CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 4 februari 2010 1(1)
Zaak C‑434/08
Arnold en Johann Harms in hun hoedanigheid van maatschap naar Duits burgerlijk recht
tegen
Freerk Heidinga
[verzoek van het Oberlandesgericht Oldenburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Bedrijfstoeslagregeling – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Overdracht van toeslagrechten”
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberlandesgericht Oldenburg (Duitsland) heeft betrekking op de uitlegging van artikel 46, lid 2, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad.(2)
2. De verwijzende rechter wenst te vernemen of die bepaling in de weg staat aan contractuele bedingen (i) volgens welke toeslagrechten formeel weliswaar volledig en definitief worden overgedragen, maar ingevolge een onderlinge afspraak tussen partijen nog steeds economisch aan de vervreemder toekomen, waarbij de verkrijger echter als formele rechthebbende de toeslagrechten door bebouwing van het desbetreffende areaal dient te activeren en de aan hem betaalde bedrijfstoeslagen volledig aan de vervreemder dient af te dragen, of (ii) volgens welke areaalbetalingen aan de verkrijger worden overgedragen in dier voege dat hij een deel (de individuele toeslag) telkens aan de vervreemder dient af te dragen. Bij een bevestigend antwoord van het Hof wenst de verwijzende rechter te vernemen of dergelijke contractuele bedingen ongeldig zijn.
I – Toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht
3. De verordening voorziet in een regeling ter ondersteuning van het inkomen van landbouwers, de bedrijfstoeslagregeling (hierna: „BTR”).
4. Betreffende de subsidiabiliteit bepaalt artikel 33, lid 1, van de verordening (zoals van toepassing ten tijde van het hoofdgeding) dat „de landbouwers gebruik [kunnen] maken van de [BTR] indien:
a) zij in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode een betaling hebben ontvangen uit hoofde van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen, of
b) zij het bedrijf of een gedeelte van het bedrijf door feitelijke of verwachte vererving hebben verkregen van een landbouwer die aan de voorwaarden sub a voldeed, of
c) zij een toeslagrecht uit de nationale reserve of via overdracht hebben verkregen.”
5. Betreffende de overdracht van toeslagrechten bepaalt artikel 46 van de verordening:
„1. Toeslagrechten kunnen uitsluitend worden overgedragen aan een andere landbouwer die in dezelfde lidstaat is gevestigd, tenzij in het geval van overdrachten door feitelijke of verwachte vererving.
Zelfs in het geval van overdrachten door feitelijke of verwachte vererving mogen de toeslagrechten evenwel uitsluitend worden gebruikt in de lidstaat waar de toeslagrechten zijn vastgesteld.
Een lidstaat kan besluiten dat toeslagrechten alleen binnen eenzelfde regio mogen worden overgedragen of gebruikt.
2. Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht met of zonder grond. Verhuur of soortgelijke transacties zijn daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, mag een landbouwer zijn toeslagrechten zonder grond alleen overdragen als hij, in de zin van artikel 44, ten minste 80 % van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft gebruikt dan wel nadat hij alle toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van toepassing van de [BTR] niet heeft gebruikt, vrijwillig heeft afgestaan aan de nationale reserve.
3. In geval van verkoop van toeslagrechten, met of zonder land, kunnen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, besluiten dat een deel van de verkochte toeslagrechten vervalt aan de nationale reserve of dat het bedrag per toeslagrecht wordt verlaagd ten behoeve van de nationale reserve, op basis van door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.”
II – Feiten, procesverloop en prejudiciële vraag
6. Amkeline Gertha Harms en Johann Harms, een van de maten van verzoekster in het hoofdgeding, (hierna: „verkopers”) verkochten bij notariële akte van 8 november 2005 aan Freerk Heidinga, de verweerder in het hoofdgeding (hierna: „koper”) landbouwgrond in Schirum en Wiessens (Duitsland) met woon‑ en bedrijfsruimten. Ook verkochten zij de in het agrarische bedrijf aanwezige voervoorraad, referentiehoeveelheden melk en aangevraagde toeslagrechten. De totale koopprijs bedroeg 690 000 EUR.(3) Met betrekking tot de toeslagrechten bevatte § 9 van de koopakte de volgende regeling:
„Het is vaste praktijk in [...] Duitsland dat ten gevolge van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB‑hervorming) toeslagrechten [...] vanaf 1 januari 2005 in de vorm van regionaal uniforme premies voor akkerbouwareaal en blijvend grasland met individuele toeslagen worden betaald. Tegen deze achtergrond komen partijen het navolgende overeen:
Verkopers hebben een aanvraag gedaan in het kader van de GLB‑aanvraag 2005. Met de onderhavige koopovereenkomst dragen verkopers aan de koper alle toeslagrechten over die uit hoofde van het gebruik van het bij deze overeenkomst verkochte areaal, alsmede van de bijgepachte respectievelijk in gebruik gegeven en door de koper overgenomen pacht‑ en cultuurgrond aan hen worden uitgekeerd. De overdracht van de toeslagrechten geschiedt om niet.
