CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 25 maart 2010 1(1)
Zaak C‑439/08
VZW Vlaamse federatie van verenigingen van Brood‑ en Banketbakkers, IJsbereiders en Chocoladebewerkers (VEBIC)
tegen
Raad voor de Mededinging,
Minister van Economie
[Verzoek van het Hof van beroep te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Mededingingsbeleid – Uitlegging van artikelen 2, 5, 15, lid 3, en 35, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Nationale procedure – Indiening door nationale mededingingsautoriteiten van schriftelijke opmerkingen en middelen, feitelijk en rechtens, in kader van beroepsprocedure tegen hun beslissing – Pluraliteit van autoriteiten in lidstaat – Beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid”
I – Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 5, 15, lid 3, en 35 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.(2)
2. In wezen wenst de verwijzende rechter te vernemen of voormelde bepalingen de nationale mededingingsautoriteiten toestaan of zelfs verplichten om schriftelijke opmerkingen of een verweerschrift in te dienen in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een beslissing van een van die autoriteiten.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Het recht van de Europese Unie
3. Artikel 2 van verordening nr. 1/2003, met als opschrift „Bewijslast” bepaalt:
„In alle nationale of communautaire procedures tot toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag dient de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel 81, lid 1, of artikel 82 van het Verdrag is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk te dragen. De onderneming of ondernemersvereniging die zich op artikel 81, lid 3, van het Verdrag beroept, dient daarentegen de bewijslast te dragen dat aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.”
4. Artikel 5 van verordening nr. 1/2003 luidt:
„De mededingingsautoriteiten van de lidstaten zijn in individuele gevallen bevoegd tot toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. Zij kunnen te dien einde, ambtshalve of naar aanleiding van een klacht, de volgende besluiten nemen:
– de beëindiging van een inbreuk bevelen;
– voorlopige maatregelen opleggen;
– toezeggingen aanvaarden;
– geldboeten, dwangsommen of overeenkomstig hun nationaal recht andere sancties opleggen.
Wanneer op grond van de inlichtingen waarover zij beschikken niet aan de voorwaarden voor een verbod is voldaan, kunnen zij ook beslissen dat er voor hen geen reden bestaat om op te treden.”
5. In artikel 15 van die verordening, met als opschrift „Samenwerking met de nationale rechterlijke instanties”, heet het:
„1. De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen naar aanleiding van procedures tot toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag de Commissie verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan hen te bezorgen.
2. De lidstaten zenden de Commissie een afschrift toe van schriftelijke beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot de toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Dit afschrift wordt onverwijld toegezonden nadat de volledige uitspraak aan de partijen is betekend.
3. De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.
Enkel met het oog op de formulering van hun opmerkingen kunnen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en de Commissie de betrokken rechterlijke instantie van de lidstaat verzoeken hun alle voor de beoordeling van de zaak noodzakelijke stukken toe te zenden of te laten toezenden.
4. Dit artikel doet geen afbreuk aan verdergaande bevoegdheden die op grond van het nationale recht van de betrokken lidstaat aan de mededingingsautoriteiten worden verleend om opmerkingen voor rechterlijke instanties te formuleren.”
6. Ten slotte bepaalt artikel 35 van verordening nr. 1/2003:
„1. De lidstaten wijzen de mededingingsautoriteit of ‑autoriteiten die bevoegd is (zijn) de artikelen 81 en 82 van het Verdrag toe te passen, zodanig aan dat op afdoende wijze voldaan wordt aan de bepalingen van deze verordening. De maatregelen die nodig zijn om deze instanties de bevoegdheid tot toepassing van voornoemde artikelen toe te kennen, worden vóór 1 mei 2004 getroffen. De aangewezen autoriteiten kunnen rechterlijke instanties zijn.
2. Indien de nationale bestuurlijke en rechterlijke instanties belast zijn met de handhaving van de communautaire mededingingswetgeving, mogen de lidstaten verschillende bevoegdheden en taken toewijzen aan deze verschillende, bestuurlijke en/of rechterlijke nationale autoriteiten.
3. Het bepaalde in artikel 11, lid 6, vindt toepassing op de door de lidstaten aangewezen autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke instanties die betrokken zijn bij de voorbereiding en de vaststelling van de beslissingen in de zin van artikel 5. Het bepaalde in artikel 11, lid 6, is niet van toepassing op rechterlijke instanties in zoverre zij optreden als rechterlijke instanties ter zake van beroep tegen de in artikel 5 bedoelde beslissingen.
4. Niettegenstaande het bepaalde in lid 3 is, in die lidstaten waar voor de vaststelling van bepaalde in artikel 5 bedoelde beslissingen een autoriteit een zaak voor een rechterlijke instantie brengt die afzonderlijk en onderscheiden is van de vervolgende autoriteit, en voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden van dit lid, het bepaalde in artikel 11, lid 6, alleen van toepassing op de vervolgende autoriteit die haar eis voor de rechterlijke instantie moet intrekken zodra de Commissie een procedure instelt en deze intrekking [maakt] daadwerkelijk een einde aan de nationale procedures.”
B – Nationale wettelijke regeling
7. In artikel 1 van de op 1 oktober 2006 in werking getreden Wet tot bescherming van de economische mededinging(3) (hierna: „WBEM”) is de Belgische mededingingsautoriteit als volgt gedefinieerd:
„4° Belgische mededingingsautoriteit: de Raad voor de Mededinging en de Dienst voor de Mededinging bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, elk overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden bepaald in deze wet.
De Belgische mededingingsautoriteit is de mededingingsautoriteit die bevoegd is om de artikelen 81 en 82 van het Verdrag [...] toe te passen bedoeld in artikel 35 van verordening [...] nr. 1/2003 [...].”
8. Artikel 2, § 1, WBEM luidt:
„Zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is, alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemingsverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Belgische betrokken markt of op een wezenlijk deel ervan merkbaar wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:
1° het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;
[...]”
9. Artikel 11 WBEM bepaalt:
„§ 1. Er wordt een Raad voor de Mededinging opgericht. Deze Raad is een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid van beslissing heeft, alsmede de andere bevoegdheden die hem door deze wet worden toegekend.
§ 2. De Raad voor de Mededinging is samengesteld uit:
1° de algemene vergadering van de Raad;
2° het Auditoraat;
3° de griffie.
[...]”
10. In artikel 12 WBEM heet het:
„§ 1. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit twaalf raadsleden. [...]”
11. In artikel 20 van die wet is nader bepaald:
„Elke kamer van de Raad en de voorzitter of het raadslid dat hij aanwijst in geval van voorlopige maatregelen doen bij met redenen omklede beslissing uitspraak over alle zaken waarmede zij belast worden, na de belanghebbenden in hun middelen gehoord te hebben, alsook, op hun verzoek, de eventuele klagers of de raadsman van hun keuze.”
12. Volgens artikel 25 WBEM wordt bij de Raad voor de Mededinging een Auditoraat opgericht, dat is samengesteld uit minimaal zes en maximaal tien leden, die auditeur-generaal, auditeur of adjunct-auditeur zijn.
13. Artikel 29 WBEM luidt:
„§ 1. De auditeurs zijn belast met:
1º het ontvangen van de klachten en de verzoeken om voorlopige maatregelen betreffende de restrictieve mededingingspraktijken, evenals van de aanmeldingen van concentraties;
2º het leiden en organiseren van het onderzoek en toezien op de uitvoering van de door de Raad voor de Mededinging genomen beslissingen;
3º het afgeven van de opdrachtbevelen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging [...];
4º het opstellen en het indienen van het gemotiveerd verslag bij de Raad voor de Mededinging;
5º het seponeren van klachten en verzoeken om voorlopige maatregelen;
[...]
