CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 21 januari 2010 (1)
Gevoegde zaken C‑395/08 en C‑396/08
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS) (Zaak C‑395/08)
tegen
Tiziana Bruno
en
Massimo Pettini
[verzoek van de Corte d’Appello di Roma, Sezione Lavoro e Previdenza, (Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Beginsel van gelijke behandeling – Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid – Deeltijdwerkers die gedurende een aantal maanden van het jaar werken – Niet-inaanmerkingneming van tijdvakken van inactiviteit voor berekening van ouderdomspensioen”
Istituto nazionale della previdenza sociale (INPS) (Zaak C‑396/08)
tegen
Daniela Lotti
en
Clara Matteucci
(verzoek van de Corte d’Appello di Roma, Sezione Lavoro e Previdenza, om een prejudiciële beslissing)
„Beginsel van gelijke behandeling – Kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid – Deeltijdwerkers die gedurende een aantal maanden van het jaar werken – Niet-inaanmerkingneming van tijdvakken van inactiviteit voor berekening van ouderdomspensioen”
1. In deze verzoeken om een prejudiciële beslissing van de Corte d’Appello di Roma, Sezione Lavoro e Previdenza, wordt het Hof gevraagd of richtlijn 97/81/EG van de Raad (hierna: „richtlijn 97/81” of „richtlijn”)(2) zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan tijdvakken waarin bij bepaalde deeltijdse arbeidsverhoudingen niet is gewerkt, niet in aanmerking worden genomen voor het verwerven van pensioenrechten.
2. De zaken doen ook een aantal vragen rijzen over de toepasselijkheid ratione materiae en ratione temporis van de richtlijn, alsmede over de op de verwijzende rechter rustende verplichting om het Hof de noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens te verschaffen.
Rechtskader
Richtlijn 97/81
3. In de considerans van de richtlijn wordt het volgende verklaard:
„[…]
(5) […] dat er in de conclusies van de Europese Raad van Essen op is gewezen dat er maatregelen moeten worden genomen om de werkgelegenheid en de gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen en het werkgelegenheidseffect van de groei te vergroten, met name door een flexibelere organisatie van het werk waarbij ingespeeld wordt op de wensen van de werknemers alsook op de eisen van de concurrentie;
[…]
(11) […] dat de ondertekenende partijen beoogden een raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid te sluiten waarin de algemene beginselen en minimumvoorschriften inzake deeltijdarbeid worden geformuleerd; dat zij hun wil te kennen hebben gegeven een algemeen kader vast te stellen om een einde te maken aan de discriminatie van deeltijdwerkers en bij te dragen tot de uitbreiding van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid op een zowel voor de werkgevers als voor de werknemers aanvaardbare basis;
[…]
(18) […] dat de Commissie haar voorstel voor een richtlijn heeft opgesteld met inachtneming van artikel 2, lid 2, van de Overeenkomst betreffende de sociale politiek, dat bepaalt dat in de wetgeving op sociaal gebied ‚wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen daardoor zou kunnen worden belemmerd’;
[…]”
4. Volgens artikel 1 is de richtlijn gericht op „de uitvoering van de op 6 juni 1997 door de algemene brancheoverkoepelende organisaties (Unice(3), CEEP(4), EVV(5)) gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals opgenomen in de bijlage” (hierna: „kaderovereenkomst”).
5. De preambule van de kaderovereenkomst bevat de volgende overwegingen:
„[1] Deze kaderovereenkomst is een bijdrage aan het algemene Europese werkgelegenheidsbeleid. Deeltijdarbeid is in de afgelopen jaren van belangrijke betekenis geweest voor de werkgelegenheid. Daarom hebben de partijen bij deze overeenkomst hun aandacht vooral laten uitgaan naar deze vorm van arbeid. Het is hun bedoeling om ook de mogelijkheden na te gaan voor vergelijkbare overeenkomsten over andere vormen van flexibele arbeid.
[2] Onder erkenning van de uiteenlopende situaties in de lidstaten en van het feit dat deeltijdwerk voor bepaalde sectoren en activiteiten kenmerkend is, verwoordt deze overeenkomst de algemene beginselen en de minimumvereisten betreffende deeltijdarbeid. De overeenkomst doet uitkomen dat de sociale partners een algemeen raamwerk wensen op te stellen om de discriminatie van deeltijdwerkers uit te bannen en om de ontwikkeling van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid te bevorderen op een manier die zowel voor werkgevers als voor werknemers aanvaardbaar is.
[3] Deze overeenkomst heeft betrekking op arbeidsvoorwaarden van deeltijdwerkers, onder erkenning van het gegeven dat de regeling van de wettelijke stelsels van sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort. In het kader van het beginsel van non-discriminatie hebben de partijen bij deze overeenkomst akte genomen van de verklaring over werkgelegenheid van de Europese Raad van Dublin van december 1996, waarin deze onder meer de nadruk heeft gelegd op de noodzaak om de systemen van sociale zekerheid meer bevorderlijk voor de werkgelegenheid te maken door het ontwikkelen van ‚socialezekerheidsstelsels die zich kunnen aanpassen aan nieuwe arbeidspatronen en een goede sociale bescherming kunnen bieden aan mensen die dergelijke arbeid verrichten’. De partijen bij deze overeenkomst vinden dat aan deze verklaring uitvoering moet worden gegeven.
[…]”
6. Punt 5 van de aan de kaderovereenkomst voorafgaande algemene overwegingen luidt:
„[…] dat de partijen bij deze overeenkomst belang hechten aan maatregelen waardoor de toegang tot deeltijdarbeid voor mannen en vrouwen wordt vergemakkelijkt, teneinde hen in staat te stellen zich op het pensioen voor te bereiden, beroepsleven en gezinsleven te combineren en de mogelijkheden inzake onderwijs en opleiding te benutten, waardoor hun bekwaamheden en hun loopbaanontwikkeling worden verbeterd, zulks in het wederzijds belang van werkgevers en werknemers en op een manier waardoor de ontwikkeling van de ondernemingen wordt bevorderd;”
7. Volgens clausule 1 van de kaderovereenkomst is het doel van deze overeenkomst:
„(a) de opheffing van discriminatie van deeltijdwerkers te verzekeren en de kwaliteit van deeltijdarbeid te verbeteren;
(b) de ontwikkeling van deeltijdarbeid op vrijwillige basis te vergemakkelijken en bij te dragen aan een flexibele organisatie van de arbeidstijd waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van werkgevers en werknemers.”
8. Clausule 3 definieert wat in de kaderovereenkomst onder „deeltijdwerker” en onder „vergelijkbare voltijdwerker” wordt verstaan:
„1. In deze overeenkomst wordt onder ‚deeltijdwerker’ verstaan: een werknemer wiens normale arbeidsduur, berekend op weekbasis of als gemiddelde over een werkperiode van maximaal een jaar, minder is dan die van een vergelijkbare voltijdwerker.
2. In deze overeenkomst wordt onder ‚vergelijkbare voltijdwerker’ verstaan: een voltijdwerker in dezelfde vestiging, die werkzaam is uit hoofde van dezelfde soort arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding en hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met andere overwegingen, die betrekking kunnen hebben op anciënniteit en kwalificaties/bekwaamheden.
3. Indien geen vergelijkbare voltijdwerker in dezelfde vestiging werkzaam is, wordt de vergelijking gemaakt op basis van de van toepassing zijnde collectieve overeenkomst of, indien geen collectieve overeenkomst van toepassing is, overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruik.”
9. Clausule 4, „Het beginsel van gelijke behandeling”, luidt:
„1. Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.
2. Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.
3. De wijze waarop deze clausule wordt toegepast, wordt door de lidstaten en/of de sociale partners bepaald met inachtneming van de Europese wetgeving en de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.
4. Indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners eventueel de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk stellen van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning. Drempelbepalingen voor deeltijdwerkers moeten op gezette tijden opnieuw worden bezien met inachtneming van het beginsel van non-discriminatie als bedoeld in clausule 4, punt 1.”
10. Clausule 5, „Mogelijkheden voor deeltijdwerk”, luidt:
„1. In het kader van clausule 1 van deze overeenkomst en van het beginsel van non-discriminatie tussen deeltijd- en voltijdwerkers:
(a) moeten de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving of gebruiken, de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen;
(b) moeten de sociale partners, handelend binnen hun bevoegdheden en volgens de procedures als neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten, de belemmeringen waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen.
[…]”
Nationale wetgeving
11. In de verwijzingsbeschikkingen wordt de relevante Italiaanse wetgeving zeer summier uiteengezet.
12. Er wordt daarin opgemerkt dat artikel 7, lid 1, van wet nr. 638/83 met betrekking tot het verwerven van pensioenrechten bepaalt, dat voor de berekening van het door het Instituto Nazionale della Previdenza Sociale (nationale socialezekerheidsinstelling; hierna: „INPS”) uit te keren ouderdomspensioen enkel het aantal daadwerkelijk bezoldigde of daarmee gelijkgestelde aantal weken van een kalenderjaar als tijdvakken van premiebetaling in aanmerking wordt genomen voor werknemers in loondienst.
13. Voor de berekening van de hoogte van de pensioenuitkering geldt volgens de verwijzingsbeschikkingen artikel 9, lid 4, van wetsbesluit nr. 61/2000, dat bepaalt: „Ingeval wordt overgegaan van voltijd- naar deeltijdwerk en omgekeerd, worden ter bepaling van het bedrag van het ouderdomspensioen de perioden van voltijdarbeid volledig in aanmerking genomen en de perioden van deeltijdarbeid naar evenredigheid van de daadwerkelijk gewerkte uren.”
