CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 25 maart 2010 1(1)
Zaak C‑442/08
Europese Commissie
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Artikel 226 EG – Niet-nakomingsprocedure – Europa-Overeenkomst met de Republiek Hongarije – Protocol nr. 4 – Systeem van samenwerking – Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 – Controle achteraf – Beroep – Artikel 220, lid 1, Douanewetboek – Boeking achteraf – Artikel 221 Douanewetboek – Mededeling aan belastingschuldige – Verjaring –Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 en verordening (EEG, Euratom) nr. 1150/2000 – Eigen middelen – Artikel 10, lid 1, eerste alinea – Te late boeking – Artikel 11 – Vertragingsrente”
Inhoud
I – Rechtskader
A – Europa-Overeenkomst met de Republiek Hongarije
B – Verordening nr. 515/97
C – Douanerechtelijke bepalingen
D – Bepalingen inzake de eigen middelen
II – Feiten en precontentieuze procedure
III – Procedure voor het Hof
IV – Grieven van de Commissie
A – Grief van schending van artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW en artikel 221, lid 1, CDW
1. Inaanmerkingneming van de aanhangigheid van een beroep tegen de resultaten van de controle achteraf
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling
i) Het arrest Sfakianakis
ii) Gevolgen van de controle achteraf
iii) Werking van het beroep
iv) Tussenconclusie
2. Te ruime interpretatie van de voorwaarden van artikel 220 CDW
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling
3. Ontbrekende evaluatie door OLAF en noodzaak van een eindverslag
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling
4. De mededeling van 27 oktober 1999
a) Argumenten van partijen
b) Beoordeling
5. Tussenconclusie
B – Tijdstip waarop het litigieuze bedrag aan eigen middelen had moeten worden geboekt
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling
C – Weigering om vertragingsrente te betalen
1. Argumenten van partijen
2. Beoordeling
V – Kosten
VI – Conclusie
1. Op het eerste gezicht heeft de onderhavige niet-nakomingsprocedure betrekking op de problematiek van de eigen middelen. Maar in wezen zijn hier juridische vraagstukken aan de orde betreffende de methoden van samenwerking tussen douaneautoriteiten in het kader van een Europa-Overeenkomst uit hoofde waarvan tariefpreferenties voor producten van oorsprong uit een geassocieerd derde land worden toegekend.
2. Concreet gaat het om motorvoertuigen die op een tijdstip waarop de Republiek Hongarije nog een met de Europese Unie geassocieerd derde land was, uit dit land in de Europese Unie zijn ingevoerd. Krachtens de Europa-Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds(2) (hierna: „Europa-Overeenkomst”), werd aan producten van oorsprong uit Hongarije bij invoer in de Gemeenschap een preferentiële behandeling toegekend. In het onderhavige geval hadden de Hongaarse douaneautoriteiten voor bepaalde motorvoertuigen oorsprongsbewijzen in de vorm van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 (hierna: „EUR.1-certificaten”) afgegeven. Nadat deze motorvoertuigen onder preferentiële voorwaarden in Duitsland waren ingevoerd, werden de Duitse douaneautoriteiten via de Commissie in kennis gesteld van de resultaten van een controle achteraf van de betrokken EUR.1-certificaten door de Hongaarse douaneautoriteiten. Deze waren tot de conclusie gekomen dat de motorvoertuigen toch niet als producten van oorsprong uit Hongarije konden worden beschouwd en dat de EUR.1-certificaten dus ten onrechte waren afgegeven. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of de Duitse douaneautoriteiten vanaf dit tijdstip verplicht waren, een boeking achteraf van de invoerrechten overeenkomstig artikel 220, lid 1, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(3) (hierna: „douanewetboek” of „CDW”) te verrichten en de belastingschuldige daarvan overeenkomstig artikel 221, lid 1, CDW mededeling te doen, wanneer zij tegelijkertijd ervan op de hoogte waren gebracht dat voor een Hongaarse rechtbank beroep tegen het resultaat van de controle achteraf was ingesteld.
3. De onderhavige procedure stelt het Hof in staat, zich in aansluiting op zijn arrest in de zaak Sfakianakis(4) uit te spreken over vraagstukken betreffende de methode van samenwerking tussen de douaneautoriteiten, waarin protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst voorziet.
I – Rechtskader
A – Europa-Overeenkomst met de Republiek Hongarije
4. Protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst bevat een definitie van het begrip „producten van oorsprong” en geeft een toelichting op de methoden van administratieve samenwerking.
5. Ratione temporis relevant is in casu de versie van protocol nr. 4 zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/95 van de Associatieraad tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, van 17 juli 1995 tot wijziging van protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds(5), evenals de versie van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 van de Associatieraad, Associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Hongarije anderzijds, van 28 december 1996 tot wijziging van protocol nr. 4 bij de Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand komt tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Republiek Hongarije anderzijds.(6) Voor zover de bepalingen van protocol nr. 4 zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/95 ratione temporis in casu van toepassing zijn, zijn zij inhoudelijk vrijwel identiek aan de desbetreffende bepalingen van protocol nr. 4 zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96. Ik zal derhalve alleen ingaan op de versie van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 (hierna: „protocol”).
6. Ingevolge artikel 16, lid 1, sub a, van het protocol is de overeenkomst op vertoon van een EUR.1-certificaat van toepassing op producten van oorsprong uit Hongarije.(7)
7. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het protocol wordt het EUR.1-certificaat afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.(8) Volgens lid 5 van die bepaling nemen de met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten alle nodige maatregelen om te controleren of de producten inderdaad van oorsprong zijn en of aan alle andere voorwaarden van het protocol is voldaan.(9) Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.
8. Artikel 31, lid 2, van het protocol bepaalt dat de Gemeenschap en de Republiek Hongarije elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand verlenen bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten en de juistheid van de daarin vermelde gegevens, teneinde de correcte toepassing van het protocol te waarborgen.
9. Artikel 32 van het protocol regelt de controle achteraf van de oorsprongsbewijzen. Het bepaalt het volgende:
„1. De bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en ook wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.
2. Met het oog op de toepassing van lid 1, zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het EUR.1-certificaat [...] of een kopie van deze documenten terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, eventueel onder vermelding van de redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle achteraf alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.
3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Deze zijn in dit verband gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.
4. Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doen zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
5. De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, Hongarije of een van de in artikel 4 genoemde landen beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
6. Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle achteraf geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.”
10. Overeenkomstig artikel 33, lid 1, van het protocol worden geschillen ten aanzien van de in artikel 32 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden tussen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol aan het associatiecomité voorgelegd.
B – Verordening nr. 515/97
11. Titel III van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane‑ en landbouwvoorschriften(10), regelt de betrekkingen tussen de nationale douaneautoriteiten en de Commissie. Artikel 17, lid 2, van die titel bepaalt dat de Commissie de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in kennis stelt van alle gegevens waarmee zij de naleving van de douanevoorschriften kunnen verzekeren.
C – Douanerechtelijke bepalingen
12. Het douanewetboek is sinds de vaststelling ervan herhaaldelijk gewijzigd. Aangezien de wijzigingen echter geen betrekking hadden op de in casu ratione temporis toepasbare bepalingen, zal ik mij alleen op het douanewetboek baseren.
13. Volgens artikel 201, lid 1, sub a, CDW ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht.
14. Artikel 217, lid 1, eerste alinea, CDW regelt de boeking van de douaneschuld. Uit hoofde van deze bepaling dient elk bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd.
15. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld niet is geboekt of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient overeenkomstig artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW de boeking van het in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (hierna: ,,boeking achteraf”).
16. Artikel 221, lid 1, CDW bepaalt dat het bedrag van de rechten onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar moet worden medegedeeld. Volgens artikel 221, lid 3, eerste zin, CDW mag de mededeling aan de schuldenaar niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan.
D – Bepalingen inzake de eigen middelen
17. Ingevolge artikel 2, lid 1, van het besluit van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (94/728/EG, Euratom)(11), dienen verschillende soorten eigen middelen op de begroting van de Europese Gemeenschappen te worden opgevoerd. Hiertoe behoren overeenkomstig artikel 2, lid 1, sub b, in het bijzonder de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten.
18. Volgens artikel 8, lid 1, eerste zin, van dit besluit worden de douanerechten door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, derde zin, van dit besluit stellen de lidstaten de in artikel 2, lid 1, sub b, bedoelde eigen middelen (douanerechten) ter beschikking van de Commissie. Artikel 2, lid 3, van dit besluit bepaalt dat de lidstaten 10 % van de overeenkomstig lid 1, sub b, ervan van de over te maken bedragen inhouden als inningskosten.
19. Verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom [94/728](12) betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen(13), gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 tot wijziging van verordening nr. 1552/89(14) (hierna: „gewijzigde verordening nr. 1552/89”), regelt de wijze waarop de lidstaten de aan de Gemeenschappen toegewezen middelen ter beschikking van de Commissie stellen.
20. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die gewijzigde verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub b, bedoelde eigen middelen (douanerechten) als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
21. Volgens artikel 2, lid 1 bis, van voornoemde verordening is het voor de vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip het tijdstip van de boeking in de zin van de douanevoorschriften.
22. Artikel 6, lid 2, sub a, van voornoemde verordening bepaalt dat de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten, onder voorbehoud van het bepaalde in sub b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding worden opgenomen.
23. Overeenkomstig artikel 6, lid 2, sub b, van voornoemde verordening worden vastgestelde rechten die niet in de sub a bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en er geen zekerheid voor is gesteld, binnen de sub a vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.
24. Artikel 9, lid 1, eerste alinea, van voornoemde verordening bepaalt dat iedere lidstaat de eigen middelen op de in artikel 10 aangegeven wijze dient te boeken op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat die lidstaat aanwijst, is geopend.
25. Volgens artikel 10, lid 1, eerste alinea, van voornoemde verordening geschiedt de boeking van de in artikel 2, lid 1, sub b, bedoelde eigen middelen (douanerechten), na aftrek van 10 % als inningskosten, krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 88/376 [besluit 94/728], uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld. Overeenkomstig de tweede alinea van diezelfde bepaling dient de boeking van de volgens artikel 6, lid 2, sub b, in een specifieke boekhouding opgenomen rechten uiterlijk te geschieden op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand van inning van de rechten.
26. Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 11 van de gewijzigde verordening tot het betalen van rente ten belope van de op de vervaldag geldende rentevoet op de geldmarkt van deze lidstaat voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.
