CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 28 april 2010 (1)
Zaak C‑185/08
Latchways plc
Eurosafe Solutions BV
tegen
Kedge Safety Systems BV
Consolidated Nederland BV
[verzoek van de Rechtbank ’s‑Gravenhage (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 89/106/EEG – Producten bestemd voor de bouw – Richtlijn 89/686/EEG – Persoonlijke beschermingsmiddelen – Besluit 93/465/EEG – CE-markering – Verankeringsvoorzieningen ter valbeveiliging bij het werken op platte daken – Europese norm 795”
Inhoud
I – Inleiding
II – Rechtskader
A – Richtlijn 89/106
B – Richtlijn 89/686
C – Besluit 93/465
III – Europese norm 795
IV – Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
V – Procesverloop voor het Hof
VI – Argumenten van partijen
A – De eerste prejudiciële vraag
B – De tweede prejudiciële vraag
C – De derde prejudiciële vraag
D – De vierde prejudiciële vraag
E – De vijfde prejudiciële vraag
F – De zesde prejudiciële vraag
G – De zevende en de achtste prejudiciële vraag
VII – Juridische beoordeling
A – Algemene opmerkingen
B – De eerste prejudiciële vraag
C – De tweede prejudiciële vraag
D – De derde prejudiciële vraag
E – De vierde prejudiciële vraag
F – De vijfde prejudiciële vraag
G – De zesde prejudiciële vraag
H – De zevende en de achtste prejudiciële vraag
VIII – Conclusie
I – Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure krachtens artikel 234 EG(2) legt de Rechtbank ’s‑Gravenhage (hierna: „verwijzende rechter”) het Hof acht prejudiciële vragen voor over de uitlegging van richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten(3) alsmede van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen.(4)
2. Met deze prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verankeringsvoorzieningen ter valbeveiliging bij het werken op platte daken, die een aan het dak vastgemaakte constructieverankering omvatten, onder richtlijn 89/106 en/of richtlijn 89/686 kunnen vallen. In dit verband wenst de verwijzende rechter tevens te vernemen of en onder welke voorwaarden op dergelijke verankeringsvoorzieningen de CE‑markering mag worden aangebracht.
II – Rechtskader
A – Richtlijn 89/106
3. Artikel 1 van richtlijn 89/106 luidt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op voor de bouw bestemde producten, voor zover de fundamentele voorschriften voor bouwwerken overeenkomstig artikel 3, lid 1, daarmee in verband staan.
2. In deze richtlijn wordt onder ‚voor de bouw bestemde producten’ verstaan producten die worden vervaardigd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken zijn begrepen.
‚Voor de bouw bestemde producten’ worden hierna ‚producten’ genoemd. ‚Bouwwerken’, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken zijn begrepen, worden hierna ‚werken’ genoemd.”
4. Artikel 2 van richtlijn 89/106 bepaalt:
„1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde producten die voor verwerking in werken bestemd zijn, alleen dan in de handel kunnen worden gebracht, wanneer zij voor het beoogde doel geschikt zijn, dat wil zeggen zodanige eigenschappen bezitten dat de werken waarin zij moeten worden verwerkt, gemonteerd, toegepast of geïnstalleerd, indien behoorlijk ontworpen en uitgevoerd, kunnen voldoen aan de in artikel 3 genoemde fundamentele voorschriften, voor zover die werken zijn onderworpen aan regelingen waarin die voorschriften zijn opgenomen.
2. a) Indien producten met betrekking tot andere aspecten onder andere richtlijnen vallen die voorzien in het aanbrengen van de in artikel 4, lid 2, bedoelde CE-markering, geeft deze markering aan dat de producten geacht worden ook aan de voorschriften van deze andere richtlijnen te voldoen.
[...]”
5. Artikel 3 van richtlijn 89/106 luidt:
„1. De fundamentele voorschriften voor werken die op de technische eigenschappen van een product van invloed kunnen zijn, zijn in bijlage I in de vorm van doelstellingen weergegeven.
[...]
3. De fundamentele voorschriften worden concreet uitgewerkt in documenten (basisdocumenten), waarmee het vereiste verband wordt gelegd tussen de fundamentele voorschriften overeenkomstig lid 1 en de normalisatiemandaten, mandaten voor richtlijnen voor Europese technische goedkeuring of de erkenning van andere technische specificaties in de zin van de artikelen 4 en 5.”
6. Artikel 4 van richtlijn 89/106 bepaalt:
„1. Normen en technische goedkeuringen worden in deze richtlijn ‚technische specificaties’ genoemd.
In deze richtlijn wordt verstaan onder geharmoniseerde normen: de technische specificaties die door het CEN of het CENELEC, dan wel door beide instanties, zijn vastgesteld op grond van de door de Commissie overeenkomstig richtlijn 83/189/EEG verstrekte mandaten, aan de hand van een advies van het in artikel 19 bedoelde Comité, en in overeenstemming met de op 13 november 1984 ondertekende algemene bepalingen voor de samenwerking tussen de Commissie en deze beide instanties.
2. De lidstaten gaan ervan uit dat de producten geschikt voor gebruik zijn wanneer zij van zodanige aard zijn dat de werken waarin zij worden gebruikt, mits behoorlijk ontworpen en gebouwd, aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften kunnen voldoen, indien deze producten voorzien zijn van de CE-markering die aangeeft dat zij voldoen aan alle voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures van hoofdstuk V en de procedure van hoofdstuk III. [...]”
7. Artikel 7 van richtlijn 89/106 luidt:
„1. Om de kwaliteit van de geharmoniseerde normen voor producten te waarborgen moeten deze normen door de Europese normalisatie-instellingen worden opgesteld op basis van mandaten die de Commissie hun overeenkomstig de procedure van richtlijn 83/189/EEG, na raadpleging van het in artikel 19 bedoelde Comité, verleent in overeenstemming met de op 13 november 1984 ondertekende algemene bepalingen voor de samenwerking tussen de Commissie en deze instanties.
2. De aldus opgestelde normen moeten, rekening houdend met de basisdocumenten, zo veel mogelijk worden opgesteld in de vorm van prestatievoorschriften betreffende producten.
3. Na het opstellen van de normen door de Europese normalisatie-instanties maakt de Commissie de referenties van de normen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.”
B – Richtlijn 89/686
8. Artikel 1 van richtlijn 89/686 luidt:
„1. Deze richtlijn is van toepassing op persoonlijke beschermingsmiddelen, hierna te noemen ‚beschermingsmiddelen’.
Zij bevat de voor het in de handel brengen en het vrij verkeer binnen de Gemeenschap geldende voorwaarden, alsmede de fundamentele veiligheidsvoorschriften waaraan beschermingsmiddelen moeten voldoen om de gezondheid van de gebruiker te beschermen en zijn veiligheid te waarborgen.
2. In deze richtlijn wordt onder beschermingsmiddel een uitrustingsstuk of ‑middel verstaan dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden als bescherming tegen één of meer gevaren die een bedreiging voor zijn gezondheid en zijn veiligheid kunnen vormen.
Als beschermingsmiddel wordt ook beschouwd:
a) een geheel dat is samengesteld uit verscheidene uitrustingsstukken of ‑middelen die door de fabrikant onderling zijn verbonden om een persoon te beschermen tegen één of meer, mogelijk gelijktijdig optredende gevaren;
b) een uitrustingsstuk of beschermingsmiddel dat al of niet onlosmakelijk verbonden is met een niet-beschermende persoonlijke uitrusting die door een persoon wordt gedragen of vastgehouden voor het bedrijven van een bepaalde activiteit;
c) verwisselbare onderdelen van een beschermingsmiddel die voor de goede werking ervan onontbeerlijk zijn, en die uitsluitend voor dat beschermingsmiddel worden gebruikt.
3. Als integrerend bestanddeel van een beschermingsmiddel wordt beschouwd, ieder samen met het beschermingsmiddel in de handel gebracht verbindingssysteem dat het beschermingsmiddel aan een andere, externe voorziening verbindt, zelfs wanneer het verbindingssysteem voor de tijdsduur dat de gebruiker aan het risico c.q. de risico’s is blootgesteld, niet ononderbroken behoeft te worden gedragen of meegevoerd.
[...]”
9. Conform artikel 3 van richtlijn 89/686 moeten de in artikel 1 bedoelde beschermingsmiddelen voldoen aan de fundamentele gezondheids‑ en veiligheidsvoorschriften van bijlage II.
10. Op grond van artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/686 mogen de lidstaten het in de handel brengen van beschermingsmiddelen of onderdelen van beschermingsmiddelen niet verbieden, beperken of verhinderen, indien deze voldoen aan deze richtlijn en voorzien zijn van de CE-markering, waarmee wordt aangegeven dat de producten voldoen aan alle bepalingen van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
C – Besluit 93/465
11. Artikel 1 van besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van overeenstemming(5) luidt als volgt:
„1. De overeenstemmingsbeoordelingsprocedures die moeten worden gebruikt in de richtlijnen voor technische harmonisatie betreffende het in de handel brengen van industrieproducten, worden uit de in de bijlage vermelde modules gekozen aan de hand van de criteria die in dit besluit en in de in de bijlage opgenomen algemene richtsnoeren zijn aangegeven.
[...]
2. Bij dit besluit worden de regels vastgesteld voor het aanbrengen van de CE-markering van overeenstemming zoals bedoeld in de communautaire regelgevingen betreffende het ontwerp, de vervaardiging, het in de handel brengen, het in gebruik nemen of het gebruik van industrieproducten.
[...]”