14. Tot slot wordt in de verwijzingsbeschikkingen gepreciseerd dat wetsbesluit nr. 61/2000, waarbij richtlijn 97/81 in Italiaans recht is omgezet wat de sociale zekerheid betreft, enkel betrekking heeft op premies die relevant zijn voor de bepaling van de hoogte van de pensioenuitkering.
15. In de opmerkingen van het INPS is daarentegen de volledige tekst van de relevante nationale bepalingen opgenomen, die ik hieronder zal weergeven.(6)
Wetsbesluit nr. 61/2000
16. Blijkens de verwijzingsbeschikkingen is richtlijn 97/81 omgezet in Italiaans recht bij wetsbesluit nr. 61/2000 van 25 februari 2000.(7) In artikel 1 van dit wetsbesluit staan de volgende definities:
„[…]
2. In dit wetsbesluit wordt verstaan onder
(a) ‚voltijd’: de normale arbeidstijd zoals bepaald in artikel 3, lid 1, van wetsbesluit nr. 66 van 8 april 2003, dan wel, in voorkomend geval, een bij collectieve overeenkomst vastgelegde kortere normale arbeidstijd;
(b) ‚deeltijd’: de in een individuele overeenkomst bepaalde arbeidstijd waaraan de werknemer zich dient te houden en die korter is dan de normale arbeidstijd bedoeld onder (a);
(c) ‚horizontaal deeltijddienstverband’: dienstverband waarbij de reductie van de arbeidstijd vergeleken met een voltijddienstverband wordt bepaald in verhouding tot de normale dagelijkse arbeidstijd;
(d) ‚verticaal deeltijddienstverband’: dienstverband waarbij de arbeid op voltijdbasis wordt verricht, maar slechts gedurende vooraf bepaalde gedeelten van een week, maand of jaar;
(d-bis) ‚gemengd deeltijddienstverband’: dienstverband waarbij de twee onder (c) en (d) genoemde deeltijdvarianten worden gecombineerd;
(e) ‚overwerk’: het aantal uren dat is gewerkt bovenop de door partijen overeengekomen arbeidstijd in de zin van artikel 2, tweede alinea, maar de grenzen van een voltijddienstverband niet overschrijdt.”
17. Artikel 9 van het wetsbesluit bepaalt:
„1. Het minimumuurloon dat in aanmerking moet worden genomen als grondslag voor de berekening van de voor deeltijdwerkers verschuldigde sociale bijdragen, wordt vastgesteld door het aantal dagen dat bij een normale arbeidstijd per week wordt gewerkt, te vermenigvuldigen met het dagelijkse minimum bepaald in artikel 7 van wetsbesluit nr. 463 van 12 september 1983, zoals na wijziging omgezet in wet nr. 638 van 11 november 1983, en het aldus verkregen bedrag te delen door het aantal uren dat bij een normale arbeidstijd per week wordt gewerkt, zoals vastgelegd in de nationale sectorale collectieve overeenkomst voor voltijdwerkers.
[…]
4. Ingeval wordt overgegaan van voltijd- naar deeltijdwerk en omgekeerd, worden ter bepaling van het bedrag van het ouderdomspensioen de perioden van voltijdarbeid volledig in aanmerking genomen en de perioden van deeltijdarbeid naar evenredigheid van de daadwerkelijke gewerkte uren.”
Wetsbesluit nr. 463 van 12 september 1983, zoals na wijziging omgezet in wet nr. 638 van 11 november 1983
18. Artikel 7 bepaalt:
„1. Het aantal weken van premiebetaling dat voor werknemers gedurende het jaar in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het door het INPS uit te keren ouderdomspensioen, is voor elk kalenderjaar na 1983 gelijk aan het aantal weken van dit jaar waarvoor loon is uitbetaald dan wel die als zodanig worden erkend overeenkomstig de bepalingen inzake fictieve creditering [(8)], mits voor elk van die weken een vergoeding betaald, verschuldigd of fictief gecrediteerd is die niet minder dan 30 % bedraagt van het maandelijkse minimumpensioen dat op 1 januari van het betrokken jaar wordt uitgekeerd door het pensioenfonds voor werknemers in loondienst [(9)]. Vanaf de betaalperiode die loopt op 1 januari 1984, mag de drempel van de dagelijkse vergoeding, daaronder begrepen het dagelijkse minimum van het gemiddelde cao-loon, voor alle socialezekerheids- en sociale premies niet minder dan 7,5 % bedragen van het maandelijkse minimumpensioen dat op 1 januari van het betrokken jaar wordt uitgekeerd door het pensioenfonds voor werknemers in loondienst.
2. Anders wordt voor de betrokkene een aantal weken premiebetalingen in aanmerking genomen, gelijk aan het naar boven afgeronde quotiënt dat wordt verkregen door de totale vergoeding die hem gedurende het kalenderjaar betaald, verschuldigd dan wel fictief gecrediteerd is, te delen door de in het voorgaande lid bedoelde vergoeding. Ongeacht de daadwerkelijke duur van de verzekering worden de op deze wijze bepaalde premies toegerekend aan een tijdvak dat hetzelfde aantal bezoldigde of daarmee gelijkgestelde weken beslaat als er, terugrekenend vanaf de laatste gewerkte of daarmee gelijkgestelde week van het kalenderjaar, premies zijn betaald.
3. De in de voorgaande leden opgenomen bepalingen zijn van toepassing op tijdvakken na 31 december 1983 waar het gaat om het recht op andere prestaties dan pensioenen, voor zover daarvoor premies aan het INPS moeten worden betaald.
4. Voor het jaar waarin het pensioen ingaat, wordt het aantal weken van premiebetaling dat voor werknemers in aanmerking wordt genomen voor de periode tussen de eerste dag van het jaar en de datum van pensionering, bepaald door de in de voorgaande leden opgenomen bepalingen enkel toe te passen op de in de relevante periode gelegen tijdvakken waarin daadwerkelijk is gewerkt of die aanleiding hebben gegeven tot een fictieve creditering. Hetzelfde criterium geldt voor andere socialezekerheids- en sociale uitkeringen.
[…]”
Wetsbesluit nr. 564 van 16 september 1996
19. Artikel 8 luidt:
„1. Voor werknemers die verticale, horizontale of cyclische [(10)] deeltijdarbeid verrichten en die onder de verplichte algemene invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenverzekering dan wel andere vormen van vervangende verzekering vallen, kunnen de tijdvakken na 31 december 1996 waarin geen arbeid is verricht en geen verplichte premies zijn betaald, alsnog worden verzekerd door betaling van de wiskundige reserve overeenkomstig artikel 13 van wet nr. 1338 van 12 augustus 1962, zoals gewijzigd en aangevuld.
2. Voor de in lid 1 genoemde tijdvakken kan de betrokken personen ook toestemming worden verleend om overeenkomstig wet nr. 47 van 18 februari 1983 vrijwillig premie te blijven betalen aan het pensioenfonds waarbij zij zijn aangesloten. Daarvoor geldt als voorwaarde dat de betrokkenen gedurende minimaal één van de vijf voorgaande jaren premie hebben betaald aan een van de in lid 1 genoemde verzekeringsstelsels.
3. Om van de in de leden 1 en 2 bedoelde mogelijkheden te kunnen gebruikmaken, moeten de betrokken personen aantonen dat zij de hoedanigheid van deeltijdwerker als bedoeld in lid 1 hebben gehad gedurende de gehele periode waarvoor zij dekking door middel van bijverzekering of vrijwillige verzekering verlangen.”
Hoofdgedingen en aan het Hof voorgelegde vragen
20. Bij afzonderlijke, bij het Tribunale di Roma ingediende verzoekschriften van 17 januari 2005 hebben Tiziana Bruno, Massimo Pettini, Daniela Lotti en Clara Matteuci (hierna: „verzoekers”), allen werknemers van Alitalia SpA (hierna: „Alitalia”), verzocht dat voor de berekening van hun pensioenanciënniteit het volle aantal weken van de periode van hun deeltijdarbeid in aanmerking zou worden genomen. Zij verklaarden dat zij met succes hadden verzocht om omzetting (voor de aangegeven tijdvakken) van hun voltijdarbeidsovereenkomst in een overeenkomst voor verticale cyclische deeltijdarbeid, waarbij zij gedurende een aantal maanden van het jaar zouden werken en gedurende andere niet.
21. Het INPS heeft enkel de tijdvakken waarin verzoekers daadwerkelijk hebben gewerkt, met uitsluiting van de tijdvakken van inactiviteit, als tijdvakken van premiebetaling voor het verwerven van pensioenrechten beschouwd.
22. Het Tribunale di Roma heeft het verzoek bij beslissing van 15 november 2005 toegewezen. Het INPS heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld met het betoog dat volgens artikel 7 van wet nr. 638/83 voor de pensioenuitkeringen enkel de daadwerkelijk bezoldigde (of daarmee gelijkgestelde) weken in aanmerking konden worden genomen als weken van premiebetaling.
23. De Corte d’Appello di Roma, Sezione Lavoro e Previdenza heeft besloten de behandeling van de zaken te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
„1) Is de Italiaanse wettelijke regeling, meer bepaald artikel 7, lid 1, van wet nr. 638/83, op grond waarvan tijdvakken waarin in het kader van verticale deeltijdarbeid niet wordt gewerkt, niet als tijdvakken van premiebetaling voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking worden genomen, verenigbaar met richtlijn 97/81/EG, meer bepaald met clausule 4 [van de bij deze richtlijn gevoegde kaderovereenkomst], betreffende het beginsel van non-discriminatie?
