CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 8 september 2009 (1)
Zaak C‑358/08
Aventis Pasteur SA
tegen
OB
[verzoek van het House of Lords (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 85/374/EEG – Aansprakelijkheid voor producten met gebreken – Artikel 3 – Producent – Kwalificatie van leverancier als producent – Artikel 11 – Verjaringstermijn van tien jaar – In het verkeer brengen van een product – Maatregelen die verjaring stuiten – Per vergissing tegen andere onderneming dan producent ingestelde vordering – Indeplaatsstelling”
Inhoud
I – Inleiding
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
B – Nationaal recht
III – Feiten en de verzoeken om een prejudiciële beslissing
A – Feiten
B – Eerste verzoek om een prejudiciële beslissing en het arrest O’Byrne
C – Verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords
IV – Procesverloop voor het Hof
V – Argumenten van partijen
VI – Juridische beoordeling
A – Eerste verzoek om een prejudiciële beslissing en het arrest O’Byrne
1. Eerste prejudiciële vraag: tijdstip van in het verkeer brengen van een product
2. Analyse van het antwoord van het Hof op de eerste prejudiciële vraag
a) Het uit meerdere lagen bestaande begrip producent krachtens artikel 3 van richtlijn 85/374
b) Aanvangstijdstip van de verjaring krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in het licht van de functionele uitlegging van het begrip producent
3. Tweede en derde prejudiciële vraag: betrekken van een producent bij een lopende procedure door middel van indeplaatsstelling
4. Analyse van het antwoord van het Hof op de tweede en de derde prejudiciële vraag
B – Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords
1. Inleidende opmerkingen
2. Indeplaatsstelling ten nadele van een producent is onmogelijk na het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374
3. Analyse van de veronderstellingen in de prejudiciële vraag van het House of Lords en de gevolgen daarvan voor de toepassing van richtlijn 85/374
a) Verjaring krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 en indeplaatsstelling vóór het verstrijken van deze verjaringstermijn
i) Loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in een geval zoals in het hoofdgeding
ii) Mogelijkheid van indeplaatsstelling ten nadele van de producent vóór het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374
b) Gevolgen van de kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374
i) De kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, respectievelijk, lid 3, van richtlijn 85/374
ii) Gevolgen van de kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, respectievelijk, lid 3, van richtlijn 85/374
4. Samenvatting
VII – Conclusie
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords heeft betrekking op de uitlegging van artikel 11 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (hierna: „richtlijn 85/374”).(2) De verwijzende rechter verzoekt het Hof met name om uitsluitsel over de vraag of en onder welke voorwaarden de producent van een product door middel van indeplaatsstelling als verweerder in een procedure kan worden betrokken, waarin de gelaedeerde zijn aan deze richtlijn ontleende rechten per vergissing jegens een leverancier van het product heeft doen gelden, wanneer deze procedure vóór het verstrijken van de in artikel 11 van richtlijn 85/374 voorziene verjaringstermijn van tien jaar is ingesteld, maar het verzoek tot indeplaatsstelling pas na het verstrijken van deze tienjaartermijn is ingediend.
2. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing wordt gekenmerkt door de bijzonderheid dat deze prejudiciële vraag – hoewel anders verwoord – reeds eerder door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, als lagere rechter in hetzelfde geding aan het Hof is voorgelegd en bij arrest van 9 februari 2006, O’Byrne(3), is beantwoord. Omdat het het House of Lords als cassatierechter in dit geding niet duidelijk is wat de precieze reikwijdte is van de door het Hof verstrekte oplossing, heeft het deze vraag voor een nieuwe prejudiciële beslissing aan het Hof voorgelegd.
II – Rechtskader
A – Gemeenschapsrecht
3. Artikel 1 van richtlijn 85/374 bepaalt dat „[d]e producent [...] aansprakelijk [is] voor de schade, veroorzaakt door een gebrek in zijn product”.
4. Artikel 3 van richtlijn 85/374 luidt:
„1. Onder ‚producent’ wordt verstaan de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel, alsmede eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen.
[...]
3. Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de gelaedeerde binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten, als daarop de identiteit van de in lid 2 bedoelde importeur niet is vermeld, zelfs al is de naam van de producent wel aangegeven.”
5. Artikel 11 van richtlijn 85/374 bepaalt:
„De lidstaten bepalen in hun wetgeving dat de rechten die de gelaedeerde aan deze richtlijn ontleent, komen te vervallen na een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product dat de schade heeft veroorzaakt in het verkeer heeft gebracht, tenzij de gelaedeerde gedurende die periode een gerechtelijke procedure tegen hem heeft ingesteld.”
B – Nationaal recht
6. Het Verenigd Koninkrijk heeft richtlijn 85/374 in nationaal recht omgezet bij Part I van de Consumer Protection Act 1987 (wet van 1987 inzake consumentenbescherming; hierna: „wet van 1987”), die op 1 maart 1988 in werking is getreden.
7. Voorts is bij deze wet van 1987 in de Limitation Act 1980 (wet van 1980 inzake verjaring) een nieuwe Section 11A ingevoegd, waarvan Subsection 3 bepaalt:
„Een vordering waarop deze Section van toepassing is, kan niet worden ingesteld na het verstrijken van het tijdvak van tien jaar na de relevante datum [...]; op grond van deze Subsection eindigt elk vorderingsrecht aan het einde van genoemd tijdvak van tien jaar, en wel ongeacht of het vorderingsrecht is ontstaan, dan wel of de termijn ingevolge de navolgende bepalingen van deze Act is ingegaan.”
8. Overeenkomstig Section 35 van de Limitation Act 1980 is een indeplaatsstelling in het kader van een lopende procedure na het verstrijken van de verjaringstermijn in principe verboden. Bij wijze van uitzondering kunnen procesrechtelijke bepalingen de rechter echter de bevoegdheid verlenen om na het verstrijken van de verjaringstermijn met een dergelijke indeplaatsstelling in te stemmen.
9. Rule 19.5(3)(a) van de Civil Procedure Rules voorziet in een dergelijke mogelijkheid van indeplaatsstelling na het verstrijken van de verjaringstermijn in het geval dat bij vergissing tegen de verkeerde persoon een vordering is ingesteld. Bij de toepassing van deze bepaling beschikt de nationale rechter over een ruime beoordelingvrijheid. Hij houdt daarbij rekening met het feit dat verweerder de bevrijdende werking van de verjaring verliest, zodat het verzoek tot indeplaatsstelling, ook wanneer aan alle feitelijke voorwaarden is voldaan, alleen wordt ingewilligd wanneer dat gelet op de omstandigheden van het geval, gerechtvaardigd is.
III – Feiten en de verzoeken om een prejudiciële beslissing
A – Feiten
10. Verzoeker in het hoofdgeding is als kind in een medisch centrum in het Verenigd Koninkrijk gevaccineerd met een dosis van het HIB-vaccin, dat is geproduceerd door de Franse onderneming Pasteur Mérieux Sérums et Vaccins SA, die haar naam nadien wijzigde in Aventis Pasteur SA (hierna: „APSA”). Het vaccin werd in het Verenigd Koninkrijk verhandeld door de Engelse onderneming Mérieux UK Limited, een volledige dochteronderneming van APSA. In 1994 heeft APSA met de onderneming Merck Inc, een gezamenlijke onderneming opgericht. Mérieux UK Limited werd tot een dochteronderneming van deze gezamenlijke onderneming omgevormd en wijzigde haar naam nadien in Aventis Pasteur MSD (hierna: „APMSD”).
11. Het aan verzoeker toegediende vaccin behoorde tot een partij eenheden van het HIB-vaccin, die APSA op 18 september 1992 naar APMSD heeft verstuurd. APMSD heeft deze partij op 22 september 1992 ontvangen en de daarvoor gezonden factuur regelmatig voldaan.
12. Op een onbekende datum – waarschijnlijk eind september of begin oktober 1992 – is een deel van de partij, waaronder ook het aan verzoeker toegediende vaccin, door APMSD verkocht aan het Department of Health (ministerie van Volksgezondheid van het Verenigd Koninkrijk) en aan een daardoor aangewezen ziekenhuis geleverd. Dit ziekenhuis leverde het vaccin weer aan het medisch centrum waar verzoeker op 3 november 1992 is gevaccineerd.
13. Daarna is bij verzoeker ernstig hersenletsel ontstaan. Hij stelt dat zijn letsel is veroorzaakt door het vaccin, dat een gebrek vertoonde.
14. Op 2 november 2000 heeft verzoeker een gerechtelijke procedure tegen APMSD ingeleid. In zijn op 1 augustus 2001 neergelegde verzoekschrift heeft verzoeker gesteld dat het vaccin door APMSD was geproduceerd en dat het gebrekkig was. In haar verweerschrift, neergelegd op 29 november 2001, heeft APMSD geantwoord dat zij enkel de distributeur van het aan verzoeker toegediende vaccin was. Op 17 april 2002 heeft APMSD in antwoord op een desbetreffend verzoek Pasteur Mérieux Serums et Vaccins SA als producent aangewezen.
15. Op 16 oktober 2002 heeft verzoeker een afzonderlijke gerechtelijke procedure tot schadevergoeding tegen APSA ingesteld, op grond dat APSA de producent van het vaccin was. In deze tweede procedure erkende APSA producent van het vaccin te zijn, maar stelde dat de tegen haar gerichte vordering is verjaard. Het product is in het verkeer gebracht door de door haar uitgevoerde verzending ervan op 18 september 1992 aan APMSD, die het op 22 september 1992 in ontvangst heeft genomen. De verjaringstermijn van tien jaar van Section 11A(3) van de Limitation Act 1980 is derhalve uiterlijk op 22 september 2002 verstreken.
16. Naast deze nieuwe procedure tegen APSA, heeft verzoeker op 10 maart 2003 in de eerste procedure tegen APMSD gevorderd dat APSA in de plaats wordt gesteld van APMSD. Als reden voor deze vordering heeft verzoeker gesteld dat hij bij het instellen van zijn eerste vordering in november 2000 ten onrechte in de overtuiging verkeerde dat APMSD de producent van het vaccin was. Tegen dit verzoek tot indeplaatsstelling heeft APSA aangevoerd dat het nationale recht, voor zover dat een dergelijke indeplaatsstelling na het verstrijken van de tienjaartermijn toestaat, onverenigbaar is met artikel 11 van richtlijn 85/374. Verzoeker bestrijdt dat.
B – Eerste verzoek om een prejudiciële beslissing en het arrest O’Byrne
17. In deze omstandigheden heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, de indertijd bij hem aanhangige eerste procedure geschorst en aan het Hof drie vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd. De High Court of Justice heeft met name om opheldering verzocht over de vragen wanneer in een geval als in het hoofdgeding het product als in het verkeer gebracht, in de zin van artikel 11 van richtlijn 85/374, moet worden beschouwd (eerste prejudiciële vraag), of een bij vergissing tegen een andere onderneming dan de producent ingestelde procedure als een „gerechtelijke procedure tegen de producent” in de zin van artikel 11 kan worden gekwalificeerd (tweede prejudiciële vraag), en of artikel 11 onder deze voorwaarden een rechterlijk goedgekeurde indeplaatsstelling van verweerder ten nadele van een producent toestaat, wanneer de relevante procedure is ingesteld voordat de tienjaartermijn is verstreken, maar de indeplaatsstelling van verweerder pas na het verstrijken van deze termijn is gevorderd (derde prejudiciële vraag).