III – Europese norm 795
12. De Europese norm 795 (hierna: „EN 795”) werd op 29 maart 1996 vastgesteld door de Europese Commissie voor normalisatie en op 12 februari 2000 door de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 89/686 als geharmoniseerde norm in de zin van deze richtlijn bekendgemaakt.(6)
13. De norm EN 795 luidt als volgt:
„1. Onderwerp en toepassingsgebied
Deze norm geeft eisen, beproevingsmethoden, gebruiksaanwijzingen en merken voor verankeringsvoorzieningen die uitsluitend voor persoonlijke bescherming tegen vallen zijn bedoeld.
Deze norm is niet bedoeld voor haken die zijn ontworpen volgens EN 517 of loopplanken volgens EN 516 of voor vaste verankeringspunten die deel van de oorspronkelijke constructie vormen.
[...]
3. Definities
Voor de toepassing van deze norm gelden de volgende definities:
3.1 verankeringsvoorziening: element of een serie van elementen of onderdelen die een verankeringspunt of verankeringspunten bevatten.
3.2 element: een deel van een onderdeel of subsysteem. Touwen, geweven band, bevestigingselementen, fittings en ankerlijnen zijn voorbeelden van elementen.
[...]
3.4 verankeringspunt: een element waaraan persoonlijke beschermingsmiddelen na installatie van een verankeringsvoorziening [kunnen] worden vastgemaakt.
3.5 constructieverankering: een element of elementen die blijvend aan een constructie zijn vastgemaakt waaraan een verankeringsvoorziening of persoonlijk beschermingsmiddel kan worden vastgemaakt.
[...]
3.13 Klassen
3.13.1 Klasse A
3.13.1.1 Klasse A1
Klasse A1 omvat constructieverankeringen die zijn ontworpen om verticale en horizontale vlakken en oppervlakken onder een hoek te zekeren, bijv. wanden, kolommen, bovendorpels (zie figuur 1).
[...]
3.13.1.2 Klasse A2
Klasse A2 omvat constructieverankeringen bedoeld om te worden vastgemaakt aan hellende daken (zie figuur 2).
[...]
4.3 Specifieke eisen voor verankeringsvoorzieningen
4.3.1 Klasse A
4.3.1.1 Klasse A1 – Typebeproeving voor verankeringsvoorzieningen die aan verticale en horizontale oppervlakken en oppervlakken onder een hoek worden vastgemaakt
Een statische beproeving moet worden uitgevoerd zoals in 5.2.1 is beschreven met een aangebrachte kracht van 10 kN in de richting waarin de kracht tijdens gebruik kan worden aangebracht. Deze kracht moet 3 minuten worden aangehouden. De verankeringsvoorziening moet de kracht houden.
Een dynamische beproeving moet worden uitgevoerd zoals in 5.3.2. is beschreven. De valmassa moet worden gestopt.
[...]
5.2 Beproevingsprocedures voor de statische sterkte
5.2.1 Klasse A1 – Verankeringsvoorzieningen
Monteer de verankeringsvoorziening volgens de montage-instructie in een monster van het soort waarvoor het bedoeld is [...]
Monteer het beproevingsapparaat voor de statische sterkte uit 4.1.1 om de beproevingskracht in de richting of richtingen van gebruik aan te brengen en onderwerp het verankeringspunt aan de statische beproevingskracht gegeven in 4.3.1.1. Neem waar dat de verankeringsvoorziening de kracht houdt.
[...]”
IV – Feiten en verzoek om een prejudiciële beslissing
14. De twee partijen in het hoofdgeding zijn beiden producenten van verankeringsvoorzieningen ter valbeveiliging bij het werken op platte daken. In wezen verschillen zij van mening over de vraag of de verankeringsvoorziening van de andere producent veilig is en of de betrokken verankeringsvoorzieningen mogen of moeten worden voorzien van de CE‑markering.
15. De eerste verzoekster in het hoofdgeding, Latchways PLC, vervaardigt de verankeringsvoorziening „Mansafe Constant Force Post”. De tweede verzoekster in het hoofdgeding, EuroSafe Solutions BV, is de Nederlandse distributeur van deze verankeringsvoorziening. De eerste verweerster in het hoofdgeding, Kedge Safety Systems BV, is producent van de verankeringsvoorziening „Kedge Safety”, die door de tweede verweerster in het hoofdgeding, Consolidated Nederland BV, wordt verkocht.
16. Het belangrijkste onderdeel van de litigieuze verankeringsvoorzieningen is een constructieverankering die aan het dak wordt vastgemaakt. Aan deze constructieverankering kan een vallijn worden bevestigd, die op haar beurt kan worden verbonden met een door de dakwerker gedragen valharnas.
17. De „Mansafe Constant Force Post” heeft vanuit technisch oogpunt de eigenschap, dat het verankeringspunt aan het dak wordt vastgeschroefd. De „Kedge Safety” wordt daarentegen bevestigd door middel van verkleving van een rozet met de bitumineuze dakbedekking. Gezien het bovenstaande zijn zowel de „Mansafe Constant Force Post” als de „Kedge Safety” aan te merken als klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795.
18. In 2004 heeft een Duitse instantie voor onderzoek en certificering de „Kedge Safety” in opdracht van verweerster in het hoofdgeding getest als klasse A1 verankeringsvoorziening volgens EN 795:1996, punten 5.2.1 en 5.3.2. Naar aanleiding van dit onderzoek werd op 6 oktober 2004 een certificaat en een testrapport afgegeven, volgens welke de Kedge Safety op de onderzochte punten aan de norm voldeed.
19. In 2005 hebben verzoeksters in het hoofdgeding de „Kedge Safety” twee keer door een andere onderzoeksinstantie laten testen. Deze instantie kwam tot de conclusie dat de „Kedge Safety” onder bepaalde klimatologische omstandigheden tekortschoot op het punt van de belastbaarheid en onder deze omstandigheden derhalve niet voldeed aan EN 795.
20. Op grond van deze testresultaten hebben verzoeksters in het hoofdgeding verweersters in het hoofdgeding aangemaand de distributie van de „Kedge Safety” wegens onveiligheid te staken en de reeds verkochte verankeringsvoorzieningen van dit type terug te roepen. Verweersters in het hoofdgeding hebben hieraan geen gevolg gegeven.
21. Tegen de achtergrond van dit geschil over de veiligheid van de „Kedge Safety” vorderen verzoeksters in het hoofdgeding onder meer dat wordt vastgesteld dat de „Kedge Safety” uitsluitend met CE-markering mag worden verhandeld. Subsidiair vorderen verzoeksters in het hoofdgeding onder meer dat verweersters in het hoofdgeding wordt bevolen iedere mededeling dat de „Kedge Safety” voldoet aan EN 795, te staken.
22. Verweersters in het hoofdgeding vorderen in reconventie onder meer dat wordt vastgesteld dat verzoeksters in het hoofdgeding ten onrechte een CE-markering op de „Mansafe Constant Force Post” hebben aangebracht.
23. In dit verband dient de verwijzende rechter de vraag te beantwoorden of de litigieuze verankeringsvoorzieningen binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/106 en/of van richtlijn 89/106 kunnen vallen. De verwijzende rechter dient verder te bepalen of en onder welke voorwaarden op dergelijke verankeringsvoorzieningen een CE-markering mag of moet worden aangebracht.
24. Aangezien de verwijzende rechter twijfels heeft ten aanzien van de uitlegging van de voor de beslissing relevante bepalingen van de richtlijnen 89/106 en 89/686, heeft hij het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Vallen klasse A I verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 (die bedoeld zijn om duurzaam ter plaatse te blijven) exclusief onder het bereik van richtlijn 89/106/EEG?
2) Als vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, vallen deze verankeringsvoorzieningen – dan eventueel als onderdeel van het beschermingsmiddel – onder het bereik van richtlijn 89/686/EEG?
3) Als de vragen 1 en 2 ontkennend worden beantwoord: dient dan mede gelet op bijlage II bij de richtlijn 89/686/EEG, in het bijzonder artikel 3.1.2.2. daarvan, – ten aanzien van een persoonlijk beschermingsmiddel dat onder het bereik van deze richtlijn valt – te worden beoordeeld of dit beschermingsmiddel op zich zelf (sec) voldoet aan de fundamentele voorschriften van deze richtlijn of dient daarbij mede te worden betrokken de vraag of de verankeringsvoorziening – waarmee het betreffende beschermingsmiddel wordt verbonden – veilig is onder de te verwachten gebruiksomstandigheden, als bedoeld in die bijlage II?
4) Staat het gemeenschapsrecht en in het bijzonder [besluit] 93/465/EEG[(7)] toe dat op facultatieve basis een CE-markering op een verankeringsvoorziening als bedoeld in vraag 1 wordt aangebracht als bewijs van overeenstemming met richtlijn 89/686/EEG en/of richtlijn 89/106/EEG?
5) Indien het antwoord op vraag 4 geheel of gedeeltelijk bevestigend is: met inachtneming van welke procedure(s) dient die overeenstemming te worden bepaald ten aanzien van de richtlijn 89/686/EEG en/of 89/106/EEG?
6) Dient de norm EN 795 ten aanzien van de onder vraag 1 bedoelde verankeringsvoorzieningen te worden aangemerkt als – door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uit te leggen – gemeenschapsrecht?
7) Als vraag 6 bevestigend wordt beantwoord, dient EN 795 dan zo te worden uitgelegd dat de onder vraag 1 bedoelde verankeringsvoorziening (door een Notified Body) moet worden getest onder te verwachten gebruiksomstandigheden (zoals buitentemperaturen, weersomstandigheden, veroudering van de verankeringsvoorziening zelf en/of van materialen waarmee zij is bevestigd, respectievelijk van de dakconstructie)?