2) Is voornoemde nationale bepaling in overeenstemming met richtlijn 97/81/EG, meer bepaald met clausule 1 [van de bij de richtlijn gevoegde kaderovereenkomst], volgens welke de lidstaten de ontwikkeling van deeltijdarbeid dienen te vergemakkelijken, met clausule 4 en met clausule 5, die van de lidstaten verlangen dat zij de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, verwijderen, gelet op het feit dat de niet-inaanmerkingneming voor pensioendoeleinden van de weken waarin niet is gewerkt, ontegenzeglijk een belangrijke belemmering vormt voor de keuze voor deeltijdarbeid van het verticale type?
3) Kan clausule 4 [van voormelde kaderovereenkomst], betreffende het beginsel van non-discriminatie, ook gelden voor verschillende soorten deeltijdarbeid, in aanmerking genomen dat naar nationaal recht bij horizontale deeltijdarbeid, anders dan bij verticale deeltijdarbeid, voor een gelijk aantal gewerkte en bezoldigde uren per kalenderjaar alle weken van het kalenderjaar worden meegeteld?”
24. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door het INPS, verzoekers en Italië.
25. Ter terechtzitting van 29 oktober 2009 hebben het INPS, Italië en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
Ontvankelijkheid
26. Deze zaak doet een aantal vragen omtrent de ontvankelijkheid ervan rijzen.
27. Het INPS stelt zich op het standpunt dat de voorgelegde vragen niet-ontvankelijk zijn. Het betoogt dat de kaderovereenkomst niet geldt voor socialezekerheidsregelingen, waarvoor de lidstaten bij uitsluiting bevoegd zijn, en dat de richtlijn dus alleen arbeidsrecht en geen sociaalzekerheidsrecht betreft. De gestelde vragen zijn volgens het INPS bovendien irrelevant en om die reden niet-ontvankelijk waar het de periode vóór de inwerkingtreding van wetsbesluit nr. 61/2000 betreft. Het INPS meent dan ook dat de toepassing van de kaderovereenkomst op de feiten van de bij de nationale rechter aanhangige zaken zowel ratione materiae als ? wat sommige van die feiten betreft ? ratione temporis moet worden uitgesloten.
28. Bij de beoordeling van deze argumenten dient voor ogen te worden gehouden dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de procedure van artikel 234 EG uitsluitend de zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de door hem aan het Hof voorgelegde vragen te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van gemeenschapsrecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld dat het in uitzonderlijke omstandigheden aan hem staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die het nodig heeft om een nuttig antwoord te kunnen geven op de gestelde vragen.(11)
Toepasselijkheid ratione materiae van de kaderovereenkomst
29. Wanneer prejudiciële vragen de uitlegging van gemeenschapsrecht betreffen, pleegt het Hof in beginsel uitspraak te doen zonder te onderzoeken wat de nationale rechter ertoe heeft gebracht de vragen te stellen, en welke toepassing hij denkt te geven aan de communautaire bepaling die hij het Hof verzoekt uit te leggen. Het Hof onderzoekt enkel of een vraag uit het oogpunt van de toepasselijkheid ratione materiae van de hem ter uitlegging voorgelegde bepaling van gemeenschapsrecht ontvankelijk is, indien duidelijk is dat deze bepaling niet van toepassing kan zijn.(12)
30. Dat lijkt hier niet het geval te zijn, zodat er geen reden is om de gestelde vragen op die grond niet-ontvankelijk te verklaren.(13)
31. Ik zal verderop, bij het onderzoek ten gronde van de vragen, nog apart op de toepasselijkheid ratione materiae van de kaderovereenkomst ingaan.(14)
Toepasselijkheid ratione temporis van de kaderovereenkomst
32. Uit het dossier van de nationale rechter blijkt dat, wat de verzoekers Bruno, Lotti en Matteucci betreft, de gestelde discriminerende berekening van pensioenrechten geheel of ten dele betrekking heeft op tijdvakken vóór 20 januari 2000, de uiterste datum voor de omzetting van richtlijn 97/81 in nationaal recht.
33. Richtlijn 97/81 is in Italiaans recht omgezet bij wetsbesluit nr. 61/2000 van 25 februari 2000.(15) Het INPS stelt zich op het standpunt dat de gestelde vragen niet-ontvankelijk zijn wat de feiten vóór de inwerkingtreding van die maatregel betreft.
34. Ter terechtzitting is echter door de Commissie betoogd dat het sedert ‘s Hofs arrest in de zaak Brock(16) vaste rechtspraak is dat de richtlijn ook geldt voor in het verleden vervulde verzekeringstijdvakken ter verkrijging van een toekomstig pensioen.
35. Ik ben het met de Commissie eens.
36. In de zaak Brock werd het Hof gevraagd of sommige bepalingen van verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers(17), zoals gewijzigd, van toepassing waren op pensioenen uitgekeerd ter zake van risico’s die vóór 1 januari 1964 ? de dag van inwerkingtreding van de relevante gewijzigde tekst ? waren verwezenlijkt. De Bundesknappschaft (federale mijnwerkersorganisatie) had voor de nationale rechter betoogd dat de pensioenen verworven ter zake van een vóór 1 januari 1964 ingetreden risico niet onder de op die dag in werking getreden bepalingen konden vallen en, ook voor de toekomst, aan de oude tekst onderworpen bleven. Het Hof oordeelde dat een in de verordening opgenomen bepaling volgens welke, enerzijds, een uitkering verschuldigd was, zelfs indien deze in verband stond met een gebeurtenis die vóór de inwerkingtreding van de verordening had plaatsgevonden, en, anderzijds, de rechten van belanghebbenden aan wie vóór de inwerkingtreding van de verordening een pensioen was uitbetaald, op hun verzoek zouden kunnen worden herzien, slechts een toepassing vormde van het beginsel dat, tenzij het tegendeel is bepaald, de wet waarbij een vorige wet wordt gewijzigd, van toepassing is op de toekomstige gevolgen van feitelijke situaties die nog onder de vigeur van de oude wet zijn ontstaan.(18)
37. Dit beginsel is inderdaad in vaste rechtspraak bevestigd.(19)
38. Zo werd het Hof in de zaak Duchon(20) in verband met pensioenen gevraagd, of de situatie van een onderdaan van een lidstaat die vóór de toetreding van deze staat tot de Europese Unie werkzaamheden in loondienst had verricht in een andere lidstaat waar hij een arbeidsongeval had gehad, en die na de toetreding van zijn staat van herkomst de autoriteiten ervan verzocht om toekenning van een pensioen wegens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dit ongeval, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71(21) viel. Onder verwijzing naar artikel 94, lid 3, van de verordening(22) oordeelde het Hof dat een dergelijke persoon inderdaad binnen de werkingssfeer van de verordening viel. Het refereerde ook aan het zojuist genoemde algemene beginsel en aan artikel 94, lid 2, van de verordening(23), waarna het overwoog dat uit deze bepaling volgde dat een lidstaat niet mocht weigeren rekening te houden met op het grondgebied van een andere lidstaat voor de opbouw van een ouderdomspensioen vervulde tijdvakken van verzekering, op de enkele grond dat deze tijdvakken waren vervuld voordat de verordening ten aanzien van deze lidstaat in werking was.
39. In casu wijkt noch richtlijn 97/81 noch de kaderovereenkomst af van het algemene beginsel dat ? tenzij het tegendeel is bepaald ? wijzigingen van een wet van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van feitelijke situaties die nog onder de vigeur van de oude wet zijn ontstaan.
40. Richtlijn 97/81 is derhalve van toepassing op de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde berekening van de weken die meetellen voor het verwerven van een recht op pensioen, voor zover geen van de verzoekers vóór de inwerkingtreding van de richtlijn definitief met pensioen was gegaan. Het is aan de nationale rechter om vast te stellen of dat het geval is.
41. Er is dan ook geen reden om de voorgelegde vragen niet-ontvankelijk te verklaren wegens de niet-toepasselijkheid ratione temporis van de richtlijn en de kaderovereenkomst.
Verplichting van de verwijzende rechter om het Hof de noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens te verschaffen
42. Ter terechtzitting heeft de Commissie aangegeven het lastig te vinden een standpunt in te nemen over een zaak waarvan de feiten en het rechtskader zo summier zijn omschreven als in casu het geval is.
43. De in de verwijzingsbeschikkingen verstrekte informatie over hoe de feiten precies liggen en wat de exacte inhoud van de toepasselijke nationale wetgeving is, is inderdaad onvolledig en dubbelzinnig.
44. Dat is problematisch gelet op de vaste rechtspraak volgens welke de nationale rechter, wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, een omschrijving moet geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten moet uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. De in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens dienen niet enkel om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht.(24)
45. Ik ben er absoluut niet van overtuigd dat de verwijzingsbeslissingen van de Italiaanse rechter aan dit vereiste voldoen.
46. De omschrijving van de feiten is mager. In de verwijzingsbeslissingen wordt niet gespecificeerd of verzoekers reeds gepensioneerd zijn, of zij nog werken maar de beweerde afwijkende berekeningswijze hebben opgemerkt en bezorgd zijn over hun positie, dan wel of de feiten nog anders liggen. Weliswaar worden deze gebreken tot op zekere hoogte hersteld door het dossier van de nationale rechter (25) en de opmerkingen van partijen, maar een vollediger omschrijving in de verwijzingsbeslissing is zonder meer wenselijk.