Uitgezonderd de braakleggingstoeslagrechten omvatten de toeslagrechten de individuele toeslagen.
[...]
Na de definitieve vaststelling en verdeling van de toeslagrechten delen verkopers (zodra zij hiervan op de hoogte zijn) de waarde ervan binnen twee weken, maar uiterlijk op 15 januari 2006, mee aan koper.
Partijen verbinden zich om op basis van het hiervóór overeengekomene uiterlijk op 15 februari 2006 de concrete toeslagrechten bij akte te cederen met vermelding van de desbetreffende identificatiekenmerken en de waarde.
Binnen een maand na sluiting van voornoemde overeenkomst delen partijen de cessie mee aan de bevoegde deelstaatautoriteit respectievelijk de aangekondigde procedure aan de [centrale databank van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem].
Partijen komen in onderlinge afspraak overeen dat aan koper 40 toeslagrechten voor akkerbouwgrond en 40 toeslagrechten voor grasland toekomen, alsmede enkel die individuele toeslagrechten (top-ups) die worden betaald voor de bij de bedrijfsoverdracht onder een pachtovereenkomst naar koper overgegane referentiehoeveelheid melk (ongeveer 622 000 kg).
Koper verbindt zich om het meerdere dat hem toekomt uit hoofde van areaalbetalingen en individuele toeslagen (ongeveer 15 toeslagrechten voor akkerbouwgrond, ongeveer 15 toeslagrechten voor grasland en compensatiebetalingen voor een referentiehoeveelheid melk van ongeveer 1 000 000 kg ...) na de jaarlijkse uitbetaling aan verkopers uit te keren. [...]”
7. De koopovereenkomst is uitgevoerd en de verkochte landbouwgrond werd aan de koper overgedragen. Op 1 april 2006 verkreeg hij tevens 111,79 toeslagrechten. De koper exploiteert thans het verworven agrarische bedrijf samen met een andere landbouwer in de vorm van een maatschap (Gesellschaft bürgerlichen Rechts).
8. Verzoekster in het hoofdgeding heeft op grond van de koopovereenkomst voor de gronden en een hiermee verband houdende overeenkomst van 6 januari 2006 ter zake van de overname van de pachtprijsbetalingen, betaling gevorderd van resterende pachtprijzen voor een referentiehoeveelheid melk, ad 4 378,16 EUR, alsmede aanspraak gemaakt op aan haar afgestane rechten op ontvangen en volgens onderlinge afspraak aan de verkopers toekomende bedrijfstoeslagen voor het jaar 2006 van in totaal 40 823,05 EUR. Die laatste vordering, die voor een deel nog voorwerp van het beroep in het hoofdgeding is, vloeit volgens verzoekster in het hoofdgeding voort uit de hierboven aangehaalde regeling van § 9 van de koopakte en de daarin tussen de partijen onderling afgesproken betaling van bedrijfstoeslagen aan de verkopers.
9. Het Landgericht Aurich heeft de eis tot betaling uit hoofde van de overname van de rechten op de pachtprijs toegewezen. Voor het overige is de eis, met name wat de afdracht van bedrijfstoeslagen betreft, afgewezen. Daarbij is het Landgericht ervan uitgegaan dat de vorderingen uit hoofde van § 9 van de koopakte waren vereffend door middel van een retrocessie van toeslagrechten voor 29,79 ha aan de verkopers respectievelijk aan verzoekster in het hoofdgeding.
10. Tegen deze beslissing heeft verzoekster in het hoofdgeding hoger beroep ingesteld. Zij concludeert dat het Oberlandesgericht Oldenburg de beslissing van het Landgericht dient te wijzigen en de koper dient te veroordelen tot betaling aan de verkopers van een resterend bedrag van 23 113,73 EUR vermeerderd met een rente van 5 % boven het basisrentepercentage vanaf 2 februari 2007. De koper concludeert tot afwijzing van het hoger beroep.
11. Volgens de verwijzende rechter kan het hoger beroep slechts worden toegewezen wanneer de contractuele regeling in § 9 van de koopakte van 8 november 2005 geldig is.