8) Als vraag 7 bevestigend wordt beantwoord, dient dan te worden getest met inachtneming van (in de gebruiksaanwijzing aangegeven) gebruiksrestricties?”
V – Procesverloop voor het Hof
25. Het verwijzingsvonnis van 23 april 2008 is ter griffie van het Hof ingekomen op 29 april 2008. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeksters en verweersters in het hoofdgeding, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Koninkrijk België alsmede door de Commissie. Ter terechtzitting, die op 25 februari 2010 heeft plaatsgevonden, zijn de gemachtigden van verzoeksters en van verweersters in het hoofdgeding alsmede de vertegenwoordiger van de Commissie gehoord.
VI – Argumenten van partijen
A – De eerste prejudiciële vraag
26. De eerste prejudiciële vraag, of klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 uitsluitend onder richtlijn 89/106 vallen, wordt door verweersters in het hoofdgeding bevestigend beantwoord. Verzoeksters in het hoofdgeding, de Commissie alsmede de Nederlandse en de Belgische regering beantwoorden deze vraag ontkennend.
27. Verweersters in het hoofdgeding baseren zich op de definitie in artikel 1, lid 2, van richtlijn 89/106, volgens welke onder „voor de bouw bestemd product” elk product wordt verstaan dat wordt vervaardigd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken zijn begrepen. Aangezien de litigieuze verankeringsvoorzieningen bedoeld zijn om blijvend aan een dak te worden vastgemaakt, zijn deze volgens verweersters als voor de bouw bestemde producten aan te merken, waarop richtlijn 89/106 conform artikel 1, lid 1, van toepassing is. Zij zien zich gesterkt in deze opvatting doordat het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie van de Europese Commissie reeds vanaf 2007 de verlening van een Europese technische goedkeuring op grond van de artikelen 8 en volgende van richtlijn 89/106 voor de „Kedge Safety” in onderzoek heeft.(8)
28. Verzoeksters in het hoofdgeding zijn daarentegen van mening dat de litigieuze verankeringsvoorzieningen niet worden vervaardigd om – als bedoeld in richtlijn 89/106 – blijvend deel uit te maken van een bouwwerk. Richtlijn 89/106 is naar hun opvatting alleen van toepassing op die producten die voor de bouw van een bouwwerk nodig zijn, zoals wanden, plafonds, verwarming, enzovoorts. De litigieuze verankeringsvoorzieningen dienen daarentegen te worden aangemerkt als toebehoren voor gebouwen, die na de bouw van een bouwwerk worden aangebracht en later weer kunnen worden verwijderd, zonder dat de structuur van het bouwwerk wordt aangetast.
29. De Commissie benadrukt dat richtlijn 89/106 op zich geen fundamentele voorschriften bevat voor producten bestemd voor de bouw, maar in de eerste plaats de veiligheid van bouwwerken betreft. Aangezien de litigieuze verankeringsvoorzieningen geen verband houden met de – in bijlage I bij de richtlijn weergegeven – fundamentele voorschriften voor bouwwerken, vallen deze in beginsel niet onder richtlijn 89/106, aldus de Commissie.
30. Ter terechtzitting is de Commissie ingegaan op de tegenstrijdigheid tussen dit standpunt en de houding van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie van de Europese Commissie, dat reeds vanaf 2007 de verlening van een Europese technische goedkeuring conform de artikelen 8 en volgende van richtlijn 89/106 voor de „Kedge Safety” in onderzoek heeft. Zij heeft in wezen aangevoerd dat haar ter zake bevoegde diensten het thans erover eens zijn dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen in de zin van EN 795 niet onder richtlijn 89/106 vallen. De toelating van de „Kedge Safety” tot de testprocedure voor de verlening van een Europese technische goedkeuring conform artikel 9, lid 2, van richtlijn 89/106 door het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie dient derhalve als een vergissing te worden beschouwd.
31. De Nederlandse regering betoogt onder verwijzing naar de in bijlage I bij richtlijn 89/106 vastgelegde fundamentele voorschriften voor bouwwerken dat alleen die producten die gezien deze voorschriften kunnen bijdragen tot de functionele geschiktheid van gebouwen, kunnen worden aangemerkt als voor de bouw bestemde producten in de zin van richtlijn 89/106. Naar de opvatting van de Nederlandse regering dragen de litigieuze verankeringsvoorzieningen daar niet aan bij.
B – De tweede prejudiciële vraag
32. De tweede prejudiciële vraag, of klasse A1 verankeringsvoorzieningen in de zin van EN 795 onder richtlijn 89/686 kunnen vallen, wordt door verzoeksters in het hoofdgeding en de Belgische regering bevestigend beantwoord. Verweersters in het hoofdgeding, de Nederlandse regering en de Commissie beantwoorden deze vraag ontkennend.
33. Verzoeksters in het hoofdgeding zijn in wezen van mening dat de litigieuze verankeringsvoorzieningen als verbindingssystemen in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/686 dienen te worden aangemerkt en bijgevolg onder deze richtlijn vallen. Met deze verankeringsvoorzieningen kan in het bijzonder een – als persoonlijk beschermingsmiddel (hierna: „PBM”) te beschouwen – vallijn aan een bouwwerk worden bevestigd.
34. Ook naar de opvatting van de Belgische regering dienen klasse A1 verankeringsvoorzieningen te worden aangemerkt als onder richtlijn 89/686 vallende PBM. Zij benadrukt in het bijzonder dat op grond van artikel 2, lid 1, van richtlijn 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers(9) iedere aanvullende uitrusting bij een PBM dient te worden beschouwd als een PBM in de zin van deze richtlijn. Omdat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als aanvullende uitrusting bij een PBM moeten worden aangemerkt, dienen deze voorzieningen naar analogie ook in het kader van richtlijn 89/686 als PBM te worden aangemerkt, aldus de Belgische regering.
35. De Commissie is daarentegen van mening dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen buiten de werkingssfeer van richtlijn 89/686 vallen. Naar haar mening moet bij de litigieuze voorzieningen ter valbeveiliging een onderscheid worden gemaakt tussen het valharnas, de vallijn en de constructieverankering. Daarbij dient het valharnas als PBM als bedoeld in artikel 1, lid 2, van richtlijn 89/686 te worden beschouwd, de vallijn daarentegen als verbindingssysteem in de zin van artikel 1, lid 3, ervan. Deze twee elementen vallen derhalve onder richtlijn 89/686. Daarentegen dient de constructieverankering volgens de Commissie te worden aangemerkt als een externe voorziening in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/686, en valt deze bijgevolg niet onder richtlijn 89/686. Verweersters in het hoofdgeding en de Nederlandse regering hebben een soortgelijk standpunt ingenomen.
C – De derde prejudiciële vraag
36. De verwijzende rechter stelt het Hof de derde prejudiciële vraag voor het geval dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 niet onder de richtlijnen 89/106 en 89/686 vallen. In dit verband wenst hij te vernemen of, wanneer beoordeeld wordt of een onder richtlijn 89/686 vallend PBM dat verbonden dient te worden met een klasse A1 verankeringsvoorziening, aan de veiligheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoet, daarbij ook de vraag moet worden betrokken of die verankeringsvoorziening veilig is onder de te verwachten gebruiksomstandigheden in de zin van bijlage II bij richtlijn 89/686.
37. Deze derde prejudiciële vraag wordt door verzoeksters in het hoofdgeding bevestigend beantwoord. Verweersters in het hoofdgeding, de Nederlandse regering en de Commissie beantwoorden deze vraag ontkennend.
38. Verzoeksters in het hoofdgeding voeren aan dat verankeringspunten in de zin van punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 alleen dan veilig zijn als zij voldoen aan de eisen van EN 795.
39. Naar de opvatting van de Commissie is het evident dat de veiligheid van een PBM waarmee het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan moeten worden voorkomen, ook afhangt van de betrouwbaarheid van het verankeringspunt waaraan de voorziening voor het vasthouden van het lichaam door middel van het verbindingssysteem wordt bevestigd. Desondanks zijn de fundamentele veiligheidsvoorschriften van richtlijn 89/686 volgens de Commissie slechts van toepassing op de PBM en niet op die verankeringsvoorzieningen die niet onder deze richtlijn vallen. De Nederlandse regering en verweersters in het hoofdgeding zijn eenzelfde mening toegedaan.
D – De vierde prejudiciële vraag
40. Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of op een klasse A1 verankeringsvoorziening als bedoeld in EN 795 op facultatieve basis een CE‑markering mag worden aangebracht als bewijs van overeenstemming met richtlijn 89/686 en/of met richtlijn 89/106.
41. Deze vierde prejudiciële vraag wordt door verweersters in het hoofdgeding, de Nederlandse regering, de Belgische regering en de Commissie ontkennend beantwoord.
42. Naar de opvatting van de Commissie voorziet noch de richtlijnen 89/106 en 89/686 noch besluit 93/465 in de mogelijkheid van een facultatief gebruik van de CE-markering. Aangezien de litigieuze verankeringsvoorzieningen niet onder de richtlijnen 89/106 en 89/686 vallen, mag daarop geen CE‑markering worden aangebracht als bewijs van overeenstemming met deze richtlijnen.
43. Verweersters in het hoofdgeding gaan er eveneens van uit dat een facultatief gebruik van de CE‑markering uitgesloten is. Omdat de litigieuze verankeringsvoorzieningen naar hun mening echter onder de materiële werkingssfeer van richtlijn 89/106 vallen, is een CE‑markering krachtens deze richtlijn mogelijk, voor zover een Europese technische goedkeuring conform hoofdstuk III van deze richtlijn ter zake is verkregen.