18. In antwoord op deze vragen heeft het Hof in het arrest O’Byrne voor recht verklaard:
„1. Artikel 11 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken moet aldus worden uitgelegd dat een product in het verkeer is gebracht wanneer het het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een [verhandelingsproces] in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie.
2. Wanneer een rechtsvordering wordt ingesteld tegen een vennootschap die ten onrechte voor de producent van een product wordt aangezien, terwijl dat product in werkelijkheid is gefabriceerd door een andere vennootschap, is het in beginsel een zaak van het nationale recht om de voorwaarden vast te stellen waaronder het mogelijk is, in het kader van een dergelijke rechtsvordering een partij in de plaats te stellen van een andere. Een nationale rechter die de voorwaarden voor deze indeplaatsstelling onderzoekt, dient echter erop toe te zien dat de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374, zoals vastgesteld in de artikelen 1 en 3 daarvan, wordt geëerbiedigd.”
C – Verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords
19. In aansluiting op het arrest O’Byrne, heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, op 20 oktober 2006 de vordering van verzoeker om indeplaatsstelling toegewezen, op grond dat APMSD per vergissing in plaats van APSA als verweerster was aangewezen. APSA heeft beroep ingesteld bij de Court of Appeal, dat het op 9 oktober 2007 heeft verworpen. APSA heeft toestemming van het House of Lords verkregen om cassatieberoep in te stellen.
20. In dit cassatieberoep dient het House of Lords te oordelen over de vraag of het met richtlijn 85/374 verenigbaar is dat de wettelijke regeling van een lidstaat in een geval als in het hoofdgeding indeplaatsstelling van verweerder ten nadele van de daadwerkelijke producent toestaat. Deze vraag is het Hof reeds met de tweede en de derde prejudiciële vraag van het eerste verzoek om een prejudiciële beslissing voorgelegd en door het Hof in het arrest O’Byrne beantwoord. Bij de vaststelling van de precieze reikwijdte van de verstrekte oplossing, zag het House of Lords zich echter met aanzienlijke uitleggingsproblemen geconfronteerd.
21. In die omstandigheden heeft het House of Lords beslist om de behandeling van de voor hem aanhangige procedure te schorsen en het Hof de volgende vraag voor een nieuwe prejudiciële beslissing voor te leggen:
„Is het verenigbaar met de Europese productaansprakelijkheidrichtlijn dat de wettelijke regeling van een lidstaat indeplaatsstelling van een nieuwe verwerende partij toestaat met betrekking tot een vordering die in het kader van de richtlijn is ingesteld nadat de termijn van tien jaar voor het doen gelden van rechten overeenkomstig artikel 11 van de richtlijn is verstreken en de enige persoon die in de gedurende die periode van tien jaar ingestelde procedure als verweerder is opgegeven, niet onder artikel 3 van de richtlijn valt?”
IV – Procesverloop voor het Hof
22. Het prejudiciële verzoek van 11 juni 2008 is op 5 augustus 2008 ter griffie van het Hof ingekomen. Tijdens de schriftelijke behandeling hebben verzoeker en verweerster in het hoofdgeding, evenals de Commissie opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 30 juni 2009 hebben de vertegenwoordigers van verzoeker en verweerster in het hoofdgeding, evenals die van de Commissie opmerkingen gemaakt.
V – Argumenten van partijen
23. APSA wijst erop dat richtlijn 85/374 op een ingewikkelde belangenafweging berust. Als compensatie voor de wettelijke productaansprakelijkheid van de producent, voorziet de richtlijn in een aantal uitsluitingsgronden en andere beschermingsmechanismen voor de producent. In dit verband bepaalt artikel 11 dat de rechten die de consument aan deze richtlijn ontleent in ieder geval komen te vervallen na afloop van een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de producent het product in het verkeer heeft gebracht. De enige mogelijkheid om de loop van deze termijn te stuiten, ligt in het instellen van een gerechtelijke procedure tegen een producent als bedoeld in artikel 3. Omdat richtlijn 85/374 tot doel heeft om de daarin geregelde punten volledig te harmoniseren, is de omschrijving van het begrip producent in artikel 3 limitatief. In aanmerking genomen dat APMSD geen producent in de zin van artikel 3 is, heeft de tegen APMSD ingestelde procedure de loop van de verjaringstermijn van tien jaar niet gestuit. De rechten van de gelaedeerde zijn bijgevolg na afloop van deze termijn vervallen, zodat het is uitgesloten dat hij deze rechten verder tegen APMSD als oorspronkelijke verweerster of tegen APSA als nieuwe verweerster voor de rechter kan doen gelden.
24. Volgens verzoeker in het hoofdgeding staat richtlijn 85/374 niet in de weg aan een nationale bepaling van procesrecht, die inhoudt dat de leverancier van een product, die voor de afloop van de in artikel 11 voorziene verjaringstermijn van tien jaar is gedaagd, onder buitengewone omstandigheden, in het kader van een indeplaatsstelling van verweerder door de producent van het product zou kunnen worden vervangen, zelfs wanneer het verzoek tot indeplaatsstelling pas na afloop van de verjaringstermijn van tien jaar is ingediend. Een dergelijke regeling kan met name richtlijnconform worden geacht wanneer de indeplaatsstelling vereist dat verzoeker ab initio zijn rechten jegens de producent heeft willen doen gelden en de nationale rechter het verzoek tot indeplaatsstelling zou kunnen afwijzen wanneer de ingewisselde verweerder er vóór de afloop van de termijn van tien jaar niet van op de hoogte was dat verzoeker zijn rechten jegens een producent wilde doen gelden.
25. Volgens de Commissie verzoekt de verwijzende rechter in wezen om uitsluitsel over de vraag of in de context van de feiten in het hoofdgeding een krachtens nationaal recht toegestane indeplaatsstelling met richtlijn 85/374 verenigbaar is, wanneer de gelaedeerde zijn vordering vóór de afloop van de verjaringstermijn van tien jaar bij vergissing niet tegen de producent in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn, maar daarentegen tegen een als producent te kwalificeren leverancier in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn, heeft ingesteld en de indeplaatsstelling pas na afloop van de termijn van tien jaar heeft gevorderd. Deze vraag moet haars inziens bevestigend worden beantwoord.
VI – Juridische beoordeling
26. Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de beantwoording van een vraag die in hetzelfde geding reeds door de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s Bench Division, als lagere rechter is voorgelegd en door het Hof in het arrest O’Byrne(4) is beantwoord.
27. Hoewel met het eerste arrest O’Byrne een rechtsgeldige beslissing van het Hof is vastgesteld waarvan de bindende werking niet alleen geldt voor de verwijzende rechter, maar eveneens voor alle rechters die in dezelfde zaak moeten beslissen, is een tweede verwijzing van dezelfde vraag in het kader van hetzelfde geding ontvankelijk.(5) Volgens vaste rechtspraak kan een dergelijke nieuwe verwijzing met name gerechtvaardigd zijn, wanneer de nationale rechter bij de uitlegging of toepassing van het arrest op moeilijkheden stuit, wanneer hij het Hof een nieuwe rechtsvraag stelt of wanneer hij het Hof nieuwe feiten ter beoordeling voorlegt die ertoe kunnen leiden, dat het Hof een vraag waarover eerder uitspraak werd gedaan, anders beantwoordt.(6) Daarbij is het in principe aan de nationale rechter om te beoordelen of de reeds vastgestelde prejudiciële beslissing hem een toereikend antwoord ten behoeve van de beslissing heeft verschaft dan wel of hij een tweede verwijzing noodzakelijk acht.(7)
28. Tegen deze achtergrond zal ik hierna om te beginnen het arrest O’Byrne analyseren. Deze analyse zal ik vervolgens als uitgangspunt nemen voor de uitwerking van een voorstel voor een antwoord op de voor een nieuwe prejudiciële beslissing voorgelegde vraag.
A – Eerste verzoek om een prejudiciële beslissing en het arrest O’Byrne
1. Eerste prejudiciële vraag: tijdstip van in het verkeer brengen van een product
29. In het arrest O’Byrne diende het Hof om te beginnen te oordelen over de vraag of in het geval waarin een product door de vennootschap die het produceert, wordt overgedragen aan een dochtervennootschap die de distributie verzorgt, en door deze dochter wordt verkocht aan een derde, artikel 11 van richtlijn 85/374 aldus moet worden uitgelegd dat het in het verkeer brengen van het product plaatsvindt op het tijdstip van de overdracht van het product door de producent aan die dochter, dan wel wanneer dit product door deze dochter wordt overgedragen aan die derde.
30. Bij de beantwoording van deze prejudiciële vraag heeft het Hof benadrukt dat de in artikel 11 van richtlijn 85/374 opgenomen regeling om de aan de gelaedeerde verleende rechten in de tijd te beperken, een neutraal karakter heeft. Bijgevolg moet de vaststelling binnen welke tijd de vordering van de gelaedeerde moet worden ingesteld, voldoen aan objectieve criteria.(8)
31. In aansluiting daarop heeft het Hof het beginsel vastgesteld dat een product moet worden beschouwd als in het verkeer gebracht in de zin van artikel 11 van de richtlijn, wanneer het het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verhandelingsproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie. In beginsel is in dit verband niet relevant dat het product rechtstreeks door de producent wordt verkocht aan de gebruiker of aan de consument, of dat de verkoop plaatsvindt in het kader van een distributieproces waarbij een of meer tussenpersonen betrokken zijn.(9)
32. Wanneer de banden tussen een producent en een leverancier echter dermate nauw zijn dat laatstgenoemde in feite bij het productieproces betrokken is, dan valt ook deze leverancier onder het begrip producent in de zin van artikel 11 van de richtlijn en wordt het product door de enkele overdracht ervan aan deze leverancier niet geacht in het verkeer te zijn gebracht. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of er sprake is van dergelijke nauwe banden.(10)
2. Analyse van het antwoord van het Hof op de eerste prejudiciële vraag
33. In antwoord op de eerste prejudiciële vraag heeft het Hof in wezen vastgesteld dat een product in principe moet worden geacht in het verkeer te zijn gebracht vanaf het tijdstip waarop de producent het product aan een leverancier overdraagt. Wanneer de banden tussen de producent en een leverancier echter dermate nauw zijn dat de leverancier in feite bij het productieproces moet worden ingedeeld, dan moet ook deze leverancier als producent in de zin van de artikelen 7 en 11 van richtlijn 85/374 worden gekwalificeerd. In een dergelijk geval wordt een product geacht in het verkeer te zijn gebracht vanaf het tijdstip waarop de als producent te kwalificeren leverancier het product aan een derde heeft overgedragen.