47. Problematischer is evenwel de omschrijving van het juridisch kader.
48. De nationale rechter gaat in zijn vragen kennelijk ervan uit dat voor de pensioenopbouw van werknemers die verticale deeltijdarbeid verrichten, een andere berekening wordt toegepast dan voor die van werknemers die horizontale deeltijdarbeid verrichten.
49. De nationale rechter maakt helaas niet duidelijk wat precies het verschil tussen die twee deeltijdvarianten is, noch hoe zij voor de berekening van pensioenrechten verschillend worden behandeld.
Horizontale en verticale deeltijdarbeid
50. Artikel 1, lid 2, sub d, van wetsbesluit nr. 61/2000 definieert een „verticaal deeltijddienstverband” als een dienstverband waarbij de arbeid op voltijdbasis wordt verricht, maar slechts gedurende vooraf bepaalde gedeelten van een week, maand of jaar”.
51. Ter terechtzitting heeft het INPS verduidelijkt dat ofschoon in de vragen van de nationale rechter wordt gesproken van „verticale deeltijdarbeid” in het algemeen, het in de hoofdgedingen aan de orde probleem zich enkel voordoet bij verticale cyclische deeltijdarbeid, waarbij ? zoals uit de verwijzingsbeslissingen blijkt ? gedurende een aantal maanden van het jaar wordt gewerkt en gedurende de andere maanden niet.(26)
52. Over horizontale deeltijdarbeid wordt in de verwijzingsbeslissingen echter enkel iets gezegd in de derde vraag, waar staat te lezen dat naar nationaal recht bij horizontale deeltijdarbeid, anders dan bij verticale deeltijdarbeid, voor een gelijk aantal gewerkte en bezoldigde uren per kalenderjaar alle weken van het kalenderjaar worden meegeteld.
53. Artikel 1, lid 2, sub c, van wetsbesluit nr. 61/2000 definieert een „horizontaal deeltijddienstverband” als een dienstverband waarbij de reductie van de arbeidsduur vergeleken met een volledig dienstverband wordt uitgedrukt in een percentage van de normale dagelijkse arbeidsduur. Hoewel deze definitie niet volstrekt ondubbelzinnig is, maak ik eruit op dat bij horizontale deeltijdarbeid dus elke werkdag enkele uren wordt gewerkt.
54. Het Hof heeft pas in de loop van de mondelinge behandeling kunnen vaststellen dat deze uitlegging inderdaad juist is.
Verschillende behandeling van horizontale en verticale cyclische deeltijdarbeid
55. In de verwijzingsbeslissingen wordt de inhoud weergegeven van artikel 7, lid 1, van wet nr. 638/83, waarin met betrekking tot het verwerven van pensioenrechten is bepaald dat het aantal weken van premiebetaling dat voor werknemers in loondienst in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het door het INPS uit te keren ouderdomspensioen, voor elk kalenderjaar gelijk is aan het aantal bezoldigde of daarmee gelijkgestelde weken van dat jaar. De verwijzende rechter merkt ook op dat het INPS enkel als tijdvakken van premiebetaling voor het pensioen heeft beschouwd de tijdvakken waarin daadwerkelijk is gewerkt, met uitsluiting van de tijdvakken van inactiviteit.
56. De nationale rechter zet echter nergens uiteen hoe het aantal voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking te nemen weken moet worden berekend.
57. Teneinde het Hof in staat te stellen een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven, behoort de nationale rechter, alvorens de zaak naar het Hof te verwijzen, de feiten vast te stellen en de problemen van zuiver nationaal recht op te lossen.(27)
58. Deze overwegingen betekenen volgens het Hof echter geenszins een beperking van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis neemt van de feiten van de zaak en de argumenten van partijen, de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing en het best in staat is om te beslissen in welke stand van de procedure hij een prejudiciële beslissing van het Hof nodig heeft.(28)
59. Deze tolerante houding ten aanzien van de ontvankelijkheid van verwijzingsbeslissingen wordt dikwijls gerechtvaardigd met een beroep op de twee in artikel 234 EG tot uitdrukking gebrachte doelstellingen, namelijk dat de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht zo goed mogelijk wordt gewaarborgd en dat daartoe een doeltreffende samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties wordt verwezenlijkt.(29)
60. Niettemin heeft het Hof in een zaak waarin de in de verwijzingsbeslissingen verstrekte informatie tegenstrijdig was en een goed begrip van de juridische situatie onmogelijk maakte, de voorgelegde vragen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.(30)
61. In casu zijn de verwijzingsbeslissingen onvoldoende duidelijk waar het gaat om het onderscheid dat bij de berekening van het aantal voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking te nemen weken wordt gemaakt tussen horizontale en verticale deeltijdarbeid. Om dit onderscheid, dat het uitgangspunt vormt van de aan het Hof voorgelegde vragen, draait het nu juist in deze zaak.
62. De gestelde vragen hadden dan ook goed niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard toen de verwijzingsbeslissingen bij het Hof binnenkwamen.
63. Hoe de berekening moet worden uitgevoerd en wat precies het probleem is dat onder het Italiaanse recht speelt, is duidelijker geworden nadat de raadsman van het INPS en de gemachtigde van Italië tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig zijn ondervraagd.
64. Bedacht moet evenwel worden dat in het kader van de procedure van artikel 234 EG, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, het Hof uitsluitend bevoegd is zich op basis van de door de nationale rechterlijke instantie vermelde feiten over de uitlegging of geldigheid van een communautaire bepaling uit te spreken. Het zou onverenigbaar zijn met de rol die het Hof bij artikel 234 EG is toebedeeld, alsook met zijn verplichting, de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen in staat te stellen opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof, wanneer het de nationale situatie feitelijk en rechtens zelf zou gaan interpreteren.(31)
65. Behalve Italië heeft geen enkele lidstaat opmerkingen ingediend. Het Hof kan er dus niet zeker van zijn dat het heeft voldaan aan zijn verplichting ervoor te zorgen dat de mogelijkheid van indiening van opmerkingen wordt gewaarborgd.
66. Deze situatie had moeten worden vermeden.
67. De krachtens artikel 234 EG ingestelde procedure is een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechter, dat het Hof in staat stelt de nationale rechter de elementen voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen die hij nodig heeft om uitspraak te kunnen doen in het bij hem aanhangige geding.(32) Bovendien berust de prejudiciële verwijzing op een dialoog van rechter tot rechter, waartoe het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter van de relevantie en de noodzaak van deze verwijzing.(33)
68. Inderdaad zou een prejudicieel verzoek eigenlijk in een vroeg stadium van de procedure niet-ontvankelijk moeten worden verklaard wanneer het een zo onvolledige uiteenzetting van de relevante feiten en de nationale wetgeving bevat als hier het geval is. Gelet op de informatie die het Hof tijdens de mondelinge behandeling heeft verkregen, lijkt het mij echter niet opportuun, noch uit proceseconomische overwegingen gewenst, dat nu nog te doen.
Ten gronde
Toepasselijkheid ratione materiae van de kaderovereenkomst
69. Gelden de richtlijn en de kaderovereenkomst alleen voor het arbeidsrecht en niet voor het sociaalzekerheidsrecht?(34)
70. In de zaak Impact(35), die betrekking had op richtlijn 1999/70(36), werd het Hof gevraagd of de „arbeidsvoorwaarden” in de zin van clausule 4 van de bij deze richtlijn gevoegde kaderovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, ook de voorwaarden inzake beloning en pensioen omvatten.
71. Het Hof verwees naar zijn vaste rechtspraak volgens welke onder het begrip „beloning” in de zin van artikel 141, lid 2, EG de pensioenen vallen die worden bepaald door de arbeidsverhouding die de werknemer verbindt met zijn werkgever(37), maar niet die welke worden verleend krachtens een wettelijke regeling die wordt gefinancierd door werknemers, werkgevers en eventueel door de overheid, wier bijdragen niet zozeer worden bepaald door de arbeidsverhouding als wel door overwegingen van sociaal beleid. Gelet op deze rechtspraak oordeelde het Hof dat onder het begrip „arbeidsvoorwaarden” in de zin van clausule 4, punt 1, van de kaderovereenkomst voor bepaalde tijd de pensioenen vallen die worden bepaald door een arbeidsverhouding tussen een werknemer en een werkgever, maar niet de wettelijke pensioenen van de sociale zekerheid, die niet zozeer worden bepaald door een arbeidsverhouding als wel door overwegingen van sociaal beleid. Volgens het Hof werd deze uitlegging bevestigd door de vijfde alinea van de preambule van de betrokken kaderovereenkomst, waarin de partijen erkennen „dat de regeling van de wettelijke stelsels van sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort” en deze laatste oproepen concreet gestalte te geven aan hun verklaring over werkgelegenheid van de Europese Raad van Dublin van 1996, waarin deze onder meer de noodzaak heeft onderstreept de socialezekerheidsstelsels aan te passen aan nieuwe arbeidspatronen teneinde een goede sociale bescherming te kunnen bieden aan mensen die in dat kader arbeid verrichten.(38)
72. Dezelfde redenering moet mutatis mutandis gelden voor clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, waarom het in deze zaak gaat.
73. In de eerste plaats is het beginsel van gelijke behandeling in deze clausule in nagenoeg dezelfde bewoordingen geformuleerd als in clausule 4 van de bij richtlijn 1999/70 gevoegde kaderovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
74. In de tweede plaats wordt in de derde alinea van de preambule van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid eveneens erkend dat de regeling van de wettelijke stelsels van sociale zekerheid tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, en verwijst deze alinea ook naar de verklaring over werkgelegenheid van de Europese Raad van Dublin van 1996.