E – De vijfde prejudiciële vraag
44. De verwijzende rechter stelt de vijfde prejudiciële vraag voor het geval dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 op facultatieve basis mogen worden voorzien van een CE‑markering als bewijs van hun overeenstemming met richtlijn 89/686 en/of met richtlijn 89/106. In dit verband wenst hij inzonderheid te vernemen met inachtneming van welke procedure(s) de overeenstemming met richtlijn 89/686 en/of richtlijn 89/106 in dat geval dient te worden bepaald.
45. Gezien de antwoorden van partijen in de procedure op de vierde prejudiciële vraag wordt de vijfde prejudiciële vraag slechts door verweersters in het hoofdgeding beantwoord. Daarbij herhalen zij in wezen hun standpunt, dat de litigieuze verankeringsvoorzieningen volgens richtlijn 89/106 mogen worden voorzien van een CE‑markering, voor zover voor deze een Europese technische goedkeuring conform hoofdstuk III van deze richtlijn is verleend.
F – De zesde prejudiciële vraag
46. Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of EN 795 ten aanzien van de daarin bedoelde klasse A1 verankeringsvoorzieningen als door het Hof uit te leggen gemeenschapsrecht dient te worden aangemerkt.
47. Verzoeksters in het hoofdgeding en de Belgische regering beantwoorden deze vraag bevestigend. Verweersters in het hoofdgeding, de Nederlandse regering en de Commissie beantwoorden haar ontkennend.
48. Verzoeksters in het hoofdgeding voeren aan dat EN 795 op basis van een door de Commissie verleend mandaat is opgesteld en derhalve als handeling van de Commissie in de zin van artikel 234 EG dient te worden beschouwd, die door het Hof kan worden getoetst.
49. De Belgische regering benadrukt dat geharmoniseerde normen in opdracht van de Commissie door particuliere instellingen worden opgesteld. Bovendien is het de Commissie die overeenkomstig artikel 5, lid 4, van richtlijn 89/686 de referenties van de geharmoniseerde normen in het Publicatieblad bekendmaakt. Aangezien de richtlijn in die zin verwijst naar de geharmoniseerde normen, maken deze deel uit van het gemeenschapsrecht, aldus de Belgische regering.
50. Naar de opvatting van verweersters in het hoofdgeding vormt EN 795 geen geharmoniseerde norm voor de litigieuze verankeringsvoorzieningen. Bijgevolg kan EN 795 ten aanzien van deze voorzieningen niet als gemeenschapsrecht worden beschouwd.
51. Ook de Nederlandse regering acht het uitgesloten dat EN 795 ten aanzien van klasse A1 verankeringsvoorzieningen deel uitmaakt van het gemeenschapsrecht, alleen al omdat deze norm ten aanzien van dergelijke verankeringsvoorzieningen geen geharmoniseerde norm is.
52. De Commissie benadrukt in de eerste plaats dat EN 795 als geharmoniseerde norm is bekendgemaakt in het Publicatieblad, met de waarschuwing dat deze bekendmaking geen betrekking heeft op de uitrustingen van de klassen A, C en D en dat deze uitrustingen bijgevolg niet geacht kunnen worden in overeenstemming te zijn met richtlijn 89/686.(10) Derhalve dient EN 795 volgens de Commissie wat de daarin genoemde A1 verankeringsvoorzieningen betreft te worden beschouwd als een vrijwillige technische specificatie zonder speciale band met de communautaire voorschriften. Subsidiair voert de Commissie aan dat het Hof ingevolge artikel 234 EG bevoegd is bij prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid en uitlegging van de handelingen van de instellingen van de Gemeenschap en de ECB. Aangezien een Europese norm niet als een handeling van een instelling van de Gemeenschap in de zin van deze bepaling kan worden beschouwd, is het Hof niet bevoegd tot uitlegging van dergelijke normen, aldus de Commissie.
G – De zevende en de achtste prejudiciële vraag
53. Voor het geval dat het Hof zich bevoegd acht tot uitlegging van EN 795 ten aanzien van klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in deze norm, wil de verwijzende rechter met de zevende en de achtste prejudiciële vraag vernemen op welke wijze de in deze norm opgenomen beproevingen van de statische en dynamische sterkte van deze verankeringsvoorzieningen dienen te worden uitgevoerd. In het bijzonder wil hij weten of deze tests onder de te verwachten gebruiksomstandigheden (zevende prejudiciële vraag) en met inachtneming van in de gebruiksaanwijzing aangegeven gebruiksrestricties (achtste prejudiciële vraag) dienen te worden uitgevoerd.
54. Naar de opvatting van verweersters in het hoofdgeding, de Nederlandse regering en de Commissie behoeven de zevende en de achtste prejudiciële vraag geen beantwoording gezien het door hen voorgestelde antwoord op de zesde prejudiciële vraag. Indien het Hof deze vragen desondanks behandelt, voeren verweersters in het hoofdgeding subsidiair aan dat de zevende vraag ontkennend en de achtste vraag bevestigend moet worden beantwoord.
55. Verzoeksters in het hoofdgeding alsmede de Belgische regering beantwoorden zowel de zevende als de achtste prejudiciële vraag bevestigend. Verzoeksters in het hoofdgeding benadrukken evenwel dat de uitvoering van een beproeving met inachtneming van gebruiksrestricties slechts mogelijk is, wanneer de aangewezen onderzoeksinstantie dit aanvaardt.
VII – Juridische beoordeling
A – Algemene opmerkingen
56. Met de richtlijnen 89/106 en 89/686 wordt een harmonisatie beoogd van de technische voorschriften en normen met betrekking tot voor de bouw bestemde producten en PBM. Deze richtlijnen behoren tot de zogenoemde „nieuwe aanpak”-richtlijnen, waarin een nieuwe harmonisatiemethode voor technische voorschriften en normen op het gebied van de Europese productwetgeving wordt gevolgd.(11)
57. Het doel van deze nieuwe aanpak voor de harmonisatie van technische voorschriften was enerzijds, door middel van een volledige harmonisatie uniforme technische voorschriften en normen voor producten vast te stellen om daardoor het vrij verkeer van goederen voor deze producten te waarborgen. Anderzijds werd beoogd te voorkomen dat de harmonisatiemaatregelen voortdurend zouden moeten worden aangepast aan de technische vooruitgang of dat het in de handel brengen van innovatieve technische oplossingen zou worden belemmerd.
58. Om deze twee hoofddoelstellingen op elkaar af te stemmen, werd de nieuwe aanpak bij de harmonisatie van de technische voorschriften gebaseerd op de volgende hoofdbeginselen:
1. De Raad stelt de fundamentele voorschriften vast waaraan de onder de richtlijnen vallende producten moeten voldoen.
2. Die Commissie belast particuliere normalisatie-instellingen met de uitwerking van de technische specificaties die de algemene voorschriften van de richtlijnen concretiseren.
3. De Commissie maakt de door deze normalisatie-instellingen uitgewerkte technische specificaties als geharmoniseerde normen in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend.
4. De inachtneming en toepassing van de geharmoniseerde normen door de fabrikant geschiedt op vrijwillige basis. De normen hebben een niet-verbindend karakter.
5. Er geldt een weerlegbaar vermoeden dat producten die in overeenstemming zijn met de geharmoniseerde normen, tevens voldoen aan de fundamentele voorschriften van de desbetreffende richtlijn.
59. De in de „nieuwe aanpak”-richtlijnen vastgestelde fundamentele productvoorschriften hebben in de regel betrekking op de veiligheid, de gezondheid, het milieu of de consumentenbescherming. Wat richtlijn 89/686 betreft zijn deze productvoorschriften opgenomen in bijlage II.
60. Richtlijn 89/106 wijkt in zoverre af van deze „nieuwe aanpak”, dat zij geen directe voorschriften bevat ten aanzien van voor de bouw bestemde producten, maar in bijlage I fundamentele voorschriften vaststelt die van toepassing zijn op bouwwerken.(12) Die fundamentele voorschriften hebben ook gevolgen voor de producten bestemd voor de bouw, in die zin dat die producten van dien aard moeten zijn dat de bouwwerken waarin zij worden verwerkt, voldoen aan de in bijlage I bij richtlijn 89/106 weergegeven fundamentele voorschriften.
61. De particuliere normalisatie-instellingen die kunnen worden belast met de uitwerking van de technische specificaties, zijn de Europese Commissie voor normalisatie (CEN(13)), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC(14)) en het Europees Normalisatie-instituut voor telecommunicatie (ETSI(15)).
62. De „nieuwe aanpak”-richtlijnen voorzien in de regel ook in een CE‑markering. Deze markering geeft aan dat het daarvan voorziene product voldoet aan de voorschriften van alle voor het product geldende „nieuwe aanpak”-richtlijnen.(16) Indien een product binnen de werkingssfeer van richtlijn 89/106 valt, bevestigt de CE‑markering dat het product van dien aard is dat de bouwwerken waarin het wordt verwerkt, kunnen voldoen aan de in deze richtlijn genoemde fundamentele voorschriften.(17)
63. De meeste „nieuwe aanpak”-richtlijnen voorzien bovendien in de verplichting voor de fabrikant om een EG-verklaring van overeenstemming af te geven bij het in de handel brengen van het product. Deze verklaring is in wezen een begeleidend document waarmee tegenover de voor het markttoezicht bevoegde instanties wordt aangegeven dat het product voldoet aan de fundamentele voorschriften van de toepasselijke richtlijnen. De precieze inhoud van deze verklaring is vastgelegd in de desbetreffende richtlijn.
B – De eerste prejudiciële vraag
64. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of klasse A1 verankeringsvoorzieningen ter valbeveiliging bij het werken op platte daken als bedoeld in EN 795 exclusief onder richtlijn 89/106 vallen.