34. Omdat het in de artikelen 7 en 11 van de richtlijn gebruikte begrip producent naar de in artikel 3 opgenomen wettelijke omschrijving verwijst, heeft het Hof in het arrest O’Byrne in principe voor een functionele uitlegging van het begrip producent in de zin van artikel 3 gekozen. Om de precieze reikwijdte en betekenis van deze functionele uitlegging te onderzoeken, zal ik om te beginnen de verschillende categorieën producenten krachtens artikel 3 beschrijven en vervolgens duidelijk maken naar welke categorie producent het Hof daarbij heeft verwezen. Vervolgens zal ik verduidelijken hoe deze functionele uitlegging bij de in richtlijn 85/374 voorziene verjaringsregeling aansluit.
a) Het uit meerdere lagen bestaande begrip producent krachtens artikel 3 van richtlijn 85/374
35. Voor de vaststelling van de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374 is de Raad van een ingewikkeld, uit meerdere lagen bestaand begrip producent uitgegaan dat in artikel 3 wordt omschreven en vier verschillende categorieën producenten omvat:
(1) de producent stricto sensu, die het eindproduct, een grondstof of een onderdeel produceert (artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel);
(2) de zogenaamde producent, die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen (artikel 3, lid 1, tweede zinsdeel);
(3) de importeur, die het product in de Gemeenschap invoert om dit te verhandelen in het kader van zijn commerciële activiteiten (artikel 3, lid 2);
(4) de leverancier die het product verhandelt, indien niet kan worden vastgesteld wie de producent is – of, in geval van ingevoerde producten, de importeur –, en de leverancier de identiteit van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd niet binnen een redelijke termijn meedeelt (artikel 3, lid 3).
36. Doordat het Hof in het arrest O’Byrne heeft benadrukt dat een eenheid die formeel deel uitmaakt van de verkoopketen, tengevolge van haar banden met het productieproces van het product, functioneel als producent kan worden beschouwd, heeft het impliciet maar onmiskenbaar naar de categorie producent stricto sensu in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, verwezen. Alleen de producent stricto sensu richt een productieproces in en is bijgevolg in staat om dit proces vorm te geven door er andere eenheden in op te nemen.
37. De functionele uitlegging van het begrip producent in het arrest O’Byrne heeft derhalve betrekking op de categorie producent stricto sensu in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374. De andere categorieën producenten vallen daarentegen niet onder deze functionele uitlegging van het begrip producent.
38. De vaststelling of een leverancier van een product in het concrete geval functioneel als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 moet worden gekwalificeerd, komt toe aan de nationale rechter. In dit verband heeft het Hof in het arrest O’Byrne echter reeds duidelijk gemaakt(11), dat het voor de beoordeling of de banden tussen de producent en een leverancier dermate nauw zijn dat de leverancier in feite bij het productieproces moet worden ingedeeld, in principe niet van belang is of het bij de producent en de leverancier al dan niet om onderscheiden rechtspersonen gaat. Net zomin is het van belang of de producent stricto sensu de producten aan de betrokken eenheid in rekening heeft gebracht en of laatstgenoemde de prijs ervan heeft betaald zoals elke koper. Het is verder niet van belang wie op welk tijdstip eigenaar van de producten was. Wel relevant is daarentegen de vraag of het gaat om ondernemingen die onderscheiden productieactiviteiten verrichten, dan wel om ondernemingen waarvan er een, de dochter, slechts optreedt als distributeur of depothouder van het door de moederonderneming gefabriceerde product.
39. Gelet op deze kenmerken, is voor de kwalificatie van een leverancier als – functionele – producent van een product in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 bepalend of de producent na de overdracht van het product aan deze formeel tot de verkoopketen behorende leverancier de facto de controle over het overgedragen product heeft behouden.(12) Dat zal met name het geval zijn wanneer de leverancier zijn gedrag op de markt niet autonoom bepaalt, maar de aanwijzingen van de producent, die hem controleert, opvolgt.
40. De vraag inzake de overdracht van de feitelijke controle over een product moet door de nationale rechter worden beantwoord in het kader van een beoordeling van het concrete geval en met bijzondere aandacht voor de door de producent ingerichte productie‑ en verhandelingsprocessen. Nochtans kan niet worden ontkend dat bij transacties binnen een concern de overdracht van een product gewoonlijk geen verlies van de controle daarover met zich brengt, met name wanneer het – zoals in het hoofdgeding – gaat om een levering door de producent aan een 100 %-dochteronderneming.
41. Bij het doorgeven van het product door de producent aan een tot de verkoopketen behorende 100 %-dochteronderneming kan bijgevolg worden vermoed dat de producent de controle over het product behoudt totdat deze dochteronderneming het product aan een niet tot het concern behorende persoon of eenheid heeft verkocht. Dat vermoeden is te weerleggen. De economische realiteit is veel te gecompliceerd om zonder de concrete verhoudingen in aanmerking te nemen, te kunnen bevestigen dat een producent de feitelijke controle over een product niet verliest wanneer hij dat aan een eenheid binnen het concern overdraagt. Het tegenbewijs dat de controle is verloren, evenals het bewijs van het precieze tijdstip van de overdracht van het product binnen het concern, moeten echter door de producent worden geleverd, die daarbij niet alleen de bewijslast, maar eveneens het bewijsrisico draagt. Om te vermijden dat de producent in dit verband een procesrechtelijk voordeel kan behalen uit voor de consument ondoorzichtige betrekkingen binnen een concern, dienen aan dat tegenbewijs daarenboven hoge eisen te worden gesteld.
42. Wanneer het tegenbewijs dat de controle is verloren in het kader van een overdracht binnen het concern niet wordt geleverd, dient een leverancier die een 100 %-dochteronderneming van de producent is en hiervan een product heeft ontvangen, samen met de moederonderneming als producent van het product in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 te worden gekwalificeerd.
b) Aanvangstijdstip van de verjaring krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in het licht van de functionele uitlegging van het begrip producent
43. Met de functionele uitlegging van het begrip producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 wordt met het door de richtlijn bewerkstelligde compromis tussen de belangen van de consument en die van de producent, op passende wijze rekening gehouden. Dat blijkt in de eerste plaats in de context van de bepaling van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van de richtlijn, waarop de eerste prejudiciële vraag van de High Court of Justice betrekking had.
44. Wat de verjaring betreft, voorziet richtlijn 85/374 in een dubbele afbakening in de tijd voor de productaansprakelijkheid van de producent.
45. Enerzijds bevat artikel 10, lid 1, een verjaringstermijn van drie jaar, die begint te lopen op de dag waarop de gelaedeerde kennis kreeg dan wel had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. Hoewel deze verjaringstermijn relatief kort is, houdt de omstandigheid dat deze pas begint te lopen vanaf het tijdstip van het bekend worden – of van de nalatige onwetendheid – van de belangrijkste feiten waarop een vordering kan worden gebaseerd, de mogelijkheid in dat deze termijn pas vele jaren na het eerste gebruik van het product begint te lopen. Daarenboven zijn krachtens artikel 10, lid 2, de bepalingen van de lidstaten inzake schorsing en stuiting van de verjaring op deze verjaringstermijn toepasselijk.
46. Ter aanvulling van deze „variabele” driejarige verjaringstermijn, voorziet artikel 11 van de richtlijn in een „vaste” verjaringstermijn van tien jaar, die vanaf het tijdstip van het in het verkeer brengen van het product begint te lopen, en die alleen door het instellen van een gerechtelijke procedure tegen de producent kan worden gestuit, en leidt tot het vervallen van de rechten die de gelaedeerde aan de richtlijn ontleent.(13)
47. Hoewel het Hof in het arrest O’Byrne onder verwijzing naar de tiende overweging van de considerans van richtlijn 85/373 heeft benadrukt dat deze verjaringstermijn van tien jaar in het belang van alle betrokkenen rechtszekerheid verschaft en in die zin een neutraal karakter heeft, kan volgens mij niet worden ontkend dat artikel 11 in het algemene kader van de richtlijn ook en vooral een neutraliserende werking ten gunste van de producent heeft.
48. Zoals advocaat-generaal Geelhoed in zijn conclusie van 2 juni 2005 in de zaak O’Byrne terecht heeft opgemerkt(14), beoogt de richtlijn de consument te beschermen door te bepalen dat de producent wettelijk aansprakelijk is – zij het met mogelijkheden om daarvan te worden bevrijd – wanneer schade wordt veroorzaakt door een gebrek in zijn product. Deze kwalificatie van de aansprakelijkheid van de producent als een wettelijke aansprakelijkheid vloeit rechtstreeks voort uit de tweede overweging van de considerans van richtlijn 85/374, volgens welke alleen wanneer de producent ook buiten schuld aansprakelijk wordt gesteld, een passende oplossing kan worden gevonden voor het aan onze tijd van voortschrijdende techniek eigen probleem, waarbij het gaat om een rechtvaardige toewijzing van de met de moderne technische productie samenhangende risico’s.(15) Deze kwalificatie als wettelijke aansprakelijkheid wordt bevestigd door een analyse van de bewoordingen en de opzet van de richtlijn. Zo wordt de te vergoeden schade consequent als veroorzaakt door een gebrek in het product omschreven, zonder dat daarbij nalatig of in strijd met zijn plicht handelen van de producent in aanmerking wordt genomen.(16) In dit verband geldt krachtens artikel 6 van richtlijn 85/374 de gerechtvaardigde verwachting van de consument, daarentegen niet de door de producent in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting, als maatstaf voor de beoordeling van de gebrekkigheid van een product.(17)
49. De wettelijke aansprakelijkheid van de producent is in de tijd beperkt en vervalt krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 uiterlijk na tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het product in het verkeer is gebracht. Deze „vaste” termijn van tien jaar wordt voornamelijk gerechtvaardigd doordat de wettelijke aansprakelijkheid een grotere last voor de producent vormt dan de aansprakelijkheid volgens de gebruikelijke regels van de contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid. Om de technische vooruitgang niet te belemmeren(18), om de extra last voor de producent binnen de perken te houden en om het aansprakelijkheidsrisico door verzekeringen te kunnen dekken(19), achtte de Raad het noodzakelijk om de wettelijke aansprakelijkheid in de tijd te beperken en de producenten daarbij een vaste, binnen de gehele Gemeenschap geldende, uniforme einddatum te garanderen.
50. In de totale opzet van richtlijn 85/374 moet de in artikel 11 opgenomen grens van tien jaar voor de aansprakelijkheid van de producent derhalve als een tegengewicht voor het wettelijk karakter van deze productaansprakelijkheid worden beschouwd. Daaruit volgt direct dat een verschuiving van het tijdstip waarop deze verjaringstermijn begint te lopen, noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor het door de richtlijn bewerkstelligde compromis tussen de belangen van producenten en consumenten. Wanneer de verjaringstermijn op een later tijdstip begint te lopen, wordt niet alleen de bescherming van de consument groter, maar ook het aansprakelijkheidsrisico van de producent. Begint de verjaringstermijn daarentegen op een vroeger tijdstip te lopen, dan wordt de bescherming van de consument kleiner en – parallel daaraan – ook het aansprakelijkheidsrisico van de producent.
51. Teneinde een ongerechtvaardigde verkorting van de verjaringstermijn ten nadele van de consument te voorkomen, heeft het Hof in het arrest O’Byrne bij de uitlegging van het begrip „in het verkeer brengen”, wat de gebeurtenis betreft die de termijn doet ingaan, niet in de eerste plaats de daadwerkelijke overdracht van het product door de producent aan een andere eenheid in aanmerking genomen, maar veeleer het door de producent ingerichte productieproces en de in deze context uitgeoefende controle. Daarbij geldt de overdracht van het product aan een formeel tot de verkoopketen behorende dochteronderneming niet als in het verkeer brengen van het product, wanneer deze overdracht een transactie vormt die louter binnen het concern plaatsvindt, zonder dat de producent daardoor de controle over het product verliest.