§ 2. [...] Zonder afbreuk te doen aan artikel 27, mogen de auditeurs geen enkel uitdrukkelijk bevel vragen of aanvaarden in verband met de behandeling van de op grond van artikel 44, § 1, ingediende dossiers of met hun standpuntbepaling in de vergaderingen van het Auditoraat die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers vast te leggen.
§ 3. Wanneer het Auditoraat beslist een onderzoek te openen op grond van artikel 44, § 1, wijst de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging, in overleg met de auditeur-generaal, de ambtenaren van deze dienst aan die het team samenstellen dat met het onderzoek is belast.
De ambtenaren die bij een onderzoeksteam zijn ingedeeld, kunnen enkel uitdrukkelijke bevelen ontvangen van de auditeur die dat onderzoek leidt.
[...]”
14. Volgens artikel 34 WBEM wordt de Dienst voor de Mededinging onder meer belast met het opsporen en het onderzoek van de praktijken bedoeld in hoofdstuk II, onder het gezag van het auditoraat.
15. Artikel 45, § 4, eerste alinea, WBEM, bepaalt dat indien het Auditoraat de klacht of het verzoek of desgevallend een ambtshalve onderzoek, gegrond acht, de auditeur het met redenen omkleed verslag namens het Auditoraat neerlegt bij de kamer van de Raad voor de Mededinging. Dit verslag omvat het onderzoeksverslag, de punten van bezwaar en een voorstel tot beslissing. Het is vergezeld van het onderzoeksdossier en van de inventaris van de stukken van dit dossier. De inventaris bepaalt de vertrouwelijkheid van de stukken ten aanzien van elke partij die toegang heeft tot het dossier.
16. Artikel 75 WBEM bepaalt:
„Tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter [...] kan beroep worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel 79.(4)
Het Hof van beroep doet uitspraak met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend inzake de opgelegde sancties [...]. Het Hof van beroep kan de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging nemen.
Het Hof van beroep kan geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling 8 van Hoofdstuk IV.”
17. In artikel 76 WBEM heet het:
„§ 1. Tegen beslissingen waarbij de Raad voor de Mededinging de zaak terugstuurt naar de auditeur kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.
§ 2. Het beroep waarin artikel 75 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad [voor de Mededinging] betrokken partijen, door de indiener van de klacht alsook door elke persoon die overeenkomstig artikel 48, § 2, of artikel 57, § 2, een belang kan doen gelden en die aan de Raad [voor de Mededinging] gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet aantonen en zonder dat hij vertegenwoordigd was voor de Raad voor de Mededinging.
[...]
Binnen vijf dagen na het indienen van het verzoekschrift moet de verzoeker, op straffe van nietigheid van het verzoek, een afschrift van het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs toesturen aan de partijen aan wie kennis werd gegeven van de aangevochten beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief bedoeld in artikel 67, aan de Raad voor de Mededinging evenals aan de minister indien hij de verzoeker niet is.
Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet.
[...]
Het Hof kan het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging verzoeken om een onderzoek in te stellen en hem zijn verslag mee te delen. In dit geval beschikt het Auditoraat over de onderzoeksbevoegdheden zoals bepaald bij Afdeling 1 van Hoofdstuk IV.
[...]
De minister kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
[...]”
III – Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
18. Naar aanleiding van de vrijmaking van de broodprijs in België op 1 juli 2004 heeft de minister van Economie een brief gericht aan de Raad voor de Mededinging met het verzoek het bestaan van eventuele prijsafspraken tussen bakkersverenigingen en bakkers bij voorrang te onderzoeken.
19. Op 20 april 2005 heeft de Dienst voor de Mededinging om inlichtingen verzocht, met name bij de VZW Vlaamse federatie van verenigingen van Brood‑ en Banketbakkers, IJsbereiders en Chocoladebewerkers (hierna: „VEBIC”), een vereniging zonder winstoogmerk die is opgericht om de belangen te vertegenwoordigen van met name de provinciale verenigingen van ambachtelijke brood‑ en banketbakkers van het Vlaamse Gewest. VEBIC heeft de gevraagde informatie verstrekt.
20. Na een aantal andere maatregelen van instructie heeft de auditeur-generaal bij de Raad voor de Mededinging op 8 juni 2007 zijn verslag met de punten van bezwaar en het onderzoeksdossier toegezonden aan de voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Het verslag werd tevens aan VEBIC toegezonden. Volgens dit verslag hadden de besluiten van de bakkersfederaties geen potentiële invloed op de handel tussen lidstaten en waren de communautaire mededingingsregels om die reden niet van toepassing op de onderzochte praktijken. Het Auditoraat concludeerde dat VEBIC zich evenwel schuldig had gemaakt aan een inbreuk op artikel 2, § 1, WBEM, door, kort weergegeven, het verspreiden en publiceren van een broodprijsindex en van de daaraan ten grondslag liggende kostenschema’s.
21. Voorts heeft de auditeur-generaal aan de kamer van de Raad voor de Mededinging voorgesteld om, enerzijds, aan VEBIC een geldboete op te leggen, rekening houdend met de verzwarende omstandigheden dat zij op de hoogte was van het verboden karakter van de prijsafspraken en geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om de prijsberekeningsmethode aan de mededingingsautoriteiten voor te leggen, en anderzijds, de gewraakte praktijk onder verbeurte van een dwangsom te verbieden.
22. Op 13 augustus 2007 heeft VEBIC schriftelijke opmerkingen over het verslag van het Auditoraat ingediend.
23. Bij beslissing van 25 januari 2008 heeft de Raad voor de Mededinging vastgesteld dat VEBIC van 1 juli 2004 tot 8 juni 2007 inbreuk had gemaakt op artikel 2 WBEM. Hij heeft die praktijk verboden en VEBIC een geldboete van 29 121 EUR opgelegd.
24. Op 22 februari 2008 heeft VEBIC een beroep tot nietigverklaring van die beslissing ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel (België).
25. Volgens die rechterlijke instantie voorzien de bepalingen van de WBEM, met name de artikelen 75 en 76 ervan, niet in de mogelijkheid dat het Auditoraat of de Raad voor de Mededinging deelnemen aan de procedure voor het Hof van beroep. Wat het Auditoraat betreft, gaat het om een impliciete uitsluiting, aangezien het Hof van beroep het Auditoraat kan opdragen een onderzoek uit te voeren. Alleen de federale minister van Economie kan vorderen dat de beslissing van de Raad voor de Mededinging wordt herzien en kan partij worden in het geding voor het Hof van beroep.
26. In het hoofdgeding merkt de verwijzende rechter evenwel op dat VEBIC de enige partij is in de beroepsprocedure, aangezien de minister geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen.
27. In het licht van het probleem dat voortvloeide uit de omstandigheid dat er, ingevolge de toepassing van de WBEM, tegenover verzoekster in het hoofdgeding geen wederpartij stond, vraagt de verwijzende rechter zich af of een dergelijke procedure in overeenstemming is met verordening nr. 1/2003, met name omdat de doeltreffendheid van de communautaire mededingingsregels niet gewaarborgd lijkt te zijn en het algemeen economisch belang via de betrokken wet niet kan worden behartigd.