27. Artikel 17, lid 1, van die gewijzigde verordening bepaalt dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten op de in deze verordening vastgestelde wijze ter beschikking van de Commissie worden gesteld. Volgens artikel 17, lid 2, eerste en tweede zin, van de gewijzigde verordening behoeven de lidstaten de bedragen van de vastgestelde rechten slechts dan niet ter beschikking van de Commissie te stellen indien door overmacht geen inning heeft kunnen plaatsvinden of wanneer na een diepgaand onderzoek van alle relevante gegevens van het betrokken geval blijkt dat de inning om redenen onafhankelijk van hun wil definitief onmogelijk is.
28. De gewijzigde verordening nr. 1552/89 is gecodificeerd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.(15) Artikel 11 van verordening nr. 1150/2000 stemt overeen met artikel 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89.
II – Feiten en precontentieuze procedure
29. Vanaf 1994 werden in het kader van de Europa-Overeenkomst motorvoertuigen uit de Republiek Hongarije in Duitsland ingevoerd, waaraan op vertoon van door de Hongaarse autoriteiten afgegeven EUR.1-certificaten een preferentiële behandeling werd toegekend.
30. Met een mededeling in het kader van de administratieve bijstand die de Duitse autoriteiten in het Engels op 13 juni 1996 en in het Duits op 28 november 1996 werd betekend, waarschuwde de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding van de Commissie (UCLAF; hierna zal ik voor UCLAF en haar opvolgster OLAF enkel de benaming „OLAF” gebruiken) de lidstaten met betrekking tot de invoer van motorvoertuigen van een bepaalde fabrikant. Zij betwijfelde dat deze motorvoertuigen voldeden aan de voorwaarden voor producten van oorsprong uit Hongarije in de zin van het protocol. In de voornoemde mededeling riep OLAF de lidstaten onder meer ertoe op, de Hongaarse autoriteiten te verzoeken de betrokken EUR.1-certificaten achteraf nogmaals te controleren. Bovendien drong OLAF bij de lidstaten met name erop aan, vóór de vrijgave van de betrokken motorvoertuigen stelselmatig een betalingsgarantie of consignatie van de invoerrechten te verlangen en alle juridische maatregelen in te leiden waardoor de verjaringstermijnen onderbroken en de mogelijkheden tot navordering gehandhaafd kunnen worden. De Commissie voerde voorts zelf verder onderzoek uit, waartoe ook een controlemissie naar Hongarije behoorde.
31. Met een mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 26 juni 1998, die ook in het Duits was opgesteld, stelde OLAF de Duitse autoriteiten op de hoogte van het resultaat van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten. Hierbij was gebleken dat bepaalde voertuigen niet als producten van oorsprong uit Hongarije konden worden beschouwd en dat het EUR.1-certificaat derhalve ten onrechte was afgegeven. Uit de mededeling bleek dat dit voor 19 123 in Duitsland ingevoerde motorvoertuigen gold. OLAF kondigde voorts aan dat zij verdere gegevens, de vertaling van de correspondentie met de Hongaarse douaneautoriteiten alsook bestanden zou overleggen, waarin OLAF op basis van de gegevens van de Hongaarse autoriteiten de uitgevoerde transacties per land zou toelichten.
32. Bij een schrijven dat de Duitse autoriteiten in het Engels op 13 juli 1998 en in het Duits op 18 augustus 1998 werd betekend (hierna: „het op 18 augustus 1998 betekende schrijven”), legde OLAF de aangekondigde documenten en bestanden over. Hiertoe behoorde in het bijzonder de Duitse vertaling van een brief van de Hongaarse douaneautoriteiten van 26 mei 1998, waarin de uitvoering van de controle achteraf werd toegelicht en OLAF van de resultaten ervan op de hoogte werd gebracht. Tevens werden de bijlagen en bestanden overgelegd, aan de hand waarvan de voertuigen waren geïdentificeerd die volgens de Hongaarse autoriteiten, anders dan oorspronkelijk aangenomen, toch niet als goederen van oorsprong uit Hongarije konden worden beschouwd en waarvoor dus ten onrechte een EUR.1-certificaat was afgegeven. In de brief van 26 mei 1998 wezen de Hongaarse autoriteiten er echter ook op, dat tegen de resultaten van de controle achteraf beroep was ingesteld en derhalve een rechtszaak aanhangig was.
33. Na ontvangst van dit schrijven verzocht de Bondsrepubliek Duitsland herhaaldelijk om toezending van het eindverslag van de controlemissie van de Commissie naar Hongarije. Op 23 februari 1999 zond OLAF haar het formele eindverslag toe, dat op 2 maart 1999 aan de bevoegde autoriteiten werd betekend.
34. Op 15 april 1999 maakten de Duitse douaneautoriteiten een begin met de boeking achteraf van de rechten voor de motorvoertuigen die blijkens de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten geen producten van oorsprong uit Hongarije waren. Gezien de termijn van drie jaar voor de kennisgeving aan de belastingschuldigen overeenkomstig artikel 221, lid 3, eerste zin, van het douanewetboek, konden voor de vóór 15 april 1996 ingevoerde voertuigen geen invoerrechten worden vastgesteld. Met betrekking tot deze periode werden ook geen eigen middelen vastgesteld, noch afgedragen.
35. Met een mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999 stelde OLAF de lidstaten ervan in kennis dat de Hongaarse rechter uitspraak had gedaan en de Hongaarse douaneautoriteiten de resultaten van hun controle achteraf in de zin van die uitspraak hadden gewijzigd. Thans werd ervan uitgegaan dat een deel van de motorvoertuigen die blijkens de brief van 26 mei 1998 van de Hongaarse douaneautoriteiten niet van Hongaarse oorsprong waren, toch als zodanig moest worden beschouwd. Ten aanzien van de overige motorvoertuigen bleven de douaneautoriteiten echter bij hun conclusie dat het hierbij niet om producten van oorsprong uit Hongarije ging en dat het EUR.1-certificaat ten onrechte was afgegeven. Tegen deze achtergrond scholden de Duitse autoriteiten de invoerrechten voor de motorvoertuigen die volgens de Hongaarse autoriteiten nu toch van Hongaarse oorsprong waren, kwijt c.q. betaalden zij deze terug.
36. In mei 2000 verrichtte een missie van de Commissie in Duitsland een controle van de eigen middelen. Hierbij bleek dat de Duitse douaneautoriteiten voor motorvoertuigen
– ten aanzien waarvan bij de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten in eerste instantie was vastgesteld dat zij niet van Hongaarse oorsprong waren en waarvoor het EUR.1-certificaat dus ten onrechte was afgegeven,
– ten aanzien waarvan dit resultaat na de uitspraak van de Hongaarse rechtbank niet was gewijzigd,
– die vanaf 18 november 1995 in Duitsland waren ingevoerd, en
– waarvoor de Duitse douaneautoriteiten in het kader van de navordering vanaf 15 april 1999 wegens afloop van de verjaringstermijn van drie jaar overeenkomstig artikel 221, lid 3, eerste volzin, CDW geen boeking achteraf en geen mededeling van de douaneschuld aan de belastingschuldigen hadden verricht,
niet de overeenkomstige eigen middelen hadden afgedragen. Ik zal deze motorvoertuigen thans als „de betrokken motorvoertuigen” en de desbetreffende invoerrechten als „de betrokken invoerrechten” aanduiden.
37. De Commissie drong bij de Bondsrepubliek Duitsland vervolgens aan op betaling van de desbetreffende eigen middelen. Tijdens een vergadering op 12 juni 2003 waarvan het verloop in de notulen is neergelegd, verzocht de Commissie de Duitse autoriteiten om nadere informatie over de betrokken invoerrechten en kondigde zij aan, nog een formele aanmaning te zullen sturen. Ten slotte wees zij erop dat een betaling binnen de vastgelegde termijn de berekening van vertragingsrente zou helpen voorkomen.
38. Bij schrijven van 30 maart 2005 deelden de Duitse autoriteiten de Commissie mee dat de betrokken invoerrechten 408 735,53 EUR beliepen. Bij schrijven van 4 mei 2005 verzocht de Commissie de Duitse autoriteiten onder dreiging van een niet-nakomingsprocedure, de betrokken invoerrechten minus het inningspercentage van 10 %, dus 367 861,98 EUR (hierna: „litigieus bedrag aan eigen middelen”), binnen twee maanden ter beschikking te stellen. Zij wees erop dat zij na ontvangst van dit bedrag de verschuldigde vertragingsrente zou berekenen.
39. Bij schrijven van 8 november 2005 deelden de Duitse autoriteiten de Commissie mee dat zij op 31 oktober 2005 een betaling ter hoogte van 408 735,53 EUR hadden verricht, zij het onder het voorbehoud dat de rechtsopvatting van de Commissie door het Hof van Justitie zou worden bevestigd. De Duitse autoriteiten benadrukten in dit schrijven dat door deze betaling de rechtsopvatting van de Commissie niet werd erkend en dat de betaling uitsluitend tot doel had het risico van vertragingsrente te beperken voor het geval dat de Bondsrepubliek Duitsland door het Hof van Justitie in het ongelijk zou worden gesteld.
40. Bij brieven van 16 december 2005 en 30 maart 2006 wees de Commissie erop dat de Duitse autoriteiten het inningspercentage van 10 % (40 873,55 EUR) niet hadden ingehouden en dat dit derhalve zou worden terugbetaald. Bovendien lichtte de Commissie de grondslag voor de berekening van de vertragingsrente toe en bracht zij op basis hiervan een bedrag van 571 011,21 EUR (hierna: „de litigieuze vertragingsrente”) in rekening.
41. Bij schrijven van 13 juni 2006 weigerden de Duitse autoriteiten de vertragingsrente te betalen en wezen zij er nogmaals op dat ook het hoofdbedrag onder voorbehoud was betaald.
42. De Commissie stelde vervolgens een beroep wegens niet-nakoming in overeenkomstig artikel 226 EG. Nadat de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland bij schrijven van 18 oktober 2006 had verzocht haar standpunt kenbaar te maken en deze bij schrijven van 19 februari 2007 had geantwoord, deed de Commissie haar op 29 juni 2007 een met redenen omkleed advies toekomen. Hierin verzocht zij de Bondsrepubliek Duitsland de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na ontvangst ervan aan dit advies te voldoen.
III – Procedure voor het Hof
43. Aangezien de Commissie het antwoord van de Bondsrepubliek Duitsland van 24 augustus 2007 op het met redenen omkleed advies niet bevredigend achtte, heeft zij op 6 oktober 2008 een beroep wegens niet-nakoming overeenkomstig artikel 226 EG ingesteld.