52. Het Hof heeft derhalve van een functionele uitlegging van het begrip producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 gebruik gemaakt teneinde te vermijden dat de verjaringstermijn ten gevolge van transacties binnen het concern zou kunnen ingaan, hoewel het product nog immer onder de controle van de producent zou vallen. De tegenovergestelde oplossing zou namelijk tot gevolg hebben gehad dat de producenten een middel aan de hand zou worden gedaan om de verjaringstermijn van tien jaar door producten binnen het concern op te slaan en te bewaren aanzienlijk te verkorten(20), wat weer tot een verstoring van het door de richtlijn bewerkstelligde evenwicht tussen de belangen van de producent en de consument zou hebben geleid.
3. Tweede en derde prejudiciële vraag: betrekken van een producent bij een lopende procedure door middel van indeplaatsstelling
53. Met de tweede en de derde prejudiciële vraag, waarover het Hof in het arrest O’Byrne door middel van de prejudiciële beslissing diende te oordelen, wilde de verwijzende rechter in wezen vernemen of het nationale recht de rechterlijke instanties een discretionaire bevoegdheid mag verlenen om een procedure die bij vergissing tegen een andere persoon dan de producent is ingesteld te beschouwen als „gerechtelijke procedure tegen de producent” in de zin van artikel 11 van richtlijn 85/374 (tweede prejudiciële vraag), en of artikel 11 in dit verband een nationale regeling toestaat die inhoudt dat de producent door middel van indeplaatsstelling als verweerder bij een procedure kan worden betrokken, die vóór het verstrijken van de tienjaartermijn bij vergissing tegen een andere onderneming is ingesteld, hoewel het verzoek tot indeplaatsstelling pas na het verstrijken van deze termijn is ingediend en tegen deze producent met betrekking tot het betrokken product geen andere gerechtelijke procedure is ingesteld vóór het verstrijken van de tienjaartermijn (derde prejudiciële vraag).
54. In het kader van de beantwoording van deze – samen onderzochte – prejudiciële vragen, heeft het Hof in de eerste plaats vastgesteld dat de richtlijn niet bepaalt welke procedure moet worden gevolgd wanneer een gelaedeerde een rechtsvordering wegens aansprakelijkheid voor producten met gebreken instelt en zich vergist met betrekking tot de persoon van de producent. Het is dus in beginsel een zaak van het nationale procesrecht om de voorwaarden vast te stellen waaronder het mogelijk is, in het kader van een dergelijke rechtsvordering een partij in de plaats te stellen van een andere.(21)
55. Vervolgens heeft het Hof benadrukt dat de richtlijn voor de punten die zij regelt, een volledige harmonisatie nastreeft en dat de vaststelling van de kring van aansprakelijke personen in de artikelen 1 en 3 als uitputtend moet worden beschouwd. In het kader van deze regeling kunnen andere personen alleen in de in artikel 3 limitatief opgesomde gevallen als producent worden beschouwd.(22)
56. Met inaanmerkingneming van deze overwegingen is het Hof bij de beantwoording van de tweede en de derde prejudiciële vraag tot de conclusie gekomen dat het in een geval als in het hoofdgeding in beginsel een zaak van het nationale recht is om de voorwaarden vast te stellen waaronder het mogelijk is een partij in de plaats te stellen van een andere. Een nationale rechter die de voorwaarden voor deze indeplaatsstelling onderzoekt, dient echter erop toe te zien dat de werkingssfeer ratione personae van de richtlijn, zoals vastgesteld in de artikelen 1 en 3 daarvan, wordt geëerbiedigd.(23)
4. Analyse van het antwoord van het Hof op de tweede en de derde prejudiciële vraag
57. Een uitvoerige analyse van het arrest O’Byrne leidt mij tot de conclusie dat het door het Hof verstrekte antwoord op de tweede en de derde prejudiciële vraag, en met name het vereiste dat de nationale rechter die de voorwaarden voor een indeplaatsstelling onderzoekt, erop dient toe te zien dat de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374 wordt geëerbiedigd, op twee, op verschillende gronden gebaseerde, manieren kan worden uitgelegd.
58. Enerzijds zou het arrest aldus kunnen worden uitgelegd dat een – krachtens nationaal recht rechtsgeldige – indeplaatsstelling aan de eisen van richtlijn 85/374 kan voldoen wanneer de „ingewisselde” verweerder binnen de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374 valt en de procedure bij vergissing – en derhalve te goeder trouw –, maar vóór het verstrijken van de termijn tegen een andere onderneming dan de producent is ingesteld, ook wanneer het verzoek tot indeplaatsstelling pas na het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar is ingediend. Op deze uitlegging heeft de High Court of Justice kennelijk zijn beslissing van 20 oktober 2006 gebaseerd, waarmee hij het verzoek van verzoeker tot indeplaatsstelling heeft ingewilligd. Ook het House of Lords lijkt in meerderheid tot deze uitlegging te neigen.
59. Hoewel deze eerste uitlegging met de bewoordingen van het dictum verenigbaar is, bevat het arrest O’Byrne naar mijn mening meerdere aanwijzingen dat het Hof daar tot een tegenovergestelde conclusie is gekomen.
60. Voor deze tweede uitlegging pleit een volledige analyse van het arrest O’Byrne, waarbij met name de herformulering van de tweede en de derde prejudiciële vraag door het Hof, in aanmerking wordt genomen. Deze twee vragen heeft het Hof tot één vraag samengevat en aldus beantwoord dat het in beginsel een zaak van het nationale recht is om de voorwaarden vast te stellen waaronder het mogelijk is om een partij in de plaats te stellen van een andere, waarbij de nationale rechter die de voorwaarden voor deze indeplaatsstelling onderzoekt, de werkingssfeer ratione personae van de richtlijn echter niet mag uitbreiden.
61. Met deze verwijzing naar de verplichting dat de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374 moet worden geëerbiedigd, zou bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag de behandeling van een bij vergissing tegen een andere onderneming dan de producent ingestelde procedure als „gerechtelijke procedure tegen de producent” in de zin van artikel 11, zijn uitgesloten, omdat anders een onderneming die niet onder het begrip producent in de zin van artikel 3 valt, met voorbijgaan van de werkingssfeer ratione personae van richtlijn 85/374 als producent zou worden gekwalificeerd.
62. Dit negatieve antwoord op de tweede prejudiciële vraag houdt om dezelfde redenen een ontkennend antwoord op de derde prejudiciële vraag in. Omdat de bij vergissing tegen een andere onderneming ingestelde procedure niet als „gerechtelijke procedure tegen de producent” kan worden gekwalificeerd, kan deze de verjaring in de zin van artikel 11 van richtlijn 85/374 niet stuiten en vervallen de rechten tegen de daadwerkelijke producent – voor zover tegen hem geen afzonderlijke procedure is ingesteld – na het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar. Tegen deze achtergrond is het uitgesloten dat de producent vervolgens door middel van indeplaatsstelling als verweerder in een reeds lopende procedure zou worden betrokken, waarin de inmiddels vervallen aanspraken tegen een andere onderneming in rechte geldend zijn gemaakt. In het andere geval zou de gerechtelijke procedure tegen een andere onderneming dan de producent de facto als procedure tegen de daadwerkelijke producent worden behandeld, wat het Hof bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag heeft uitgesloten.
B – Het verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords
1. Inleidende opmerkingen
63. Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing van 11 juni 2008 verzoekt het House of Lords in wezen om een nieuw onderzoek van de vraag of een indeplaatsstelling van verweerder in de omstandigheden van het hoofdgeding met richtlijn 85/374 verenigbaar zou zijn. Bij de formulering van deze prejudiciële vraag is het House of Lords van de veronderstelling uitgegaan dat de in het hoofdgeding oorspronkelijk gedaagde leverancier APMSD niet als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 kan worden gekwalificeerd en dat het verzoek tot indeplaatsstelling pas na het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar van artikel 11 van de richtlijn is ingediend.
64. APSA heeft echter aangevoerd dat in het hoofdgeding nog niet definitief duidelijk is of APMSD als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 kan worden gekwalificeerd. Evenmin is duidelijk of het op 16 oktober 2002 instellen van de vordering tegen APSA al dan niet vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar krachtens artikel 11 van de richtlijn heeft plaatsgehad. Gebaseerd op de zich in het dossier bevindende inlichtingen voert met name de Commissie in dit verband aan dat APMSD als producent in de zin van artikel 3 van de richtlijn moet worden gekwalificeerd en dat de prejudiciële vraag dienovereenkomstig moet worden geherformuleerd.
65. Hoewel het niet op de weg van het Hof ligt om zelf de feiten van het hoofdgeding te beoordelen, kan het de verwijzende rechter niettemin met het oog op de bijzonderheden van deze feiten alle nuttige aanwijzingen geven die de oplossing van het hoofdgeding kunnen vergemakkelijken.
66. Tegen deze achtergrond zal ik in de eerste plaats de prejudiciële vraag in de door het House of Lords gekozen formulering analyseren. Vervolgens zal ik de veronderstellingen, waar het House of Lords van is uitgegaan, bespreken en de mogelijke gevolgen ervan voor de beantwoording van de prejudiciële vraag uiteenzetten.
2. Indeplaatsstelling ten nadele van een producent is onmogelijk na het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374
67. De kernvraag die moet worden opgehelderd bij de beantwoording van het verzoek om een prejudiciële beslissing van het House of Lords is, of en onder welke voorwaarden het nationale recht aan een gelaedeerde de mogelijkheid kan toekennen om na het verstrijken van de in artikel 11 van richtlijn 85/374 beschreven verjaringstermijn de producent als verweerder in een procedure te betrekken, die vóór het verstrijken van de verjaringstermijn bij vergissing tegen een leverancier is ingesteld en op deze manier zijn aan de richtlijn ontleende aanspraken in rechte geldend te maken.
68. Volgens mij is een dergelijke indeplaatsstelling ten nadele van een producent, die tengevolge van het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar is bevrijd, niet verenigbaar met richtlijn 85/374.
69. In de eerste plaats wijs ik erop dat richtlijn 85/374 volgens vaste rechtspraak een volledige harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten nastreeft. De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken om de aansprakelijkheid voor producten met gebreken te regelen, wordt volledig door richtlijn 85/374 zelf vastgesteld en moet worden afgeleid uit de bewoordingen, de doelstelling en de opzet ervan.(24)
70. Evenzo is het vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 13 van richtlijn 85/374, bepalende dat deze richtlijn de rechten onverlet laat die de gelaedeerde ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan een op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheidsregeling, niet aldus kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid laat om een algemene aansprakelijkheidsregeling inzake producten met gebreken te handhaven die verschilt van de regeling van die richtlijn.(25)
71. Overeenkomstig deze uitgangspunten legt richtlijn 85/374 niet alleen de onder‑, maar eveneens de bovengrens van de wettelijke productaansprakelijkheid van de producent vast(26), waarbij de regeling van de verjaring krachtens artikel 11 onbetwistbaar als vaststelling van de bovengrens in de tijd van de aansprakelijkheid moet worden gekwalificeerd.