28. Betreffende de relevantie van zijn vragen aangaande het Unierecht dat hij uitgelegd wenst te zien, preciseert de verwijzende rechter enerzijds dat de betrokken procedureregels op eenvormige wijze moeten worden toegepast, ongeacht het feit of de door de Raad voor de Mededinging ingeleide procedure op de nationale mededingingsregels dan wel op de artikelen 81 EG en 82 EG is gebaseerd. Anderzijds is hij van oordeel dat de elementen van het dossier in het hoofdgeding hem ertoe zouden kunnen brengen de beslissing van de Raad voor de Mededinging in die zin te herzien, dat de onderzochte praktijk wel degelijk de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt en dus binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG, valt.
29. In het licht van die omstandigheden heeft het Hof van beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vier prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten [de artikelen 2, 15, lid 3, en 35, lid 1, van verordening nr. 1/2003] aldus worden uitgelegd dat de nationale mededingingsautoriteiten rechtstreeks uit deze bepalingen de mogelijkheid putten om schriftelijke opmerkingen te formuleren over de middelen die in het kader van een beroepsprocedure tegen hun beslissing zijn geformuleerd, en zelf middelen kunnen voordragen in feite en in rechte, met als gevolg dat deze mogelijkheid niet kan worden uitgeschakeld door een lidstaat?
2) Moeten dezelfde bepalingen aldus worden uitgelegd dat voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels met het oog op de bescherming van het algemeen belang, de openbare handhavingsinstanties die als mededingingsautoriteiten zijn aangewezen niet alleen de mogelijkheid hebben maar ook de plicht hebben om aan de beroepsprocedure tegen hun beslissingen deel te nemen door hun standpunt te uiten over de aangevoerde middelen in rechte en in feite?
3) Indien het antwoord op de [eerste en de tweede vraag] bevestigend luidt, moeten deze bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat bij ontstentenis van nationale bepalingen betreffende de deelname van de mededingingsautoriteit aan de procedure voor de beroepsinstantie en wanneer verschillende autoriteiten zijn aangewezen, de autoriteit die bevoegd is om de besluiten opgesomd in artikel 5 van [...] verordening [nr. 1/2003 te nemen], ook deze is die aan de beroepsprocedure tegen haar [beslissing] deelneemt?
4) Luiden de antwoorden op voornoemde vragen anders wanneer de mededingingsautoriteit volgens de nationale wetgeving als rechtscollege optreedt en/of wanneer de eindbeslissing genomen is na afloop van een onderzoek geleid door een bij dit rechtscollege behorend orgaan belast met het opstellen van de punten van bezwaar en van een ontwerpbeslissing?”
IV – Procedure voor het Hof
30. Het Hof van beroep te Brussel heeft in zijn verwijzingsbeslissing het Hof verzocht de prejudiciële verwijzing overeenkomstig artikel 104 bis, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te behandelen volgens een versnelde procedure.
31. Bij beschikking van 3 december 2008 heeft de president van het Hof dat verzoek afgewezen.
32. VEBIC, de Raad voor de Mededinging, de Belgische en de Poolse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze belanghebbenden zijn tevens ter terechtzitting van 20 januari 2010 in hun pleidooien gehoord.
V – Juridische analyse
A – De ontvankelijkheid en de relevantie van de gevraagde uitlegging van het Unierecht
33. Ter terechtzitting voor het Hof heeft VEBIC aangevoerd dat de prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk was op grond dat de gevraagde uitlegging van verordening nr. 1/2003 of, meer algemeen, van het Unierecht, niet relevant was voor de beslechting van het hoofdgeding. Volgens VEBIC moet in wezen worden vastgesteld dat alle aspecten van het hoofdgeding binnen één enkele lidstaat zijn gelegen, dan wel dat het Hof zich zou moeten uitspreken over irrelevante of hypothetische vragen.
34. Dat betoog kan mij niet overtuigen.
35. Betreffende het eerste bezwaar erken ik graag, zoals overigens hierboven in de beknopte beschrijving van het hoofdgeding is uiteengezet, dat de verwijzende rechter moet beslissen op een beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing van de Belgische Raad voor de Mededinging die uitsluitend op het nationale mededingingsrecht is gebaseerd, op grond dat de handel tussen de lidstaten niet is beïnvloed.
36. Los van de enigszins omstreden vraag van de gevolgen die het Hof dient te verbinden aan de vaststelling dat een verzoek om een prejudiciële beslissing berust op elementen, feitelijk en rechtens, die geen verband houden met het recht van de Europese Unie(5), blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel ook dat een groot aantal elementen van het dossier in het hoofdgeding de verwijzende rechter ertoe zouden moeten brengen gebruik te maken van de hem bij artikel 75 WBEM toegekende bevoegdheid tot herziening van de beslissingen van de Raad voor de Mededinging, en aldus vast te stellen dat artikel 81 EG van toepassing is in het hoofdgeding.
37. Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het aan hem voorgelegde geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(6)
38. Wanneer de door de nationale rechterlijke instanties gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof dus in beginsel verplicht uitspraak te doen, tenzij met name duidelijk blijkt, dat de prejudiciële vraag in werkelijkheid ertoe strekt via een kunstmatig geschil een uitspraak van het Hof uit te lokken of het Hof adviezen te doen geven over algemene of hypothetische vragen, of dat de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.(7)
39. Bijgevolg moet ook het tweede bezwaar van VEBIC, volgens hetwelk het Hof uitspraak zou dienen te doen over irrelevante of hypothetische vragen, aangezien de verwijzende rechter vóór de prejudiciële verwijzing geen definitieve uitspraak heeft gedaan over de toepasselijkheid van artikel 81 EG, worden afgewezen.
40. In het algemeen ben ik immers van mening dat in het stadium van het ontvankelijkheidsonderzoek moet worden nagegaan of het antwoord dat het Hof op een prejudiciële vraag zou geven, ongeacht de formulering ervan, kennelijk geen invloed zou hebben op de beslechting van het hoofdgeding, aangezien de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht in dat geval niet objectief noodzakelijk zou zijn voor de uitspraak die de nationale rechter zou moeten doen.(8)
41. Dat is evenwel beslist niet het geval in de onderhavige zaak, aangezien, zoals de Raad voor de Mededinging en de Belgische regering hebben erkend, de nationale mededingingsautoriteit ingevolge de gevraagde uitlegging van verordening nr. 1/2003 in voorkomend geval de hoedanigheid zou kunnen verkrijgen van partij in het voor de verwijzende rechter dienende hoofdgeding, wat tot dusver niet mogelijk is in het kader van de WBEM. Bovendien valt het feit dat de verwijzende rechter niet heeft besloten om definitief uitspraak te doen over de toepasselijkheid van artikel 81 EG, welk artikel hij ambtshalve wenst aan te voeren, zeer wel te verklaren door het voorwerp van zijn vraag, die verband houdt met de procedurele rechten die moeten worden toegekend aan de nationale mededingingsautoriteit als garant voor de volle werking van de artikelen 81 EG en 82 EG.
42. Anders dan VEBIC betoogt, zou het mijns inziens dus op zijn minst incoherent zijn dat de verwijzende rechter definitief uitspraak zou dienen te doen over een vraag die hij van plan is ambtshalve te stellen zonder de aanwezigheid van de nationale mededingingsautoriteit, hoewel zijn vragen in wezen juist betrekking hebben op de mogelijkheid voor die autoriteit om partij te worden in het geding voor de verwijzende rechter en dus om in dat geding een verweerschrift te kunnen indienen, welke mogelijkheid volgens het Hof van beroep te Brussel uitsluitend kan voortvloeien uit de uitlegging van de bepalingen van verordening nr. 1/2003.