65. Deze vraag bestaat uit twee deelvragen. De verwijzende rechter vraagt enerzijds of klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/106 vallen. Zo ja, dan is de volgende vraag of dergelijke verankeringsvoorzieningen daardoor noodzakelijkerwijs zijn onttrokken aan de werkingssfeer van andere „nieuwe aanpak”-richtlijnen.
66. De tweede deelvraag, of de toepasselijkheid van richtlijn 89/106 de toepassing van andere richtlijnen betreffende de productveiligheid in beginsel uitsluit, kan zonder meer ontkennend worden beantwoord. De door de wetgever ontwikkelde algemene benadering wat de harmonisatie van de technische voorschriften en normen op het gebied van de Europese productwetgeving betreft berust juist op de veronderstelling dat een product tegelijkertijd onder meerdere „nieuwe aanpak”-richtlijnen kan vallen, die verschillende aspecten van hetzelfde product behandelen.(18)
67. De eerste deelvraag, of klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/106 vallen, dient te worden beantwoord met inachtneming van de bijzondere methodiek en systematiek van richtlijn 89/106.
68. Op grond van artikel 1 van richtlijn 89/106 vallen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn producten die zijn bestemd om blijvend deel uit te maken van bouwwerken, waaronder zowel gebouwen als kunstwerken zijn begrepen, en waarvoor de fundamentele voorschriften met betrekking tot deze bouwwerken van belang zijn. Deze fundamentele voorschriften zijn opgenomen in bijlage I bij de richtlijn en hebben betrekking op 1) de mechanische sterkte en stabiliteit van bouwwerken, 2) de brandveiligheid, 3) de hygiëne, gezondheid en het milieu, 4) de gebruiksveiligheid, 5) de geluidshinder alsmede 6) de energiebesparing en het warmtebehoud.
69. De methodiek van richtlijn 89/106 wordt derhalve gekenmerkt doordat haar werkingssfeer functioneel is gedefinieerd. Conform artikel 1 vallen daaronder namelijk de producten die zijn bedoeld om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk en die nuttig of noodzakelijk zijn voor het voldoen aan één of meer van de in bijlage I weergegeven fundamentele voorschriften voor deze bouwwerken.
70. Voor de beantwoording van de vraag of de litigieuze verankeringsvoorzieningen voor valbeveiliging onder richtlijn 89/106 vallen, moet derhalve worden nagegaan of deze voorzieningen in de regel blijvend deel uitmaken van de betrokken bouwwerken en of zij naar hun functie moeten bijdragen aan het vervullen van de in bijlage I weergegeven voorschriften.
71. Of de litigieuze voorzieningen zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk, is een vraag die een beoordeling van de feiten vereist, hetgeen de taak is van de verwijzende rechter.
72. Daarbij dient de verwijzende rechter in het bijzonder te onderzoeken of de demontage of de vervanging van de betrokken klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 handelingen zijn waarmee bouwwerkzaamheden zijn gemoeid.(19) Indien deze verankeringsvoorzieningen bij hun gebruikelijke installatie op zodanige wijze met het bouwwerk worden verbonden dat met de verwijdering ervan bouwwerkzaamheden zijn gemoeid, dient ervan uit te worden gegaan dat zij zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk.
73. Hoewel de vaststelling of voor de demontage of de vervanging van klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 bouwwerkzaamheden vereist zijn, uiteindelijk aan de verwijzende rechter is, bevat de omschrijving van deze verankeringsvoorzieningen in de norm EN 795 duidelijke aanwijzingen dat dit in de regel het geval zal zijn. Uit deze norm blijkt namelijk dat een klasse A1 verankeringsvoorziening een „constructieverankering” is die is ontworpen om verticale en horizontale vlakken en oppervlakken onder een hoek te zekeren.(20) „Constructieverankeringen” als bedoeld in deze norm zijn elementen die blijvend aan een constructie zijn vastgemaakt waaraan een verankeringsvoorziening of PBM kan worden bevestigd.(21) Aangezien met het demonteren van dergelijke constructieverankeringen naar hun aard normaal gesproken bouwwerkzaamheden zijn gemoeid, zullen de uit deze elementen bestaande verankeringsvoorzieningen in de regel zijn aan te merken als vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk in de zin van artikel 1 van richtlijn 89/106.
74. De bewoordingen van bijlage I bij richtlijn 89/106 leveren slechts weinig aanwijzingen op voor de beantwoording van de vraag of klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 naar hun functie moeten bijdragen aan het vervullen van de in deze bijlage I weergegeven fundamentele voorschriften voor bouwwerken. Zoveel is echter wel duidelijk, dat de in punt 4 van bijlage I gegeven voorschriften voor de „gebruiksveiligheid” van bouwwerken een bruikbaar uitgangspunt vormen voor de beoordeling of de litigieuze verankeringsvoorzieningen onder richtlijn 89/106 vallen.
75. In punt 4 van bijlage I bij richtlijn 89/106 wordt onder het opschrift „gebruiksveiligheid” vastgesteld dat het bouwwerk zodanig moet worden ontworpen en uitgevoerd dat het gebruik ervan of erin verrichte activiteiten geen onaanvaardbare risico’s meebrengen, zoals uitglijden, vallen, botsen, brandwonden, elektrocutie of verwondingen door ontploffingen.
76. Dienaangaande blijkt uit het dossier dat de litigieuze verankeringsvoorzieningen zijn bedoeld ter bescherming van personen die aan het dak of aan op het dak geplaatste apparatuur – zoals bijvoorbeeld het externe element van een airconditioning – reparatie‑ of onderhoudswerkzaamheden moeten verrichten. In casu is het derhalve de vraag of de in bijlage I bij richtlijn 89/106 vastgestelde voorschriften voor de gebruiksveiligheid van bouwwerken tevens betrekking hebben op de veiligheid bij het betreden van daken.
77. Uit de bewoordingen van bijlage I bij richtlijn 89/106 kan niet worden afgeleid of de daarin genoemde voorschriften voor de „gebruiksveiligheid” ook voor de veiligheid van personen bij werkzaamheden aan de buitenkant van een bouwwerk moeten gelden.
78. Uit basisdocument nr. 4, „gebruiksveiligheid”, bij richtlijn 89/106(22) blijkt evenwel duidelijk dat „gebruiksveiligheid” in de zin van bijlage I bij richtlijn 89/106 ruim dient te worden uitgelegd. In punt 2 van dit basisdocument, „Toelichting op het fundamentele voorschrift ‚gebruiksveiligheid’”, wordt in het bijzonder duidelijk gemaakt dat de gebruiksveiligheid in de zin van bijlage I bij richtlijn 89/106 betrekking heeft op het risico van ernstig en onmiddellijk lichamelijk letsel voor personen die zich om welke reden dan ook in of nabij bouwwerken bevinden.
79. Hoewel uit hetgeen verder in dit basisdocument wordt gesteld, blijkt dat met de ongevalrisico’s, die de fundamentele voorschriften voor de gebruiksveiligheid van bouwwerken moeten voorkomen, vooral zijn bedoeld de in het kader van een „normaal” gebruik van de bouwwerken optredende risico’s(23), omvat de – niet limitatieve – opsomming van de relevante risico’s tevens risicosoorten die niet rechtstreeks verband houden met een gebruik van de bouwwerken door de bedreigde personen, en die zelfs personen buiten de betrokken bouwwerken kunnen raken. Tot de laatstgenoemde risico’s behoort bijvoorbeeld het in punt 3.3.2.1 beschreven risico van letsel of overlijden door vallende objecten die deel uitmaken van een bouwwerk.
80. Gezien de heterogene opsomming van de risicosoorten en risico’s waar de in bijlage I bij richtlijn 89/106 bedoelde „gebruiksveiligheid” betrekking op heeft, dient dit begrip ruim te worden uitgelegd. Om die reden kan het mijns inziens ook de veiligheid van personen bij werkzaamheden aan de buitenkant van een bouwwerk omvatten.(24)
81. Op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 naar hun functie een bijdrage kunnen leveren aan het vervullen van de fundamentele voorschriften van bijlage I bij richtlijn 89/106.
82. De eerste prejudiciële vraag zou derhalve aldus moeten worden beantwoord dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/106 vallen, voor zover zij zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk. De toepasselijkheid van richtlijn 89/106 sluit de toepassing van andere richtlijnen inzake productveiligheid in beginsel niet uit.
C – De tweede prejudiciële vraag
83. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/686 kunnen vallen.
84. Volgens punt 3.13.1.1 van EN 795 omvatten klasse A1 verankeringsvoorzieningen een „constructieverankering” die is ontworpen om verticale en horizontale vlakken en oppervlakken onder een hoek te zekeren. Een „constructieverankering” in de zin van deze norm is een element dat blijvend aan een constructie is vastgemaakt, waaraan een verankeringsvoorziening of PBM kan worden bevestigd.(25) Het wezenlijke bestanddeel van klasse A1 verankeringsvoorzieningen is derhalve de constructieverankering die kan worden vastgemaakt aan een constructie.
85. Onder PBM’s in de zin van richtlijn 89/686 wordt volgens artikel 1, lid 2, eerste alinea, verstaan een uitrustingsstuk of ‑middel dat bestemd is om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden. Aangezien klasse A1 verankeringsvoorzieningen in de zin van EN 795 naar hun aard niet bestemd zijn om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden, is de kwalificatie ervan als PBM in de zin van artikel 1, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/686 in beginsel uitgesloten.
86. De kwalificatie van dergelijke verankeringsvoorzieningen als PBM in de zin van artikel 1, lid 2, tweede alinea, sub a tot en met c, is mijns inziens eveneens niet mogelijk, omdat een PBM is bestemd om door een persoon te worden gedragen of vastgehouden.