44. Ter terechtzitting op 4 februari 2009 hebben vertegenwoordigers van de Commissie en de Duitse regering hun standpunt nader toegelicht en vragen beantwoord.
45. De Commissie verzoekt het Hof:
1. vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen krachtens de artikelen 2, 6, 9, 10 en 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 respectievelijk verordening nr. 1150/2000 niet is nagekomen door
– douanevorderingen ondanks de ontvangst van een mededeling in het kader van de administratieve bijstand te hebben laten verjaren en de hiervoor verschuldigde eigen middelen te laat te hebben afgedragen, en
– te weigeren de opgelopen vertragingsrente te betalen;
2. de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.
46. De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof:
1. het beroep af te wijzen, en
2. de Commissie te verwijzen in de kosten.
IV – Grieven van de Commissie
47. De Commissie baseert haar beroep op drie op elkaar opbouwende grieven inzake schending van het gemeenschapsrecht. Om te beginnen laakt zij dat de Duitse douaneautoriteiten inbreuk hebben gemaakt op artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW en artikel 221, lid 1, CDW. Volgens de Commissie beschikten de Duitse douaneautoriteiten op 18 augustus 1998 over alle noodzakelijke informatie om het bedrag van de betrokken invoerrechten achteraf te boeken en de belastingschuldige hiervan op de hoogte te stellen. De Duitse douaneautoriteiten hebben hiermee echter niet uiterlijk op 18 november 1998 een begin gemaakt, maar pas op 1 april 1999. Hierdoor zijn de betrokken invoerrechten verjaard (A). Hierop voortbordurend stelt de Commissie schending van de artikelen 2, 6, 9, 10 en 17 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89. Het litigieuze bedrag aan eigen middelen had uiterlijk op 20 januari 1999 moeten worden betaald. De Bondsrepubliek Duitsland heeft dit bedrag echter pas op 31 oktober 2005 aan de Commissie afgedragen (B). Ten slotte laakt de Commissie schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 respectievelijk verordening nr. 1150/2000 omdat de Bondsrepubliek Duitsland over het litigieuze bedrag aan eigen middelen geen vertragingsrente heeft betaald (C).
A – Grief van schending van artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW en artikel 221, lid 1, CDW
48. Principieel moeten douaneschulden bij invoer, die overeenkomstig artikel 201, lid 1, sub a, CDW ontstaan wanneer aan rechten van invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, volgens artikel 217, lid 1, CDW door de douaneautoriteiten worden berekend en geregistreerd zodra deze over de nodige gegevens beschikken. Mocht bij een herziening van de aangifte evenwel blijken dat bij invoer van de goederen van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dienen de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 78, lid 3, CDW de nodige maatregelen te nemen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken. Tot deze maatregelen behoort in het bijzonder de boeking achteraf van het bedrag van de invoerrechten dat overeenstemt met de wettelijk verschuldigde douanerechten. Deze boeking dient overeenkomstig artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW principieel te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en de schuldenaar kunnen aanwijzen. Artikel 221, lid 1, CDW bepaalt dat het bedrag van de rechten op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar moet worden medegedeeld.
49. De Commissie laakt om te beginnen dat de Duitse autoriteiten inbreuk hebben gemaakt op artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW en artikel 221, lid 1, CDW voor zover zij ondanks het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven niet de nodige maatregelen hebben genomen om de situatie in het licht van de hen bekende nieuwe gegevens recht te zetten. Zij is van mening dat de Duitse autoriteiten binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van dit schrijven, dus uiterlijk op 18 november 1998, de verschuldigde rechten hadden moeten navorderen. Te dien einde moesten de betrokken bedragen eerst achteraf worden geboekt en aan de schuldenaar meegedeeld.
50. Volgens de Duitse regering waren de Duitse douaneautoriteiten echter vanaf 18 augustus 1998 nog niet verplicht het bedrag van de betrokken invoerrechten achteraf te boeken en aan de schuldenaar mee te delen. Aangezien tegen het resultaat van de door de Hongaarse douaneautoriteiten verrichte controle achteraf beroep was ingesteld, zou de boeking achteraf en de mededeling aan de schuldenaar niet rechtmatig zijn geweest (1). Er bestond derhalve geen rechtsgrondslag voor deze maatregelen. Artikel 220 CDW mag echter niet worden toegepast op een geval waarin ex ante wordt betwijfeld dat de bedragen van de rechten gerechtvaardigd zijn (2). De Duitse regering bekritiseert daarnaast dat de conclusies van de Hongaarse douaneautoriteiten met betrekking tot de resultaten van de controle achteraf, door OLAF niet zijn geëvalueerd. De Duitse douaneautoriteiten mochten bovendien pas op basis van een eindverslag van OLAF stappen ondernemen (3). De Duitse regering stelt ten slotte nog dat de argumentatie van de Commissie haaks staat op haar mededeling van 27 oktober 1999 (4).
1. Inaanmerkingneming van de aanhangigheid van een beroep tegen de resultaten van de controle achteraf
a) Argumenten van partijen
51. De Duitse regering verwijst om te beginnen naar het arrest Sfakianakis.(16) Uit de punten 32 en 43 van dat arrest volgt haars inziens dat de Duitse douaneautoriteiten na ontvangst van het schrijven op 18 augustus 1998 de invoerrechten nog niet achteraf hadden mogen boeken, aangezien de EUR.1-certificaten nog niet definitief waren ingetrokken. De betrokken certificaten „bestonden” derhalve nog steeds en dienden daarom door de Duitse douaneautoriteiten in aanmerking te worden genomen. Indien de rechten achteraf waren geboekt, zou op ontoelaatbare wijze zijn geanticipeerd op het aanhangige beroep.
52. Volgens de Commissie volgt uit het arrest Sfakianakis niet dat de douaneautoriteiten van de lidstaten geen stappen mogen ondernemen zolang tegen de intrekking van de EUR.1-certificaten een beroep aanhangig is. Tevens verzet het protocol zich niet tegen een verplichting van de Duitse douaneautoriteiten tot boeking achteraf van de douaneschuld wanneer de intrekking nog niet definitief is. Dit geval wordt door het protocol namelijk niet geregeld. Overigens bieden de bepalingen van het douanewetboek de belastingschuldigen voldoende beschermingsmogelijkheden.
b) Beoordeling
53. Om te beginnen moet worden onderzocht of de overwegingen in de punten 32 en 43 van het arrest Sfakianakis op het onderhavige geval kunnen worden toegepast (i). Dit is mijns inziens niet het geval. Derhalve zal ik vervolgens nagaan welke juridische werking de mededeling van de resultaten van de controle achteraf van de EUR.1-certificaten door de Hongaarse autoriteiten aan de Duitse douaneautoriteiten had (ii) en of deze wordt beïnvloed door het feit dat tegen die resultaten een beroep aanhangig was (iii).
i) Het arrest Sfakianakis
54. In tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering, heeft het Hof in dit arrest niet geoordeeld dat een boeking achteraf en de mededeling aan de schuldenaar in een geval als het onderhavige onrechtmatig was.
55. Zoals de Duitse regering zelf aanvoert, heeft het door haar aangehaalde punt 32 van het arrest betrekking op het geval dat de autoriteiten van de staat van invoer op de hoogte worden gesteld van in de staat van uitvoer reeds gegeven rechterlijke beslissingen. Om een dergelijk geval gaat het in casu niet. De Duitse douaneautoriteiten zijn namelijk pas na 18 augustus 1998 en ook na 18 november 1998, namelijk door de mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999, in kennis gesteld van de beslissing van de Hongaarse rechter.
56. Ook voor zover de Duitse regering zich op punt 43 van het arrest Sfakianakis beroept, weet zij mij niet te overtuigen. Hier stelde het Hof namelijk vast dat het nuttig effect van de afschaffing van douanerechten als bedoeld in de associatieovereenkomst zich verzet tegen administratieve beschikkingen tot oplegging van douanerechten die door de douaneautoriteiten van de staat van invoer zijn vastgesteld alvorens hun de definitieve uitkomst is meegedeeld van de beroepen die zijn ingesteld tegen de resultaten van de controle achteraf, wanneer de beschikkingen van de autoriteiten van de staat van uitvoer die de EUR.1-certificaten oorspronkelijk hebben afgegeven, niet zijn ingetrokken of vernietigd. Uit dit antwoord van het Hof kan mijns inziens niet worden opgemaakt dat een boeking achteraf ook in een geval als het onderhavige onrechtmatig is. Het Hof is namelijk alleen maar ingegaan op een constellatie waarin de douaneautoriteiten van een lidstaat op basis van de hun ter beschikking staande informatie uiteindelijk niet met zekerheid ervan konden uitgaan dat een mededeling van de Hongaarse douaneautoriteiten bestond waaruit bleek dat de EUR.1-certificaten ten onrechte waren afgegeven.
57. Dit volgt ten eerste uit de zinsnede „wanneer de beschikkingen van de autoriteiten van de staat van uitvoer die de EUR.1-certificaten oorspronkelijk hebben afgegeven, niet zijn ingetrokken of vernietigd”. Ten tweede bleek, zoals het Hof in punt 40 van voornoemd arrest heeft vastgesteld, uit de door de verwijzende rechter verstrekte inlichtingen niet dat de Hongaarse autoriteiten zouden zijn overgegaan tot een dergelijke intrekking, die de Griekse autoriteiten in staat zou hebben gesteld om de toepassing van de preferentiële regeling op de betrokken producten op te schorten. Deze vaststelling moet worden gelezen in samenhang met punt 11 van datzelfde arrest, waaruit blijkt dat de Griekse douaneautoriteiten, na de toezending van de informatie inzake de resultaten van de controle achteraf door de Commissie, van de Hongaarse douaneautoriteiten rechtstreeks nadere informatie hadden ontvangen in de vorm van een brief van 3 november 1998 met een uit drie afdelingen bestaande lijst. De eerste afdeling bevatte gegevens met betrekking tot de voertuigen waarvan de Hongaarse oorsprong zowel door de fabrikant als door de Hongaarse controleautoriteiten was erkend, de tweede gaf een opsomming van de voertuigen waarvoor de genoemde autoriteiten tot de conclusie waren gekomen dat zij een buitenlandse oorsprong hadden, hetgeen door de fabrikant ook formeel werd erkend, en de derde betrof de voertuigen waarvan de status het voorwerp van een gerechtelijke procedure uitmaakte. Met betrekking tot deze derde afdeling, met de voertuigen waarvoor de aanvullende heffing voor de verwijzende rechter werd betwist, verklaarden de Hongaarse douaneautoriteiten geen inlichtingen over de uitkomst van deze procedures te kunnen verstrekken zolang zij niet waren voltooid en verzochten zij de bevoegde Griekse autoriteiten geduld te oefenen alvorens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douanerechten te innen. Tegen deze achtergrond wees het Hof in punt 41 van het arrest erop dat het aan de verwijzende rechter stond te beoordelen of de Griekse autoriteiten over voldoende inlichtingen beschikten om te kunnen aannemen dat de betrokken EUR.1-certificaten niet waren ingetrokken en derhalve geldig bleven.