75. In de derde plaats is richtlijn 97/81 volgens artikel 1 ervan gericht op de tenuitvoerlegging van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid die door de algemene brancheoverkoepelende organisaties is gesloten (dat wil zeggen door organisaties die respectievelijk werkgevers en werknemers vertegenwoordigen). De kaderovereenkomst beoogt beide partijen bij een arbeidsovereenkomst in staat te stellen de arbeidstijd op flexibele wijze en in overeenstemming met de specifieke kenmerken van de arbeid in bepaalde sectoren en activiteiten te organiseren, en heeft niet de bedoeling om socialezekerheidskwesties te regelen.(39)
76. Onder clausule 4, punt 1, van de kaderovereenkomst vallen derhalve de pensioenen die worden bepaald door een arbeidsverhouding tussen een werknemer en een werkgever, maar niet de wettelijke pensioenen van de sociale zekerheid, die niet zozeer worden bepaald door een arbeidsverhouding als wel door overwegingen van sociaal beleid.
77. Vooral omdat de verwijzingsbeslissingen zo onduidelijk zijn, lijkt mij dat de nationale rechter het best in staat is om uit te maken hoe de in casu aan de orde zijnde pensioenregeling moet worden gekwalificeerd. Daarbij zal hij de door het Hof geformuleerde criteria moeten toepassen.
78. Wat de vraag betreft of een ouderdomspensioen binnen de werkingssfeer van artikel 141 EG valt, heeft het Hof gepreciseerd dat enkel het criterium dat is ontleend aan de vaststelling dat het pensioen aan de werknemer wordt uitgekeerd op grond van de arbeidsverhouding tussen de betrokkene en zijn voormalige werkgever, beslissend kan zijn, zij het met de toevoeging dat dit geen exclusief criterium kan zijn, daar bij pensioenen die op grond van wettelijke socialezekerheidsregelingen worden uitgekeerd, geheel of gedeeltelijk rekening kan worden gehouden met het arbeidsloon. Niettemin kunnen overwegingen van sociaal beleid, overwegingen betreffende de organisatie van de staat, overwegingen van ethische of zelfs van budgettaire aard, die een rol hebben of kunnen hebben gespeeld toen de nationale wetgever een regeling vaststelde, niet beslissend zijn indien aan drie voorwaarden is voldaan: (i) het pensioen geldt slechts voor een bijzondere categorie werknemers, (ii) het is rechtstreeks afhankelijk van het aantal dienstjaren, en (iii) het bedrag ervan wordt berekend op basis van het laatste loon.(40)
79. Hoewel deze criteria niet zonder meer eenvoudig zijn toe te passen, moeten zij niettemin naar analogie worden toegepast op de pensioenen waarom het in deze zaken gaat.
80. Volgens het Hof is het door een werkgever in de openbare sector uitgekeerde pensioen, indien aan de genoemde drie criteria is voldaan, volstrekt vergelijkbaar met het pensioen dat een werkgever in de particuliere sector aan zijn voormalige werknemers zou uitkeren.(41) Anders dan het INPS ter terechtzitting heeft betoogd, kan dus het feit dat een pensioen bij wet is geregeld en wordt beheerd door een overheidsinstantie zoals het INPS, derhalve geen beslissend criterium zijn voor de kwalificatie van een pensioen als een beroepspensioen dan wel een wettelijk sociaalzekerheidspensioen.
81. Zoals ik de relevante rechtspraak versta, moet de nationale rechter nagaan welke status Alitalia naar nationaal recht heeft, om te kunnen vaststellen of het hier een werkgever van de publieke dan wel de particuliere sector betreft. Is Alitalia een werkgever van de publieke sector, dan kan het feit dat het pensioen niet door haarzelf maar door het INPS wordt uitgekeerd, een aanwijzing zijn dat het pensioen vergelijkbaar is met een pensioen dat een werkgever in de particuliere sector aan zijn voormalige werknemers zou uitkeren, en dat het dus een beroepspensioen en niet een wettelijk sociaalzekerheidspensioen is. Is Alitalia een werkgever in de particuliere sector, dan kan omgekeerd de uitbetaling van het pensioen door het INPS een aanwijzing zijn dat het gaat om een door overwegingen van sociaal beleid bepaald pensioen, dat dus een wettelijk sociaalzekerheidspensioen en geen beroepspensioen is.
82. Het is juist dat het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, onverlet laat. De lidstaten dienen deze bevoegdheid evenwel uit te oefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht(42), met name het beginsel van gelijke behandeling.(43) Ook wanneer het in casu aan de orde zijnde pensioen een wettelijk sociaalzekerheidspensioen is, dient het dus aan dat beginsel te voldoen.
83. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid niet geldt voor wettelijke pensioenen van de sociale zekerheid. Het is aan de nationale rechter om vast te stellen of het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde pensioen tot deze categorie behoort. Mocht hij concluderen dat dit het geval is, dan moet hij onderzoeken of Italië zijn bevoegdheid op het gebied van de sociale zekerheid heeft uitgeoefend met inachtneming van het gemeenschapsrecht, met name met het beginsel van gelijke behandeling.
Aan het Hof voorgelegde vragen
84. De eerste en de derde vraag gaan beide uitsluitend over clausule 4 van de kaderovereenkomst, terwijl de tweede vraag betrekking heeft op clausule 4 in combinatie met de clausules 1 en 5. Het lijkt dan ook passend om de drie vragen samen te beantwoorden.
85. Met de eerste vraag wordt gevraagd of artikel 7, lid 1, van wet nr. 638/83, op grond waarvan tijdvakken waarin in het kader van verticale deeltijdarbeid niet wordt gewerkt, niet als tijdvakken van premiebetaling voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking worden genomen, verenigbaar is met richtlijn 97/81, meer bepaald met clausule 4 van de kaderovereenkomst (non-discriminatiebeginsel).
86. De tweede vraag houdt meer in het algemeen in of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepalingen in overeenstemming zijn met richtlijn 97/81 ? in het bijzonder met clausule 1 van de kaderovereenkomst (volgens welke nationale wetgeving de ontwikkeling van deeltijdwerk dient te vergemakkelijken) en met de clausules 4 en 5 (die van de lidstaten verlangen dat zij de belemmeringen van juridische aard die de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen beperken, uit de weg ruimen). Volgens de verwijzende rechter vormt de niet-inaanmerkingneming voor pensioendoeleinden van de weken waarin niet is gewerkt, „ontegenzeglijk” een belangrijke belemmering voor de keuze voor deeltijdarbeid van het verticale type.
87. Met de derde vraag wordt gevraagd of het in clausule 4 van de kaderovereenkomst geformuleerde beginsel van gelijke behandeling ook geldt voor verschillende soorten deeltijdarbeid, in aanmerking genomen dat naar nationaal recht bij horizontale deeltijdarbeid, anders dan bij verticale deeltijdarbeid, voor een gelijk aantal gewerkte en bezoldigde uren per kalenderjaar alle weken van het kalenderjaar worden meegeteld.
88. Ofschoon het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing niet bevoegd is zich uit te spreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het gemeenschapsrecht, is het wel bevoegd de nationale rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het gemeenschapsrecht te verschaffen welke die rechter in staat kunnen stellen die verenigbaarheid te beoordelen met het oog op de beslissing in de voor hem aanhangige zaak.(44)
89. Ik zal de drie vragen daarom tezamen aldus behandelen, dat zij ertoe strekken te vernemen of de clausules 1, 4 en 5 van de kaderovereenkomst zich verzetten tegen wetgeving als die waarom het in de hoofdgedingen gaat, waarin verticale cyclische deeltijdarbeid en horizontale deeltijdarbeid verschillend worden behandeld met betrekking tot de manier waarop weken als tijdvakken van premiebetaling voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking worden genomen.
Verschil in behandeling naar Italiaans recht
90. Zoals ik het begrijp ? en ik baseer mij dan met name op de tijdens de mondelinge behandeling verkregen informatie ? werkt het systeem in grote lijnen als volgt.
91. Het criterium voor de berekening van de hoogte van de pensioenuitkering lijkt in wezen te zijn dat het aantal gewerkte uren op dezelfde wijze in aanmerking wordt genomen, ongeacht of er sprake is geweest van voltijdarbeid, horizontale deeltijdarbeid dan wel verticale cyclische deeltijdarbeid. Het INPS merkt in zijn schriftelijke opmerkingen op dat ter bepaling van de voor de berekening van het pensioen in aanmerking te nemen periode van premiebetaling (i) het aantal per kalenderjaar in deeltijd gewerkte en bezoldigde uren moet worden vastgesteld en (ii) dat aantal moet worden gedeeld door het aantal uren dat voltijdwerknemers per week werken. De uitkomst van die berekening levert het aantal bij deeltijdarbeid in aanmerking te nemen weken van premiebetaling op. Daarbij kan dan nog worden opgeteld het extra aantal weken van premiebetaling dat voor de betrokken werknemer in aanmerking kan worden genomen (bijvoorbeeld door fictieve creditering(45)). Deze methode voor de berekening van de hoogte van de pensioenuitkering leidt in mijn ogen niet tot een verschillend resultaat al naargelang de betrokken deeltijdarbeid van het verticale cyclische dan wel van het horizontale type was.
92. Wanneer dus bij een voltijddienstverband 8 uur per dag wordt gewerkt, maakt het geen verschil of men in het kader van horizontale deeltijdarbeid 52 weken per jaar(46) maar slechts 4 uur per dag heeft gewerkt, dan wel in het kader van verticale cyclische deeltijdarbeid slechts 26 weken per jaar, maar dan 8 uur per dag. In beide gevallen zal het aantal gewerkte uren gelijk zijn (1 040 uur)(47) en hetzelfde effect hebben op de berekening van het bedrag van het pensioen (in mijn voorbeeld, 50 % van het pensioen van een voltijdwerker, dat zal worden berekend op basis van 2080 uur).