87. Om dezelfde reden is mijns inziens ook een kwalificatie ervan als PBM in de zin van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/686 in beginsel uitgesloten.
88. Op grond van artikel 1, lid 3, van richtlijn 89/686 wordt als integrerend bestanddeel van een PBM beschouwd ieder samen met het PBM in de handel gebracht verbindingssysteem dat het PBM aan een andere, externe voorziening verbindt, zelfs wanneer het verbindingssysteem voor de tijdsduur dat de gebruiker aan het risico of de risico’s is blootgesteld, niet ononderbroken behoeft te worden gedragen of meegevoerd.
89. Verzoeksters in het hoofdgeding voeren in dit verband inzonderheid aan dat de constructieverankeringen, die het integrerende bestanddeel van klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 vormen, als verbindingssystemen in de zin van deze bepaling dienen te worden aangemerkt, waarmee de PBM aan een bouwwerk worden verbonden.
90. Dit betoog is niet overtuigend.
91. Uitgaande van de algemene regels van artikel 1, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 89/686 kan de categorie „verbindingssystemen” in de zin van artikel 1, lid 3, namelijk uitsluitend roerende zaken omvatten, die door de gebruikers kunnen worden gedragen of vastgehouden. Deze conclusie wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 1, lid 3, volgens welke niet is vereist dat het verbindingssysteem is bestemd om voor de tijdsduur dat de gebruiker aan het risico of de risico’s is blootgesteld, ononderbroken door de gebruiker te worden gedragen of vastgehouden. Daarmee wordt in ieder geval impliciet bevestigd dat ook dergelijke verbindingssystemen in de regel door de gebruiker kunnen worden gedragen of vastgehouden, hetgeen betekent dat het in beginsel moet gaan om roerende zaken.
92. In dit verband wil ik verder wijzen op punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686, waarin fundamentele voorschriften voor PBM ter voorkoming van vallen van een hoogte zijn opgenomen. Volgens deze bepaling moeten PBM bestemd om het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan te voorkomen, zijn uitgerust met een voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd, en met een verbindingssysteem dat kan worden verbonden met een veilig verankeringspunt.
93. Aangezien klasse A1 verankeringsvoorzieningen in dit verband zijn aan te merken als „veilige verankeringspunten”, terwijl „veilige verankeringspunten” op grond van punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 juist geen deel uitmaken van een PBM, bevestigt ook deze bepaling de juistheid van de vaststelling dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 niet onder richtlijn 89/686 vallen.
94. Ten slotte wil ik ook wijzen op artikel 1, lid 4, van richtlijn 89/686, op grond waarvan PBM die vallen onder een andere richtlijn met dezelfde doelstellingen ten aanzien van het in de handel brengen, het vrije verkeer en de veiligheid als de onderhavige richtlijn, zijn uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 89/686. Zoals ik reeds in het kader van de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag heb uiteengezet, vallen klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/106, indien zij zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk.(26) Indien dit laatste naar het oordeel van de verwijzende rechter het geval is bij de litigieuze verankeringsvoorzieningen, vallen deze onder richtlijn 89/106. Conform artikel 1, lid 4, eerste streepje, vallen zij in dat geval buiten de werkingssfeer van richtlijn 89/686.
95. Gezien het bovenstaande zou de tweede prejudiciële vraag in die zin moeten worden beantwoord, dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 niet onder richtlijn 89/686 vallen.
D – De derde prejudiciële vraag
96. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verankeringsvoorziening die als zodanig niet valt onder richtlijn 89/686, desondanks daaronder moet worden gebracht, indien deze voorziening is bestemd om te worden verbonden met een onder richtlijn 89/686 vallend PBM.
97. In dit verband verwijst de verwijzende rechter inzonderheid naar punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686. Volgens de eerste alinea van dit punt moeten PBM bestemd om het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan te voorkomen, zijn uitgerust met een voorziening waarmee het lichaam wordt bevestigd, en met een verbindingssysteem dat kan worden verbonden met een veilig verankeringspunt. Volgens de derde alinea van punt 3.1.2.2 moet de fabrikant in zijn gebruiksaanwijzing in het bijzonder alle nuttige gegevens verstrekken over de nodige kenmerken van het veilige verankeringspunt.
98. Bij een redelijke uitleg strekt de derde prejudiciële vraag er bijgevolg toe te vernemen of het gebruik van het begrip „veilig verankeringspunt” in punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 betekent dat ook de controle van de veiligheid van dergelijke verankeringspunten in het kader van richtlijn 89/696 dient te geschieden.
99. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.
100. Primair bevatten de bewoordingen van punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 geen duidelijke aanwijzingen, dat de verankeringspunten waaraan de PBM kunnen worden bevestigd, onder de werkingssfeer van richtlijn 89/686 dienen te worden gebracht. De eerste alinea van punt 3.1.2.2 constateert slechts dat PBM bestemd om het vallen van een hoogte of de gevolgen daarvan te voorkomen, zo geconstrueerd dienen te zijn dat zij met een veilig verankeringspunt kunnen worden verbonden. De laatste alinea bevat in dit verband voorschriften met betrekking tot de inhoud van de gebruiksaanwijzing, waarin eventueel ook informatie over de kenmerken van een veilig verankeringspunt dient te worden opgenomen.
101. Mijns inziens bevatten de bewoordingen van punt 3.1.2.2 van bijlage II bij richtlijn 89/686 derhalve geen overtuigende aanwijzingen voor de veronderstelling dat de veiligheid van de verankeringspunten, bestemd om met een onder richtlijn 89/686 vallend PBM te worden verbonden, thans ook in het kader van richtlijn 89/686 dient te worden onderzocht.
102. Deze vaststelling wordt bevestigd door een systematische uitleg van richtlijn 89/686. Hierbij wil ik in het bijzonder opmerken dat bijlage II bij richtlijn 89/686 slechts de fundamentele veiligheidsvoorschriften weergeeft waaraan de PBM volgens artikel 3 van deze richtlijn moeten voldoen om de gezondheid van de gebruikers te beschermen en hun veiligheid te waarborgen. Bijlage II gaat derhalve niet over de vraag welke producten onder richtlijn 89/686 vallen, maar veeleer over de vraag aan welke voorschriften de onder richtlijn 89/686 vallende producten dienen te voldoen. Bijlage II heeft derhalve in beginsel geen betrekking op de materiële werkingssfeer van richtlijn 89/686.
103. Gezien het bovenstaande zou op de derde prejudiciële vraag moeten worden geantwoord dat bij de beoordeling of een PBM dat onder richtlijn 89/686 valt, voldoet aan de fundamentele voorschriften van deze richtlijn, de vraag of de verankeringsvoorziening waarmee deze PBM kan worden verbonden, onder de te verwachten gebruiksomstandigheden veilig is, niet relevant is.
E – De vierde prejudiciële vraag
104. Met de vierde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of op een klasse A1 verankeringsvoorziening als bedoeld in EN 795 op facultatieve basis een CE-markering mag worden aangebracht als bewijs van overeenstemming met richtlijn 89/686 en/of richtlijn 89/106, indien het Hof tot de conclusie komt dat dergelijke verankeringsvoorzieningen niet onder deze richtlijnen vallen.
105. Allereerst wil ik in herinnering roepen dat de eerste prejudiciële vraag mijns inziens in die zin moet worden beantwoord dat klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 onder richtlijn 89/106 vallen, voor zover zij zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk.(27)
106. Wat de beantwoording van de vierde prejudiciële vraag betreft, ben ik van mening dat uit een zowel systematische als teleologische uitlegging van de betrokken bepalingen voortvloeit dat producten die niet onder de richtlijnen 89/686 en 89/106 vallen, niet mogen worden voorzien van een CE-markering krachtens deze richtlijnen.
107. In dit verband is in de eerste plaats besluit 93/465 van belang, in de bijlage waarvan onder punt IB de voornaamste richtsnoeren voor het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering zijn opgenomen.(28) Volgens deze richtsnoeren
– geeft de CE-markering aan dat is voldaan aan alle verplichtingen die met betrekking tot het product aan de fabrikanten zijn opgelegd krachtens de communautaire richtlijnen die in het aanbrengen daarvan voorzien (punt IB, sub a);
– geeft de op industrieproducten aangebrachte CE-markering aan dat de natuurlijke of rechtspersoon die de markering heeft aangebracht of heeft laten aanbrengen, zich ervan heeft vergewist dat het product met alle desbetreffende richtlijnen van de Gemeenschap in overeenstemming is en aan de passende overeenstemmings-beoordelingsprocedures is onderworpen (punt IB, sub b);
– moet op elk industrieproduct dat onder de „nieuwe aanpak”-richtlijnen valt, de CE-markering worden aangebracht, tenzij de bijzondere richtlijnen in een uitzondering voorzien (punt IB, sub e);
– stellen de lidstaten alle daartoe nodige bepalingen van nationaal recht vast om elke mogelijke verwarring te voorkomen en elk misbruik bij het gebruik van de CE-markering te voorkomen (punt IB, sub l).