12. Aangezien het Oberlandesgericht Oldenburg in het licht van artikel 46 van de verordening ernstige twijfels had ten aanzien van de geldigheid van deze contractuele regeling, met name gezien de in dat artikel limitatief opgesomde mogelijkheden van overdracht van toeslagrechten, alsmede de kennelijk met de rechtstreekse betalingen nagestreefde steundoelstelling die in casu mogelijk niet wordt bereikt, was het van oordeel dat het Hof diende te worden verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 46, lid 2, van [verordening nr. 1782/2003] aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling in de weg staat aan contractuele bedingen – die bijgevolg ongeldig zijn – volgens welke toeslagrechten formeel weliswaar volledig en definitief worden overgedragen, maar ingevolge een onderlinge afspraak tussen partijen nog steeds economisch aan de vervreemder toekomen, waarbij de verkrijger echter als formele rechthebbende de toeslagrechten door bebouwing van het desbetreffende areaal dient te activeren en de aan hem betaalde bedrijfstoeslagen volledig aan de vervreemder dient af te dragen, of bedingen volgens welke areaalbetalingen aan de verkrijger worden overgedragen in dier voege dat hij in elk geval na de activering en de uitbetaling van bedrijfstoeslagen een deel (de individuele toeslag) telkens aan de vervreemder dient af te dragen?”
13. De partijen zijn in hun pleidooien gehoord ter terechtzitting van 3 december 2009.
III – Beoordeling
A – Voornaamste argumenten van partijen
14. Verzoekster in het hoofdgeding, een maatschap naar Duits burgerlijk recht bestaande uit Arnold en Johann Harms, betwist de uiteenzetting van de feiten in de verwijzingsbeschikking en stellen dat de prejudiciële vraag niet beantwoordt aan de feitelijke achtergrond van het hoofdgeding.
15. Volgens verzoekster in het hoofdgeding voorziet het gemeenschapsrecht in artikel 46, lid 2, van de verordening uitdrukkelijk in de mogelijkheid om toeslagrechten door verkoop over te dragen aan een andere landbouwer. De geldigheid van een dergelijke overeenkomst mag niet afhankelijk worden gesteld van enige bijkomende publiekrechtelijke voorwaarde en evenmin van een voorwaarde van voorafgaande administratieve toestemming. Zij voert aan dat het gemeenschapsrecht niet preciseert hoe de koopprijs in het kader van een verkoopovereenkomst van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde type moet worden vastgesteld. De verkoop van toeslagrechten dient uitsluitend volgens civielrechtelijke beginselen te worden voltrokken, zodat het beginsel van contractvrijheid geldt en de partijen bij een overeenkomst de aard van de vergoeding vrij moeten kunnen bepalen. Die partijen moeten dus kunnen overeenkomen dat de koopprijs niet in één keer maar in de vorm van opeenvolgende tranches zal worden betaald. Dat doet niet af aan de doelstelling van artikel 46, lid 2, van de verordening en het staat de koper hoe dan ook vrij om een dergelijke overeenkomst te ontbinden.
16. Voorts betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat er geen sprake is van schending van het wettelijke vereiste dat toeslagrechten niet mogen worden overgedragen tenzij dit gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren. Volgens haar strekt die bepaling ertoe te voorkomen dat de aanspraak op toeslagrechten wordt overgedragen in het kader van een permanente of langetermijnregeling van louter economische aard. De aanspraak op de toeslagrechten valt na afloop van de pachtovereenkomst opnieuw toe aan de eigenaar van de grond, die deze dan opnieuw kan overdragen aan een derde. Dat is evenwel precies wat de verkopers in het onderhavige geval niet kunnen doen. De toeslagrechten zijn definitief overgedragen aan de koper. Deze laatste kan die rechten overdragen aan andere personen. In de in het hoofdgeding aan de orde zijnde zaak werden de toeslagrechten, tezamen met de volledige boerderij, met inbegrip van de landbouwgrond overgedragen aan de koper.
17. Verzoekster in het hoofdgeding verzoekt het Hof derhalve om vast te stellen dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is. Subsidiair voert zij aan dat artikel 46, lid 2, van de verordening niet in de weg staat aan een contractueel beding als in het hoofdgeding, volgens hetwelk de tegenprestatie voor de overdracht van de toeslagrechten aan de koper bestaat in de op de koper rustende verplichting om een gedeelte van de bedrijfstoeslagen die in de toekomst aan hem zullen worden toegekend, aan de verkoper te betalen.
18. De Duitse regering betoogt dat artikel 46, lid 2, van de verordening niet in de weg staat aan een overdrachtregeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, aangezien een dergelijke regeling geldig is als een „andere vorm van definitieve overdracht” in de zin van artikel 46, lid 2, eerste alinea, eerste zin, van de verordening. De koper en de verkoper zijn in het kader van de regels inzake contractvrijheid gerechtigd voor de overdracht van toeslagrechten privaatrechtelijke voorwaarden vast te stellen; aan dergelijke overeenkomsten wordt niet afgedaan door de voorschriften inzake de BTR, voor zover daarmee geen inbreuk wordt gemaakt op communautaire voorschriften en zij niet indruisen tegen de steundoelstelling van de BTR. Volgens die voorschriften wordt aan een landbouwer, in casu de koper, achteraf een bedrijfstoeslag toegekend, mits hij binnen zijn landbouwbedrijf heeft voldaan aan de voorwaarden voor die steunverlening. Overeenkomstig het gemeenschapsrecht besteedt de steunontvanger de toeslag naar goeddunken. Hieruit volgt dat de toeslag tevens mag worden gebruikt ter betaling van de verkoper van de toeslagrechten. De Duitse regering concludeert dat artikel 46, lid 2, van de verordening niet in de weg staat aan overeenkomsten als de overeenkomst welke in het hoofdgeding aan de orde is.