93. Zoals het INPS ter terechtzitting heeft erkend, lijkt het probleem te zitten in de berekening van het aantal weken dat iemand moet hebben gewerkt om recht op pensioen te krijgen (hierna: „in aanmerking te nemen weken”). Volgens de raadsman van het INPS zijn 1820 in aanmerking te nemen weken noodzakelijk ter verkrijging van een recht op pensioen. Een in aanmerking te nemen week wordt gedefinieerd als een week waarin minimaal één dag is gewerkt.
94. In mijn voorbeeld betekent dit dat hetzelfde aantal gewerkte uren de horizontale deeltijdwerker 52 voor het pensioen in aanmerking te nemen weken zal opleveren, terwijl de verticale cyclische deeltijdwerker het met de helft daarvan ? 26 weken ? zal moeten doen.
95. De ongelijke behandeling vloeit dus voort uit de wijze van berekening van de weken die in aanmerking komen voor het pensioen, die rechtstreeks bepalend is voor de tijd die het een werknemer kost om een pensioen op te bouwen. Aangezien alleen weken waarin minimaal één dag is gewerkt, meetellen voor het verwerven van een recht op pensioen, zullen bij eenzelfde aantal gewerkte uren werknemers met een overeenkomst voor verticale cyclische deeltijdarbeid uiteindelijk twee keer zo lang moeten werken als horizontale deeltijdwerkers alvorens zij recht op pensioen krijgen. In mijn voorbeeld zou de horizontale deeltijdwerker 35 jaar moeten werken om recht op pensioen te krijgen, terwijl de werknemer die verticale cyclische deeltijdarbeid verricht, daarvoor 70 jaar zou moeten werken. Als de betrokken persoon gedurende zijn gehele loopbaan op die wijze heeft gewerkt, is het onwaarschijnlijk dat hij ooit voor een pensioen in aanmerking komt.
Non-discriminatiebeginsel van clausule 4 van de kaderovereenkomst
96. Volgens clausule 4 van de kaderovereenkomst mogen deeltijdwerkers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden niet minder gunstig worden behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is. Het discriminatieverbod van clausule 4 is slechts de specifieke uitdrukking van een fundamenteel beginsel van gemeenschapsrecht, namelijk het algemene beginsel van gelijke behandeling, dat verschillende behandeling van vergelijkbare gevallen verbiedt tenzij het verschil in behandeling objectief is gerechtvaardigd.(48) Dit beginsel kan derhalve slechts worden toegepast op personen die zich in vergelijkbare situaties bevinden.(49)
97. Clausule 4, punt 2, van de kaderovereenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat wanneer zulks passend is, het pro-rata-temporisbeginsel wordt toegepast.(50) Het Hof heeft reeds uitgemaakt dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen de berekening van een ouderdomspensioen pro rata temporis in geval van deeltijdarbeid.(51) Het heeft zich op het standpunt gesteld dat naast het aantal dienstjaren van een ambtenaar de werkelijke duur van de door hem tijdens zijn loopbaan verrichte arbeid, vergeleken met die van een ambtenaar die zijn gehele loopbaan voltijds heeft gewerkt, een objectief criterium is dat niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht, en dat een evenredige verlaging van zijn pensioenrechten mogelijk maakt.(52)
98. Het hierboven uiteengezette systeem lijkt te impliceren dat zowel voor werknemers die verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten als voor voltijdwerkers het aantal in aanmerking te nemen weken wordt berekend naar evenredigheid van het aantal daadwerkelijk gewerkte uren, dat wil zeggen overeenkomstig het pro-rata-temporisbeginsel. Het lijkt logisch dat iemand die als voltijdwerker gedurende 52 weken per jaar 8 uur per dag werkt, precies het dubbele aantal in aanmerking te nemen weken zal hebben van iemand die in het kader van verticale cyclische deeltijdarbeid 8 uur per dag werkzaam is gedurende 26 weken. So far, so good: van discriminatie is geen sprake.
99. Voor horizontale deeltijdwerkers wordt het aantal in aanmerking te nemen weken echter berekend volgens een methode die gunstiger uitpakt dan het pro-rata-temporisbeginsel. Als alleen weken waarin minimaal één dag is gewerkt, als in aanmerking te nemen weken tellen(53), zal iemand die in het kader van horizontale deeltijdarbeid een heel jaar lang 4 uur per dag heeft gewerkt, precies hetzelfde aantal uren hebben gemaakt als de zojuist beschreven verticale deeltijdwerker, terwijl bij hem twee keer zo veel weken meetellen voor het pensioen.
100. De horizontale deeltijdwerker kan ook worden bevoordeeld ten opzichte van een vergelijkbare voltijdwerker. Laat ons aannemen (om het voorbeeld iets te veranderen) dat hij, in plaats van 20 uur per week verdeeld over vijf dagen te werken (4 uur per dag), tweeënhalve dag voltijds (8 + 8 + 4 uur) werkt en de overige tweeënhalve dag helemaal niet. Dit arbeidspatroon volstaat om de betrokken week voor de pensioenopbouw te laten meetellen. Intussen zal de vergelijkbare voltijdwerker zijn gebruikelijke volledige week (alle vijf dagen) moeten hebben gewerkt om de week voor de verkrijging van het recht op pensioen te laten meetellen.
101. Er zijn dus twee verschillende vormen van ongelijke behandeling: (a) tussen de twee deeltijdvarianten, in het nadeel van werknemers die verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten, en (b) tussen horizontale deeltijdarbeid en voltijdarbeid, in het nadeel van voltijdwerkers.
102. Valt dit soort ongelijke behandeling onder clausule 4 van de kaderovereenkomst?
103. Zoals het Hof in het arrest Michaeler heeft bevestigd, willen richtlijn 97/81 en de kaderovereenkomst enerzijds deeltijdarbeid bevorderen en anderzijds de discriminatie tussen deeltijd- en voltijdwerkers uitbannen. Dit tweeledige doel blijkt uit de bewoordingen van clausule 1 van de kaderovereenkomst en uit de considerans van richtlijn 97/81. Het Hof citeerde onder meer de elfde overweging van de considerans van de richtlijn, volgens welke de ondertekenaars van de kaderovereenkomst „hun wil te kennen hebben gegeven een algemeen kader vast te stellen om een einde te maken aan de discriminatie van deeltijdwerkers en bij te dragen tot de uitbreiding van de mogelijkheden voor deeltijdarbeid op een zowel voor de werkgevers als voor de werknemers aanvaardbare basis”.(54)
104. Uit de tekst van clausule 4 van de kaderovereenkomst blijkt duidelijk dat de in deze clausule opgenomen bijzondere versie van het non-discriminatiebeginsel, die uiteraard deeltijdwerk bevordert, discriminatie tussen deeltijd‑ en voltijdwerkers verbiedt. De preambule van de kaderovereenkomst maakt duidelijk dat hier discriminatie van deeltijdwerkers wordt bedoeld.
105. Clausule 4 kan derhalve enkel op een ongelijke behandeling van verschillende soorten deeltijdarbeid van toepassing zijn wanneer daardoor ook deeltijdwerkers ten opzichte van voltijdwerkers worden gediscrimineerd. Geen van de vormen van ongelijke behandeling die ik hierboven heb vastgesteld, voldoet aan deze voorwaarde.
106. Clausule 4 van de kaderovereenkomst staat dan ook aan geen van die twee vormen van ongelijke behandeling in de weg.
De in clausule 5 van de kaderovereenkomst geformuleerde verplichting om belemmeringen op te sporen en te onderzoeken
107. Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat clausule 5, lid 1, sub a, van de kaderovereenkomst zich verzet tegen een wettelijke regeling als aan de orde in de hoofdgedingen. In het licht van de beoogde aanmoediging van deeltijdwerk verlangt deze clausule van de lidstaten dat zij „de belemmeringen van juridische of administratieve aard waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt, opsporen, onderzoeken en in voorkomend geval verwijderen”. De Commissie baseerde zich op het arrest Michaeler, waarin het Hof heeft verklaard dat clausule 5, lid 1, sub a, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die vereist dat binnen 30 dagen na de sluiting van een overeenkomst voor deeltijdarbeid een kopie daarvan aan de bevoegde autoriteit wordt gestuurd.
108. Ik ben het niet met de Commissie eens.
109. In de zaak Michaeler gold het betwiste vereiste voor overeenkomsten voor deeltijdarbeid, maar niet voor overeenkomsten voor voltijdarbeid. Het Hof stelde zich op het standpunt dat het samenspel van een extra administratieve formaliteit en een sanctieregeling ertoe bijdroeg de werkgevers af te schrikken om een beroep te doen op deeltijdarbeid, en in het bijzonder de kleine en middelgrote ondernemingen kon raken, die, aangezien zij niet beschikken over dezelfde middelen als grote ondernemingen, ertoe zouden kunnen worden gebracht af te zien van de organisatie van de arbeid in deeltijd die richtlijn 97/81 juist wil bevorderen.(55)
110. Het betwiste vereiste was dan ook een duidelijk voorbeeld van een wettelijk of administratief voorschrift dat een belemmering vormde voor werknemers die van voltijd- naar deeltijdwerk wilden overgaan.