108. Uit de systematische interactie tussen deze richtsnoeren blijkt mijns inziens dat producten slechts van een CE‑markering mogen worden voorzien, indien en voor zover zij onder een van de „nieuwe aanpak”-richtlijnen vallen en voldoen aan de daarin vastgestelde voorschriften.(29)
109. Een teleologische uitleg van de betrokken bepalingen leidt tot dezelfde conclusie.
110. Met de CE-markering wordt beoogd het vrij verkeer van goederen voor de van deze markering voorziene producten te waarborgen.(30) Tegen deze achtergrond geeft zowel richtlijn 89/106 als richtlijn 89/686 duidelijk aan dat de lidstaten het in de handel brengen van producten waarop een CE‑markering is aangebracht en die onder deze richtlijnen vallen en daarmee overeenstemmen, in beginsel niet mogen verbieden, beperken of verhinderen.(31)
111. De CE-markering attendeert de bevoegde nationale instanties erop dat het product naar de opvatting van degene die het in de handel brengt, voldoet aan de voorschriften van de toepasselijke „nieuwe aanpak”-richtlijnen. Wat haar functie betreft is de CE‑markering derhalve primair bedoeld voor de nationale overheidsdiensten.(32)
112. Uitgaande van deze algemene doelstelling van de CE‑markering zou het volkomen ongerijmd zijn als producten die niet onder de „nieuwe aanpak”-richtlijnen vallen, toch van een CE‑markering zouden mogen worden voorzien. Wat producten betreft die niet onder de „nieuwe aanpak”-richtlijnen vallen, is het evident dat het aanbrengen van de CE-markering geen verplichting kan scheppen voor de lidstaten om de overeenstemming van deze producten met een volledig geharmoniseerd beschermingsniveau te erkennen. Een CE-markering op dergelijke producten kan dan ook onmogelijk ertoe bijdragen het vrij verkeer van goederen ten aanzien van deze producten te waarborgen.
113. Het aanbrengen van de CE-markering op producten die niet onder de „nieuwe aanpak”-richtlijnen vallen, zou bovendien grote verwarring tot gevolg hebben, aangezien in dat geval volstrekt onduidelijk is waar de op een concreet product aangebrachte CE‑markering precies voor staat. Dit heeft uiteindelijk een nadelige uitwerking op de consumentenbescherming.(33)
114. Daarom is in artikel 30, lid 2, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 van de Raad(34), die vanaf 1 januari 2010 geldt, uitdrukkelijk bepaald dat de CE‑markering uitsluitend wordt aangebracht op producten waarvoor specifieke communautaire harmonisatiewetgeving voorziet in het aanbrengen ervan, en niet op enig ander product.(35)
115. Gezien het bovenstaande zou de vierde prejudiciële vraag in die zin moeten worden beantwoord dat op een klasse A1 verankeringsvoorziening als bedoeld in EN 795 geen CE‑markering mag worden aangebracht als bewijs van de overeenstemming ervan met een richtlijn waar zij niet onder valt.
F – De vijfde prejudiciële vraag
116. De verwijzende rechter heeft de vijfde prejudiciële vraag gesteld voor het geval dat het Hof bij de beantwoording van de voorafgaande prejudiciële vragen tot de conclusie komt dat de litigieuze verankeringsvoorzieningen weliswaar niet onder de richtlijnen 89/686 en 89/106 vallen, maar wel op facultatieve basis kunnen worden voorzien van een CE-markering conform deze richtlijnen.
117. Voor dat geval wenst de verwijzende rechter te vernemen op welke wijze voor de facultatieve CE‑markering moet worden onderzocht of verankeringsvoorzieningen die niet onder de richtlijnen 89/686 en 89/106 vallen, voldoen aan de in deze richtlijnen opgenomen voorschriften.
118. Zoals ik reeds heb uiteengezet, is een facultatief gebruik van de CE‑markering uitgesloten. Daarmee heeft de vijfde prejudiciële vraag haar belang verloren. Zij hoeft derhalve niet verder te worden besproken.
G – De zesde prejudiciële vraag
119. Met zijn zesde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de in EN 795 opgenomen bepalingen en doelstellingen wat klasse A1 verankeringsvoorzieningen betreft als door het Hof uit te leggen gemeenschapsrecht dienen te worden aangemerkt.
120. Voor een juist begrip van deze vraag wijs ik erop dat EN 795 de eisen en beproevingsprocedures vaststelt voor verankeringsvoorzieningen van vijf verschillende klassen, aangeduid met de letters A tot en met E. In deze norm worden structurele verankeringen ingedeeld in klasse A, transporteerbare tijdelijke verankeringsvoorzieningen in klasse B, verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale flexibele zekeringsklampen, in klasse C, verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale stijve zekeringsrails, in klasse D, en doodgewichtverankeringen in klasse E.
121. EN 795 werd op 29 maart 1996 vastgesteld door het CEN en op 12 februari 2000 door de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 89/686 bekendgemaakt als geharmoniseerde norm als bedoeld in deze richtlijn.(36) Deze bekendmaking bevatte echter het uitdrukkelijke voorbehoud dat zij geen betrekking had op de uitrustingen beschreven in de klassen A (structurele verankeringen), C (verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale flexibele zekeringsklampen) en D (verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale stijve zekeringsrails) en dat deze voorzieningen bijgevolg niet konden worden geacht in overeenstemming te zijn met richtlijn 89/686.
122. Gezien de bijzondere omstandigheid dat de Commissie de in EN 795 opgenomen eisen en beproevingsprocedures niet als geharmoniseerde norm in de zin van richtlijn 89/686 heeft erkend en in het Publicatieblad heeft bekendgemaakt voor verankeringsvoorzieningen van klasse A, kan EN 795 voor klasse A1 verankeringsvoorzieningen niet worden beschouwd als geharmoniseerde norm in de zin van richtlijn 89/686.(37)
123. Dit betekent dat EN 795 slechts voor de verankeringsvoorzieningen van de klassen B en E kan worden beschouwd als geharmoniseerde norm in de zin van richtlijn 89/686. Voor verankeringsvoorzieningen van de klassen A, C en D dient zij daarentegen te worden aangemerkt als een niet-geharmoniseerde norm van technische aard, die is vastgesteld door een particuliere normalisatie-instelling.(38) Reeds om die reden moet de vraag van de verwijzende rechter of de in EN 795 opgenomen bepalingen en voorwaarden voor klasse A1 verankeringsvoorzieningen dienen te worden aangemerkt als gemeenschapsrecht, ontkennend worden beantwoord.
124. Gezien het bovenstaande zou op de zesde prejudiciële vraag moeten worden geantwoord dat EN 795 ten aanzien van de in deze norm bedoelde klasse A1 verankeringsvoorzieningen niet als door het Hof van Justitie van de Europese Unie uit te leggen gemeenschapsrecht kan worden aangemerkt.
H – De zevende en de achtste prejudiciële vraag
125. Voor het geval dat het Hof zich bevoegd verklaart tot uitlegging van EN 795 ten aanzien van klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in deze norm, wenst de verwijzende rechter met de zevende en de achtste prejudiciële vraag te vernemen op welke wijze de in deze norm voorziene beproevingen van de statische en de dynamische sterkte van deze verankeringsvoorzieningen dienen te worden uitgevoerd. In dit verband wenst hij inzonderheid te vernemen of deze beproevingen onder de te verwachten gebruiksomstandigheden (zevende prejudiciële vraag) en met inachtneming van in de gebruiksaanwijzing aangegeven gebruiksrestricties (achtste prejudiciële vraag) dienen te worden uitgevoerd.
126. Aangezien EN 795 ten aanzien van klasse A1 verankeringsvoorzieningen mijns inziens niet kan worden aangemerkt als door het Hof van Justitie van de Europese Unie uit te leggen gemeenschapsrecht, hebben de zevende en de achtste prejudiciële vraag hun belang verloren. Zij behoeven derhalve geen nadere bespreking.
VIII – Conclusie
127. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Rechtbank ’s‑Gravenhage als volgt te beantwoorden:
„1) Klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 vallen onder richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten, voor zover zij zijn vervaardigd om blijvend deel uit te maken van een bouwwerk. De toepasselijkheid van richtlijn 89/106 sluit de toepassing van andere richtlijnen inzake productveiligheid in beginsel niet uit.
2) Klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in EN 795 vallen niet onder richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen.
3) Bij de beoordeling of een persoonlijk beschermingsmiddel dat valt onder richtlijn 89/686/EEG, voldoet aan de fundamentele voorschriften van deze richtlijn, is niet relevant de vraag of de verankeringsvoorzieningen waarmee dit beschermingsmiddel kan worden verbonden, onder de te verwachten gebruiksomstandigheden veilig zijn.
4) Op een klasse A1 verankeringsvoorziening als bedoeld in EN 795 mag geen CE‑markering worden aangebracht als bewijs van de overeenstemming ervan met een richtlijn waar zij niet onder valt.
5) EN 795 kan ten aanzien van klasse A1 verankeringsvoorzieningen als bedoeld in deze norm niet worden aangemerkt als door het Hof van Justitie van de Europese Unie uit te leggen gemeenschapsrecht.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – De prejudiciële procedure is in het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van 13 december 2007 (PB C 306, blz. 1) thans geregeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3 – PB 1989, L 40, blz. 12, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 tot aanpassing aan besluit 1999/468/EG van de Raad van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is (PB L 284, blz. 1).
4 – PB L 399, blz. 18, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 tot aanpassing aan besluit 1999/468/EG van de Raad van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is (PB L 284, blz. 1).
5 – PB L 220, blz. 23.
6 – Mededeling van de Commissie van 12 februari 2000 in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, gewijzigd bij de richtlijnen 93/68/EEG, 93/95/EEG en 96/58/EG (PB C 40, blz. 5). Blijkens een uitdrukkelijk voorbehoud had deze bekendmaking geen betrekking op de uitrustingen beschreven in de klassen A (structurele verankeringen), C (verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale flexibele zekeringsklampen) en D (verankeringsvoorzieningen die uitgerust zijn met horizontale stijve zekeringsrails); zie punt 121 van deze conclusie.