58. In casu liggen de feiten anders. Zoals de Duitse regering ter terechtzitting heeft verduidelijkt, hebben de Duitse douaneautoriteiten in het onderhavige geval alleen de mededeling van de Commissie betreffende de resultaten van de controle achteraf ontvangen. Anders dan in het arrest Sfakianakis, hebben zij van de Hongaarse douaneautoriteiten niet rechtstreeks nadere informatie ontvangen die twijfel omtrent de informatie in de op 18 augustus 1998 ontvangen brief had kunnen doen rijzen. Het onderhavige geval is dus niet vergelijkbaar met de situatie waarop het Hof in punt 43 van het arrest Sfakianakis is ingegaan.
59. De op de punten 32 en 43 van het arrest Sfakianakis gebaseerde argumenten van de Duitse regering moeten derhalve worden afgewezen.
ii) Gevolgen van de controle achteraf
60. Thans zal ik om te beginnen nagaan welke rechtsgevolgen de mededeling van de resultaten van de controle achteraf aan de Duitse douaneautoriteiten had. Aangezien de bepalingen van het protocol als volkenrechtelijk verdrag voorrang genieten boven de secundairrechtelijke bepalingen van het douanewetboek, moet in eerste instantie worden onderzocht of de bepalingen van het protocol een antwoord bieden op deze vraag.
61. In tegenstelling tot de opvatting van de Commissie(17), ben ik van mening dat het protocol wel degelijk regelt welke rechtsgevolgen de mededeling van het resultaat van de controle achteraf heeft, wanneer dit resultaat erin bestaat dat de betrokken motorvoertuigen niet als producten van oorsprong uit Hongarije kunnen worden beschouwd en de EUR.1-certificaten derhalve ten onrechte zijn afgegeven. Dit vloeit voort uit het systeem van administratieve samenwerking, dat in het bijzonder in de artikelen 16, lid 1, 17, lid 1, en 32 van het protocol tot uitdrukking komt.
62. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van het protocol zijn op producten van oorsprong uit Hongarije bij invoer in de Gemeenschap op vertoon van een bewijs van oorsprong tariefpreferenties van toepassing. Volgens artikel 17, lid 1, van het protocol ligt de bevoegdheid voor de afgifte van EUR.1-certificaten bij de Hongaarse douaneautoriteiten. Zij dienen overeenkomstig artikel 17, leden 4 en 5, van het protocol alle nodige maatregelen te nemen om te controleren of de producten inderdaad van oorsprong zijn. Uit artikel 32, leden 3 en 5, van het protocol volgt dat zij ook voor de controle achteraf ervan bevoegd zijn.
63. Dit systeem van administratieve samenwerking verplicht de douaneautoriteiten van de staat van invoer om te beginnen ertoe, door de autoriteiten van de staat van uitvoer afgegeven EUR.1-certificaten principieel te erkennen. Het verplicht hen ook het resultaat van een controle achteraf door de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer principieel te erkennen.(18) Het systeem van samenwerking stoelt namelijk op een verdeling van de taken en op wederzijds vertrouwen tussen de douaneautoriteiten van de staat van invoer en die van de staat van uitvoer. De verdeling van de taken wordt gerechtvaardigd door het feit dat de autoriteiten van de staat van uitvoer het best in staat zijn om rechtstreeks de feiten te controleren die bepalend zijn voor de oorsprong van het betrokken product. Dit systeem kan slechts dan functioneren wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer de door de autoriteiten van de staat van uitvoer uitgebrachte beoordelingen erkennen, en dit niet alleen bij de afgifte van de EUR.1-certificaten, maar ook bij de controle achteraf ervan.
64. Dit betekent in de onderhavige zaak dat de Duitse douaneautoriteiten het resultaat van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten, dat de betrokken motorvoertuigen geen producten van oorsprong uit Hongarije waren en de EUR.1-certificaten voor deze motorvoertuigen ten onrechte waren afgegeven, dienden te erkennen.
65. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat in het onderhavige geval naast de controle achteraf een controlemissie van de Commissie heeft plaatsgevonden. Artikel 32, lid 1, van het protocol voorziet weliswaar in de mogelijkheid dat achteraf een controle wordt verricht door middel van steekproeven of bij gegronde twijfel van de douaneautoriteiten van de staat van invoer. Deze opsomming kan echter niet als uitputtend worden beschouwd. Indien deze bepaling aldus zou worden uitgelegd dat zij de gevallen waarin een controle achteraf is toegestaan, uitputtend opsomt, dan zou dit tot kennelijk onzinnige resultaten leiden. Dit zou namelijk betekenen dat de Hongaarse douaneautoriteiten ook naar aanleiding van een aanwijzing of een verdenking ambtshalve geen controles achteraf zouden mogen verrichten.
66. Niet relevant is voorts dat de mededeling niet rechtstreeks door de Hongaarse aan de Duitse douaneautoriteiten is voorgelegd. Artikel 32, lid 5, van het protocol bepaalt dat de resultaten van de controle achteraf zo spoedig mogelijk worden meegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. Alhoewel met het begrip douaneautoriteiten in het protocol over het algemeen de douaneautoriteiten van de lidstaten en Hongarije worden aangeduid, lijkt het voor de hand te liggen dat deze bepaling in casu ten minste naar analogie ook op de Commissie kan worden toegepast, die het initiatief voor de grondige controle achteraf heeft genomen. Hiervoor pleit ten eerste dat overeenkomstig artikel 31, lid 2, van het protocol de Gemeenschap en Hongarije elkaar via hun douaneautoriteiten bijstand verlenen bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten. Het begrip van douaneautoriteit van de Gemeenschap in de zin van deze bepaling omvat mijns inziens ook de Commissie. Ten tweede moet in de interne verhouding tussen de Commissie en de lidstaten ook rekening worden gehouden met artikel 17, lid 2, van verordening nr. 515/97, uit hoofde waarvan de Commissie de bevoegde autoriteiten van de afzonderlijke lidstaten alle informatie kan doen toekomen die geschikt is om de naleving van de douaneregelingen door deze autoriteiten te waarborgen.
67. Ten slotte kan ook het bezwaar van de Duitse regering niet worden aanvaard dat het bij de door de Commissie meegedeelde informatie niet ging om een definitief resultaat, aangezien de Hongaarse douaneautoriteiten hadden aangekondigd de definitieve resultaten van de controle aan de douaneautoriteiten van de lidstaten voor te leggen. Het is immers duidelijk dat hiermee enkel werd gedoeld op de douaneautoriteiten van de lidstaten die gehoor hadden gegeven aan de oproep van de Commissie in de mededelingen in het kader van de administratieve bijstand van 13 juni 1996 en 28 november 1996 en de Hongaarse autoriteiten zelf rechtstreeks hadden verzocht de EUR.1-certificaten achteraf te controleren. Aangezien de Duitse regering niet op die oproep is ingegaan, kan zij zich ook niet erop beroepen dat zij een rechtstreekse reactie van de Hongaarse douaneautoriteiten verwachtte. Bovendien bleek uit de brief van de Hongaarse douaneautoriteiten van 26 mei 1998 voldoende duidelijk dat het reeds om de definitieve resultaten ging. De douaneautoriteiten van de lidstaten die rechtstreeks moesten worden ingelicht, moesten er immers op worden gewezen dat zij bij de Commissie gedetailleerdere informatie konden verkrijgen. Het ging om de informatie die de Commissie de Duitse douaneautoriteiten bij het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven had doen toekomen.
68. Op grond van het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven dienden de Duitse douaneautoriteiten ervan uit te gaan dat het bij de betrokken motorvoertuigen niet om producten van oorsprong uit Hongarije ging en dat hieraan bij de invoer geen preferentiële behandeling in de zin van artikel 16, lid 1, van het protocol had mogen worden toegekend. De Duitse douaneautoriteiten hadden derhalve een boeking achteraf van het bedrag van de verschuldigde invoerrechten moeten verrichten en de belastingschuldigen hiervan op de hoogte moeten stellen.
iii) Werking van het beroep
69. In casu rijst de vraag, of het feit dat de Duitse autoriteiten ook ervan in kennis waren gesteld dat een beroep tegen de resultaten van de controle achteraf aanhangig was, een wijziging van deze juridische situatie tot gevolg had. Dit was niet het geval.
70. Om te beginnen wijs ik erop dat het protocol niet uitdrukkelijk bepaalt dat het resultaat van de controle achteraf onherroepelijk moet zijn. Mijns inziens pleit artikel 32, lid 5, van het protocol, dat bepaalt dat het resultaat van de controle achteraf zo spoedig mogelijk moet worden meegedeeld, veeleer tegen een dergelijke hypothese.
71. Nu heeft het Hof verduidelijkt dat de douaneautoriteiten van de lidstaten verplicht zijn om rekening te houden met de in de staat van uitvoer gegeven rechterlijke beslissingen op beroepen die werden ingesteld tegen de resultaten van de controles achteraf.(19) Deze verplichting vloeit enerzijds voort uit de in het protocol voorziene verdeling van de taken en het wederzijdse vertrouwen tussen de Hongaarse douaneautoriteiten en die van de lidstaten, dat uiteindelijk ook voor de rechterlijke instanties geldt.(20) Anderzijds is zij het gevolg van de noodzaak het recht op een effectief beroep in rechte te eerbiedigen.(21) Dit betekent, in tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering, echter niet dat de Duitse douaneautoriteiten ook voordat een dergelijke rechterlijke beslissing is gegeven, van een boeking achteraf zouden moeten afzien.