111. Uit de overwegingen en de bepalingen van de richtlijn en de kaderovereenkomst, gelezen in samenhang met de „algemene overwegingen” van de kaderovereenkomst, blijkt dat de kaderovereenkomst het voor werknemers gemakkelijker wil maken hun voltijdbaan om te zetten in een deeltijdbaan dan wel toegang te krijgen tot deeltijdarbeid, zonder eerst voltijds te hoeven werken.
112. De in clausule 5 van de kaderovereenkomst geformuleerde verplichting lijkt mij daarom een bijzondere toepassing van het discriminatieverbod van clausule 4 te zijn. Van een dergelijke discriminatie is soms sprake wanneer lidstaten voor overeenkomsten voor deeltijdarbeid een juridische of administratieve belemmering invoeren die niet geldt voor overeenkomsten voor voltijdarbeid, zoals in de zaak Michaeler het geval was. De lidstaat is dan verplicht dergelijke belemmeringen uit de weg te ruimen.
113. In casu is er echter geen sprake van een wettelijk voorschrift of administratieve praktijk die de overgang van voltijdarbeid naar deeltijdarbeid bemoeilijkt. Voltijdwerkers en werknemers die verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten, worden immers niet verschillend behandeld waar het de berekening van hun voor het pensioen in aanmerking te nemen weken betreft. Die weken worden voor beide categorieën werknemers op basis van het pro-rata-temporisbeginsel berekend.(56) Het verschil in behandeling zit hem louter in de gunstiger behandeling die een derde categorie werknemers (zij die horizontale deeltijdarbeid verrichten) bij de berekening van de voor hun pensioen in aanmerking te nemen weken geniet.
114. De situatie zou anders zijn geweest als, bijvoorbeeld, voor horizontale deeltijdarbeid en voltijdarbeid de in aanmerking te nemen weken op basis van het pro-rata-temporisbeginsel werden berekend, terwijl voor verticale cyclische deeltijdarbeid een minder gunstige berekeningsgrondslag werd gehanteerd. In dat geval zou er inderdaad sprake zijn geweest van ongelijke behandeling van voltijdarbeid en een specifieke vorm van deeltijdarbeid, in het nadeel van die deeltijdarbeid. Een dergelijke regel zou strijdig zijn geweest met het discriminatieverbod van clausule 4, en de lidstaat zou die belemmering ingevolge clausule 5, punt 1, sub a, uit de weg hebben moeten ruimen.
115. In het arrest Schönheit en Becker heeft het Hof geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die ertoe leidt dat het ouderdomspensioen van een werknemer meer dan evenredig aan de inaanmerkingneming van zijn perioden van arbeid in deeltijd wordt verlaagd, niet kan worden beschouwd als objectief gerechtvaardigd door het feit dat het pensioen in dit geval tegenover een geringere arbeidsprestatie staat of op grond dat zij tot doel heeft te voorkomen dat deeltijdambtenaren worden bevoordeeld ten opzichte van voltijdambtenaren.(57)
116. Deze situatie doet zich echter in casu niet voor. Het probleem is niet dat werknemers die verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten, onevenredig worden benadeeld ten opzichte van voltijdwerkers. Het gaat erom dat personen die horizontale deeltijdarbeid verrichten, in een bepaald opzicht (berekening van de voor het pensioen in aanmerking te nemen weken) feitelijk worden bevoordeeld ten opzichte van personen die voltijds werken of verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten.
117. Op basis van het voorgaande zou bijgevolg op de voorgelegde vragen moeten worden geantwoord, dat noch clausule 4 noch clausule 1 of 5, punt 1, sub a, van de kaderovereenkomst zich in beginsel verzet tegen de invoering van een onderscheid tussen verschillende soorten deeltijdwerk waarvoor verschillende voorwaarden gelden, mits een dergelijk onderscheid geen discriminatie ten gunste van voltijdwerkers en ten nadele van (een categorie) deeltijdwerkers oplevert dan wel een belemmering van juridische of administratieve aard vormt waardoor de mogelijkheden voor deeltijdwerk kunnen worden beperkt.
118. Dit is echter nog niet het einde van het verhaal.
Het algemene gelijkheidsbeginsel
119. Het discriminatieverbod van clausule 4 van de kaderovereenkomst is een specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel.(58) Het moet derhalve in overeenstemming met dit beginsel worden uitgelegd. Nationale uitvoeringsmaatregelen moeten eveneens de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, waaronder het beginsel van gelijke behandeling, eerbiedigen.(59)
120. Het staat de lidstaten vrij onderscheid te maken tussen verschillende soorten deeltijdarbeid. De door hen vastgestelde maatregelen dienen echter verenigbaar te zijn met de doelstellingen en bepalingen van richtlijn 97/81 en de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, alsmede met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, met name het beginsel van gelijke behandeling.(60)
121. Hieruit volgt dat het de lidstaten niet is toegestaan willekeurige verschillen tussen verschillende soorten deeltijdarbeid in te voeren, die met de genoemde doelstellingen in strijd zijn en schending van het communautaire algemene discriminatieverbod opleveren.
122. Zoals ik de feiten begrijp, komt het mij voor dat personen die horizontale deeltijdarbeid en personen die verticale cyclische deeltijdarbeid verrichten, in een vergelijkbare situatie verkeren. De redenen waarom zij ten aanzien van het verwerven van pensioenrechten verschillend worden behandeld, zijn niet zonder meer duidelijk. Dat verschil in behandeling kan derhalve een willekeurig onderscheid opleveren dat in beginsel met het algemene discriminatieverbod in strijd zou zijn.
123. Tijdens de mondelinge behandeling is de gemachtigde van Italië en de raadsman van het INPS gevraagd of zij een rechtvaardiging voor dat verschil in behandeling wensten aan te voeren. Beiden hebben gewezen op het feit dat naar Italiaans burgerlijk recht een overeenkomst voor verticale cyclische deeltijdarbeid wordt geschorst gedurende de tijdvakken waarin niet wordt gewerkt. Dit betekent dat geen loon wordt uitgekeerd noch werknemerspremies worden afgedragen. Italië had in zijn schriftelijke opmerkingen ook betoogd dat werknemers de vrije keuze tussen horizontale deeltijdarbeid en verticale cyclische deeltijdarbeid hebben.
124. Wat de op het nationale recht gebaseerde rechtvaardiging betreft, volstaat het eraan te herinneren dat een lidstaat zich volgens vaste rechtspraak niet op bepalingen, praktijken of situaties van zijn interne rechtsorde kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen.(61)
125. Met betrekking tot het argument dat werknemers vrij zijn om voor horizontale dan wel verticale cyclische deeltijdarbeid te kiezen, wijs ik erop dat uit de aan het Hof ter beschikking staande documenten blijkt dat in de luchtvaart werkzame personen als verzoekers in werkelijkheid die keuze helemaal niet hebben. De aard van hun werk als vliegend personeel aan boord van vliegtuigen maakt het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, om voor horizontale deeltijdarbeid te kiezen (waarbij bijvoorbeeld 7 dagen per week, doch slechts 4 uur per dag wordt gewerkt). Men kan moeilijk na een halve dag werken „het kantoor verlaten” wanneer dat „kantoor” een vliegtuig midden in een vlucht is.(62) Dit wordt overigens bevestigd door de toepasselijke collectieve overeenkomst, volgens welke werknemers zoals verzoekers uitsluitend voor verticale cyclische deeltijdarbeid kunnen kiezen.
126. De aangevoerde rechtvaardigingen kunnen dan ook niet worden aanvaard.
127. Het is echter uiteindelijk aan de nationale rechter om uit te maken of het door de gemachtigde van Italië en de raadsman van het INPS ter terechtzitting beschreven verschil in behandeling inderdaad overeenstemt met de door het Italiaanse recht voorgeschreven berekeningsmethode, en, indien dat het geval is, te onderzoeken of die ongelijke behandeling objectief valt te rechtvaardigen.(63)
Conclusie
128. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, de vragen van de Corte d’Appello di Roma, Sezione Lavoro e Previdenza te beantwoorden als volgt:
„– De kaderovereenkomst die is gevoegd bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, geldt niet voor wettelijke pensioenen van de sociale zekerheid. Het is aan de nationale rechter om vast te stellen of het in de hoofdgedingen aan de orde zijnde pensioen tot die categorie behoort. Mocht hij concluderen dat dit het geval is, dan moet hij onderzoeken of Italië zijn bevoegdheid op het gebied van de sociale zekerheid heeft uitgeoefend met inachtneming van het gemeenschapsrecht, met name met het beginsel van gelijke behandeling.
– Clausule 4 van de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid verzet zich niet tegen een nationale wettelijke regeling waarbij de voor het verwerven van pensioenrechten in aanmerking te nemen weken worden berekend overeenkomstig het pro-rata-temporisbeginsel. Clausule 4 is enkel van toepassing op de ongelijke behandeling van verschillende soorten deeltijdarbeid wanneer daardoor ook voltijdwerkers ten opzichte van deeltijdwerkers worden bevoordeeld. Het staat de lidstaten vrij onderscheid te maken tussen verschillende soorten deeltijdarbeid. De door hen vastgestelde maatregelen dienen echter verenigbaar te zijn met de doelstellingen en bepalingen van richtlijn 97/81 en de kaderovereenkomst inzake deeltijdarbeid, alsmede met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, met name het beginsel van gelijke behandeling. Het is de lidstaten niet toegestaan willekeurige verschillen tussen verschillende soorten deeltijdarbeid in te voeren, die met de genoemde doelstellingen in strijd zijn en schending van het communautaire algemene discriminatieverbod opleveren.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Richtlijn van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9).