19. De Commissie is van mening dat de overdracht en de activering van de toeslagrechten in casu hebben geleid tot niet-inachtneming van de beginselen van de BTR. Zij stelt dat de partijen in het hoofdgeding een rechtshandeling hebben vastgesteld waarmee voorschriften van de verordening werden omzeild. De Commissie geeft het Hof in overweging de prejudiciële vraag in die zin te beantwoorden dat artikel 46, leden 1 en 2, junctis de artikelen 2, sub a en c, en 33, lid 1, sub c, aldus moet worden uitgelegd dat contractuele bedingen als die in het hoofdgeding strijdig zijn met voormelde bepalingen.
B – Beoordeling
20. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 46, lid 2, van de verordening in de weg staat aan contractuele bedingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, en of die bedingen in voorkomend geval ongeldig zijn.
21. In zijn vraag maakt de verwijzende rechter met name een onderscheid tussen twee types bedingen: (i) bedingen volgens welke toeslagrechten formeel weliswaar volledig en definitief werden overgedragen, maar ingevolge een onderlinge afspraak tussen partijen nog steeds economisch aan de vervreemder toekomen, waarbij de verkrijger echter als formele rechthebbende de toeslagrechten door bebouwing van het desbetreffende areaal dient te activeren en de aan hem betaalde bedrijfstoeslagen volledig aan de vervreemder dient af te dragen, en (ii) bedingen volgens welke areaalbetalingen aan de verkrijger worden overgedragen in dier voege dat hij een deel van de bedrijfstoeslag (de individuele toeslag) telkens aan de vervreemder dient af te dragen. Ik ben evenwel van oordeel dat de in de prejudiciële vraag vermelde twee types bedingen in het kader van de onderhavige zaak vanuit juridisch oogpunt niet verschillen.
22. Om te beginnen zal ik ingaan op het argument van verzoekster in het hoofdgeding dat de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is omdat zij niet beantwoordt aan de feitelijke achtergrond van de zaak in het hoofdgeding.
23. In dat verband kan worden volstaan met de opmerking dat het niet aan het Hof van Justitie staat om de feiten vast te stellen die voor het hoofdgeding relevant zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat het „in het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale rechterlijke instanties acht [moet] slaan op het in de verwijzingsbeslissing omschreven feiten[kader] [...] waarin de prejudiciële vraag moet worden geplaatst”.(4) Het Hof kan geen acht slaan op opmerkingen van belanghebbende partijen in de zin van artikel 23 van ’s Hofs Statuut die het met die context oneens zijn.(5) Bijgevolg kan de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet slagen en dient het Hof de prejudiciële vragen te onderzoeken tegen de feitelijke achtergrond die in de verwijzingsbeschikking door het Oberlandesgericht Oldenburg is vastgesteld.
1. Inleidende opmerking over de bedrijfstoeslagregeling
24. In de eerste plaats kunnen alleen landbouwers die een toeslagrecht hebben verkregen – via overdracht of uit de nationale reserve – in aanmerking komen voor de BTR.(6) Slechts personen die een „landbouwactiviteit” in de zin van de verordening(7) uitoefenen, worden geacht „landbouwers” te zijn. De loutere omstandigheid dat een landbouwer toeslagrechten heeft verkregen betekent evenwel niet automatisch dat hij voor die rechten ook daadwerkelijk steun ontvangt. Om de bedrijfstoeslag te ontvangen, geldt niet alleen de voorwaarde dat de landbouwer toeslaggerechtigd moet zijn, maar hij moet de toeslagrechten ook activeren door te beschikken over een overeenkomstig aantal hectare grond en door te voldoen aan andere vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering, zoals verplichtingen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid (de zogenaamde „cross compliance”).(8)
2. Kern van de vraag: uitlegging van artikel 46, lid 2, van de verordening
25. Niettegenstaande de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de verwijzing daarin naar het/de tussen de verkoper en de koper gesloten contractuele beding(en)(9) dient het Hof zich mijns inziens uitsluitend te concentreren op de uitlegging van artikel 46, lid 2, van de verordening. Het Hof dient weliswaar rekening te houden met de feitelijke achtergrond van het hoofdgeding, maar slechts voor zover een juiste uitlegging van voormelde bepaling dit vereist.