7 – In de verwijzingsbeslissing is abusievelijk sprake van richtlijn 93/465/EEG.
8 – In dit verband hebben verweersters in het hoofdgeding als bijlage 12 bij hun schriftelijke opmerkingen van 11 augustus 2008 een schrijven overgelegd van het directoraat-generaal Ondernemingen en industrie van de Europese Commissie van 15 maart 2007. Dit schrijven vormt in wezen een bevestiging van de kant van de Commissie dat de „Kedge Safety” is toegelaten tot de testprocedure voor de verlening van een Europese technische goedkeuring conform artikel 9, lid 2, van richtlijn 89/106.
9 – PB L 393, blz. 18.
10 – Mededeling van de Commissie van 12 februari 2000, aangehaald in voetnoot 6.
11 – Het politieke besluit voor toepassing van deze methode op het gebied van de technische harmonisatie, is door de Raad genomen in zijn resolutie van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie (PB C 136, blz. 1).
12 – Artikel 3, lid 1, van richtlijn 89/106.
13 – Deze afkorting staat voor Comité Européen de Normalisation.
14 – Deze afkorting staat voor Comité Européen de Normalisation Electrotechnique.
15 – Deze afkorting staat voor European Telecommunications Standards Institute.
16 – Zie punt IB, sub a, van de bijlage bij besluit 93/465.
17 – Derhalve is het belang van de CE-markering conform artikel 4, lid 2, van richtlijn 89/106 gelegen in het feit dat daarmee de overeenstemming met de technische specificaties wordt aangegeven. Zie in dit verband Langner, D., in: Dauses, M., Handbuch des EU-Wirtschaftsrechts, C. VI. Technische Vorschriften und Normen, punt 72 (24e supplement 2009).
18 – Zie in dit verband alleen al artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 89/106, waarin de betekenis van de CE-markering wordt geregeld voor het geval dat de producten ook vallen onder andere richtlijnen die andere aspecten behandelen. Indien twee „nieuwe aanpak”-richtlijnen bepalingen bevatten met betrekking tot dezelfde aspecten van hetzelfde product, is het zeer wel mogelijk dat de toepasselijkheid van de ene richtlijn ertoe leidt dat de andere richtlijn geen toepassing vindt. Een dergelijke regel is bijvoorbeeld opgenomen in artikel 1, lid 4, van richtlijn 89/686. Zie in dit verband punt 94 van deze conclusie.
19 – Zie punt 1.3.2 van het basisdocument nr. 4: gebruiksveiligheid, bekendgemaakt bij de mededeling van de Commissie betreffende de basisdocumenten van de richtlijn van de Raad 89/106/EEG (PB C 62 van 28 februari 1994, blz. 106 e.v.). Daar wordt inzonderheid duidelijk gemaakt dat het blijvend deel uitmaken van een product betekent dat de verwijdering van een dergelijk product de functionaliteit van het bouwwerk aantast en dat een demontage of vervanging ervan handelingen zijn waarmee bouwwerkzaamheden zijn gemoeid. De opmerking met betrekking tot de verminderde functionaliteit van het bouwwerk in geval van verwijdering van het product heeft in dit verband evenwel geen grote betekenis, aangezien deze omstandigheid op zich geen betrekking heeft op de blijvende verbinding van het product met het bouwwerk, maar veeleer op zijn functionele geschiktheid om aan de in bijlage I bij richtlijn 89/106 weergegeven voorschriften voor de bouwwerken te voldoen.
20 – Punt 3.13.1.1 van EN 795.
21 – Punt 3.5 van EN 795.
22 – Basisdocument nr. 4: gebruiksveiligheid (aangehaald in voetnoot 19, blz. 106 e.v.). Conform artikel 3, lid 3, van richtlijn 89/106 worden de in bijlage I vastgestelde fundamentele voorschriften concreet uitgewerkt in zogenoemde „basisdocumenten” waarmee het vereiste verband wordt gelegd tussen de fundamentele voorschriften overeenkomstig lid 1 en de normalisatiemandaten, mandaten voor richtlijnen voor Europese technische goedkeuring of de erkenning van andere technische specificaties in de zin van de artikelen 4 en 5. Artikel 12 van richtlijn 89/106 bepaalt in dit verband onder meer dat de basisdocumenten de in artikel 3 genoemde en in bijlage I vastgestelde fundamentele voorschriften omschrijven, met harmonisatie van de terminologie en van de technische grondbeginselen en zo nodig met opgave van klassen of niveaus voor elk voorschrift, wanneer de stand van de wetenschappelijke en technische kennis zulks mogelijk maakt.
23 – Als voorbeeld van dergelijke risicosoorten kunnen worden genoemd risico’s als „vallen door uitglijden”, „vallen door misstappen of struikelen” alsmede „vallen ten gevolge van niveauverschillen of plotselinge hoogteverschillen”, die in punt 3.3.1.2 van het basisdocument nr. 4 (aangehaald in voetnoot 19) worden omschreven.
24 – In dit verband mag niet onvermeld blijven dat uit de bekendmaking van titels en referentienummers van de geharmoniseerde normen in de zin van richtlijn 89/106 blijkt dat de geharmoniseerde norm EN 516/2006 sinds 1 november 2006 onder meer van toepassing is op voorzieningen voor het betreden van daken – looppaden, loopvlakken en treden; zie mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (PB 2009, C 309, blz. 1 e.v.).
25 – Punt 3.5 van EN 795.
26 – Zie punt 82 van deze conclusie.
27 – Zie punt 82 van deze conclusie.
28 – Besluit 93/465 bevat in wezen aanwijzingen voor de Raad bij de uitwerking van de „nieuwe aanpak”-richtlijnen. De in punt IB van de bijlage genoemde voornaamste richtsnoeren voor het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering zijn derhalve verdisconteerd in de „nieuwe aanpak”-richtlijnen die na de inwerkingtreding van dit besluit zijn vastgesteld. Bovendien zijn bij richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PB L 220, blz. 1) ook de tot op dat moment vastgestelde „nieuwe aanpak”-richtlijnen gewijzigd en aangepast aan besluit 93/465.
29 – Zie Wagner, G., „Das neue Produktsicherheitsgesetz: Öffentlich-rechtliche Produktverantwortung und zivilrechtliche Folgen (Teil I)”, BB 1997, blz. 2489, 2497.
30 – Zie punt 57 van deze conclusie.
31 – Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/686. Artikel 4, lid 2, juncto artikel 6 van richtlijn 89/106.
32 – Klindt, T., „Das Recht der Produktsicherheit: ein Überblick”, VersR. 2004, blz. 296, 298. Zie ook van Rienen, W./Wasser, U., EG-Recht der Gas- und Wasserversorgungstechnik, Bonn 1999, punt 139, die benadrukken dat de betekenis van de CE-markering gelegen is in het feit dat de voor het markttoezicht bevoegde nationale instanties daaruit kunnen afleiden dat de procedure voor de beoordeling van de overeenstemming van het product met de fundamentele voorschriften van de betrokken richtlijn is doorlopen en dat het product derhalve gemeenschapsrechtelijk in alle lidstaten onbeperkt tot de markt moet worden toegelaten en mag worden gebruikt, totdat het tegendeel is bewezen. Zie ook Strübbe, K., Die Neuordnung des deutschen Konformitätsbewertungssystems, Regensburg 2006, blz. 120 e.v.; Kapoor, A./Klindt, T., „‚New Legislative Framework’ im EU-Produktsicherheitsrecht – Neue Marktüberwachung in Europa?”, EuZW 2008, blz. 649, 651.
33 – Dat de consumentenbescherming thans ook zijn intrede doet in dit rechtsgebied, blijkt onder meer uit punt 30 van de considerans van besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218, blz. 82). Daarin wordt inzonderheid erop gewezen dat de CE-markering in beginsel weliswaar het enige conformiteitsmerkteken moet zijn, maar dat andere markeringen zijn toegestaan als ze bijdragen aan een betere bescherming van de consument en niet gedekt zijn door communautaire harmonisatiewetgeving. Zie ook Lenz, C./Scherer, J., „Ist die Anbringung von Qualitätszeichen nationaler Prüfungsorganisationen neben CE-Kennzeichnungen zulässig?”, EWS 2001, bijlage 3 bij nr. 11, blz. 4 e.v., die de bescherming van consumenten en gebruikers tegen misleiding reeds onder besluit nr. 93/465 als bijkomende doelstelling van de CE-markering beschouwden.
34 – PB L 218, blz. 30.
35 – Ook artikel R11 van bijlage I bij besluit nr. 768/2008 bepaalt in dit verband uitdrukkelijk dat de CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen die zijn vastgesteld in artikel 30 van verordening nr. 765/2008.
36 – Mededeling van de Commissie van 12 februari 2000, aangehaald in voetnoot 6.
37 – Zie Gambelli, F., Aspects juridiques de la normalisation et de la réglementation technique européenne, Parijs 1994, blz. 17 e.v., die erop wijst dat een geharmoniseerde norm een door het CEN opgestelde Europese norm is, die bepaalde kenmerken heeft. Een van deze kenmerken is volgens hem dat de door het CEN opgestelde Europese norm door de Commissie wordt aangenomen en vervolgens in het Publicatieblad is bekendgemaakt.
38 – Zie Jarass, H., „Probleme des Europäischen Bauproduktenrechts”, NZBau 2008, blz. 145, 146, die de door de Europese normalisatie-instanties opgestelde normen die niet op een mandaat van de Commissie berusten en/of door de Commissie niet zijn goedgekeurd, als niet-geharmoniseerde Europese normen aanmerkt, die louter als vakkennis dienen te worden beschouwd.
Full & Egal Universal Law Academy