3 – Unie van industrie- en werkgeversfederaties in Europa. Vanaf 23 januari 2007 heeft de Unice haar naam gewijzigd in BUSINESSEUROPE, Europese ondernemingsorganisatie.
4 – Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven.
5 – Europees Verbond van Vakverenigingen.
6 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse vertaling.
7 – Het INPS stelt in zijn schriftelijke opmerkingen dat de richtlijn in Italiaans recht is omgezet bij wetsbesluit nr. 368 van 6 september 2001. Uit de titel van wetsbesluit nr. 61/2000 zelf blijkt echter dat dit besluit strekt tot uitvoering van richtlijn 97/81, terwijl wetsbesluit nr. 368 blijkens zijn titel bedoeld is om uitvoering te geven aan richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43). Het is uiteraard aan de nationale rechter om vast te stellen wat het juiste uitvoeringsinstrument is.
8 – Blijkens de aan het Hof ter beschikking staande gegevens gaat het hier om tijdvakken die worden gelijkgesteld met tijdvakken van loonbetaling.
9 – Fondo pensioni lavoratori dipendenti.
10 – De verwijzingsbeschikkingen bevatten geen definitie van het begrip cyclisch deeltijdwerk. Zij maken echter wel duidelijk dat het in casu gaat om „verticaal” deeltijdwerk op cyclische basis, wat betekent dat sommige maanden van het jaar wel en andere maanden van het jaar niet wordt gewerkt. Ik zal deze arbeidsvorm hierna aanduiden als „verticale cyclische deeltijdarbeid”.
11 – Zie laatstelijk arrest van 19 november 2009, Filipiak (C‑314/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie., punten 40‑42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
12 – Zie arrest van 14 juni 2007, Telefónica O2 Czech Republic (C‑64/06, Jurispr. blz. I‑4887, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
13 – Zie naar analogie arrest van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punten 105‑133).
14 – Zie de punten 69‑83 hierna.
15 – Zie de punten 14 en 16 alsmede voetnoot 7 hierboven.
16 – Arrest van 14 april 1970 (68/69, Jurispr. blz. 171).
17 – PB 1958, blz. 561 (enkel in het Nederlands, Frans, Duits en Italiaans).
18 – Arrest Brock, aangehaald in voetnoot 16, punt 7.
19 – Zie bijvoorbeeld het eerdere arrest van 9 december 1965, Singer et Fils (44/65, Jurispr. blz. 1148, 1156), en, meer recent, arresten van 11 december 2008, Commissie/Freistaat Sachsen (C‑334/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43), en 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a. (C‑443/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 61).
20 – Arrest van 18 april 2002 (C‑290/00, Jurispr. blz. I‑3567, punten 19‑26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 – Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2, meermalen gewijzigd).
22 – Volgens de bepaling moet rekening worden gehouden met elke gebeurtenis waarmee het betrokken recht in verband staat, zelfs wanneer deze heeft plaatsgevonden „vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van […] toepassing [van de verordening] op het grondgebied van de betrokken lidstaat”.
23 – Volgens deze bepaling moet voor de vaststelling van de aan de verordening te ontlenen rechten rekening worden gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van arbeid of wonen, dat krachtens de wetgeving van een lidstaat „vóór 1 oktober 1972 of vóór de datum van […] toepassing [van de verordening] op het grondgebied van deze lidstaat […] is vervuld”.
24 – Arrest van 16 juli 2009, Snauwaert e.a. en Deschaumes (C‑124/08 en C‑125/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 15 en 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 – Het Hof beschikt over dit dossier, maar dit geldt niet voor de belanghebbenden als bedoeld in artikel 23 van het Statuut. Ofschoon het zonder meer mag worden bestudeerd om er aanvullende relevante informatie uit te halen, kan het niet als substituut voor de verwijzingsbeslissing dienen.
26 – Zie voetnoot 10 hierboven.
27 – Arrest van 8 mei 2003, Gantner Electronic (C‑111/01, Jurispr. blz. I‑4207, punt 37). In eerdere zaken drukte het Hof zich in dit verband iets omzichtiger uit: zie bijvoorbeeld arrest van 30 maart 2000, JämO (C‑236/98, Jurispr. blz. I‑2189, punt 31).
28 – Zie bijvoorbeeld arrest JämO, aangehaald in voetnoot 27, punt 32, en arrest van 9 december 2003, Gasser (C‑116/02, Jurispr. blz. I‑14693, punt 27).
29 – Arrest van 22 februari 1990, EGKS/Busseni (C‑221/88, Jurispr. blz. I‑495, punt 13).
30 – Beschikking van 21 april 1999, Charreire en Hirtsmann (C‑28/98 en C‑29/98, Jurispr. blz. I‑1963).
31 – Zie naar analogie arrest van 16 juli 1998, Dumon en Froment (C‑235/95, Jurispr. blz. I‑4531, punten 25‑27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 – Zie arrest van 24 maart 2009, Danske Slagterier (C‑445/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 – Arresten van 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, Jurispr. blz. I‑411, punt 42), en 16 december 2008, Cartesio (C‑210/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 91).
34 – Zoals het INPS betoogt: zie punt 27 hierboven.
35 – Aangehaald in voetnoot 13, punten 105‑134.
36 – Aangehaald in voetnoot 7.
37 – Dikwijls aangeduid als „beroepspensioenen”. Zie voorts C. Barnard, EC Employment Law (3e druk, Oxford University Press, 2006), blz. 517‑520.
38 – Arrest Impact, aangehaald in voetnoot 13, punten 131‑134.
39 – Zie naar analogie mijn conclusie bij het arrest van 16 juli 2009, Gómez-Limón Sánchez-Camacho (C‑537/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 29). Zie ook C. Barnard, aangehaald in voetnoot 37, blz. 475.
40 – Zie arrest van 1 april 2008, Maruko (C‑267/06, Jurispr. blz. I‑1757, punten 46‑48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 – Arrest van 23 oktober 2003, Schönheit en Becker (C‑4/02 en C‑5/02, Jurispr. blz. I‑12575, punt 58).
42 – Zie arrest van 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski (C‑208/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 – Arrest Maruko, aangehaald in voetnoot 40, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
44 – Arrest van 16 juli 2009, Futura Immobiliare e.a. (C‑254/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 – Zie voetnoot 8 hierboven.
46 – Afgezien van vakanties.
47 – De berekening is derhalve (aantal weken x aantal dagen x aantal per dag gewerkte uren), d.w.z. (52 x 5 x 4) voor de horizontale deeltijdwerker en (26 x 5 x 8) voor de verticale cyclische deeltijdwerker.
48 – Zie arrest van 3 oktober 2006, Cadman (C‑17/05, Jurispr. blz. I‑9583, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 – Arresten van 31 mei 2001, D en Koninkrijk Zweden/Raad (C‑122/99 P en C‑125/99 P, Jurispr. blz. I‑4319, punt 48), en 12 oktober 2004, Wippel (C‑313/02, Jurispr. blz. I‑9483, punt 56).
50 – Zie ook mijn conclusie in de zaak Gómez-Limón Sánchez-Camacho, aangehaald in voetnoot 39, punt 53, alsmede de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Impact, aangehaald in voetnoot 13, punt 101.
51 – Zie arresten Schönheit en Becker, aangehaald in voetnoot 41, punt 90, en Gómez-Limón Sánchez-Camacho, aangehaald in voetnoot 39, punt 59.
52 – Zie arresten Schönheit en Becker, aangehaald in voetnoot 41, punt 91, en Gómez-Limón Sánchez-Camacho, aangehaald in voetnoot 39, punt 59.
53 – Zie punt 93 hierboven.
54 – Arrest van 24 april 2008, Michaeler e.a. (C‑55/07 en C‑56/07, Jurispr. blz. I‑3135, punten 21 en 22; cursivering van mij). Het Hof verwees ook naar de vijfde en de achttiende overweging van de considerans van de richtlijn: zie punt 3 hierboven.
55 – Arrest Michaeler e.a., aangehaald in voetnoot 54, punten 25‑29.
56 – Zie de punten 97 en 98 hierboven.
57 – Arrest Schönheit en Becker, aangehaald in voetnoot 41, punten 93‑97.
58 – Arrest Cadman, aangehaald in voetnoot 48, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
59 – Arrest van 4 juni 2009, JK Otsa Talu (C‑241/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 – Zie, zij het in een iets andere context, arrest JK Otsa Talu, aangehaald in voetnoot 59, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
61 – Arrest van 7 juli 2009, Commissie/Griekenland (C‑369/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak.).
62 – Dit kan ook, zij het in mindere mate, voor andere soorten banen gelden, afhankelijk van de wijze waarop verschillende soorten werkzaamheden moeten worden georganiseerd.
63 – Mij lijkt dat er legitieme redenen zouden kunnen zijn om in bijzondere omstandigheden voor bepaalde soorten deeltijdarbeid een ruimhartiger wijze van berekening van het aantal voor het pensioen meetellende weken te hanteren, zonder daarbij in het algemeen deeltijdwerkers ten opzichte van voltijdwerkers te discrimineren en zonder in strijd te handelen met de doelstellingen van de richtlijn en de kaderovereenkomst. Een dergelijk voordeel zou bijvoorbeeld kunnen worden overwogen voor het soort deeltijdwerk dat het beste past bij werknemers met opgroeiende kinderen. Voor een vergelijkbaar argument in verband met ouderschapsverlof, zie mijn conclusie in de zaak Gómez-Limón Sánchez-Camacho, aangehaald in voetnoot 39, punt 54.
Full & Egal Universal Law Academy