72. Tegen een dergelijke opvatting pleit ten eerste het in het protocol voorziene systeem van samenwerking, dat op de beginselen van taakverdeling en wederzijds vertrouwen tussen de douaneautoriteiten stoelt. Zoals ik reeds heb uiteengezet(22), is de controle achteraf van de EUR.1-certificaten taak van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer en moeten de douaneautoriteiten van de staat van invoer principieel op de juistheid van de resultaten vertrouwen. Het feit dat beroep tegen het resultaat van de controle achteraf is ingesteld, wil nog niets zeggen over de kans van slagen ervan. Het ingestelde beroep is derhalve op zich niet geschikt om afbreuk te doen aan het vertrouwen dat de douaneautoriteiten van de lidstaten in de resultaten van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten moeten stellen.
73. Ten tweede vereist in casu ook het beginsel van eerbieding van het recht op een effectief beroep in rechte niet dat van een boeking achteraf in de zin van artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW en van een mededeling aan de schuldenaren in de zin van artikel 221, lid 1, CDW wordt afgezien. Dit zou immers enkel noodzakelijk zijn wanneer beslissingen van de Hongaarse rechter, die naar aanleiding van een beroep tegen de resultaten van de controle achteraf worden gegeven, na de uitspraak ervan niet meer op effectieve wijze in aanmerking zouden kunnen worden genomen. Hiervan kon in casu echter ook dan niet worden uitgegaan wanneer de Hongaarse douaneautoriteiten na het geven van de rechterlijke beslissing hadden meegedeeld dat de betrokken motorvoertuigen toch als producten van oorsprong uit Hongarije moesten worden beschouwd (wat zij niet hebben gedaan).(23) Zoals de Commissie terecht benadrukt, worden douanerechten waarvan achteraf blijkt dat zij niet verschuldigd waren, namelijk overeenkomstig artikel 236, lid 1, CDW terugbetaald of kwijtgescholden. Wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten ervan in kennis worden gesteld dat de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer op grond van een rechterlijke beslissing de resultaten van hun controle achteraf wijzigen en opnieuw ervan uitgaan dat het om producten van oorsprong uit Hongarije gaat, zijn zij verplicht hiermee rekening te houden.(24) Ook voor het geval dat het voor de betrokken belastingschuldige ondraaglijk zou zijn, de terugbetaling af te wachten, voorziet het CDW in voldoende beschermingsmogelijkheden. Zo kunnen de betrokkene onder de voorwaarden van artikel 229 CDW betalingsfaciliteiten worden toegekend. Alhoewel in dat geval principieel een zekerheidstelling vereist is, kan daarvan worden afgezien wanneer zij tot ernstige economische of sociale moeilijkheden zou leiden.
74. Het loutere feit dat tegen de resultaten van de controle achteraf beroep is ingesteld, vormt derhalve geen reden om van een boeking achteraf af te zien.
75. Anders ziet de situatie eruit wanneer uit de mededeling van de douaneautoriteiten niet duidelijk blijkt wat het resultaat is van de controle achteraf. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer de douaneautoriteiten van de staat van invoer meedelen dat zij geen nadere inlichtingen kunnen verstrekken zolang de ingeleide gerechtelijke procedure niet is voltooid, en zij de douaneautoriteiten van de staat van invoer verzoeken geduld te oefenen alvorens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde douanerechten te innen. Dit is in casu echter niet het geval.
iv) Tussenconclusie
76. Op basis van de informatie waarover de Duitse douaneautoriteiten op grond van het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven beschikten, hadden zij het bedrag van de verschuldigde invoerrechten achteraf moeten boeken en het betrokken bedrag aan de schuldenaar moeten meedelen.
2. Te ruime interpretatie van de voorwaarden van artikel 220 CDW
a) Argumenten van partijen
77. De Duitse regering voert voorts aan dat een extensieve toepassing van artikel 220 CDW bij de boeking van invoerrechten waarvan de rechtmatigheid ex ante wordt betwijfeld, niet kan worden gerechtvaardigd door het feit dat het douanewetboek in beschermingsmechanismen voor de ondernemingen voorziet. Veeleer zou in dergelijke gevallen in het belang van de betrokken ondernemingen van een boeking achteraf moeten worden afgezien. Dat als gevolg hiervan douaneschulden verjaren, moet op de koop toe worden genomen. Dit probleem zou eventueel door een aanpassing van het douanewetboek uit de weg kunnen worden geruimd.
b) Beoordeling
78. Ook dit bezwaar moet worden verworpen. Zoals ik reeds heb toegelicht, moesten de Duitse douaneautoriteiten volgens de bepalingen van het protocol na ontvangst van het schrijven van 18 augustus 1998 ervan uitgaan dat er geen grondslag voor de toepassing van tariefpreferenties op de betrokken motorvoertuigen had bestaan. Artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW zou in het onderhavige geval niet extensief zijn toegepast. De argumentatie van de Duitse regering, waarin het feit dat er geen rechtsgrondslag voor een boeking achteraf bestond, centraal staat, moet derhalve van de hand worden gewezen.
79. Slechts bij wijze van aanvulling wijs ik erop dat de opvatting van de Duitse regering niet alleen onjuist is, maar ook nog eens aanzienlijke risico’s voor de communautaire begroting inhoudt. Volgens artikel 221, lid 3, eerste zin, CDW kan een mededeling aan de schuldenaar namelijk slechts binnen een termijn van drie jaar na het ontstaan van de douaneschuld worden gedaan. Het instellen van beroep tegen de resultaten van de controle achteraf bij de Hongaarse rechter, heeft geen gevolgen voor deze termijn. Indien de douaneautoriteiten van de lidstaten derhalve bij het instellen van een dergelijk beroep altijd de beslissingen van de Hongaarse rechter zouden moeten afwachten alvorens een boeking achteraf te kunnen verrichten en de schuldenaar hiervan mededeling te kunnen doen, zou overeenkomstig artikel 221, lid 3, eerste zin, CDW de schuld in tal van gevallen dreigen te verjaren. In dit verband mag ook niet worden vergeten dat een gerechtelijke procedure zich niet noodzakelijkerwijs tot één instantie beperkt en dat er dus veel tijd kan verstrijken voordat een onherroepelijke uitspraak wordt gedaan en dus een definitief resultaat wordt verkregen. Bovendien zou de rechtsopvatting van de Duitse regering tot gevolg hebben dat de belastingschuldige er duidelijk belang bij heeft dat de procedure voor de Hongaarse rechters zo lang mogelijk duurt, zodat de kans dat de schuld verjaart, steeds groter wordt.
3. Ontbrekende evaluatie door OLAF en noodzaak van een eindverslag
a) Argumenten van partijen
80. De Duitse regering werpt tegen dat de resultaten van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten niet door OLAF zijn geëvalueerd. Zij is van mening dat de Duitse douaneautoriteiten alleen op basis van een eindverslag van OLAF stappen hadden mogen ondernemen. Ter onderbouwing van dit argument beroept zij zich enerzijds op de bewijskracht van een eindverslag en anderzijds op punt 4.5 van het vademecum van de Commissie voor de uitvoering van communautaire missies overeenkomstig verordening nr. 515/97(25) (hierna: „vademecum”).
81. De Commissie stelt zich op het standpunt dat noch een evaluatie, noch een eindverslag vereist was. In casu waren er geen EUR.1-certificaten meer omdat de Hongaarse douaneautoriteiten ze hadden ingetrokken. De Commissie is bovendien niet verplicht controlemissies ter plaatse te verrichten. Overigens acht zij de argumentatie van de Duitse regering tegenstrijdig, aangezien ook een eindverslag niet impliceert dat er een definitieve, dus onherroepelijke beslissing van de Hongaarse douaneautoriteiten bestaat, die door de Duitse regering nu juist noodzakelijk wordt geacht.
b) Beoordeling
82. Ook deze argumenten van de Duitse regering weten mij niet te overtuigen. Om te beginnen wijs ik er nogmaals op dat het systeem van samenwerking slechts dan kan functioneren wanneer de douaneautoriteiten van de staat van invoer de door de autoriteiten van de staat van uitvoer uitgebrachte beoordelingen erkennen, en dit niet alleen bij de afgifte van de EUR.1-certificaten, maar ook bij de controle achteraf ervan.(26) Deze principiële erkenningsverplichting is niet afhankelijk van de vraag of OLAF of de Commissie de beoordeling van de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer al dan niet evalueert.
83. Ten eerste berust het argument van de Duitse regering, dat alleen een eindverslag in de zin van nr. 515/97 de Duitse douaneautoriteiten de noodzakelijke minimale zekerheid had geboden om de door de Hongaarse douaneautoriteiten afgegeven EUR.1-certificaten buiten beschouwing te laten, op een onjuiste premisse. De Duitse douaneautoriteiten waren op de hoogte gesteld van het resultaat van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten, dat de betrokken motorvoertuigen geen producten van oorsprong uit Hongarije waren en de EUR.1-certificaten in zoverre ten onrechte waren afgegeven. Zij dienden derhalve ervan uit te gaan dat de betrokken motorvoertuigen geen producten van Hongaarse oorsprong waren. Derhalve is reeds de premisse dat in dit geval bewijzen van oorsprong buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten, niet juist.
84. Ten tweede snijdt ook het argument geen hout dat de Duitse douaneautoriteiten een evaluatie door de Commissie of het eindverslag van de Commissie over haar controlemissie in Hongarije hadden moeten afwachten. Het is een feit dat de Commissie in nauw verband met de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten zelf een controlemissie in Hongarije heeft uitgevoerd. Niettemin moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de resultaten van de controlemissie van de Commissie en die van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten. De Duitse douaneautoriteiten werden bij het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven op de hoogte gesteld van het resultaat van de controle achteraf door de Hongaarse douaneautoriteiten, en dit resultaat had overeenkomstig artikel 32, lid 5, van het protocol door de Duitse douaneautoriteiten principieel moeten worden erkend, zonder dat hiervoor ook nog eens een evaluatie door of een eindverslag van de Commissie noodzakelijk was.
85. Ten derde moet ook het argument dat de lidstaten overeenkomstig punt 4.5 van het vademecum het eindverslag van de Commissie moesten afwachten alvorens maatregelen te kunnen nemen, van de hand worden gewezen. Om te beginnen gaat het bij het vademecum om een document van april 2009, dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft vermeld, pas in december 2009 door het in artikel 43 van verordening nr. 515/97 bedoelde comité is aangenomen, dus duidelijk na de in casu relevante periode van 18 augustus 1998 tot en met 15 april 1999. Bovendien heeft het vademecum, zoals in de inleiding ervan duidelijk wordt uiteengezet, geen bindende werking en geen functie bij de uitlegging van verordening nr. 515/97.