43. Met andere woorden: zou de verwijzende rechter definitief uitspraak hebben gedaan over de toepasselijkheid van artikel 81 EG, welke toepasselijkheid hij ambtshalve wenst aan te voeren, dan had hij voorbij moeten gaan aan een van de mogelijke gevolgen van de toepassing van de bepalingen van het Unierecht die hij door het Hof uitgelegd wenst te zien, te weten de eerbiediging van de rechten van verdediging van een van de partijen in het geding. De omstandigheid dat de verwijzende rechter niet definitief uitspraak heeft gedaan over de toepasselijkheid van artikel 81 EG staat dus niet in de weg aan de ontvankelijkheid van diens prejudiciële verwijzing.
44. Mitsdien geef ik het Hof in overweging het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk te verklaren.
B – Ten gronde
1. De eerste twee prejudiciële vragen
45. Met zijn eerste twee vragen, die mijns inziens tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of uit de artikelen 2, 15, lid 3, en 35, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voor een nationale mededingingsautoriteit een rechtstreekse mogelijkheid of verplichting voortvloeit om schriftelijke opmerkingen in te dienen bij en middelen in feite en/of in rechte voor te dragen voor de nationale rechterlijke instantie waarbij hoger beroep is ingesteld tegen een van haar beslissingen.
46. Teneinde die vraag te beantwoorden, moet worden vastgesteld in hoeverre de nationale mededingingsautoriteiten voor de nationale rechterlijke instanties kunnen optreden wanneer deze instanties het mededingingsrecht van de Unie toepassen.
47. Zoals ik reeds heb opgemerkt in punt 41 van mijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het arrest X BV(9), moesten wegens de overgang van een zeer gecentraliseerde wijze van toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG, waarvan sprake was onder verordening nr. 17 van de Raad(10), naar de bij verordening nr. 1/2003 ingevoerde gedecentraliseerde toepassing van de communautaire mededingingsregels mechanismen worden geschapen om, overeenkomstig de verschillende termen die in verordening nr. 1/2003 worden gebezigd(11), een „daadwerkelijke”, „doeltreffende”, „eenvormige”/„uniforme” en/of „coherente”/„samenhangende” toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren.
48. Aldus heet het in punt 34 van de considerans van verordening nr. 1/2003 dat de doelstelling van die verordening bestaat in „een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels”, en preciseert punt 6 van de considerans dat, ter verwezenlijking van een dergelijke doelstelling „de nationale mededingingsautoriteiten nauwer bij die toepassing dienen te worden betrokken”. Bedoelde autoriteiten zijn voortaan gemachtigd om de artikelen 81 EG en 82 EG toe te passen als „openbare handhavingsinstanties”(12), in nauwe samenwerking met de Commissie, in overeenstemming met de artikelen 5 en 11 van deze verordening. Tezamen met de Commissie vormen die autoriteiten dus een netwerk van overheidsinstanties die de communautaire mededingingsregels in nauwe samenwerking toepassen.(13)
49. Zoals het Hof in het arrest X BV heeft geoordeeld, zijn de bij hoofdstuk IV van verordening nr. 1/2003 ingevoerde mechanismen voor samenwerking tussen de Commissie, de nationale mededingingsautoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten in lijn met het in artikel 10 EG neergelegde algemene beginsel van loyale samenwerking, dat de betrekkingen tussen de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie beheerst.(14)
50. Op grond van artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin, van verordening nr. 1/2003, dat is opgenomen in hoofdstuk IV van die verordening, kunnen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat ambtshalve schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG en/of artikel 82 EG.
51. Gelet op de bewoordingen van die bepaling, lijken de nationale mededingingsautoriteiten van die mogelijkheid gebruik te kunnen maken in alle situaties waarin een nationale rechterlijke instantie de artikelen 81 EG en/of 82 EG toepast. Dit kan het geval zijn wanneer een rechterlijke instantie van een lidstaat kennisneemt van een geschil tussen particulieren of wanneer bij een dergelijke rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van de nationale mededingingsautoriteit waarin de artikelen 81 EG en/of 82 EG worden toegepast, of, zoals in het hoofdgeding, wanneer die rechterlijke instantie voornemens is een dergelijke beslissing in die zin te herzien dat een van die artikelen toepassing vindt.
52. Zoals de Commissie ter terechtzitting voor het Hof in wezen heeft gesteld, zijn die twee laatste gevallen uiteraard geen typische gevallen waarin een beroep wordt gedaan op het mechanisme van artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003.
53. Met de precisering dat „[e]nkel met het oog op de formulering van hun opmerkingen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten [...] de betrokken rechterlijke instantie van de lidstaat [kunnen] verzoeken hun alle voor de beoordeling van de zaak noodzakelijke stukken toe te zenden of te laten toezenden”, lijkt de tweede alinea van artikel 15, lid 3, van die verordening immers te vooronderstellen dat het in de eerste alinea ten behoeve van de nationale mededingingsautoriteiten vastgestelde mechanisme in de regel toepassing zal vinden in situaties waarin die instanties niet op een andere grond toegang hebben tot het dossier van de voor de nationale rechterlijke instantie dienende zaak, ook al zou die toegang slechts gedeeltelijk zijn. Deze beoordeling lijkt a contrario te worden bevestigd door punt 21 van de considerans van die verordening, die preciseert dat die opmerkingen met name moeten worden ingediend binnen het kader van de nationale procedures die de rechten van de partijen vrijwaren.
54. Wanneer bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van een nationale mededingingsautoriteit, dan zou de door artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste zin, van verordening nr. 1/2003 geboden mogelijkheid in de regel overbodig kunnen worden geacht, aangezien die autoriteit in beginsel als partij kan deelnemen aan het geding voor die rechterlijke instantie, waardoor zij toegang heeft tot alle stukken van het dossier (die overigens voornamelijk van die autoriteit afkomstig zijn) en bijgevolg naar behoren haar rol kan vervullen van openbare handhavingsinstantie belast met de doeltreffende toepassing van de mededingingsregels van de Unie, zoals verordening nr. 1/2003 dit vereist.
55. Dit verklaart waarom verordening nr. 1/2003 de vraag betreffende de tussenkomst van een nationale mededingingsautoriteit niet uitdrukkelijk heeft geregeld, aangezien de gemeenschapswetgever bij de vaststelling van die verordening is uitgegaan van de vooronderstelling dat elke mededingingsautoriteit van de lidstaten gerechtigd was haar eigen beslissingen te verdedigen voor de rechterlijke instanties van haar lidstaat. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Belgische mededingingsautoriteit bij de vaststelling van verordening nr. 1/2003 en bij de inwerkingtreding ervan voor de nationale rechterlijke instanties over een dergelijk recht beschikte, dat pas in 2006 is ingetrokken toen de WBEM de Raad voor de Mededinging het statuut van rechterlijke instantie in de zin van het Belgische recht heeft verleend.
56. Desalniettemin ben ik in de eerste plaats van mening dat in een situatie als die van het hoofdgeding, waarin een nationale mededingingsautoriteit geen partij kan zijn in een beroepsprocedure tegen een van haar beslissingen, hoewel de nationale rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is, voornemens is artikel 81 EG toe te passen, die autoriteit duidelijk gerechtigd moet zijn opmerkingen in te dienen bij die rechterlijke instantie, in overeenstemming met het mechanisme van artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003.