72. Een uitlegging van artikel 11 van richtlijn 85/374, volgens de bewoordingen en de op de zinsbouw betrekking hebbende opzet ervan, toont in dit verband overduidelijk aan dat de rechten jegens de betrokken producent, die de gelaedeerde ontleent aan de richtlijn, na het verstrijken van de daarin voorziene tienjaartermijn volledig moeten teloorgaan. In de verschillende taalversies van deze bepaling wordt het teloorgaan van de rechten onder andere met de begrippen „prenehajo”, „erlöschen”, „shall be extinguished”, „s’éteignent”, „se extinguirán”, „si estinguono”, „komen te vervallen” omschreven. De bewoordingen van deze bepaling bieden derhalve geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de aan de richtlijn ontleende rechten na het vervallen ervan om wat voor reden dan ook kunnen herleven.
73. De uitlegging dat het bereiken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 tot het onherroepelijk verloren gaan van de door gelaedeerde aan de richtlijn ontleende rechten jegens de bevrijde producent voert, komt daarenboven overeen met de rechtspraak van het Hof inzake de door de richtlijn nagestreefde doelen.
74. Met inaanmerkingneming van de eerste overweging van de considerans van richtlijn 85/374, is het vaste rechtspraak van het Hof, dat deze richtlijn niet alleen ertoe strekt verschillen in het niveau van bescherming van de consument te voorkomen, maar ook een onvervalste mededinging tussen marktdeelnemers dient te waarborgen en het vrije goederenverkeer dient te vergemakkelijken.(27)
75. In het naast elkaar voorkomen van deze drie doelstellingen, heeft de consumentenbescherming in het kader van richtlijn 85/374 geen prioriteit in verhouding tot de beide andere doelstellingen(28), dit in tegenstelling tot veel andere op de consument betrekking hebbende richtlijnen.(29) Het doel van richtlijn 85/374 is een gerechtvaardigde verdeling van de risico’s tussen de gelaedeerde en de producent te bewerkstelligen, wat onder andere in de zevende overweging van de considerans uitdrukkelijk wordt bevestigd.(30)
76. Tegen deze achtergrond is het vaste rechtspraak van het Hof dat nationale regelingen ter bescherming van de consument, die verder gaan dan de in richtlijn 85/374 opgenomen uitgangspunten, in het licht van de nagestreefde volledige harmonisatie in strijd met de richtlijn zijn.(31)
77. Zoals ik reeds heb gesteld, beoogt de verjaringstermijn van tien jaar krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in dit verband om de producent een vaste einddatum voor zijn wettelijke aansprakelijkheid te waarborgen. Daardoor blijft niet alleen de extra last voor de producent binnen de perken, maar wordt tegelijkertijd het aansprakelijkheidsrisico gemakkelijker te verzekeren.(32)
78. Deze beide doelstellingen kunnen alleen worden bereikt wanneer het aanvangstijdstip en het eindtijdstip van de tienjaartermijn binnen de gehele Gemeenschap uniform worden gehandhaafd. Tegen deze achtergrond wordt de loop van de verjaring in artikel 11 van richtlijn 85/374 aan de hand van objectief te constateren criteria bepaald: de termijn loopt vanaf het tijdstip waarop de producent het product in het verkeer brengt en duurt tien jaar. Om te vermijden dat door de wettelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot de schorsing of de stuiting van de verjaring, de tienjaartermijn op nationaal niveau verschillend wordt ingevuld, heeft de Raad daarenboven de gronden voor de stuiting van de verjaring in artikel 11 aldus limitatief vastgesteld, dat alleen het instellen van een gerechtelijke procedure tegen de producent tot de stuiting van de verjaring kan leiden. Het instellen van een vordering tegen een andere persoon dan de producent leidt derhalve niet tot stuiting van de tienjaartermijn.(33)
79. Uit systematisch oogpunt vormt deze limitatieve regeling van de gronden voor de stuiting van de verjaring krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 een zeer duidelijk aanwijzing voor het feit dat aan de richtlijn ontleende aanspraken, die overeenkomstig artikel 11 zijn vervallen, niet meer in rechte geldend kunnen worden gemaakt, ook niet door middel van een – krachtens nationaal procesrecht rechtsgeldige – indeplaatsstelling in het kader van een reeds lopende procedure tegen een leverancier. Wanneer een gelaedeerde, wiens rechten jegens de producent reeds zijn vervallen, deze producent als verweerder in een andere procedure zou kunnen betrekken, waarin dezelfde rechten van een leverancier worden opgeëist, zou uiteindelijk een nieuwe grond voor de stuiting van de verjaring worden gecreëerd. In dit geval zou namelijk het instellen van een procedure tegen een onderneming, die abusievelijk als producent wordt beschouwd, de facto de verjaring ook jegens de producent kunnen stuiten. Daarmee zou de in artikel 11 opgenomen begrenzing in de tijd van de aansprakelijkheid van de producent naar boven worden doorbroken, wat gelet op de met richtlijn 85/374 nagestreefde volledige harmonisatie van dit gebied, is uitgesloten.
80. Gelet op het bovenstaande, kom ik tot de conclusie dat een nationale regeling die inhoudt dat een gelaedeerde door middel van indeplaatsstelling een producent, die door het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 van de aansprakelijkheid krachtens deze richtlijn is bevrijd, als verweerder in een procedure kan betrekken waarin de aan de richtlijn ontleende aanspraken bij vergissing, maar binnen de termijn, tegen een andere onderneming geldend zijn gemaakt, niet met richtlijn 85/374 verenigbaar is.
3. Analyse van de veronderstellingen in de prejudiciële vraag van het House of Lords en de gevolgen daarvan voor de toepassing van richtlijn 85/374
81. Zoals ik reeds heb gesteld, voert APSA aan dat over de aan het verzoek om een prejudiciële beslissing ten grondslag liggende veronderstellingen, dat APMSD geen producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 is en dat APSA pas na het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar voor de eerste maal is gedaagd, in het hoofdgeding nog niet beslist. Daarenboven neigt de Commissie duidelijk tot de opvatting dat APMSD krachtens artikel 3, lid 3, als producent moet worden gekwalificeerd, zodat zij voorstelt om de prejudiciële vraag met inaanmerkingneming van deze omstandigheid te herformuleren.
82. Omdat het Hof de verwijzende rechter alle nuttige aanwijzingen kan geven die de oplossing van het hoofdgeding kunnen vergemakkelijken, zal ik nader ingaan op beide fundamentele veronderstellingen van het House of Lords en daarbij duidelijk maken hoe de loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in een geval als in het in casu betrokken hoofdgeding doorgaans moet worden bepaald en hoe een indeplaatsstelling ten nadele van de producent in het licht van de richtlijn moet worden beoordeeld, wanneer het verzoek tot indeplaatsstelling vóór het verstrijken van de verjaringstermijn is ingediend. Vervolgens zal ik uiteenzetten welke gevolgen de kwalificatie van een leverancier zoals APMSD als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 in een geval zoals in het hoofdgeding, met zich mee zou brengen.
a) Verjaring krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 en indeplaatsstelling vóór het verstrijken van deze verjaringstermijn
i) Loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 in een geval zoals in het hoofdgeding
83. Krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 vervallen de rechten die de gelaedeerde aan de richtlijn ontleent, na het verstrijken van een termijn van tien jaar vanaf het tijdstip waarop de producent het product in het verkeer heeft gebracht.
84. De vraag inzake de vaststelling van het precieze tijdstip waarop het product in het verkeer is gebracht, is het Hof reeds bij het eerste verzoek om een prejudiciële beslissing van de High Court of Justice voorgelegd en in het arrest O’Byrne ondubbelzinnig beantwoord.
85. Het Hof heeft voor recht verklaard dat een product pas in het verkeer is gebracht vanaf het tijdstip waarop het het productieproces van de producent heeft verlaten en is opgenomen in een verhandelingsproces in een vorm waarin het aan het publiek wordt aangeboden voor gebruik of consumptie.(34) In deze context geldt de overdracht van het product aan een formeel tot de verkoopketen behorende dochteronderneming niet als in het verkeer brengen van het product, wanneer deze overdracht puur een transactie binnen het concern vormt, zonder dat de producent daardoor de controle over het product verliest.(35)
86. Wanneer de nationale rechter in het hoofdgeding ten slotte zou bevestigen dat de banden tussen APSA en APMSD dermate nauw zijn dat APMSD haar handelwijze met betrekking tot het betrokken vaccin niet autonoom kon bepalen, zou het aan APMSD geleverde vaccin pas op het tijdstip dat laatstgenoemde het aan een derde heeft verkocht, in het verkeer gebracht zijn.
87. In dit verband blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de datum waarop APSA het vaccin aan APMSD heeft verzonden, in het hoofdgeding zeer precies is bepaald. Het vaccin is op 18 september 1992 verzonden en op 22 september 1992 bij APMSD aangekomen. Het precieze tijdstip waarop APMSD het vaccin aan het ministerie van Volksgezondheid heeft verkocht, staat daarentegen niet vast. Volgens de inlichtingen van de verwijzende rechter heeft deze verkoop „waarschijnlijk einde september 1992 of begin oktober 1992” plaatsgevonden. Op 3 november 1992 is verzoeker ten slotte met dit vaccin gevaccineerd.
88. Op 16 oktober 2002 heeft verzoeker een gerechtelijke procedure tegen APSA ingesteld, om zijn aan richtlijn 85/374 ontleende rechten geldend te maken.
89. Wanneer de verjaringstermijn van tien jaar van APSA pas zou zijn ingegaan met de overdracht van het vaccin aan het ministerie van Volksgezondheid, moet het precieze tijdstip van de verkoop van het vaccin door APMSD aan het ministerie van Volksgezondheid worden vastgesteld om het aanvangstijdstip van deze verjaringstermijn te bepalen. Ongeacht de vraag of in deze hypothese de loop van de verjaringstermijn tegen APSA niet reeds door het instellen van de vordering tegen APMSD tijdig is gestuit(36), zou de gerechtelijke procedure tegen APSA op 16 oktober 2002 in ieder geval vóór het verstrijken van de tienjaartermijn zijn ingesteld, wanneer het vaccin pas door de verkoop aan het ministerie van Volksgezondheid op 16 oktober 1992 of later in het verkeer zou zijn gebracht.(37)
90. Ook wanneer het precieze tijdstip van de verkoop van het vaccin aan het ministerie van volksgezondheid, die de termijn heeft doen ingaan, niet meer kan worden achterhaald, maar slechts tot de periode tussen 22 september 1992 – tijdstip van ontvangst van het vaccin door APMSD – en 3 november 1992 – vaccinatie van verzoeker – kan worden beperkt, zou door de instelling van de gerechtelijke procedure tegen APSA op 16 oktober 2002 de loop van de verjaringstermijn in ieder geval nog tijdig zijn gestuit. Voor zover APSA de exceptie van verjaring zou opwerpen, zou zij eveneens het tijdstip van het in het verkeer brengen van het vaccin moeten bewijzen.(38) Wanneer APSA als producent dit tijdstip alleen tot een bepaalde periode zou kunnen beperken, die meer dan tien jaar vóór het tijdstip van het instellen van de vordering begint, maar minder dan tien jaar vóór dit tijdstip eindigt, zou APSA als producent niet alleen de bewijslast, maar eveneens het bewijsrisico voor de vaststelling van het precieze aanvangstijdstip van de verjaring dragen.(39) Bij het ontbreken van een precieze vaststelling van het tijdstip van het in het verkeer brengen, zou ook bij een dergelijke hypothese de gerechtelijke procedure van 16 oktober 2002 in ieder geval tijdig en derhalve met de verjaring stuitende werking, tegen APSA zijn ingesteld.
ii) Mogelijkheid van indeplaatsstelling ten nadele van de producent vóór het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374
91. Richtlijn 85/374 spreekt zich niet uit over de vraag welke procesrechtelijke bepalingen moeten worden toegepast wanneer een gelaedeerde zijn aan deze richtlijn ontleende rechten tegen een producent wil doen gelden. Voorziet het nationale procesrecht in de mogelijkheid om de verweerder in het kader van een reeds aanhangige procedure door een andere verweerder te vervangen en daardoor zijn voor de rechter aangevoerde aanspraken tegen de erbij betrokken verweerder te doen gelden, dan is een dergelijke indeplaatsstelling in principe te beschouwen als het instellen van een vordering tegen de producent, die ontvankelijk is.