86. Hoe dan ook ben ik van mening dat punt 4.5 van het vademecum niet zo kan worden opgevat dat het betrekking heeft op het geval dat de Hongaarse douaneautoriteiten zelf als resultaat van hun controle achteraf vaststellen dat de betrokken producten niet van oorsprong uit Hongarije zijn. In dat geval volgt namelijk uit het protocol, dat de douaneautoriteiten van de lidstaten dit resultaat moeten erkennen, los van een eindverslag van de Commissie. De vraag of de controle achteraf naar aanleiding van twijfels van de Commissie of in verband met haar controlemissie is verricht, speelt in dit opzicht geen rol.
87. Mijns inziens heeft dat punt veeleer betrekking op gevallen waarin de douaneautoriteiten van het derde land, ondanks het feit dat twijfels zijn geuit, volharden in hun standpunt dat het gaat om producten van oorsprong uit hun land, en als resultaat van hun controle achteraf vaststellen dat de twijfels daaromtrent niet gegrond zijn en de EUR.1-certificaten terecht zijn afgegeven. In een dergelijk geval mogen de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk, ondanks hun twijfels, de nog steeds geldige oorsprongsbewijzen principieel niet eenzijdig buiten beschouwing laten. Slechts onder de voorwaarden van artikel 32, lid 6, van het protocol, dat wil zeggen in gevallen waarin bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle achteraf geen antwoord is ontvangen of het antwoord niet voldoende gegevens bevat, mogen de douaneautoriteiten besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen. Gevallen die niet binnen de werkingssfeer van artikel 32, lid 6, van het protocol vallen, moeten volgens de geschillenprocedure van artikel 33 van het protocol worden geregeld. Om de reeds genoemde redenen kan het in de gevallen waarin de geuite twijfels omtrent de oorsprong van de producten door de Hongaarse douaneautoriteiten niet in aanmerking worden genomen, zinvol zijn dat de douaneautoriteiten van de lidstaten die niet aan de communautaire missie hebben deelgenomen, de uitkomst van een eindverslag afwachten.(27)
4. De mededeling van 27 oktober 1999
a) Argumenten van partijen
88. Tot besluit verwijst de Duitse regering naar de mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999 waaruit haars inziens volgt dat de Commissie zelf van opvatting was dat de Duitse douaneautoriteiten pas op basis van het eindverslag van de Commissie verplicht waren een boeking achteraf te verrichten. In de mededeling riep OLAF de lidstaten namelijk in het bijzonder op, hun maatregelen te baseren op de conclusies van het verslag van de Gemeenschap van februari 1999.(28)
b) Beoordeling
89. Ook deze tegenwerping kan niet worden aanvaard.
90. Vooraf wil ik erop wijzen dat de Duitse regering de mededeling van 27 oktober 1999 sterk verkort heeft aangehaald. Hierin riep de OLAF de douaneautoriteiten ten eerste ertoe op, de herziene conclusies van de Hongaarse douaneautoriteiten, die in de zomer van 1999 aan de afzonderlijke lidstaten waren toegestuurd, af te wijzen, en ten tweede hun maatregelen te baseren op de conclusies van het verslag van de Gemeenschap van februari 1999. Uit deze oproep kan, in tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering, niet worden afgeleid dat de Duitse douaneautoriteiten pas na ontvangst van het eindverslag verplicht waren te handelen.
91. Feitelijk moet namelijk in aanmerking worden genomen dat de Hongaarse douaneautoriteiten na de beslissing van de Hongaarse rechter het resultaat van hun controle achteraf gedeeltelijk hadden gewijzigd en thans bepaalde motorvoertuigen toch weer als producten van oorsprong uit Hongarije beschouwden. Deze wijziging dienden de Duitse douaneautoriteiten volgens het in het protocol neergelegde systeem van samenwerking principieel te erkennen. De oproep van OLAF om zich op het eindverslag van de Commissie te baseren, moet tegen deze achtergrond worden gezien. OLAF wilde de gewijzigde resultaten van de controle achteraf niet erkennen en riep de lidstaten derhalve ertoe op, zich op het eindverslag van de Commissie te baseren om over de gewijzigde resultaten van de controle achteraf heen te stappen.
92. Of deze oproep verenigbaar was met het protocol, behoeft in casu niet te worden onderzocht. Daaruit volgde namelijk niet dat de Commissie het noodzakelijk achtte, zich ten aanzien van de betrokken motorvoertuigen op het eindverslag te baseren. De oproep in de mededeling had immers uitsluitend betrekking op motorvoertuigen ten aanzien waarvan de Hongaarse autoriteiten nu toch weer van een Hongaarse oorsprong uitgingen. Wat de betrokken motorvoertuigen betrof, waren de Hongaarse douaneautoriteiten echter ook na de rechterlijke beslissing bij hun standpunt gebleven dat het niet om producten van oorsprong uit Hongarije ging en de EUR.1-certificaten dus ten onrechte waren afgegeven.
5. Tussenconclusie
93. In het licht van het voorgaande kom ik tot de tussentijdse conclusie dat de Duitse douaneautoriteiten op basis van de informatie waarover zij op grond van het op 18 augustus 1998 ontvangen schrijven beschikten, het bedrag van de verschuldigde invoerrechten overeenkomstig artikel 220, lid 1, eerste zin, CDW achteraf hadden moeten boeken en overeenkomstig artikel 221, lid 1, CDW aan de schuldenaars hadden moeten meedelen.
B – Tijdstip waarop het litigieuze bedrag aan eigen middelen had moeten worden geboekt
1. Argumenten van partijen
94. Volgens de Commissie hadden de Duitse douaneautoriteiten de verschuldigde bedragen aan rechten binnen drie maanden na 18 augustus 1998, dus uiterlijk op 18 november 1998, achteraf moeten boeken en aan de schuldenaren moeten meedelen. Voorts volgt uit de artikelen 2, 6, 9, 10 en 17 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 respectievelijk verordening nr. 1150/2000 en uit de rechtspraak van het Hof in zaak C‑392/02, Commissie/Denemarken(29), dat de Bondsrepubliek Duitsland het litigieuze bedrag aan eigen middelen dat overeenkwam met de betrokken invoerrechten minus 10 %, uiterlijk op 20 januari 1999 had moeten overmaken.
95. De Duitse regering stelt dat haar geen inbreuk op de douanewetgeving kan worden verweten en dat de Gemeenschap reeds om deze reden ten opzichte van de Bondsrepubliek Duitsland geen recht heeft op eigen middelen. Voorts heeft de Duitse regering ter terechtzitting voor het eerst aangevoerd dat de boeking achteraf en de mededeling ervan aan de belastingschuldigen binnen drie maanden na 18 augustus 1998 niet automatisch tot gevolg zou hebben gehad dat de Gemeenschap na 20 januari 1999 recht had op eigen middelen. De Commissie neemt alleen het geval van artikel 6, lid 2, sub a, van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 in aanmerking. Volgens artikel 6, lid 2, sub b, van die verordening echter worden vastgestelde rechten die wegens insolventie van de belastingschuldige niet konden worden geïnd, in een specifieke boekhouding opgenomen. Dit is ook mogelijk in gevallen waarin beroep is ingesteld. Het is echter vrijwel zeker dat dergelijke beroepen zouden zijn ingesteld.
2. Beoordeling
96. De Commissie stelt dat de Duitse douaneautoriteiten binnen drie maanden na 18 augustus 1998 de boeking achteraf hadden moeten verrichten en de schuldenaars hiervan mededeling hadden moeten doen. Zij erkent enerzijds de complexiteit van de problematiek, maar benadrukt anderzijds dat de lidstaten hiervan al sinds 1996 op de hoogte waren. Feitelijk wordt zij hierin door de Duitse regering niet tegengesproken.(30) Gezien de omstandigheden van het onderhavige geval lijkt mij de termijn van drie maanden niet onredelijk kort te zijn. Met het oog op de onderhavige niet-nakomingsprocedure kan er dus van worden uitgegaan dat de Duitse douaneautoriteiten binnen drie maanden na 18 augustus 1998 de boeking achteraf hadden moeten verrichten en de schuldenaren hiervan mededeling hadden moeten doen.
97. Overeenkomstig artikel 2 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 geldt een recht van de Gemeenschappen op eigen middelen als vastgesteld, zodra de bevoegde instantie van de lidstaat de belastingschuldige in kennis heeft gesteld van het door hem verschuldigde bedrag. Artikel 6, lid 2, sub a, van die verordening bepaalt dat de overeenkomstig artikel 2 ervan vastgestelde rechten, onder voorbehoud van het bepaalde sub b, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding worden opgenomen. Krachtens de artikelen 9 en 10, lid 1, eerste alinea, van die verordening dient de lidstaat de eigen middelen uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld, te boeken op het credit van een rekening van de Commissie.
98. In het arrest Commissie/Denemarken heeft het Hof geoordeeld dat de lidstaten ook dan verplicht zijn de eigen middelen vast te stellen, wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten in strijd met de douanewetgeving hebben nagelaten het bedrag aan rechten van de schuldenaar na te vorderen. Aangaande de verplichting om de middelen binnen de gestelde termijn op de rekening van de Commissie te boeken, hoeft niet te worden onderscheiden tussen het geval waarin de lidstaat de eigen middelen heeft vastgesteld zonder ze af te dragen en het geval waarin hij ten onrechte heeft nagelaten de middelen vast te stellen.(31)
99. Met toepassing van deze rechtsvoorschriften moet in het onderhavige geval worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland het betrokken bedrag aan eigen middelen kennelijk te laat heeft afgedragen. De boeking achteraf en de mededeling aan de schuldenaars hadden uiterlijk op 18 november 1998 moeten geschieden. Het bedrag had uiterlijk op 20 januari 1999 aan de Commissie moeten worden overgemaakt. Dit is echter pas op 31 oktober 2005 gebeurd.
100. De Duitse regering heeft ter terechtzitting voor het eerst geopperd dat in het (hypothetische) geval dat de Duitse autoriteiten de boeking achteraf hadden uitgevoerd en de bedragen hadden meegedeeld, ook een opname in een specifieke boekhouding in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 in aanmerking zou zijn gekomen. In dat geval hadden de eigen middelen ingevolge artikel 10, lid 2, tweede alinea, van die verordening pas uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgde op de inning van de rechten moeten worden afgedragen.