57. Ingevolge het door het Hof in het arrest X BV in herinnering gebrachte beginsel van loyale samenwerking en conform de doelstelling van daadwerkelijke handhaving van de mededingingsvoorschriften van de Unie, moet die mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke procedurevoorschriften van de lidstaten.
58. Dienaangaande vraag ik mij af of, in een zaak als die van het hoofdgeding, de nationale mededingingsautoriteit over alle effectieve middelen beschikt om werkelijk gebruik te kunnen maken van haar recht om ambtshalve schriftelijke opmerkingen te maken inzake de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG, overeenkomstig artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003, aangezien, zoals ter terechtzitting door de Raad voor de Mededinging en de Belgische regering werd bevestigd, geen enkele nationale bepaling voorschrijft dat het Hof van beroep te Brussel, wanneer het voornemens is in een bepaald geval ambtshalve de mededingingsregels van de Unie toe te passen, dit voornemen aan de nationale mededingingsautoriteit dient mee te delen.
59. Bij ontbreken van een dergelijke voorafgaande mededeling en voor zover de nationale mededingingsautoriteit volgens de WBEM en de gegevens in het verzoek om een prejudiciële beslissing geen partij kan zijn in het geding voor de verwijzende rechter, wordt die autoriteit mijns inziens immers feitelijk het recht ontnomen om gebruik te maken van de door artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 geboden mogelijkheid.(15)
60. Een dergelijke tekortkoming zou kunnen worden verholpen indien, in de tweede plaats en zoals de verwijzende rechter in wezen vraagt, de bepalingen van verordening nr. 1/2003 verlangen dat de nationale mededingingsautoriteit de hoedanigheid van partij moet hebben in het geding voor de rechter die in hoger beroep bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen van een dergelijke autoriteit of van een van haar onderdelen.
61. De belanghebbenden die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend verschillen op dit punt van mening. De Poolse regering en de Commissie stellen in wezen dat de met verordening nr. 1/2003 nagestreefde effectieve toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG vereist dat de nationale mededingingsautoriteiten gerechtigd moeten zijn om ten volle als verweersters op te treden in een procedure tegen een van hun beslissingen wanneer de nationale rechterlijke instantie die artikelen toepast, zonder evenwel daartoe verplicht te zijn. De Belgische regering, de Raad voor de Mededinging en VEBIC zijn daarentegen in wezen van mening dat aangezien die kwestie niet wordt geregeld in verordening nr. 1/2003, het de lidstaten op grond van de procedurele autonomie en het subsidiariteitsbeginsel vrijstaat dienaangaande een regeling vast te stellen. In dat verband stellen die belanghebbenden dat de nationale mededingingsautoriteit niet gerechtigd is de in het hoofdgeding bestreden beslissing voor de verwijzende rechter te verdedigen, omdat de WBEM aan de Raad voor de Mededinging het statuut van rechterlijke instantie heeft toegekend. VEBIC voegt hieraan toe dat indien een rechter in eerste aanleg, zoals de Raad voor de Mededinging, in die omstandigheden partij zou kunnen worden in het geding voor de rechter in hoger beroep, dit zou neerkomen op een schending van haar eigen rechten van verdediging.
62. Om de hieronder uiteengezette redenen ben ik geneigd om aan te nemen dat het doel van de volle werking van de artikelen 81 EG en 82 EG vereist dat een mededingingsautoriteit van een lidstaat, gelet op de op grond van verordening nr. 1/2003 op haar rustende verantwoordelijkheid, de hoedanigheid moet worden toegekend van partij in een geding betreffende de rechtmatigheid van een door één van haar onderdelen vastgestelde beslissing, en waarin de toepassing van de mededingingsregels van de Unie aan de orde is.
63. Om te beginnen zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat zelfs bij ontbreken van communautaire regelgeving de procedurele autonomie van de lidstaten om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, wordt beperkt door de eerbiediging van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.(16)
64. Tevens is het vaste rechtspraak dat de van de lidstaten verlangde eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel, in casu als enige relevant, betekent dat de door hen vastgestelde procesregels de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.(17)
65. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat elk geval waarin de vraag rijst of een nationaal procedurevoorschrift de uitoefening van door de communautaire rechtsorde aan particulieren verleende rechten onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht met inaanmerkingneming van de plaats van dit voorschrift in de gehele procedure, en van het verloop en de bijzonderheden van die procedure voor de verschillende nationale instanties. Daartoe moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure.(18)
66. Volgens het eerste bezwaar tegen de toepasselijkheid van die rechtspraak in een zaak als die in het hoofdgeding, dat door de Raad voor de Mededinging is aangevoerd en mijns inziens moet worden afgewezen, beschermt het doeltreffendheidsbeginsel uitsluitend de rechten die particulieren aan het Unierecht ontlenen.
67. Het is juist dat er in de rechtspraak geen precedent te vinden is in het kader waarvan het Hof uitspraak zou hebben gedaan over de vraag of nationale autoriteiten een beroep kunnen doen op het doeltreffendheidsbeginsel teneinde de toepassing van nationale procedureregels uit te sluiten.
68. Dat is evenwel niet echt de vraag die aan de orde is in de onderhavige zaak. Het gaat er hier immers veeleer om, of het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht in de weg staat aan de toepassing van nationale procedureregels die het vervullen van de op grond van het Unierecht, in casu verordening nr. 1/2003, op de nationale mededingingsautoriteiten rustende bijzondere verplichtingen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
69. Zoals ik reeds heb uiteengezet, laat verordening nr. 1/2003 het in het kader van de decentralisatie van de handhaving van de mededingingsregels van de Unie over aan de door elk van de lidstaten aangewezen nationale mededingingsautoriteiten om, als openbare handhavingsinstanties, de effectieve toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren. Die autoriteiten dienen er dus tezamen met de Commissie voor te zorgen dat de fundamentele bepalingen die onontbeerlijk zijn voor de werking van de interne markt daadwerkelijk worden gehandhaafd.(19)
70. Die verplichting omvat met name uitdrukkelijk een recht om voor de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat ambtshalve schriftelijke, alsook, met de toestemming van die instanties, mondelinge opmerkingen betreffende de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG te maken, overeenkomstig artikel 15, lid 3, van die verordening.
71. Mijns inziens vereist die verplichting tevens dat die autoriteiten kunnen worden gehoord in iedere gerechtelijke procedure die de rechtmatigheid van hun eigen beslissingen betreft en waarin zij en/of de nationale rechter van oordeel zijn dat de artikelen 81 EG en/of 82 EG toepassing moeten vinden.
72. Zou dat niet het geval zijn, dan zou immers in aanzienlijke mate afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van die artikelen, aangezien een nationale mededingingsautoriteit het standpunt dat zij als openbare handhavingsinstantie heeft ingenomen niet zou kunnen verdedigen voor de nationale rechterlijke instantie bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, en zij evenmin door die instantie zou kunnen worden gehoord aangaande eender welke kwestie die deze rechterlijke instantie ambtshalve meent te moeten opwerpen.
73. In casu moet worden opgemerkt dat het Hof van beroep te Brussel op grond van artikel 75 WBEM volledige rechtsmacht heeft, die het zowel kan uitoefenen bij de beoordeling van het bestaan van een inbreuk op de artikelen 81 EG en 82 EG, als met betrekking tot het bedrag van de geldboete die desgevallend aan de vervolgde ondernemingen wordt opgelegd, en die het mogelijk maakt, zoals overigens uitdrukkelijk in dat artikel van de WBEM is vermeld, om rekening te houden met de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de beslissing van de Raad voor de Mededinging waartegen bij het Hof van beroep hoger beroep is ingesteld.