26. Uit de bewoordingen van artikel 249, tweede alinea, EG blijkt duidelijk dat communautaire verordeningen in de lidstaten rechtstreeks toepasselijk zijn. Wegens de aard van de verordening en haar functie in het systeem van de bronnen van het gemeenschapsrecht hebben de bepalingen van de verordeningen in het algemeen rechtstreekse werking in de nationale rechtsorden zonder dat de nationale instanties uitvoeringsmaatregelen hoeven vast te stellen. Het is juist dat het Hof heeft erkend dat bij uitzondering, „[...] voor sommige bepalingen ervan uitvoeringsmaatregelen van de lidstaten noodzakelijk kunnen zijn”.(10) Mijns inziens is daarvan evenwel geen sprake bij artikel 46, lid 2, van de verordening. Bijgevolg hoeft enkel te worden gezien naar artikel 46, lid 2, van de verordening, zonder dat het noodzakelijk is eventuele nationale uitvoeringsmaatregelen te onderzoeken.
27. Artikel 46, lid 2, van de verordening bepaalt dat toeslagrechten kunnen worden overgedragen „door verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht” met of zonder grond. Overdrachten die niet definitief zijn – verhuur of soortgelijke transacties – zijn daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
28. Mijns inziens behoeven in het kader van de onderhavige zaak de overige voorwaarden voor de overdracht van toeslagrechten die in de verordening zijn vastgesteld, niet te worden onderzocht, aangezien de verwijzende rechter dienaangaande niet om uitlegging heeft verzocht. In ieder geval ben ik van oordeel dat het onderzoek van die voorwaarden niet noodzakelijk is voor de uitlegging van artikel 46, lid 2, van de verordening.
29. De fundamentele vraag in de onderhavige zaak is dus de uitlegging van de woorden „verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht [van toeslagrechten]” in artikel 46, lid 2, van de verordening.
30. In het kader van die uitlegging moet ten volle rekening worden gehouden met het doel van de regeling inzake toeslagrechten en met de voorschriften inzake de overdracht ervan.
31. In de eerste plaats bestaat het doel van een toeslagrecht, wanneer dit aan een subsidiabele hectare is gekoppeld, erin een recht in het leven te roepen op de uitbetaling van het door het toeslagrecht vastgestelde bedrag.(11) Zoals in punt 24 reeds werd uiteengezet, is de BTR bestemd voor landbouwers, en met name voor actieve landbouwers.(12) Daarbij kan worden aangetekend dat – in tegenstelling tot productierechten (droits à produire) en premierechten (droits à prime), die teruggaan op de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van 1992 en 1999, – toeslagrechten slechts „inkomenssteun voor landbouwers” zijn.(13)
32. Wat in de tweede plaats de overdracht ervan betreft, is het duidelijk dat de gemeenschapswetgever toeslagrechten overdraagbaar en verhandelbaar wenste te maken. Juist om de overdracht van de bedrijfstoeslag te vergemakkelijken is hij opgesplitst in toeslagrechten.(14) In tegenstelling tot bijvoorbeeld melkquota kunnen toeslagrechten namelijk in beginsel vrij worden overgedragen en zijn zij niet gekoppeld aan welbepaalde landbouwgronden. De verordening voorziet evenwel in duidelijke voorschriften welke die overdracht regelen en beperken. Zij kunnen met name slechts aan andere landbouwers worden overgedragen.(15)
33. Achter de mogelijkheid om toeslagrechten over te dragen en te verhandelen gaat evenwel de mogelijkheid schuil om daarmee een ander doel te bereiken dan de gemeenschapswetgever voor ogen had en zelfs duidelijk beoogde te voorkomen.
34. In dat verband heet het in punt 30 van de considerans van de verordening dat „[...] [t]er voorkoming van speculatieve overdrachten die leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis, voor het verlenen van de steun [dient] te worden gewerkt met een koppeling tussen toeslagrechten en een bepaald aantal subsidiabele hectaren en ook [dient] te worden voorzien in de mogelijkheid om de overdracht van toeslagrechten tot een bepaalde regio te beperken. [...]”.