101. Dit argument moet van de hand worden gewezen, zonder dat behoeft te worden nagegaan of het procesrechtelijk geoorloofd was het in het stadium van de terechtzitting voor het eerst naar voren te brengen. Ten eerste wijs ik erop dat het volgens het beginsel reus in excipiendo fit actor aan de Bondsrepubliek Duitsland stond om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6, lid 2, sub b, van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 was voldaan. Enerzijds heeft zij echter niet uiteengezet waarom in casu van een insolventie van de belastingschuldige had moeten worden uitgegaan.(32) Anderzijds weet haar argumentatie betreffende de mogelijkheid dat de lidstaten, in gevallen waarin beroep wordt ingesteld, de rechten in een specifieke boekhouding opnemen, ook niet te overtuigen. De Duitse regering stelt dat het vrijwel zeker is dat de belastingschuldigen tegen de navordering in beroep zouden zijn gegaan. Dit moet echter ten zeerste worden betwijfeld. Want zolang de Hongaarse douaneautoriteiten vasthielden aan hun conclusie dat de betrokken motorvoertuigen niet van Hongaarse oorsprong waren, zou het zinloos zijn geweest bij de Duitse douaneautoriteiten beroep in te stellen tegen de vastgestelde rechten. Net zoals de Duitse douaneautoriteiten moesten de Duitse rechtbanken principieel die conclusie eerbiedigen. Een verstandige belastingschuldige zou derhalve eerst hebben getracht, in Hongarije tegen het resultaat van de controle achteraf op te komen. In tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering, kan dus niet ervan worden uitgegaan dat rechtstreeks zou zijn opgekomen tegen de door de Duitse douaneautoriteiten vastgestelde douanerechten. Uiteindelijk blijft het dus bij een situatie van non liquet, ten laste van de Bondsrepubliek Duitsland die de bewijslast draagt. Deze conclusie lijkt mij in casu ook deswege gerechtvaardigd omdat de omstandigheid dat de situatie in casu niet kan worden opgehelderd, te wijten is aan het feit dat de Duitse douaneautoriteiten in strijd met de douanewetgeving geen boeking achteraf hebben verricht en de bedragen aan rechten niet aan de schuldenaars hebben meegedeeld. Overigens wijs ik erop dat voorwaarde voor de opname van vastgestelde rechten in een specifieke boekhouding in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 niet alleen is, dat tegen de vastgestelde rechten beroep is ingesteld, maar ook dat een zekerheid wordt gesteld. Op dit aspect is de Bondsrepubliek Duitsland in het geheel niet ingegaan.
102. Ik concludeer derhalve dat de Bondsrepubliek Duitsland, door de eigen middelen te laat af te dragen, de artikelen 2, 6, lid 2, sub b, 9, 10, lid 1, eerste alinea, en 17 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 heeft geschonden.
C – Weigering om vertragingsrente te betalen
1. Argumenten van partijen
103. De Commissie stelt ten slotte schending van artikel 11 van verordening nr. 1552/89 c.q. verordening nr. 1150/2000, omdat de Bondsrepubliek Duitsland over het litigieuze bedrag aan eigen middelen geen vertragingsrente heeft betaald. Aan de verplichting tot betaling van rente doet ook de opmerking van de Commissie in de notulen van 12 juni 2003 geen afbreuk, dat een betaling binnen de door haar gestelde termijn zou kunnen helpen de berekening van vertragingsrente te voorkomen. De Commissie heeft hiermee niet willen zeggen dat pas vanaf dat tijdstip vertragingsrente in rekening zou worden gebracht. De Bondsrepubliek Duitsland kan zich niet op een gewettigd vertrouwen beroepen.
104. De Duitse regering stelt om te beginnen dat, aangezien geen sprake is van een te late afdracht, ook geen recht op rente bestaat. Zelfs aangenomen dat de douanewetgeving niet naar behoren is toegepast, komt een vertraging pas tot stand door de vaststelling van een termijn door de Commissie. Voorts voert zij aan dat een recht op rente niet bij het begin van een door de Commissie ex post vastgelegde termijn van drie maanden kan ingaan. Ten slotte beroept zij zich op de opmerking in de notulen van 12 juni 2003, dat betaling binnen de door de Commissie voorgestelde termijn de berekening van vertragingsrente zou kunnen helpen voorkomen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland binnen de gestelde termijn heeft betaald, kan zij zich op gewettigd vertrouwen beroepen.
2. Beoordeling
105. Overeenkomstig artikel 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 c.q. verordening nr. 1150/2000 dienen de lidstaten bij te late boeking vertragingsrente te betalen. De Bondsrepubliek Duitsland heeft de middelen in casu te laat afgedragen. Zoals ik reeds heb uiteengezet, had de afdracht uiterlijk op 20 januari 1999 moeten worden verricht, maar vond deze pas op 31 oktober 2005 plaats.
106. De argumenten die de Bondsrepubliek Duitsland aanvoert om de vertraging te betwisten, weten mij niet te overtuigen.
107. Ten eerste is van vertraging niet pas sprake op voorwaarde dat de Commissie een termijn vaststelt en deze termijn zonder resultaat verstrijkt. Uit artikel 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 c.q. verordening nr. 1150/2000 volgt dat bij te late boeking vertragingsrente moet worden betaald. Volgens de tekst van deze bepaling speelt de vaststelling van een termijn geen rol. Voorts volgt uit artikel 10, lid 1, eerste alinea, van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 c.q. verordening nr. 1150/2000 dat de boeking van de eigen middelen uiterlijk dient te geschieden op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht is vastgesteld. Ook volgens deze bepaling dient de betaling op een wettelijk bepaalde kalenderdatum te worden verricht. Derhalve speelt de vaststelling van een termijn ook in dit verband geen rol.
108. Het bezwaar van de Duitse regering, dat het in een geval als het onderhavige niet toelaatbaar is dat de Commissie ex post naar eigen goeddunken vaststelt vanaf wanneer de boeking had moeten worden verricht, houdt geen steek. Zoals ik reeds heb uiteengezet, is de datum waarop de middelen opeisbaar zijn, niet afhankelijk van een door de Commissie vastgelegde termijn. Dit geldt ook in casu. Anders ligt het echter met de procedurele benadering van de Commissie. In het onderhavige geval valt objectief moeilijk vast te stellen op welk tijdstip de Duitse douaneautoriteiten precies in staat hadden moeten zijn de boeking achteraf en de mededeling aan de schuldenaren te verrichten. Derhalve heeft de Commissie in haar verzoekschrift geargumenteerd dat een periode van drie maanden voor de Duitse douaneautoriteiten volstond om dit te doen. De procedurele benadering van de Commissie moet dus zo worden begrepen dat uiterlijk op dit tijdstip moest worden uitgegaan van een inbreuk. Dit betekent echter niet dat de Commissie materieelrechtelijk een termijn heeft vastgelegd waarna de middelen opeisbaar waren en de vertraging haar aanvang nam.
109. De Duitse regering kan zich ook niet op het arrest Commissie/Denemarken(33) beroepen. Uit dit arrest blijkt niet dat de verplichting tot betaling van rente in tegenstelling tot de bewoording van de artikelen 10 en 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 en de latere verordening nr. 1150/2000 afhankelijk is van de vaststelling van een termijn. Voor zover de Duitse regering naar punt 27 van dit arrest verwijst, attendeer ik erop dat het Hof daar alleen maar de feiten heeft weergegeven. Ook uit het dictum kan in tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering geen conclusie in die zin worden getrokken en niet worden opgemaakt dat een administratieve praktijk werd goedgekeurd. In die niet-nakomingsprocedure had de Commissie het Hof namelijk alleen verzocht een inbreuk vast te stellen wegens niet-betaling van vertragingsrente na afloop van de termijn die zij de lidstaat voor de boeking van de nog te betalen bedragen had gesteld.(34) Dat het Hof dit verzoek in het dictum heeft toegewezen, ligt aan het beginsel ne ultra petita. Hieruit kan derhalve geen uitlegging van de artikelen 10 en 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 en de latere verordening nr. 1150/2000 worden afgeleid die niet met de bewoording van deze bepalingen verenigbaar zou zijn. Uit de motivering van het Hof in punt 67 van het arrest en de daar aangehaalde rechtspraak volgt veeleer dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen, de verplichting die middelen binnen de (door de verordening) gestelde termijn te boeken en de verplichting vertragingsrente te betalen. Hieraan ligt de eveneens in punt 67 neergelegde gedachte ten grondslag dat het ten aanzien van de eigen middelen geen rol speelt of een lidstaat de eigen middelen vaststelt zonder ze af te dragen of dat hij reeds nalaat de eigen middelen vast te stellen. De lidstaat mag dus geen voordeel trekken uit het feit dat hij de eigen middelen niet op het in de gewijzigde verordening nr. 1552/89 en de latere verordening nr. 1150/2000 vastgelegde tijdstip heeft afgedragen.
110. De Duitse regering voert voorts aan dat zij op grond van de bescherming van het gewettigd vertrouwen niet verplicht is vertragingsrente te betalen. Blijkens de notulen van 12 juni 2003 heeft de Commissie erop gewezen dat een betaling binnen de door haar voorgestelde termijn de berekening van vertragingsrente zou kunnen helpen voorkomen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland het litigieuze bedrag aan eigen middelen binnen die termijn heeft betaald, zou zij zich op een gewettigd vertrouwen kunnen beroepen.
111. Ook dit bezwaar kan niet worden aanvaard. In casu kan niet worden aangenomen dat de Bondsrepubliek Duitsland erop kon vertrouwen dat zij in het geheel geen vertragingsrente zou hoeven te betalen. Voorwaarde voor een gewettigd vertrouwen is namelijk in de eerste plaats dat de betrokkene nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen heeft gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. In de tweede plaats moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen wekken bij degene tot wie zij gericht zijn. In de derde plaats moeten de gegeven toezeggingen overeenstemmen met de toepasselijke voorschriften.(35)
112. In casu is reeds niet aan de eerste twee voorwaarden voldaan. Uit de inhoud van de notulen van 12 juni 2003 kon de Duitse regering namelijk geen voldoende nauwkeurige toezeggingen afleiden die geschikt waren om bij haar gegronde verwachtingen te wekken. Alhoewel de betrokken opmerking in de notulen, in tegenstelling tot de opvatting van de Commissie, niet alleen aldus kan worden begrepen dat hiermee enkel op een verkorting van de periode van vertraging werd gedoeld, heeft ook de Bondsrepubliek Duitsland ongelijk wanneer zij stelt dat die opmerking noodzakelijk betekende dat bij betaling van het litigieuze bedrag aan eigen middelen binnen de vastgestelde termijn geen vertragingsrente zou worden berekend. Hiertegen pleit reeds dat de litigieuze vertragingsrente op grond van de tijd die was verstreken reeds een aanzienlijke omvang had bereikt (571 011,21 EUR), en veel hoger lag dan het litigieuze bedrag aan eigen middelen (367 861,98 EUR). Verder kon de opmerking van de Commissie ook zo worden begrepen, dat de Commissie voor de berekening van de vertragingsrente van alle lidstaten die in strijd met de douanewetgeving geen navordering hadden verricht en de overeenkomstige eigen middelen niet aan de Commissie hadden afgedragen, niet alleen een uniforme begindatum, maar ook een uniforme einddatum wilde vastleggen.(36) Een dergelijke benadering zou de berekening van de vertragingsrente hebben vergemakkelijkt omdat ten aanzien van de periode van vertraging geen onderscheid per individuele lidstaat had moeten worden gemaakt. Maar in wezen kan de vraag hoe die opmerking moest worden begrepen, in het midden blijven. Vaststaat namelijk dat de zin niet zo nauwkeurig was dat hij een gewettigd vertrouwen bij de Bondsrepubliek Duitsland kon wekken.