74. In die omstandigheden brengt het feit dat de nationale mededingingsautoriteit niet het statuut van partij in het geding wordt verleend, en dat zij dus de beslissing die zij als openbare handhavingsinstantie heeft genomen, niet kan verdedigen, het risico met zich mee dat de rechter in hoger beroep uitsluitend is aangewezen op de middelen en argumenten van de onderneming(en) die beroep heeft/hebben ingesteld tegen de beslissing van de Raad voor de Mededinging.
75. Op een gebied als dat van de vaststelling van inbreuken op de mededingingsvoorschriften, waarbij complexe juridische en economische gegevens worden afgewogen en geldboeten worden opgelegd waartegen vaak wordt opgekomen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten of van de Unie, kan het loutere bestaan van een dergelijk risico de nakoming in gevaar brengen van de krachtens verordening nr. 1/2003 op de nationale mededingingsautoriteiten rustende bijzondere verplichting om de daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren.
76. Zoals de Belgische regering en de Raad voor de Mededinging overigens ter terechtzitting voor het Hof hebben erkend, impliceert het niet toekennen, in een situatie als die van het hoofdgeding, van de hoedanigheid van partij in het geding aan een nationale mededingingsautoriteit, bovendien ook, dat die autoriteit evenmin andere rechtsmiddelen kan uitoefenen, zoals het instellen van een cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechter in hoger beroep waarbij de beslissing van de Raad voor de Mededinging wordt nietig verklaard en/of herzien.
77. In dergelijke omstandigheden zal dus geen enkele overheidsinstantie die op grond van verordening nr. 1/2003 tot taak heeft de volle werking van de mededingingsregels van de Unie te verzekeren, de in voorkomend geval onjuiste interpretatie van die regels door het Hof van beroep te Brussel kunnen betwisten.
78. Het is uiteraard denkbaar dat de nationale mededingingsautoriteit overeenkomstig artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1/2003 gebruikmaakt van het recht om opmerkingen te maken voor het Hof van cassatie. Het bestaan van die mogelijkheid zou evenwel de in de vorige punten van de onderhavige conclusie vermelde tekortkomingen niet verhelpen, aangezien hoe dan ook slechts van het mechanisme van artikel 15, lid 3, van verordening nr. 1/2003 gebruik zou kunnen worden gemaakt, wanneer eerst cassatieberoep wordt ingesteld door een van de partijen in het geding voor het Hof van beroep te Brussel. Het is duidelijk dat die partijen om diverse subjectieve redenen van mening kunnen zijn dat zij niet gebaat zijn met een dergelijk beroep.
79. Derhalve zal de nationale mededingingsautoriteit mijns inziens in een situatie komen te verkeren waarin de nakoming van haar verplichtingen in het kader van verordening nr. 1/2003 buitensporig moeilijk wordt gemaakt door nationale procedureregels die haar niet de mogelijkheid bieden om partij te worden in een gerechtelijke procedure die een van haar beslissingen betreft en waarin de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG aan de orde is.
80. Bovendien kan, anders dan de Belgische regering en de Raad voor de Mededinging betogen, de omstandigheid dat de nationale mededingingsautoriteit geen partij kan worden in het geding voor het Hof van beroep te Brussel, in de onderhavige zaak niet worden ondervangen door de aan de federale minister van Economie toegekende mogelijkheid om partij te worden. Vaststaat immers dat bedoelde minister niet door het Koninkrijk België is aangewezen als „nationale mededingingsautoriteit” in de zin van verordening nr. 1/2003, en dus niet op grond van die verordening is belast met de taak om als openbare handhavingsinstantie te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG.
81. Voorts kan die omstandigheid evenmin worden gecompenseerd door het feit dat het Hof van beroep te Brussel het Auditoraat kan verzoeken bijkomend onderzoek te verrichten, aangezien een dergelijke maatregel naar zijn aard een beperkte reikwijdte heeft en het gelasten van een dergelijke maatregel zowel afhangt van de staat van het dossier voor die rechterlijke instantie als van de wil van die instantie.
82. Ten slotte kan mij evenmin overtuigen het argument van VEBIC en van de Belgische regering, volgens hetwelk het bij de WBEM aan de Raad voor de Mededinging toegekende statuut als rechtscollege eraan in de weg zou staan dat de nationale mededingingsautoriteit partij zou kunnen zijn in het geding voor het Hof van beroep te Brussel. Zoals blijkt uit artikel 1 WBEM, is de Raad voor de Mededinging immers slechts een onderdeel van de door het Koninkrijk België conform verordening nr. 1/2003 aangewezen nationale mededingingsautoriteit, en, zoals de Belgische regering ter terechtzitting voor het Hof heeft erkend, heeft die autoriteit een gemengd karakter, te weten half rechterlijk, half bestuurlijk. Om dezelfde reden dient ook te worden afgewezen de door VEBIC ter terechtzitting voor het Hof aangevoerde stelling, volgens welke haar eigen rechten van verdediging zouden worden aangetast wanneer een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg het statuut zou worden toegekend van partij in het hoofdgeding. Dat is immers niet het vereiste dat uit verordening nr. 1/2003 voortvloeit.
83. Hieruit volgt dat, indien de effectieve toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG vereist dat de nationale autoriteit die, als handhavingsinstantie, belast is met de toepassing van die bepalingen op het nationale grondgebied, partij moet kunnen worden in het geding voor de verwijzende rechter die betreffende die bepalingen uitspraak dient te doen, wat volgens mij het geval is, het Unierecht tevens verlangt dat die autoriteit aanspraak kan maken op de rechten die dat statuut haar toekent, in de eerste plaats het recht op eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor.
84. Dienaangaande breng ik in herinnering dat het Hof heeft geoordeeld dat indien een rechterlijke beslissing werd gebaseerd op feiten en stukken waarvan partijen, of een van hen, geen kennis hebben kunnen nemen en waarover zij dus geen standpunt hebben kunnen innemen, zulks in strijd zou zijn met een fundamenteel rechtsbeginsel(20), en dat de procespartijen ingevolge het beginsel van hoor en wederhoor in de regel het recht hebben om kennis te nemen van de middelen die de rechter ambtshalve in aanmerking wil nemen en om hierover een standpunt kenbaar te maken.(21) Die overwegingen vloeien tevens voort uit de inachtneming van artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.(22)
85. Vanuit die optiek is het tevens zeer begrijpelijk waarom de verwijzende rechter, die voornemens is zijn uitspraak op artikel 81 EG te baseren, zonder daartoe voorafgaandelijk door de verzoekende partij te zijn uitgenodigd, de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof vragen heeft gesteld over de noodzaak, op grond van verordening nr. 1/2003, om ervoor te zorgen dat de nationale mededingingsautoriteit voor die rechterlijke instantie wordt vertegenwoordigd en daar ten volle haar rechten van verdediging kan uitoefenen.