92. Zolang de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 nog niet is verstreken, kan de producent derhalve in het kader van een – krachtens nationaal procesrecht rechtsgeldige – indeplaatsstelling als verweerder in een andere procedure worden betrokken, waarin een op productaansprakelijkheid betrekking hebbende schadevergoeding bij vergissing jegens een andere onderneming is gevorderd.
93. Datzelfde moet gelden wanneer de gelaedeerde de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 door het instellen van een afzonderlijke vordering tegen de producent heeft gestuit. Omdat de gevolgen van deze stuiting van de verjaring boven de concrete procedure uitgaan, zou het met richtlijn 85/374 verenigbaar zijn wanneer de producent in aansluiting op de eerste procedure door middel van een – krachtens nationaal recht rechtsgeldige – indeplaatsstelling als verweerder in een andere procedure zou kunnen worden betrokken, waarin dezelfde rechten bij vergissing jegens een andere onderneming geldend zijn gemaakt.
b) Gevolgen van de kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374
94. Uit de gegevens van partijen en uit de inlichtingen in het dossier blijkt dat de nationale rechter in het hoofdgeding zich nog niet over de kwalificatie van APMSD als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 heeft uitgesproken. Hieronder zal ik mij tegen deze achtergrond bezighouden met de voorwaarden voor en de gevolgen van de kwalificatie van een leverancier zoals APMSD als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, respectievelijk, lid 3, van de richtlijn.
i) De kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, respectievelijk, lid 3, van richtlijn 85/374
95. Volgens de functionele uitlegging van het begrip producent, waarop het Hof zijn arrest O’Byrne heeft gebaseerd, valt een eenheid die een product verkoopt onder het begrip producent stricto sensu in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374, wanneer de banden tussen de producent en de leverancier dermate nauw zijn dat de producent na de overdracht van het product aan de leverancier de facto de controle over het overgedragen product behoudt.(40) Wanneer de nationale rechter in het hoofdgeding ten slotte het bestaan van een dergelijke nauwe band zou bevestigen, zou APMSD derhalve samen met APSA als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 moeten worden beschouwd.
96. Daarenboven wordt krachtens artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 iedere leverancier van een product als de producent ervan behandeld, indien niet kan worden vastgesteld wie de producent is en de leverancier de gelaedeerde niet binnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd.
97. De kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 komt derhalve in aanmerking in gevallen waarin de gelaedeerde de identiteit van de producent in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn niet heeft kunnen vaststellen. Gelet op de duidelijke bewoordingen van deze bepaling is uitsluitend onbekendheid met de identiteit van de producent echter niet voldoende. De gelaedeerde moet daarenboven bewijzen dat hij de identiteit van de producent niet heeft kunnen vaststellen.(41) De richtlijn spreekt zich niet uit over de reden waarom de gelaedeerde de producent niet kent, zodat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of de producent van het product, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, al dan niet was vast te stellen.(42)
98. Toepassing van artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 vereist verder dat de leverancier de gelaedeerde niet binnen een redelijke termijn de identiteit heeft meegedeeld van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd. Hoewel de richtlijn geen nadere gegevens bevat voor de berekening van de door de leverancier in acht te nemen reactietermijn, moet ervan worden uitgegaan dat deze begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de gelaedeerde jegens de leverancier aan de richtlijn ontleende rechten opeist. Om te vermijden dat een leverancier door het meedelen van de identiteit van de producent uit te stellen, het de gelaedeerde moeilijk of – gelet op het verstrijken van de verjaringstermijn van tien jaar – zelfs volledig onmogelijk maakt om de producent te vervolgen, moet ervan worden uitgegaan dat de reactietermijn voor het meedelen van de identiteit van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd, ten laatste begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de gelaedeerde van de leverancier met een beroep op de productaansprakelijkheidsbepalingen formeel vergoeding van de schade heeft geëist, hetzij in een aanmaningsbrief, hetzij door het instellen van een gerechtelijke procedure. Daarbij wordt de termijn alleen in gang gezet wanneer de vordering met betrekking tot het product voldoende is geïndividualiseerd.
99. Een leverancier kan zijn kwalificatie als producent krachtens artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 alleen voorkomen door de identiteit van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd, mee te delen. Wanneer de leverancier de identiteit van de producent of van degene die hem het product heeft geleverd, kent, is de mededeling dat hij zelf niet de producent is voor een exoneratie niet voldoende. Veeleer dient de leverancier, ook zonder een desbetreffende vordering van de gelaedeerde, alle vereiste inlichtingen binnen een redelijke termijn mee te delen.(43)
ii) Gevolgen van de kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, respectievelijk, lid 3, van richtlijn 85/374
100. Indien de nationale rechter in het hoofdgeding ten slotte tot de conclusie zou komen dat APMSD als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, of artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 zou moeten worden gekwalificeerd, zou APMSD krachtens de bepalingen van deze richtlijn als producent aansprakelijk zijn voor de schade die door het gebrekkige vaccin is veroorzaakt.
101. Gelet op het feit dat de gelaedeerde in het hoofdgeding zijn rechten met betrekking tot de productaansprakelijkheid reeds op 2 november 2000 in rechte tegen APMSD geldend heeft gemaakt en zijn verzoekschrift op 1 augustus 2001 heeft neergelegd, zou de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 jegens APMSD tijdig zijn gestuit.
102. Daarenboven sluit een dergelijke kwalificatie van APMSD als producent een aanvullende vordering tegen APSA niet uit. Voor het geval dat de aan de richtlijn ontleende rechten van meerdere producenten worden opgeëist, voorziet artikel 5 van de richtlijn uitdrukkelijk in een hoofdelijke aansprakelijkheid van deze producenten jegens gelaedeerden, onverminderd de bepalingen van het nationale recht inzake regres.
103. Daarbij dient echter in aanmerking te worden genomen dat het instellen van een vordering tegen één van meerdere producenten in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 de loop van de verjaring krachtens artikel 11 van deze richtlijn in principe alleen jegens de gedaagde producent stuit. Nochtans kunnen in dit, de verjaring betreffende, verband de gevolgen van de functionele uitlegging van het begrip producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 niet worden genegeerd.(44)
104. Hoewel volgens de opzet van de richtlijn alle bij het productieproces betrokken producenten jegens de consument hoofdelijk aansprakelijk zijn, in geval van een gebrekkig eindproduct, moet de in artikel 11 van richtlijn 85/374 opgenomen verjaringstermijn in principe voor iedere betrokken producent afzonderlijk worden vastgesteld.
105. In haar schriftelijke opmerkingen stelt de Commissie een afwijkende beoordeling voor, die inhoudt dat het instellen van een vordering tegen een leverancier, die als producent in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 moet worden gekwalificeerd, de loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 jegens een producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, zou kunnen stuiten. Een dergelijke uitlegging leidt er echter uiteindelijk toe dat het instellen van een vordering tegen een producent in de zin van artikel 3 de loop van de verjaringstermijn van tien jaar tegen alle andere producenten in de zin van artikel 3 zou stuiten. Dit uitgangspunt is in strijd met de doelstellingen van richtlijn 85/374, miskent de rechtspraak van het Hof en is door de Commissie desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling gerelativeerd.
106. In de eerste plaats wijs ik erop dat het Hof zich in het arrest O’Byrne bij de uitlegging van het begrip in het verkeer brengen – dat de verjaringstermijn in gang zet – op het productieproces heeft gericht, dat een concrete producent voor een specifiek product heeft ingericht. Tegen deze achtergrond brengt de producent van een onderdeel of de leverancier die als zodanig of als producent moet worden gekwalificeerd en die zijn onderdeel aan een andere producent van onderdelen of van eindproducten verkoopt, dit altijd in het verkeer, zodat zijn verjaringstermijn krachtens artikel 11 van de richtlijn vanaf dat tijdstip begint te lopen.(45) Wanneer meerdere producenten of leveranciers, die als zodanig moeten worden gekwalificeerd, in een toegevoegde waarde scheppende keten zijn ingebed, moet het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn voor iedere producent afzonderlijk worden vastgesteld. Wanneer nu een gerechtelijke procedure tegen een producent of een leverancier die als producent moet worden gekwalificeerd de loop van de verjaring jegens alle andere betrokken producenten en leveranciers die als zodanig moeten worden gekwalificeerd, zou stuiten en weliswaar ongeacht of deze ooit bij de procedure zouden worden betrokken of zelfs kennis daarvan zouden krijgen, zou dat met het in het arrest O’Byrne gevolgde uitgangspunt van de geconcretiseerde afzonderlijke benadering, slechts moeilijk verenigbaar zijn.
107. Daarenboven herinner ik eraan dat de verjaringstermijn van tien jaar krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 eigenlijk beoogt om de producenten een vaste einddatum voor hun wettelijke aansprakelijkheid te waarborgen.(46) Aan deze begrenzing in de tijd van de aansprakelijkheid liggen eveneens bewijstechnische overwegingen ten grondslag, omdat de in artikel 7, sub e (ontwikkelingsrisico) en sub f (onderdeel zonder gebreken), vastgestelde exoneratiegronden van de eindproducent, respectievelijk de producent van een onderdeel, een bewijs vereisen dat de toestand van het product op het tijdstip waarop het in het verkeer is gebracht, betreft. Omdat de producenten niet alleen de bewijslast, maar ook het bewijsrisico dragen, terwijl dit bevrijdend bewijs door het verloop van de tijd steeds moeilijker is te leveren, zou het met het door richtlijn 85/374 verwezenlijkte compromis van belangen in strijd zijn wanneer de verjaringstermijn van tien jaar voor alle bij een toegevoegde waarde scheppende keten betrokken producenten, door het instellen van een vordering tegen een andere producent of een leverancier die als producent moet worden gekwalificeerd, en derhalve buiten hun medeweten zou kunnen worden gestuit, met name omdat dergelijke procedures bijzonder langdurig kunnen zijn.
108. Volgens mij kan het binnen de termijn instellen van een vordering tegen een leverancier bijgevolg evenmin de verjaring stuitende gevolgen hebben jegens een producent in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn, wanneer de leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn zou moeten worden gekwalificeerd.