113. De Duitse regering voert in dit verband aan dat onduidelijkheden ten laste van de Commissie zouden moeten gaan, aangezien aan het beginsel van rechtszekerheid op het gebied van de verdeling van de lasten een bijzonder belang moet worden toegekend. Los van de vraag of het rechtszekerheidsbeginsel op het gebied van het ontstaan van rechten op eigen middelen inderdaad zo’n groot belang heeft, snijdt dit bezwaar geen hout. De rechtsgrondslag voor het ontstaan van het recht op rente waren namelijk de bepalingen van artikel 11 juncto artikel 10 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89. Deze bepalingen zijn helder en duidelijk. In casu is echter de vraag aan de orde of de Bondsrepubliek Duitsland op grond van de opmerking in de notulen van 12 juni 2003 erop kon vertrouwen dat de Commissie geen rente zou opeisen. In dit opzicht verwijs ik naar de in punt 111 van deze conclusie vermelde beginselen.
114. Maar ook om een andere reden kan niet van een gewettigd vertrouwen van de Duitse regering worden uitgegaan. Zelfs indien de zin in de notulen van 12 juni 2003 aldus zou worden geïnterpreteerd dat de Commissie bij betaling binnen de door haar gestelde termijn de opgelopen rente niet zou opeisen, zou niet aan de voorwaarden voor een gewettigd vertrouwen van de Bondsrepubliek Duitsland zijn voldaan. Gezien het niet-onaanzienlijke bedrag van de opgelopen rente en de voorgeschiedenis had een dergelijk aanbod namelijk redelijkerwijs alleen aldus kunnen worden begrepen dat de Commissie van de betaling van de rente afzag indien de lidstaten van hun kant de verplichting tot betaling van de litigieuze eigen middelen zouden erkennen. Los van de vraag of een dergelijke benadering van de zijde van de Commissie rechtmatig zou zijn geweest, moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland het litigieuze bedrag uitdrukkelijk onder voorbehoud en zonder het recht op eigen middelen te erkennen, heeft betaald.
115. Dit betekent dat de Bondsrepubliek Duitsland voor de periode van 21 januari 1999 tot en met 30 oktober 2005 vertragingsrente diende te betalen. Ik concludeer dat de Bondsrepubliek Duitsland niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 11 van de gewijzigde verordening nr. 1552/89 en de latere verordening nr. 1150/2000 op haar rustende verplichting om vertragingsrente te betalen.
V – Kosten
116. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Bondrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
VI – Conclusie
117. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
1. vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen krachtens artikel 9 juncto de artikelen 2, 6, lid 2, sub a, en 10, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 tot wijziging van verordening nr. 1552/89 niet is nagekomen, door eigen middelen ten bedrage van 367 861,98 EUR niet uiterlijk op 20 januari 1999, maar pas op 31 oktober 2005 af te dragen;
2. vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland haar verplichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 1552/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1355/96, en artikel 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, niet is nagekomen door te weigeren vertragingsrente ten bedrage van 571 011,21 EUR te betalen die wegens de te late afdracht van het verschuldigde bedrag aan eigen middelen van 21 januari 1999 tot en met 30 oktober 2005 is ontstaan;
3. de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten.
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Goedgekeurd bij het besluit van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 inzake de sluiting van de Europa-Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds (PB L 347, blz. 1).
3 – PB L 302, blz. 1.
4 – Arrest van 9 februari 2006, Sfakianakis (C‑23/04–C‑25/04, Jurispr. blz. I‑1265).
5 – PB 1995, L 201, blz. 39.
6 – PB 1997, L 92, blz. 1.
7 – Zie artikel 11 van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/95. Artikel 16, lid 1, sub b, van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 voorziet daarnaast in de mogelijkheid van bewijs door een factuurverklaring. Deze mogelijkheid speelt in casu echter geen rol.
8 – Zie artikel 12, lid 1, van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/95.
9 – Zie artikel 12, lid 6, van het protocol zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/95.
10 – PB L 82, blz. 1.
11 – PB L 293, blz. 9. Besluit 94/728 is per 1 januari 1995 in de plaats gekomen van het besluit van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (88/376/EEG, Euratom), (PB L 185, blz. 24), en is op zijn beurt per 1 januari 2002 vervangen door het besluit van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (2000/597/EG, Euratom), (PB L 253, blz. 42).
12 – Besluit 94/728 is per 1 januari 1995 in de plaats gekomen van besluit 88/376.
13 – PB L 155, blz. 1.
14 – PB L 175, blz. 3.
15 – PB L 130, blz. 1.
16 – Aangehaald in voetnoot 4.
17 – Zie punten 52 e.v. van het beroep van de Commissie. De Commissie herhaalt in dit verband evenwel letterlijk de overwegingen van advocaat-generaal Léger in de punten 61 e.v. van zijn conclusie in de zaak Sfakianakis (aangehaald in voetnoot 4). Deze hebben echter geen betrekking op de vraag of in het protocol het geval is geregeld dat de douaneautoriteiten van de staat van uitvoer in het kader van een controle achteraf vaststellen dat de betrokken producten geen producten van oorsprong zijn en de EUR.1-certificaten derhalve ten onrechte zijn afgegeven. Deze vraag heeft de advocaat-generaal in punt 34 van die conclusie bevestigend beantwoord, zij het onder verwijzing naar het in het protocol vastgelegde stelsel van samenwerking en verdeling van de taken. De overwegingen in de punten 61 e.v. hebben daarentegen betrekking op de vraag of de instelling van beroep tegen het resultaat van een controle achteraf respectievelijk de schorsende werking van een dergelijk beroep in aanmerking moeten worden genomen.
18 – Arresten van 17 juli 1997, Pascoal & Filhos (C‑97/95, Jurispr. blz. I‑4209, punt 33), en 14 mei 1996, Faroe Seafood e.a. (C‑153/94 en C‑204/94, Jurispr. blz. I‑2465, punt 20), en arrest Sfakianakis (aangehaald in voetnoot 4, punt 49).
19 – Arrest Sfakianakis (aangehaald in voetnoot 4, punt 32).
20 – Arrest Sfakianakis (aangehaald in voetnoot 4, punten 21‑26).
21 – Arrest Sfakianakis (aangehaald in voetnoot 4, punten 27 e.v.).
22 – Zie punt 61 van deze conclusie.
23 – De Hongaarse douaneautoriteiten hebben weliswaar naar aanleiding van de rechterlijke beslissing de resultaten van hun controle achteraf gewijzigd, maar dit gold niet voor de betrokken motorvoertuigen, ten aanzien waarvan zij bij hun standpunt bleven dat dit geen producten van oorsprong uit Hongarije waren en de EUR.1-certificaten derhalve ten onrechte waren afgegeven. Zie punt 36 van deze conclusie.
24 – Arrest Sfaniakis (aangehaald in voetnoot 4, punt 32).
25 – Vademecum for the participants in community administrative and investigative cooperation missions in third countries.
26 – Zie punt 61 van deze conclusie.
27 – Dit lijkt mij echter, in tegenstelling tot de opvatting van de Duitse regering, geen verband te houden met de grotere bewijskracht van een eindverslag. Hiertegen pleit om te beginnen dat de douaneautoriteiten van de lidstaten die aan de communautaire missie hebben deelgenomen, overeenkomstig punt 4.4 van het vademecum reeds voordat zij het eindverslag ontvangen, maatregelen kunnen nemen. Voorts wijst punt 4.5 van het vademecum uitdrukkelijk erop dat principieel niet het eindverslag zelf doorslaggevend is, maar de documenten die hieraan worden toegevoegd. Dat overeenkomstig punt 4.5 van het vademecum het eindverslag moet worden afgewacht, is kennelijk eerder ingegeven door het streven een uniforme benadering van de douaneautoriteiten van de lidstaten te waarborgen.
28 – Zie cursivering in punt 37 van het verweerschrift.
29 – Arrest van 15 november 2005 (Commissie/Denemarken, C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811).
30 – Aangaande de stelling van de Duitse regering dat de Commissie de termijn aldus op onrechtmatige wijze naar eigen goeddunken heeft vastgelegd, wijs ik op de punten 108 e.v. van deze conclusie.
31 – Arrest Commissie/Denemarken (aangehaald in voetnoot 29, punten 67 en 68).
32 – De algemene verwijzing naar een mogelijke insolventie staat veeleer in een zekere tegenspraak met de stelling van de Duitse regering op bladzijde 5 van haar dupliek, dat in vele gevallen niet van ernstige economische moeilijkheden van de belastingschuldigen kan worden uitgegaan.
33 – Aangehaald in voetnoot 29.
34 – Arrest Commissie/Denemarken (aangehaald in voetnoot 29, punt 1).
35 – Arrest van het Gerecht van 30 juni 2005, Branco/Commissie (T‑347/03, Jurispr. blz. II‑2555, punt 102).
36 – Voor een dergelijke interpretatie pleit met name dat de Commissie voor alle lidstaten was uitgegaan van 18 november 1998 als uniforme begindatum waarop de vertragingsrente begon te lopen, en dit los van de vraag of de douaneautoriteiten van de lidstaten reeds op 13 juli 1998 of pas op 18 augustus 1998 over de noodzakelijke informatie voor de boeking achteraf beschikten. Tegen deze achtergrond lag het voor de hand dat de Commissie bij boeking door de lidstaten binnen de gestelde termijn ook een uniforme einddatum wilde vastleggen, op basis waarvan een uniforme berekening van de vertragingsrente mogelijk zou zijn geweest.
Full & Egal Universal Law Academy