35. Hieruit volgt dat het hoofddoel van de gedetailleerde voorschriften betreffende de overdracht van toeslagrechten erin bestaat speculatieve overdrachten te voorkomen. Zoals gezegd strekt de BTR ertoe inkomenssteun te verstrekken aan actieve landbouwers,(16) niet aan personen die met de handel in toeslagrechten andere, buiten de landbouw liggende financiële belangen nastreven.(17) De verordening beoogt immers te voorkomen dat bedrijfstoeslagen worden toegekend aan personen die geen landbouwactiviteit uitoefenen in de zin van de verordening en die daarom niet in aanmerking mogen komen voor communautaire financiering op dit gebied.(18)
36. Blijkbaar was de gemeenschapswetgever bezorgd over handelingen ter omzeiling van de bepalingen van de verordening en wenste hij daadwerkelijk fraude te voorkomen en bestraffen,(19) niet in de laatste plaats omdat het risico van speculatie alomtegenwoordig is bij een van de productie losgekoppelde regeling.(20)
37. In dat verband is een van de belangrijkste beperkingen bij overdrachten van toeslagrechten het vereiste dat deze volledig en definitief moeten zijn, tenzij in het geval van verpachting of soortgelijke niet-definitieve overdrachten die gepaard moeten gaan met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
38. Hieruit volgt dat de oorspronkelijke houder en verkoper van de toeslagrechten bij verkoop daarvan aan een andere landbouwer onvoorwaardelijk afstand moet doen van die rechten, zodat de overdracht een nieuwe aanspraak op toeslagrechten doet ontstaan ten gunste van de koper, die deze rechten vervolgens kan activeren. Het is inderdaad deze laatste die de daarmee gemoeide bedragen (bedrijfstoeslag) moet verkrijgen ter ondersteuning van zijn inkomen, aangezien hij de betrokken landbouwgrond bewerkt.(21) Het recht op uitbetaling van bedragen op grond van toeslagrechten moet duidelijk onlosmakelijk verbonden zijn met het houderschap van de toeslagrechten.
39. Wanneer een overdracht van toeslagrechten, als gevolg van de rechtsgevolgen en juridische effecten ervan(22), niet meebrengt dat de verkoper volledig afstand doet van zijn recht op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten, en evenmin dat de koper een overeenkomstig recht op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten verkrijgt(23) – bijvoorbeeld als gevolg van onderlinge afspraken tussen de partijen (accidentalia negotii) – is niet voldaan aan de voorwaarden voor een rechtmatige overdracht van de toeslagrechten.
40. Dat is juist het geval wanneer de verkoper van de toeslagrechten zich in de koopakte het recht op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten voorbehoudt, aangezien het recht op uitbetaling van bedragen op grond van de toeslagrechten onlosmakelijk is verbonden met het feit dat de betrokkene de houder van de toeslagrechten is, zonder dat relevant is of het recht op uitbetaling van die bedragen alle of slechts een gedeelte van de aldus overgedragen toeslagrechten betreft.
41. Ik deel dan ook de bezorgdheid van de verwijzende rechter, dat aangaande de in casu overeengekomen contractuele regeling de vraag rijst of de formele overdracht van toeslagrechten, die krachtens onderlinge afspraak de facto bij de verkoper dienen te blijven berusten, tezamen met de contractuele afspraak dat de koper de met de toeslagrechten overeenstemmende landbouwgrond zal bewerken met inachtneming van de verordening(24), in casu resulteert in een overdrachtsvorm (een „overdracht aan een trustee”) die niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 46, lid 2, van de verordening, te weten: verkoop of elke andere vorm van „definitieve” overdracht”. Het resultaat van de verrichting is immers kennelijk dat de betrokken bedragen (bedrijfstoeslagen) hun steundoelstelling, te weten de ondersteuning van het inkomen van landbouwers die daadwerkelijk de met de toeslagrechten overeenstemmende landbouwgronden bewerken, structureel niet realiseren. Integendeel, uit de koopakte blijkt dat de betrokken bedragen (bedrijfstoeslagen), of een gedeelte daarvan, permanent moeten worden afgedragen aan een andere persoon.(25)
42. Uit een en ander volgt dat artikel 46, lid 2, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat bij verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht van toeslagrechten met of zonder grond moet worden verzekerd dat de verkoper of overdrager van die toeslagrechten op geen enkele wijze – op grond van een overeenkomst of enig contractueel beding – aanspraak kan blijven maken op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten (bedrijfstoeslagen), aangezien het recht op uitbetaling van bedragen op grond van toeslagrechten (bedrijfstoeslagen) onlosmakelijk is verbonden met het feit dat de betrokkene de houder van de toeslagrechten is.
43. De nationale rechter is evenwel als enige bevoegd om de rechtsgevolgen – voor de betrokken overeenkomst en voor het betrokken beding – vast te stellen die voortvloeien uit de bovengegeven uitlegging van artikel 46, lid 2, van de verordening.
IV – Conclusie
44. Mitsdien geef ik het Hof in overweging de vraag van het Oberlandesgericht Oldenburg als volgt te beantwoorden:
Artikel 46, lid 2, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 2019/93 en van diverse andere verordeningen, moet aldus worden uitgelegd dat bij verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht van toeslagrechten met of zonder grond moet worden verzekerd dat de verkoper of overdrager van die toeslagrechten op geen enkele wijze – op grond van een overeenkomst of enig contractueel beding – aanspraak kan blijven maken op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten, aangezien het recht op uitbetaling van bedragen op grond van toeslagrechten onlosmakelijk is verbonden met het feit dat de betrokkene de houder van de toeslagrechten is.
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Verordening van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1) (hierna: „verordening”).
3 – Naast de ongeveer 9,6 ha aan verkochte eigen landbouwgrond hadden de verkopers ten behoeve van hun boerenbedrijf nog ongeveer 100 ha landbouwgrond van verschillende verpachters bijgepacht, respectievelijk met grondeigenaren gebruiksovereenkomsten gesloten. Volgens de koopakte zou de koper overeenkomsten sluiten met de eigenaren respectievelijk rechthebbenden om deze bijkomende grond over te nemen. De verkopers verbonden zich ertoe binnen de grenzen van hun mogelijkheden daaraan mee te werken.
4 – Zie arrest van 13 november 2003, Neri (C‑153/02, Jurispr. blz. I‑13555, punten 33‑36.
5 – Zie o.a. arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger (104/77, Jurispr. blz. 791, punt 4); 29 april 1982, Pabst en Richarz (17/81, Jurispr. blz. 1331, punten 10‑12); 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri (C‑482/01 en C‑493/01, Jurispr. blz. I‑5257, punt 42); 12 april 2005, Keller (C‑145/03, Jurispr. blz. I‑2529, punten 32‑34), en 21 april 2005, Lindberg (C‑267/03, Jurispr. blz. I‑3247, punten 41 en 42), alsmede mijn conclusie van 3 september 2009 in de zaak CoNISMa (C‑305/08, Jurispr. blz. I‑00000, voetnoot 12).
6 – Zie artikel 33, lid 1, sub c, juncto artikel 2, sub a en c, van de verordening. In dit laatste artikel worden de begrippen „landbouwer” respectievelijk „landbouwactiviteit” gedefinieerd.
7 – Dit is een activiteit die verband houdt met het produceren, fokken of telen van landbouwproducten, of met het in goede landbouw- en milieuconditie houden van de grond.
8 – Zie artikel 1 e.v., juncto bijlage III, en de artikelen 33, 36, 43 e.v. van de verordening. Aangaande de verplichting om de toeslagrechten daadwerkelijk op een overeenkomstig aantal hectaren te gebruiken, kan misschien een parallel worden getrokken met de vergelijkbare productieverplichting die geldt bij de toekenning van melkquota. De vergoeding voor de definitieve stopzetting van de melkproductie kan enkel aan een exploitant van een landbouwbedrijf worden toegekend, wanneer hij op de datum van de aanvraag melk produceert in zijn hoedanigheid van producent in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84 en in dat verband over een individuele referentiehoeveelheid beschikt voor rechtstreekse verkopen. Wanneer een landbouwer evenwel zijn werkzaamheden op zuivelgebied vrijwillig heeft beëindigd, is hij niet langer producent in de zin van die bepalingen. Zie arresten van 9 oktober 1997, Macon e.a. (C‑152/95, Jurispr. blz. I‑5429), en 26 oktober 2006, Kibler (C‑275/05, Jurispr. blz. I‑10569, punt 24).
9 – Hierbij kan worden opgemerkt dat verzoekster in het hoofdgeding volgens de verwijzingsbeschikking een maatschap is aan wie bij akte van 29 januari 2007 door de twee verkopers de betrokken rechten uit de koopovereenkomst zijn gecedeerd.
10 – Zie arrest van 11 januari 2001, Azienda Agricola Monte Arcosu (C‑403/98, Jurispr. blz. I‑103, punt 26).
11 – Zie artikel 44 van de verordening.
12 – Dat is belangrijk, aangezien de hele opzet van en de redenering achter de recente hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid was, dat het vroegere beginsel van steunverlening aan de productie van (welbepaalde) landbouwproducten moest worden verlaten en vervangen door een regeling van steunverlening aan de persoon die de landbouwonderneming exploiteert. Landbouwers beschikken derhalve over flexibiliteit bij het nemen van hun productiebeslissingen en tegelijkertijd wordt de stabiliteit van hun inkomen verzekerd. Dit is in overeenstemming met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid als bedoeld in artikel 33 EG. De hervorming strekte ertoe de Europese landbouw meer concurrerend, duurzaam en marktgericht te maken.
13 – Zie artikel 1 van de verordening. In dat verband ben ik van oordeel dat toeslagrechten in beginsel moeten toekomen aan de landbouwer en niet aan de eigenaar van de grond of de verpachter. Bovendien zij erop gewezen dat de bedrijfstoeslagen blijkbaar een wezenlijk onderdeel van de inkomsten van de landbouwers zijn geworden. Zie „Les 50 ans de la Politique agricole commune et du Comité européen de droit rural – Un droit rural évolué en Europe”, European Council for Agricultural Law, L’Harmattan, Parijs, 2008, blz. 416.
14 – Zie punt 30 van de considerans van de verordening.
15 – Die in dezelfde lidstaat moeten zijn gevestigd. Zie artikel 46, lid 1 van de verordening.
16 – Dat wil zeggen zij die daadwerkelijk een landbouwactiviteit uitoefenen, zoals gedefinieerd door de verordening. Hetzelfde beginsel geldt, bijvoorbeeld, voor melkquota. Teneinde speculatie met die premierechten te voorkomen, kunnen deze niet worden overgedragen aan niet-producenten. Zie in dat verband o.a. Barthélemy, D. en David, J. (ed.), L’agriculture européenne et les droits à produire, INRA, Parijs, 1999, blz. 172.
17 – Zo stelt bijvoorbeeld J.‑J. Barbiéri in Vente et droits à paiement unique (visite d’un Huron au royaume des imprimés), Droit rural, nr. 348, december 2006, étude 34, dat het Franse ministerie van Landbouw tijdens de overgangperiode te kennen had gegeven dat toeslagrechten zonder landbouwgrond „waardeloos waren”, teneinde speculatieve transacties te voorkomen.
18 – In dat verband verwijst de Commissie naar artikel 33, lid 1, sub b, van de verordening.
19 – See Gadbin, D., Les droits à paiement unique, pour qui, pourquoi?, Droit rural, nr. 334, juni 2005, colloquium 8. Bij wijze van voorbeeld kan worden verwezen naar: (i) punt 21 van de considerans van de verordening („[...] [o]m een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd”), en (ii) artikel 29 van de verordening („[...] [er] wordt niet uitbetaald aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor de uitbetaling kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van de betrokken steunregeling”). Deze bepalingen weerspiegelen de rechtspraak van het Hof inzake rechtsmisbruik. Zie onder andere arresten van 22 oktober 1991, von Deetzen („von Deetzen II”) (C‑44/89, Jurispr. blz. I‑5119, punten 24‑29); 20 juni 2002, Mulligan e.a. (C‑313/99, Jurispr. blz. I‑5719, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 21 februari 2006, Halifax e.a. (C‑255/02, Jurispr. blz. I‑1609, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 11 januari 2007, Vonk Dairy Products (C‑279/05, Jurispr. blz. I‑239, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 7 juni 2007, Otten (C‑278/06, Jurispr. blz. I‑4513, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 – Zie Bianchi, D., La politique agricole commune (PAC) – Toute la PAC, rien d’autre que la PAC, Bruylant, 2006, blz. 332.
21 – Om die reden dient de koper niet alleen vanuit juridisch oogpunt houder van de toeslagrechten te zijn, maar ook begunstigde van de bedrijfstoeslag vanuit economisch oogpunt. Bij toeslagrechten mag geen onderscheid bestaan tussen het formeelrechtelijke houderschap (nominal ownership) en de feitelijk begunstigde (beneficial ownership), waardoor de bedrijfstoeslag uiteindelijk zou kunnen terechtkomen bij een persoon die de betrokken landbouwgrond niet bewerkt.
22 – Daarbij is de wijze waarop die rechtsgevolgen en juridische effecten in gang zijn gezet irrelevant. Hier aan de orde is immers de verantwoordelijkheid voor het resultaat van de verrichting en niet de vorm of bijkomstige elementen ervan. Dit is typisch voor juridische situaties waarin de partijen regelingen treffen betreffende aanspraken die op het publiekrecht zijn gebaseerd, zoals bij de toeslagrechten in het kader van de verordening duidelijk het geval is. Anders gezegd, wanneer de overdracht niet resulteerde in een volledige en definitieve overdracht van toeslagrechten en bijgevolg in een definitieve overdracht van het recht op uitbetaling van bedragen op grond van die toeslagrechten, is het vanuit juridisch oogpunt irrelevant of de partijen nalatig zijn geweest dan wel met opzet hebben gehandeld. Van belang is de omstandigheid dat hun overeenkomst niet resulteerde in een definitieve overdracht.
23 – Mits is voldaan aan de overige toepasselijke voorwaarden.
24 – Dit is met inachtneming van de bedrijfsvoeringsverplichtingen uit hoofde van artikel 3 van de verordening.
25 – Het is zeer wel mogelijk dat de Commissie terecht stelt dat, aangezien de toeslagrechten om niet zijn overgedragen, de koper en nieuwe houder van de toeslagrechten de rol lijkt te spelen van „stroman” voor de verkoper, die, vanuit economisch oogpunt, de bedrijfstoeslag – zonder beperking in de tijd of in omvang – blijft ontvangen, hoewel uit de verwijzingsbeschikking lijkt voort te vloeien dat hij niet langer landbouwer in de zin van artikel 33, lid 1, sub c, juncto artikel 2, sub a en c, van de richtlijn is, of in ieder geval niet op de betrokken grond.
Full & Egal Universal Law Academy