109. Wanneer de nationale rechter in het hoofdgeding daarentegen tot de conclusie zou komen dat een leverancier zoals APMSD, tengevolge van zijn inbedding in het door APSA ingerichte productieproces, samen met laatstgenoemde als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 moet worden gekwalificeerd, zou het binnen de termijn instellen van de vordering tegen APMSD zeer wel de verjaring stuitende gevolgen hebben jegens APSA.
110. In deze hypothese is de omstandigheid beslissend dat de leverancier, die voldoende nauw met het door de producent ingerichte productieproces is verbonden, samen met laatstgenoemde als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van de richtlijn is te kwalificeren. Omdat deze twee eenheden in het licht van de functionele uitlegging van het begrip producent als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, moeten worden beoordeeld, moet ook de verjaringstermijn voor beide eenheden hetzelfde verloop hebben.
111. Tegen deze achtergrond heeft het Hof in het arrest O’Byrne na een zorgvuldige afweging van de belangen van de consument en de producent, het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van tien jaar krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 voor de producent stricto sensu en de in zijn productieproces opgenomen leverancier op elkaar afgestemd, doordat het tijdstip in aanmerking wordt genomen waarop deze leverancier het product in het verkeer brengt. Tegen de achtergrond van dezelfde belangenafweging moet ook het verstrijken van deze verjaringstermijn uniform vorm worden gegeven.
112. Omdat het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van de richtlijn alleen door het instellen van een gerechtelijke procedure wordt gestuit, vereist een uniforme vormgeving van de verjaringstermijn van de gezamenlijk als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, te kwalificeren producent en leverancier, dat het instellen van een gerechtelijke procedure tegen de leverancier, niet alleen de loop van de verjaringstermijn van tien jaar jegens deze leverancier, maar ook die jegens de producent, in wiens productieproces hij is opgenomen, stuit.
113. Gelet op het bovenstaande kom ik derhalve tot de conclusie dat de – door de nationale rechter te beoordelen – kwalificatie van de leverancier van een product als de producent daarvan, ertoe leidt dat deze leverancier krachtens artikel 1 van de richtlijn aansprakelijk is voor de door het gebrekkige product veroorzaakte schade, ongeacht of hij als producent in de zin van artikel 3, lid 1, of als producent in de zin van artikel 3, lid 3, van de richtlijn wordt gekwalificeerd. De kwalificatie van een leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van de richtlijn heeft daarenboven tot gevolg dat de verjaringstermijn van tien jaar van de producent, in wiens productieproces de leverancier is opgenomen, pas begint te lopen vanaf het tijdstip waarop de leverancier het product in het verkeer brengt. Tegelijkertijd stuit in deze hypothese een tegen deze leverancier ingestelde gerechtelijke procedure ook de loop van de verjaring krachtens artikel 11 van de richtlijn jegens de producent, in wiens productieproces hij is opgenomen.
4. Samenvatting
114. In het licht van bovenstaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat een krachtens nationaal procesrecht rechtsgeldige indeplaatsstelling, waarmee een producent als verweerder wordt betrokken in een procedure die betrekking heeft op het doen gelden van aan richtlijn 85/374 ontleende rechten, een met deze richtlijn verenigbare wijze van instellen van een vordering tegen deze producent vormt, vooropgesteld dat laatstgenoemde ten tijde van het verzoek tot indeplaatsstelling niet tengevolge van het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van de richtlijn, was bevrijd.
115. Wanneer de nationale rechter in het hoofdgeding bovendien tot de conclusie zou komen dat APMSD als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, of lid 3, van de richtlijn moet worden gekwalificeerd, zou ook APMSD krachtens artikel 1 van richtlijn 85/374 aansprakelijk zijn voor de schade die door het gebrekkige product is veroorzaakt. De kwalificatie van APMSD als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, heeft tegelijk tot gevolg dat het instellen van de vordering tegen APMSD ook de loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van de richtlijn jegens APSA, in wier productieproces zij was opgenomen, heeft gestuit.
VII – Conclusie
116. Gelet op het bovenstaande, geef ik het Hof in overweging het House of Lords als volgt te antwoorden:
„1) Een nationale regeling die in het kader van een procedure, die betrekking heeft op het doen gelden van rechten die zijn ontleend aan richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, de vervanging van de gedaagde leverancier door de producent toestaat door middel van indeplaatsstelling, is met deze richtlijn verenigbaar, vooropgesteld dat de producent ten tijde van het verzoek tot indeplaatsstelling niet tengevolge van het verstrijken van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374, was bevrijd.
2) Wanneer een leverancier als producent in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 moet worden gekwalificeerd, is hij krachtens artikel 1 van deze richtlijn aansprakelijk voor de schade die door het gebrekkige product is veroorzaakt. De kwalificatie van de leverancier als producent in de zin van artikel 3, lid 1, eerste zinsdeel, van richtlijn 85/374 heeft tegelijk tot gevolg dat het instellen van een gerechtelijke procedure tegen deze leverancier ook de loop van de verjaringstermijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 jegens de producent, in wiens productieproces hij is opgenomen, stuit.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – PB L 210, blz. 29.
3 – Arrest van 9 februari 2006, O’Byrne (C‑127/04, Jurispr. blz. I‑1313).
4 – Aangehaald in voetnoot 3.
5 – Rengeling, H.‑W./Middeke, A./Gellermann, M., Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, München 2003, § 10, punt 87.
6 – Arrest van 11 juni 1987, Pretura di Salò (14/86, Jurispr. blz. 2545, punt 12), en beschikking van 5 maart 1986, Wünsche (69/85, Jurispr. blz. 947, punt 15).
7 – Zie daartoe Dauses, A., „P – Gerichtsbarkeit der EU”, in Handbuch des EU-Wirtschaftsrechts (uitgegeven door Dauses, M.), P. II, punt 224 (EL 23).
8 – Arrest O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punt 26).
9 – T.a.p., punt 27 e.v.
10 – T.a.p., punt 29 e.v.
11 – T.a.p., punt 30 e.v.
12 – In deze zin eveneens advocaat-generaal Geelhoed in zijn conclusie in de zaak O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punt 43), die van mening is dat het referentiepunt de controle of het opgeven van de controle over het product moet zijn. Zie eveneens Viney, G./Jourdain, P., Les conditions de la responsabilité, derde druk, Parijs 2006, blz. 881; Jourdain, P., „Responsabilité civile. Responsabilités spéciales. Produits défectueux”, RTD civ. 2006, blz. 331, 333.
13 – Omdat de aan de richtlijn ontleende rechten na afloop van de termijn van tien jaar krachtens artikel 11 vervallen, wordt deze termijn in de doctrine algemeen niet als een verjaringstermijn, maar veeleer als een „vervaltermijn” gekwalificeerd, die onder aanhaling van nationale rechtsbegrippen onder andere wordt beschreven als een „ambtshalve in aanmerking te nemen uitsluitingstermijn” (Graf von Westphalen, F., Produkthaftungshandbuch, deel 2, tweede druk, München 1999, § 79 punt 15), „vervaltermijn” (Dommering-van Rongen, L., Productaansprakelijkheid, Amsterdam 2000, blz. 92 e.v.), „délai d’extinction” (le Tourneau, Ph., Droit de la responsabilité et des contrats, zesde druk, Parijs 2006, punt 8461). Een dergelijke toepassing van voor het nationale recht ontwikkelde begrippen houdt echter het gevaar in dat aan deze begrippen inherente procesrechtelijke principes indirect veld winnen bij de uitlegging van artikel 11 van de richtlijn. Daarenboven wordt in de tiende overweging van de considerans van de richtlijn uitdrukkelijk verwezen naar een „uniforme verjaringstermijn voor de vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade”. Tegen deze achtergrond hebben zowel het Hof in het arrest O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3), als advocaat-generaal Geelhoed in zijn conclusie in deze zaak, de termijn van tien jaar krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 terecht als een verjaringstermijn omschreven, waarbij dit begrip in gemeenschapsrechtelijke zin moet worden uitgelegd.
14 – Conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in de zaak O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punt 29).
15 – Zie daartoe enkel Borghetti, J.‑S., La responsabilité du fait des produits. Etude de droit comparé, Parijs 2004, punt 434, blz. 432 e.v.
16 – Zie enkel Taschner, H.C., „Product liability: basic problems in comparative law perspective”, in Product Liability in Comparative Perspective (bewerker: Fairgrieve, D.), Cambridge 2005, blz. 155, 161, die benadrukt dat artikel 4 van richtlijn 85/374 op feitelijk niveau alleen de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade vereist, waarbij het gedrag van de producent niet relevant is. De aansprakelijkheid van de producent is derhalve niet „fault based”, maar „defect based”.
17 – Nochtans heeft de vraag inzake de juridisch-dogmatische kwalificatie van de aansprakelijkheid van de producent vooral in de Duitstalige literatuur tot een bijzonder levendige rechtswetenschappelijke discussie geleid, waarbij niet alleen een kwalificatie als wettelijke aansprakelijkheid, maar eveneens als risicoaansprakelijkheid, als combinatie van verschillende elementen van schuldaansprakelijkheid en wettelijke aansprakelijkheid, elk naargelang het soort gebrek of nog als mengvorm van risicoaansprakelijkheid en wettelijke aansprakelijkheid voor gebrekkige producten, is voorgesteld (zie enkel Oechsler, J. in: Staudinger, Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, Buch 2, Berlijn 2002, Einl zum ProdHaftG, punt 27). Ook in de andere rechtsordes wordt de vraag inzake het juridische karakter van de aansprakelijkheid van de producent tegen de achtergrond van de nationale rechtsordes op verschillende wijze beantwoord, onder andere door het gebruiken van begrippen als „responsabilité quasi objective”, „responsabilité mixte” (le Tourneau, Ph., t.a.p., voetnoot 13, punt 8350) of „responsabilité de plein droit” in de Franse literatuur, „risicoaansprakelijkheid” (van Empel, M./Ritsema, H.A., Aansprakelijkheid voor producten, tweede druk, Deventer 1992, blz. 53) en „risicoaansprakelijkheid met schuldelementen” (Dommering-van Rongen, L., t.a.p., voetnoot 13, blz. 36) in de Nederlandse literatuur, „objectieve aansprakelijkheid met eerbiedigend karakter” in de Belgische literatuur (Wuyts, D., „Productaansprakelijkheid: een Richtlijn voor (n)iets?”, TBBR 2008, blz. 3, op blz. 7). In deze discussie wordt echter meestal over het hoofd gezien dat met richtlijn 85/374 een gemeenschapsrechtelijke aansprakelijkheidsregeling is ingevoerd, waarop de voor het nationale recht ontwikkelde aansprakelijkheidsbegrippen niet zonder meer kunnen worden toegepast. Omdat volgens de bewoordingen, het doel en de opzet van richtlijn 85/374 schuld juist niet een vereiste voor de aansprakelijkheid is, moet de daarin geregelde aansprakelijkheid gemeenschapsrechtelijk als wettelijke aansprakelijkheid worden gekwalificeerd (juist Taschner, H.C./Frietsch, E., Produkthaftungsgesetz und EG-Produkthaftungsrichtlinie, München 1990, tweede druk, artikel 1 richtlijn, punt 2. Zie eveneens v. Bar, C., Gemeineuropäisches Deliktsrecht, deel II, München 1999, punt 391, die deze aansprakelijkheid zeer genuanceerd omschrijft als gebaseerd op een strikt toerekeningsysteem).