86. De bedenkingen die de verwijzende rechter heeft geformuleerd lijken mij des te begrijpelijker, daar hij op grond van de WBEM volledige rechtsmacht heeft en dus rekening kan houden met elementen die dateren van na de beslissing van de Raad voor de Mededinging, en zijn eigen beslissing in de plaats kan stellen van die van de Raad voor de Mededinging. Ongetwijfeld terecht lijkt de verwijzende rechter ervan uit te gaan dat de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid niet onttrokken kan zijn aan de inachtneming van de procedureregels die voortvloeien uit het beginsel van hoor en wederhoor.(23)
87. Gelet op een en ander ben ik van mening dat verordening nr. 1/2003, in het licht van de krachtens deze verordening op de nationale mededingingsautoriteiten rustende verplichting om de daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren, in die zin moet worden uitgelegd dat de nationale mededingingsautoriteiten het statuut moeten kunnen krijgen van partij in een gerechtelijke procedure die de wettigheid van een van hun beslissingen betreft en waarin de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG aan de orde is.
88. In antwoord op de tweede vraag van de verwijzende rechter en zoals alle belanghebbenden hebben betoogd, vereist de daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG evenwel niet, dat een nationale mededingingsautoriteit in absoluut elk geval de wettigheid van haar beslissingen dient te verdedigen.
89. Hieraan dient evenwel te worden toegevoegd, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, dat bij een haast systematische niet-verschijning van een nationale mededingingsautoriteit de eerbiediging van het algemeen beginsel van loyale samenwerking en de nuttige werking van de artikelen 81 EG en 82 EG in het gedrang zouden komen.
2. Derde en vierde prejudiciële vraag
90. Met zijn derde vraag, die uitsluitend wordt gesteld in het geval dat de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, vraagt de verwijzende rechter het Hof in wezen te verduidelijken of de nationale mededingingsautoriteit die bevoegd is voor de vaststelling van de in artikel 5 van verordening nr. 1/2003 vermelde beschikkingen, aan de beroepsprocedure dient deel te nemen. Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de antwoorden op de eerste drie vragen anders zouden luiden als gevolg van het statuut van rechtscollege van een van de onderdelen van de nationale mededingingsautoriteit, of indien een van de organen van die autoriteit het onderzoek voert, dat desgevallend leidt tot de eindbeslissing van het als rechtscollege optredende onderdeel van die autoriteit.
91. Hoewel ik in overweging geef alleen de eerste vraag bevestigend te beantwoorden, blijven de derde en de vierde vraag zelfs in dat geval nog steeds relevant. Zij dienen dus te worden beantwoord.
92. Wat de formulering van de vragen betreft, breng ik in herinnering dat volgens de WBEM het Koninkrijk België één enkele mededingingsautoriteit in de zin van verordening nr. 1/2003 heeft aangewezen, die bestaat uit twee afzonderlijke organen, overeenkomstig artikel 1 WBEM. De derde en de vierde vraag kunnen dus slechts betrekking hebben op de bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende onderdelen van die autoriteit.
93. Mijns inziens kan het antwoord op de vragen dan ook worden gevonden in de procedurele autonomie van de lidstaten.
94. Ofschoon de lidstaten, zoals ik hierboven heb gepreciseerd, de nationale mededingingsautoriteit die als openbare handhavingsinstantie voor de effectieve toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG dient te zorgen, het recht moeten toekennen om partij te zijn in het geding betreffende een van haar beslissingen, blijven zij immers echter, bij ontbreken van regelgeving van de Unie, bevoegd voor de aanwijzing van het of de organen van die autoriteit die van een dergelijk recht gebruik zullen kunnen maken. De daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG vereist mijns inziens niet dat de marge waarover de lidstaten in dat verband beschikken, wordt beperkt.
95. Dit antwoord, alsook het antwoord op de eerste twee prejudiciële vragen, blijven mijns inziens onveranderd indien een van de onderdelen van de nationale mededingingsautoriteit naar nationaal recht het statuut van rechtscollege heeft.(24)
96. Indien het Hof het eens zou zijn met mijn voorstellen van antwoord op de vier prejudiciële vragen, zou de nationale wetgever waarschijnlijk de WBEM dienen aan te passen om een van de onderdelen van de mededingingsautoriteit het statuut van partij in het geding voor het Hof van beroep te Brussel toe te kennen.
97. In het hoofdgeding is het evenwel zeer weinig waarschijnlijk dat de verwijzende rechter het optreden van de nationale wetgever kan afwachten om deze problematiek op te lossen.
98. Tenzij de verwijzende rechter van oordeel zou zijn dat de behandeling van de zaak moet worden opgeschort tot de inwerkingtreding van de wijziging van de WBEM zal hij, in overeenstemming met de krachtens artikel 10 EG op de autoriteiten van de lidstaten rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, de nationale wettelijke bepalingen die hij moet toepassen, in de mate van het mogelijke in overeenstemming met de eisen van het gemeenschapsrecht moeten uitleggen.(25)
99. De aldus op de nationale rechter rustende verplichting is beperkt tot „de mate van het mogelijke”, dat wil zeggen dat zij enkel opgaat wanneer de bewoordingen van de betrokken nationale wetgeving zich lenen tot uiteenlopende interpretaties. Die verplichting gaat dus niet zo ver, dat zij een uitlegging contra legem van de nationale wetgeving verlangt.(26)
100. Hoewel een dergelijke beoordeling door de verwijzende rechter dient te worden verricht, lijkt het mij niet onmogelijk de WBEM uit te leggen in overeenstemming met de verplichting om de volle werking van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren, gelet op, enerzijds, het feit dat de nationale mededingingsautoriteit die door het Koninkrijk België in overeenstemming met verordening nr. 1/2003 is aangewezen, een duale, half bestuurlijke, half gerechtelijke structuur heeft, en anderzijds, de in het verzoek om een prejudiciële beslissing vermelde omstandigheid dat het enige duidelijke oogmerk van de nationale wetgever erin bestond om uit te sluiten dat het als rechtscollege optredende onderdeel van die autoriteit partij zou kunnen zijn in het geding voor het Hof van beroep te Brussel in de context van een beroep tegen een beslissing van de Raad voor de Mededinging.
101. Ik geef dan ook in overweging om de derde en de vierde vraag van de verwijzende rechter aldus te beantwoorden, dat bij gebreke van Unieregelgeving de lidstaten bevoegd blijven voor de aanwijzing van het orgaan dat, binnen de krachtens verordening nr. 1/2003 aangewezen nationale mededingingsautoriteit, gerechtigd is gebruik te maken van het recht om partij te zijn in gedingen die een van de beslissingen van die autoriteit betreffen en waarin de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG aan de orde is, ongeacht of een van de onderdelen van die autoriteit naar nationaal recht het statuut van een rechtscollege heeft.
VI – Conclusie
102. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Hof van beroep te Brussel als volgt te beantwoorden:
„1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag moet, in het licht van de krachtens die verordening op de nationale mededingingsautoriteiten rustende verplichting om de daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG te verzekeren, in die zin worden uitgelegd dat de nationale mededingingsautoriteiten het statuut moeten kunnen krijgen van partij in een gerechtelijke procedure die de wettigheid van een van hun beslissingen betreft en waarin de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG aan de orde is. De daadwerkelijke handhaving van de artikelen 81 EG en 82 EG vereist evenwel niet, dat een nationale mededingingsautoriteit in absoluut elk geval de wettigheid van haar beslissingen dient te verdedigen.
2) Bij gebreke van Unieregelgeving blijven de lidstaten bevoegd voor de aanwijzing van het orgaan dat, binnen de krachtens verordening nr. 1/2003 aangewezen nationale mededingingsautoriteit, gerechtigd is gebruik te maken van het recht om partij te zijn in gedingen die een van de beslissingen van die autoriteit betreffen en waarin de toepassing van de artikelen 81 EG en/of 82 EG aan de orde is, ongeacht of een van de onderdelen van die autoriteit naar nationaal recht het statuut van een rechtscollege heeft.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB 2003, L 1, blz. 1.
3 – Belgisch Staatsblad van 29 september 2006, blz. 50613.
4 – Volgens (het in het hoofdgeding niet relevante) artikel 79 WBEM neemt de Raad voor de Mededinging kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen genomen door de sectorale regulatoren. Krachtens artikel 81 WBEM doet het Hof van Cassatie uitspraak over de voorzieningen in cassatie tegen de beslissingen gewezen door de Raad voor de Mededinging met toepassing van artikel 79 WBEM.
5 – In dat verband zijn er in de rechtspraak ten minste vier, naast elkaar bestaande opvattingen terug te vinden. Bij de eerste en oudste opvatting is het Hof van oordeel dat de regels van het EG-Verdrag niet van toepassing zijn op een situatie zoals die in het hoofdgeding aan de orde is, waarin alle elementen in de interne sfeer van één lidstaat liggen (zie met name arrest van 21 oktober 1999, Jägerskiöld, Jurispr. blz. I‑7319, punt 45, alsook beschikking van 19 juni 2008, Kurt, C‑104/08, punt 20). In het kader van de tweede opvatting geeft het Hof als antwoord dat het relevante Unierecht niet in de weg staat aan de betrokken nationale regelgeving (zie met name het dictum van de beschikking van 5 april 2004, Mosconi en Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia, C‑3/02, alsook beschikkingen van 21 januari 2008, Mayeur, C‑229/07, punt 20, en 17 maart 2009, Mariano, C‑217/08, punten 30 en 31). Bij de derde opvatting is het Hof van oordeel dat het niet bevoegd is om de gestelde vragen te beoordelen (zie inzonderheid arrest van 29 mei 1997, Kremzow, C‑299/05, Jurispr. blz. I‑2629, punt 15, en beschikkingen van 6 oktober 2005, Vajnai, C‑328/04, Jurispr. blz. I‑8577, punt 13; 25 januari 2007, Koval’ský, C‑302/06, punten 20 en 23, en 16 januari 2008, Polier, C‑361/07, punten 11 en 16). In het kader van de vierde opvatting in de rechtspraak erkent het Hof de ontvankelijkheid van prejudiciële vragen die gebaseerd zijn op feitelijke elementen die op het grondgebied van één enkele lidstaat zijn gelegen, met name indien de nationale rechter op grond van het nationale recht verplicht is een onderdaan van zijn lidstaat dezelfde rechten toe te kennen als die welke een onderdaan van een andere lidstaat in dezelfde situatie aan het Unierecht zou ontlenen (zie onder meer arresten van 5 december 2000, Guimont, C‑448/98, Jurispr. blz. I‑10663, punt 23; 15 mei 2003, Salzmann, C‑300/01, Jurispr. blz. I‑4899, punten 33‑35, en 31 januari 2008, Centro Europa 7 (C‑380/05, Jurispr. blz. I‑349, punt 69).
6 – Zie met name arresten van 14 december 2006, Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio (C‑217/05, Jurispr. blz. I‑11987, punt 16), en 2 april 2009, Pedro IV Servicios (C‑260/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).
7 – Zie in die zin arrest Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio, reeds aangehaald (punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
8 – Zie arrest van 21 juni 2001, SONAE (C‑206/99, Jurispr. blz. I‑4679, punten 45 en 46), alsook punt 40 van mijn conclusie in de zaak waarop het reeds aangehaalde arrest Pedro IV Servicios betrekking had.
9 – Arrest van 11 juni 2009 (C‑429/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
10 – Verordening van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13 blz. 204), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1219/1999 van de Raad van 10 juni 1999 (PB L 148, blz. 5).
11 – In de Nederlandstalige versie van verordening nr. 1/2003 wordt de term „daadwerkelijke” gebruikt in de punten 5 en 8 van de considerans, de term „doeltreffende” in de punten 6 en 34 van de considerans, de term „eenvormige” of „uniforme” in punt 22 van de considerans en in het opschrift van artikel 16, en de term „coherente” of „samenhangende” in de punten 14, 19 en 21 van de considerans en in artikel 15, lid 3. Zoals ik in punt 33 van mijn conclusie in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest X BV al aangaf, zijn deze verschillen niet noodzakelijkerwijze relevant in alle taalversies van verordening nr. 1/2003.
12 – Zie met name punt 35 van de considerans van verordening nr. 1/2003.
13 – Punt 15 van de considerans van verordening nº 1/2003.
14 – Punten 20 en 21.
15 – Ten overvloede zij nog opgemerkt dat daaraan niet wordt afgedaan door het feit dat de nationale mededingingsautoriteit overeenkomstig punt 21 van de considerans van verordening nr. 1/2003 en artikel 76 WBEM kennis wordt gegeven van het tegen haar beslissing ingestelde beroep, aangezien in de onderhavige zaak VEBIC de Raad voor de Mededinging niet verwijt dat hij artikel 81 EG niet heeft toegepast.
16 – Zie in die zin arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen (C‑430/93 en C‑431/93, Jurispr. blz. I‑4705, punt 17); 9 december 2003, Commissie/Italië (C‑129/00, Jurispr. blz. I‑14637, punt 25); 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, Jurispr. blz. I‑6619, punten 62 en 71); 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punt 28), en 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punten 44‑46).
17 – Zie in die zin met name arresten Van Schijndel en Van Veen (punt 17), Van der Weerd e.a. (punt 28) en Impact (punt 46).
18 – Zie in die zin arrest Van der Weerd e.a. (punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 – Zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss (C‑126/97, Jurispr. blz. I‑3055, punt 36).
20 – Arresten van 22 maart 1961, Snupat/Hoge Autoriteit (42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 101, 158); 10 januari 2002, Plant e.a./Commissie en South Wales Small Mines (C‑480/99 P, Jurispr. blz. I‑265, punt 24); 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie (C‑199/99 P, Jurispr. blz. I‑11177, punt 19), en 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 52).
21 – Arrest Commissie/Ierland e.a., reeds aangehaald (punt 55). Zie tevens arrest van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA (C‑197/09 RX-II, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 57).
22 – Zie in dat verband arrest van 14 februari 2008, Varec (C‑450/06, Jurispr. blz. I‑581, punten 46 en 47), en arrest Commissie/Ierland e.a., reeds aangehaald (punten 54‑58).
23 – Zie in dat verband, betreffende de eerbiediging van een dergelijk beginsel door de rechterlijke instanties van de Unie, arrest Heroverweging M/EMEA, reeds aangehaald (punt 58).
24 – In dat verband zij eraan herinnerd dat een dergelijk statuut niet van invloed is op het begrip nationale rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG. Zie aldus betreffende het feit dat er bij de Griekse nationale mededingingsautoriteit geen sprake is van een rechterlijke instantie in de zin van artikel 234 EG: arrest van 31 mei 2005, Syfait e.a. (C‑53/03, Jurispr. blz. I‑4609, punten 30‑37).
25 – Zie in die zin met name het arrest van 27 oktober 2009, ČEZ (C‑115/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 138).
26 – Zie in die zin onder meer arrest van 17 september 1997, Dorsch Consult (C‑54/96, Jurispr. blz. I‑4961, punt 45).
Full & Egal Universal Law Academy