van de totale termijn bemoeilijkt.
93. In de tweede plaats onderschrijf ik de conclusie van het Gerecht dat opmerkingen van betrokken partijen moeten zijn ontvangen vóórdat de Commissie haar voorstel overlegt aan de Raad, evenals de redenering op basis waarvan het Gerecht tot die conclusie komt.(43) Opmerkingen met betrekking tot andere feiten of overwegingen dan die welke zijn vervat in de definitieve mededeling en op basis waarvan een andere conclusie wordt bereikt, verdienen evenzeer in overweging te worden genomen als opmerkingen met betrekking tot de definitieve mededeling zelf. Hun praktische status zou evenwel duidelijk worden ondermijnd indien zij eerst zouden worden ontvangen nadat de Commissie haar voorstel heeft afgerond en aan de Raad heeft toegezonden – in dat geval zou een aanzienlijk risico bestaan dat zij niet in dezelfde mate in aanmerking worden genomen.
94. In de derde plaats merk ik op dat de Commissie in dit geval wel een termijn heeft gesteld waarbinnen Yongjian opmerkingen over de herziene mededelingen kon indienen, zodat het niet van belang is of zij dat volgens de basisverordening al dan niet behoefde te doen. Door evenwel een dergelijke termijn te stellen, heeft de Commissie zich noodzakelijkerwijs te houden aan het vereiste van artikel 20, lid 5, dat het een termijn van ten minste tien dagen moet zijn. Aanvankelijk voldeed zij niet aan het vereiste door een termijn van slechts zes dagen te stellen. Toen zij die fout herstelde door de termijn te verlengen tot tien dagen, was zij logischerwijs gehouden de opmerkingen af te wachten (en in aanmerking te nemen) voordat zij haar voorstel aan de Raad zond.
95. In dat verband merk ik op dat het voorstel is voorgelegd op 2 april 2007, net iets minder dan veertien maanden na de inleiding van het onderzoek op 4 februari 2006, en dat de litigieuze verordening is vastgesteld op 19 april 2007, veertien maanden en negen werkdagen na die inleiding. Er was dus nog speelruimte voordat de in de basisverordening bepaalde termijn van vijftien maanden verstreek. In ieder geval is duidelijk dat de Commissie, die zich bewust is van de termijnen waaraan zij zich dient te houden, bij een antidumpingonderzoek zowel met deze beperkingen als met de noodzaak de rechten van de verdediging te eerbiedigen rekening moet houden. Zij dient waar nodig terug te rekenen vanaf de voorgeschreven uiterste termijnen, om partijen in de gelegenheid te stellen de nodige opmerkingen te maken.
96. In de vierde plaats komt het mij voor dat de handelwijze van de Commissie in het onderhavige geval (met name gezien het feit dat de herziene mededelingen een wezenlijke en volstrekt onaangekondigde wijziging van haar standpunt inhielden met aanmerkelijke gevolgen voor de belangen van Yongjian, en dat zij op een vrijdagavond na de gebruikelijke kantooruren per fax zijn verzonden) in ieder geval onverenigbaar is met de beginselen van goed bestuur. Ongeacht of er al dan niet sprake was van een schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening, geeft het handelen van de Commissie duidelijk blijk van bijzonder weinig consideratie voor een partij wier belangen zij aantastte en die met recht een grotere efficiëntie en consideratie van een gemeenschapsinstelling mocht verwachten.
97. Tot slot ben ik het desalniettemin met de instellingen en de klagers eens dat niet bij iedere wijziging van de feiten of overwegingen waarop het voorstel van de Commissie aan de Raad is gebaseerd een termijn voor het indienen van verdere opmerkingen behoeft te worden gegund. Sommige wijzigingen zullen dermate ondergeschikt zijn, dat zij geen opmerkingen behoeven of niet van invloed op de uitkomst kunnen zijn. In het laatste geval doet het evenwel in feite niet ter zake of er al dan niet sprake is van een formele schending van artikel 20, lid 5, van de basisverordening, aangezien het ontbreken van mogelijke gevolgen voor de uitkomst betekent dat de geldigheid van de definitieve maatregel niet wordt aangetast.
98. In het voorliggende geval was de standpuntwijziging zo radicaal en onverwacht, en waren de gevolgen ervan zodanig, dat meer tijd om opmerkingen te maken van essentieel belang was. Ook al was Yongjian niet in staat opmerkingen in te dienen die de uitkomst hadden kunnen beïnvloeden, dit had niet van meet af aan mogen worden verondersteld.
Kosten
99. Volgens artikel 122 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof ten aanzien van de kosten wanneer een hogere voorziening ongegrond is. Ingevolge artikel 69, lid 2, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 4, dienen de lidstaten en instellingen die in het geding zijn tussengekomen hun eigen kosten te dragen, terwijl het Hof kan bepalen dat andere interveniënten hun eigen kosten dragen.
100. In het voorliggende geval ben ik van mening dat de hogere voorziening moet worden afgewezen. De Raad heeft verwijzing in de kosten gevorderd. De klagers hebben eveneens een veroordeling in de proceskosten gevorderd, en hun deelname aan de hogere voorziening lijkt gerechtvaardigd daar hun belangen worden geraakt. Yongjian dient bijgevolg te worden verwezen in de kosten van de Raad en de klagers, terwijl de Italiaanse regering en de Commissie de eigen kosten dienen te dragen.
Conclusie
101. Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging:
– de hogere voorziening af te wijzen;
– Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd in de kosten van de Raad van de Europese Unie en van Vale Mill (Rochdale) Ltd, Pirola SpA en Colombo New Scal SpA te verwijzen;
– de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de eigen kosten te verwijzen.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 29 januari 2008, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad (T‑206/07, Jurispr. blz. II‑1; hierna: „bestreden arrest”).
3 – Zie heel recentelijk het arrest van het Hof van 22 december 2008, British Aggregates Association/Commissie en Verenigd Koninkrijk (C‑487/06 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 97).
4 – Verordening van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd.
5 – Dit houdt kennelijk verband met verordening (EG) nr. 1725/2003 van de Commissie van 29 september 2003 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 261, blz. 1). De International Accounting Standard („IAS”) (internationale boekhoudstandaard) 1 heeft betrekking op de presentatie van de jaarrekening.
6 – Het in artikel 15 van de basisverordening bedoelde raadgevend comité bestaat uit vertegenwoordigers van elke lidstaat en heeft als voorzitter een vertegenwoordiger van de Commissie.
7 – Arrest van 14 november 2006, Nanjing Metalink International/Raad (T‑138/02, Jurispr. blz. II‑4347, in het bijzonder de punten 44 en 47).
8 – In dat arrest had het Gerecht geen reden om in te gaan op de tegengestelde situatie (en deed het dat dus ook niet), waarin als gevolg van een wijziging van de feitelijke situatie op basis waarvan die status was geweigerd, niet langer kan worden geoordeeld dat de betrokken producent niet onder marktvoorwaarden opereert.
9 – Verordening van de Commissie van 30 oktober 2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op strijkplanken uit de Volksrepubliek China en Oekraïne (PB L 300, blz. 13) (hierna: „voorlopige verordening”).
10 – De bijzondere mededeling betrof enkel de dumpingberekeningen, en niet de kwesties die in deze zaak in eerste aanleg of in hogere voorziening spelen.
11 – Aangehaald door Yongjian in hogere voorziening; mijn vertaling van het Italiaanse origineel.
12 – Door Yongjian aangehaald in hogere voorziening; mijn vertaling van het Frans.
13 – Verordening (EG) nr. 452/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne (PB L 109, blz. 12).
14 – Vale Mill (Rochdale) Ltd, Pirola SpA en Colombo New Scal SpA (hierna: „klagers”).
15 – Punt 44 van het bestreden arrest.
16 – Punt 45.
17 – Punt 46; de relevante passages uit de brief zijn in hun geheel hierboven in punt 32 aangehaald.
18 – Punt 65, met verwijzing naar het arrest van 19 november 1998, Champion Stationery e.a./Raad (T‑147/97, Jurispr. blz. II‑4137, punten 81‑83).
19 – Punt 66, met verwijzing naar het arrest van 5 oktober 1994, Duitsland/Raad (C‑280/93, Jurispr. blz. I‑4973, punt 36).
20 – Punt 67.
21 – Punten 68‑70.
22 – Punt 71, met verwijzing naar de arresten van 10 juli 1980, Distillers Company/Commissie (30/78, Jurispr. blz. 2229, punt 26), en 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, Jurispr. blz. II‑3663, punt 331).
23 – Punten 72‑75.
24 – Hierboven aangehaald in respectievelijk punt 26 en punt 33.
25 – Arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie (C‑390/95 P, Jurispr. blz. I‑769, punt 29).
26 – Arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 50).
27 – Arrest van 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer/Raad (C‑49/88, Jurispr. blz. I‑3187, punt 16).
28 – Zie de hierboven in voetnoot 22 aangehaalde rechtspraak.
29 – Arrest van 11 juli 2007, Alrosa/Commissie (T‑170/06, Jurispr. blz. II‑2601, punt 203).
30 – Punt 5 van de considerans van de basisverordening geeft aan dat zij is gebaseerd op de antidumpingovereenkomst van 1994 van de WHO, waarvan artikel 6.9 luidt: „Voordat definitieve conclusies worden getrokken stellen de autoriteiten alle belanghebbenden in kennis van de voornaamste onderzochte feiten die aan het besluit tot het al dan niet nemen van definitieve maatregelen ten grondslag liggen. Deze kennisgeving moet tijdig genoeg gebeuren om alle partijen de gelegenheid te geven hun belangen te verdedigen.”
31 – Artikel 6, lid 9, bepaalt een maximumtermijn van vijftien maanden voor het volledige onderzoek en artikel 7, lid 7, een periode van negen maanden voor voorlopig rechten, terwijl volgens artikel 9, lid 4, een voorstel voor definitieve rechten ten minste één maand voor het verstrijken van voorlopige rechten moet zijn voorgelegd.
32 – Arrest British Aggregates, aangehaald in voetnoot 3, punt 97; zie eveneens de hierboven in punt 55 aangehaalde rechtspraak.
33 – Arrest van 2 maart 1994 (C‑53/92 P, Jurispr. blz. I‑667, punt 42).
34 – Zie bijvoorbeeld de definities in Cornu, Vocabulaire juridique, Parijs, 1987, of .
35 – Punten 43‑45 van het bestreden arrest.
36 – Punten 46‑49 van het bestreden arrest.
37 – Hierboven in punt 32 verbatim weergegeven.
38 – Hierboven aangehaald in respectievelijk punt 26 en punt 33.
39 – Zie in het bijzonder de punten 10 en 11 van de memorie in interventie van de Commissie in eerste aanleg.
40 – Zie hierboven, punt 51 en voetnoot 22.
41 – Zie hierboven, punt 61 en voetnoot 29.
42 – Ter terechtzitting heeft de Raad verklaard, indien ik dit juist heb begrepen, dat zijn bezwaar was gericht tegen de principiële uitspraak van het Gerecht, en niet tegen de vaststelling dat de Commissie artikel 20, lid 5, van de basisverordening had geschonden.
43 – Zie hierboven, punt 48.
Full & Egal Universal Law Academy