18 – Hoewel de producent krachtens artikel 7, sub e, van de richtlijn niet aansprakelijk is wanneer hij bewijst dat het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken, ligt de bewijslast en bijgevolg ook het bewijsrisico van dit bevrijdend bewijs bij de producent. Derhalve kan deze rechtvaardigingsgrond het risico dat de innovatie wordt belemmerd, dat een wettelijke aansprakelijkheid met zich brengt, slechts gedeeltelijk opheffen. Tegen deze achtergrond wordt in de elfde overweging van de considerans van richtlijn 85/374 terecht benadrukt dat producten in de loop der tijd aan slijtage onderhevig zijn, dat er strengere veiligheidsnormen worden ontwikkeld en dat de wetenschappelijke en technische kennis vooruitgaat, zodat het onbillijk zou zijn de producent aansprakelijk te stellen voor gebreken van zijn product zonder tijdsbeperking.
19 – In de desbetreffende juridische literatuur wordt vooral gewezen op de verzekerbaarheid van het productaansprakelijkheidsrisico als belangrijkste reden voor de invoering van de verjaringstermijn van tien jaar krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374; zie Borghetti, J.‑S., t.a.p. (voetnoot 15), blz. 491 e.v.; van Wassenaer van Catwijck, A., Productenaansprakelijkheid in Europees verband, tweede druk, Zwolle 1991, blz. 104; Kullmann, H.J., Produkthaftungsgesetz, tweede druk, Berlijn 1997, blz. 149.
20 – In deze zin eveneens advocaat-generaal Geelhoed in zijn conclusie in de zaak O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punten 48 e.v.).
21 – Arrest O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punt 34).
22 – T.a.p., punten 35 en 37.
23 – T.a.p., punt 39.
24 – Arresten van 4 juni 2009, Moteurs Leroy Somer (C‑285/08, Jurispr. blz. I‑0000, punten 20 e.v.), 10 januari 2006; Skov Æg (C‑402/03, Jurispr. blz. I‑199, punten 22 e.v.), en 25 april 2002, Commissie/Frankrijk (C‑52/00, Jurispr. blz. I‑3827, punten 16 en 24), Commissie/Griekenland (C‑154/00, Jurispr. blz. I‑3879, punten 12 en 20) en González Sánchez (C‑183/00, Jurispr. blz. I‑3901, punt 25).
25 – In voetnoot 24 aangehaalde arresten Moteurs Leroy Somer (punt 22), Skov Æg (punt 39), Commissie/Frankrijk (punt 21), Commissie/Griekenland (punt 17) en González Sánchez (punt 30).
26 – Richtlijn 85/374 sluit de toepassing van afwijkende nationale stelsels van contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid echter niet uit, voor zover die op een andere grondslag berusten. Zie Magnus, U., „Die Produkthaftung des Zwischenhändlers vor dem EuGH”, GPR 2006, blz. 121, 123, die in dit verband terecht benadrukt dat de richtlijn niet als regeling van het gehele terrein van de productaansprakelijkheid moet worden beschouwd, maar alleen een gedeeltelijke – op het betrokken gebied volledig geharmoniseerde – regeling van dat probleem met het middel van de wettelijke aansprakelijkheid vormt.
27 – In voetnoot 24 aangehaalde arresten Moteurs Leroy Somer (punt 29), Commissie/Frankrijk (punt 17), Commissie/Griekenland (punt 13) en González Sánchez (punt 26).
28 – Zie Schaub, R., „Abschied vom nationalen Produkthaftungsrecht? Anspruch und Wirklichkeit der EG-Produkthaftung”, ZEuP 2003, blz. 562, 570; Schroeter, U., „Zur historischen Auslegung sekundären Gemeinschaftsrechts und deren Grenzen am Beispiel der Produkthaftungsrichtlinie”, ELR 2006, blz. 296, op blz. 297; Whittaker, S., „Form and Substance in the Harmonisation of Product Liability in Europe”, ZEuP 2007, blz. 858, 866; Bacache, M., „La loi n° 98-389 du 19 mai 1998, 10 ans après”, Resp. civ. et assur. 2008, étude 7, punt 2.
29 – In de in voetnoot 24 aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk (punt 18), Commissie/Griekenland (punt 14) en González Sánchez (punt 27) heeft het Hof terecht benadrukt dat veel op de consument betrekking hebbende richtlijnen in dit verband uitdrukkelijk bepalen dat de lidstaten in de door de richtlijn geregelde kwesties strengere maatregelen ter bescherming van de consument kunnen vaststellen of handhaven en daardoor een hoger beschermingsniveau van de consumenten kunnen waarborgen. Zie artikel 8 van richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen (PB L 158, blz. 59), artikel 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29), artikel 14 van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB L 144, blz. 19), artikel 8, lid 2, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12).
30 – Volgens de zevende overweging van de considerans van richtlijn 85/374 impliceert een rechtvaardige verdeling van de risico’s tussen de gelaedeerde en de producent dat laatstgenoemde zich moet kunnen bevrijden van de aansprakelijkheid als hij het bestaan van hem ontlastende feiten bewijst.
31 – Als fundamentele arresten gelden de in voetnoot 24 aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk en Commissie/Griekenland. In deze arresten is als in strijd met de richtlijn gekwalificeerd: de uitbreiding van het begrip schade, door geen rekening te houden met de in artikel 9, lid 1, sub b, voorziene franchise voor de consument ten belope van 500 EUR (arresten Commissie/Frankrijk, punten 26 e.v. en Commissie/Griekenland, punt 34), de jegens de consument onbeperkte aansprakelijkheid van de leverancier voor producten met gebreken (arrest Commissie/Frankrijk, punten 36 e.v.), de invoering van aanvullende feitelijke voorwaarden voor de exoneraties krachtens artikel 7, sub d en e (arrest Commissie/Frankrijk, punten 42 e.v.). In de hiernavolgende rechtspraak zijn als strijdig met de richtlijn gekwalificeerd: een wettelijke regeling die inhoudt dat de leverancier jegens de consument in de aansprakelijkheid van de producent moet treden (arrest Skov Æg, aangehaald in voetnoot 24; bevestigd bij arrest van 5 juli 2007, Commissie/Denemarken, C‑327/05, Jurispr. blz. I‑93) en de beperking van de exoneratiemogelijkheid van de leverancier krachtens artikel 3, lid 3, tot de gevallen waarin de producent onbekend blijft (arrest van 14 maart 2006, Commissie/Frankrijk, C‑177/04, Jurispr. blz. I‑2461).
32 – Zie daartoe punten 47 e.v. van deze conclusie.
33 – In zijn conclusie in de zaak O’Byrne heeft advocaat-generaal Geelhoed (aangehaald in voetnoot 3, punt 58) terecht benadrukt dat indien een gelaedeerde abusievelijk een procedure heeft ingesteld tegen een persoon die niet de producent is in de zin van artikel 3, de tienjaartermijn niet wordt gestuit. Zie eveneens Taschner, H.C./Frietsch, E., t.a.p. (voetnoot 17), artikel 11 van de richtlijn, punt 8, die erop wijzen dat wanneer tijdens het geding blijkt dat de gerechtelijke procedure tegen de onjuiste persoon aanhangig is gemaakt, het recht jegens de daadwerkelijke verweerder is vervallen. Aldus eveneens Kullmann, H.J., t.a.p. (voetnoot 19), blz. 152.
34 – Arrest O’Byrne (aangehaald in voetnoot 3, punt 32).
35 – Zie punten 39 e.v. van deze conclusie.
36 – Zie punten 109 e.v. van deze conclusie.
37 – Hoewel richtlijn 85/374 de methode voor het berekenen van de termijn niet uitdrukkelijk vaststelt, moet – in het licht van de nagestreefde volledige harmonisatie – ook de berekening van de termijn binnen de gehele Gemeenschap uniform geschieden. Daarbij lijkt het in het licht van de met deze richtlijn nagestreefde doelstellingen zinvol om de aan meerdere rechtshandelingen van de Gemeenschap ten grondslag liggende berekeningsmethode, waarbij de dag waarop de gebeurtenis plaatsvindt die de termijn doet ingaan, overeenkomstig het maxime dies a quo non computatur in termino niet wordt meegerekend, over te nemen (zie enkel artikel 80 e.v. van het Reglement voor de procesvoering van het Hof). Daardoor wordt met name gewaarborgd dat de consument de hem ter beschikking staande termijn volledig kan benutten (zie arrest van 15 januari 1987, Misset, 152/85, Jurispr. blz. 223, omtrent artikel 80 e.v. van het Reglement voor de procesvoering van het Hof). De termijn krachtens artikel 11 van richtlijn 85/374 eindigt derhalve in principe bij het einde van de dag die in het tiende jaar dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop het product in het verkeer is gebracht.
38 – Zie Taschner, H.C./Frietsch, E. (voetnoot 17) artikel 11 van de richtlijn, punt 4; Dommering-van Rongen, L. (voetnoot 13), blz. 173.
39 – Zie Schmidt-Salzer, J., Kommentar EG-Richtlinie Produkthaftung, deel 1, Heidelberg 1986, Artikel 11, punt 14; Borghetti, J.‑S., t.a.p. (voetnoot 15), punt 512, blz. 492, met name voetnoot 271; Graf von Westphalen, F., t.a.p. (voetnoot 13), § 79, punt 17.
40 – Zie punten 39 e.v. van deze conclusie.
41 – Zie alleen: Dommering-van Rongen, L., t.a.p. (voetnoot 13), blz. 92 e.v.
42 – Doorgaans zal het daarbij om ongemerkte producten of om producten zonder begeleidende gegevens op de verpakking of in gebruiksaanwijzingen gaan; zie Taschner, H.C./Frietsch, E., t.a.p. (voetnoot 17), artikel 3 van de richtlijn, punt 24.
43 – Zie Taschner, H.C./Frietsch, E., t.a.p. (voetnoot 17) artikel 3 van de richtlijn, punt 28; Dommering-van Rongen, L., t.a.p. (voetnoot 41), blz. 93. Tegen deze achtergrond vormen nationale omzettingsbepalingen, die het aanwijzen van de producent of van de eigen leverancier eisen, een probleem; aldus bijvoorbeeld § 4, lid 3, van de Duitse productaansprakelijkheidswet (reactietermijn van een maand na de vordering tot aanwijzen); Section 2(3) van de Engelse Consumer Protection Act 1987 (redelijke reactietermijn na de vordering tot aanwijzen); Section 2(3) van de Ierse Liability For Defective Products Act 1991 (redelijke reactietermijn na de vordering tot aanwijzen). Zie Hodges, C., „Product liability of suppliers: the notification trap”, ELRev 2002, 27(6), blz. 758, 764.
44 – Zie punten 109 e.v. van deze conclusie.
45 – Zie daartoe Graf von Westphalen, F., t.a.p. (voetnoot 13), § 79, punt 18; Kullmann, H.J., t.a.p. (voetnoot 19), blz. 151; Wuyts, D., t.a.p. (voetnoot 17), punt 41; Dommering-van Rongen, L., t.a.p. (voetnoot 13), blz. 173 e.v.; van Empel, M./Ritsema, H.A., t.a.p. (voetnoot 17), blz. 83.
46 – Zie daartoe punten 47 e.v. van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy