CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 29 oktober 2009 1(1)
Zaak C‑456/08
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Ierland
„Niet-nakoming – Overheidsopdrachten voor uitvoering van werken – Richtlijnen 93/37/EEG en 89/665/EEG – Verplichting van aanbestedende dienst tot kennisgeving van gunningsbesluit aan niet-gekozen inschrijver – Beroepsprocedures volgens nationaal recht – Effectieve rechtsbescherming – Voor beroep vatbare besluiten – Vervaltermijnen – Duur van termijn – Vereiste dat ‚onverwijld’ (‚zo snel mogelijk’) beroep moet worden ingesteld”
I – Inleiding
1. De onderhavige niet-nakomingsprocedure stelt het Hof in de gelegenheid zijn rechtspraak met betrekking tot de rechtsmiddelen van niet-gekozen inschrijvers bij overheidsopdrachten te verfijnen.
2. Enerzijds verwijt de Commissie Ierland dat een Ierse overheidsinstantie in een concreet geval bij de gunning van een wegenbouwproject heeft nagelaten het niet-gekozen consortium van het definitieve gunningsbesluit in kennis te stellen.
3. Anderzijds zijn de Commissie en Ierland het met elkaar oneens over de vraag of de in het Ierse procesrecht voorziene termijnen voldoende duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn geformuleerd om het instellen van een doeltreffend beroep tegen de besluiten van aanbestedende diensten mogelijk te maken.
4. Met betrekking tot die laatste problematiek vertoont deze zaak aanknopingspunten met de zaak Uniplex (UK) (C‑406/08), waarin ik heden eveneens conclusie neem.
II – Toepasselijk recht
A – Gemeenschapsrecht
5. Het gemeenschapsrechtelijk kader van deze zaak wordt gevormd door de richtlijnen 93/37/EEG(2) en 89/665/EEG(3).
6. De door richtlijn 97/52/EG(4) gewijzigde versie van artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37 bevat de volgende regeling:
„De aanbestedende diensten stellen de gegadigden en inschrijvers zo spoedig mogelijk en desgevraagd schriftelijk in kennis van de besluiten die zijn genomen inzake de gunning van de opdracht, met inbegrip van de redenen waarom zij hebben besloten een opdracht waarvoor een oproep tot mededinging was gedaan niet te plaatsen of de procedure opnieuw te beginnen. Zij stellen ook het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen van die besluiten in kennis.”
7. In de door richtlijn 92/50/EEG(5) gewijzigde versie van artikel 1 van richtlijn 89/665(6) is bepaald:
„1 De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wat betreft de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die vallen onder de werkingssfeer van de richtlijnen 71/305/EEG, 77/62/EEG en 92/50/EEG [...], tegen de door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, met name artikel 2, lid 7, op grond van het feit dat door die besluiten het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn.
2 De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen die een eis wegens in het kader van een gunningsprocedure geleden schade willen indienen, niet worden gediscrimineerd op grond van het in deze richtlijn gemaakte onderscheid tussen nationale voorschriften waarin het gemeenschapsrecht is omgezet, en andere nationale voorschriften.
3 De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de lidstaten kunnen bepalen, althans toegankelijk zijn voor eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht voor leveringen of voor de uitvoering van werken en die door een beweerde schending is of dreigt te worden gelaedeerd. Met name kunnen de lidstaten verlangen dat degene die van deze procedure gebruik wenst te maken, de aanbestedende dienst vooraf in kennis heeft gesteld van de beweerde schending en van zijn voornemen om beroep in te stellen.”(7)
B – Nationaal recht
8. Van het nationale recht zijn voor het onderhavige geval enerzijds de Ierse „European Communities (Award of Public Authorities’ Contracts) Regulations 2006”(8) (APAC-verordening) en anderzijds de Ierse „Rules of the Superior Courts”(9) (RSC) relevant.
9. Artikel 49 van de APAC-verordening luidt onder meer als volgt:
„1 Zo spoedig mogelijk na de totstandkoming van een besluit over het sluiten van een aanbestedings‑ of raamovereenkomst of over de toelating tot een dynamisch aankoopsysteem, stelt de aanbestedende dienst de gegadigden en inschrijvers met behulp van de snelst mogelijke communicatiemiddelen (zoals e‑mail en fax) in kennis van het besluit [...].
[...]
5 Een aanbestedende dienst sluit pas een aanbestedingsovereenkomst met een succesvolle inschrijver nadat ten minste 14 dagen zijn verlopen vanaf het tijdstip waarop de inschrijver overeenkomstig het bepaalde in lid 1 in kennis is gesteld van het besluit van de aanbesteding.
[...]”
10. In Order 84A, lid 4, RSC(10) wordt het volgende bepaald:
„Een beroep tegen een gunningsbesluit of tegen het plaatsen van een overheidsopdracht moet zo snel mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na het intreden van de gronden voor dit beroep, worden ingesteld, tenzij de rechter een verlenging van deze termijn gerechtvaardigd acht.”
III – Feiten en precontentieuze procedure
11. De Irish National Roads Authority (NRA) is een overheidsinstantie die in Ierland met de aanleg en het onderhoud van wegen is belast.
12. Op 10 juli 2001 heeft de NRA in het Publicatieblad van de Europese Unie een oproep bekendgemaakt om belangstelling te tonen voor het ontwerp, de aanleg, de financiering en de exploitatie van de zogenoemde Dundalk Western Bypass Motorway. De contracterende aannemer zou met de NRA een publiek-private samenwerking(11) moeten aangaan en de weg voor vermoedelijk 30 jaar exploiteren.
13. In december 2001 heeft de NRA vier belangstellenden uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Twee hiervan zijn door de NRA in april 2003 uitgekozen om er intensievere onderhandelingen mee aan te gaan, en wel het consortium EuroLink en het consortium Celtic Roads Group. Op 8 augustus 2003 heeft de NRA deze beide consortia gevraagd hun definitieve eindaanbod („best and final offer”) te doen.
14. Bij brief van 14 oktober 2003 werd EuroLink door de NRA ervan in kennis gesteld dat haar voorkeur uitging naar de Celtic Roads Group als inschrijver. Daarbij heeft de NRA nochtans duidelijk gemaakt dat het aanbod van EuroLink niet werd afgewezen. Mochten de verdere gesprekken met de Celtic Roads Group niet tot het sluiten van een overeenkomst leiden, dan behield de NRA zich het recht voor, EuroLink in plaats van de Celtic Roads Group voor besprekingen uit te nodigen.
15. Op 9 december 2003 heeft de NRA besloten de Celtic Roads Group de opdracht te gunnen. De overeenkomst met deze onderneming werd op 5 februari 2004 getekend. Vanaf 9 februari 2004 was een kennisgeving in die zin te lezen op de internetsite van de NRA. Bovendien werd op 3 april 2004 een mededeling hierover in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd.
16. Op 8 april 2004 heeft SIAC Construction Limited (SIAC), een tot het niet‑gekozen consortium EuroLink behorende onderneming, bij de High Court of Ireland een beroep tot schadevergoeding ingesteld, dat op verschillende gestelde fouten in de aanbestedingsprocedure was gebaseerd.
17. Bij arrest van 16 juli 2004(12) verklaarde de High Court dat beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De Ierse rechter ging er, anders dan SIAC, van uit dat laatstgenoemde uiterlijk sedert 14 oktober 2003, toen EuroLink door de NRA van de identiteit van de door haar bevoorrechte inschrijver in kennis werd gesteld, van de gronden voor haar beroep had geweten. Overeenkomstig het bepaalde in Order 84A, lid 4, RSC had SIAC uiterlijk drie maanden daarna haar beroep moeten instellen.
18. SIAC heeft vervolgens een klacht bij de Commissie ingediend. Hierin heeft de onderneming onder meer betoogd dat zij op geen enkel moment door de NRA van het gunningsbesluit in kennis was gesteld.
19. Naar aanleiding van deze klacht heeft de Commissie zich eerst op 15 november 2004 schriftelijk tot de Ierse overheid gewend met een verzoek om nadere inlichtingen over de zaak. Het antwoord van Ierland bij brief van 25 april 2005 kon de bezwaren van de Commissie niet wegnemen. Daarop heeft deze op 10 april 2006 een schriftelijke aanmaning en op 15 december 2006 een aanvullende aanmaning aan Ierland gezonden, waar deze lidstaat op 30 mei 2006 respectievelijk 21 februari 2007 schriftelijk op heeft gereageerd.
20. Aangezien de uiteenzettingen van Ierland de Commissie ook daarna niet tevredenstelden, heeft deze op 1 februari 2008 een met redenen omkleed advies in de zin van artikel 226, lid 1, EG uitgebracht en Ierland uitgenodigd, binnen twee maanden de noodzakelijke maatregelen te treffen om aan het advies te voldoen. Op 25 juni 2008 heeft Ierland op dit advies geantwoord en onder meer gesteld dat een wijziging van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in het kader van de omzetting van richtlijn 2007/66 in nationaal recht in overweging werd genomen. Ook dit laatste antwoord achtte de Commissie echter niet voldoende.
IV – Conclusies van partijen en procesverloop voor het Hof
21. Bij brief van 14 oktober 2008, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 oktober 2008, heeft de Commissie overeenkomstig het bepaalde in artikel 226, lid 2, EG het onderhavige beroep tegen Ierland ingesteld.
22. De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
– vast te stellen dat Ierland, door de termijnvoorschriften in de nationale wetgeving betreffende de uitoefening van het recht van inschrijvers om beroep in rechte in te stellen in procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, en door de klager tegen het betrokken gunningsbesluit niet in kennis te stellen van het gunningsbesluit, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens, wat de toepasselijke termijnen betreft, artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, zoals uitgelegd door het Hof, en, wat het nalaten van kennisgeving betreft, artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, zoals uitgelegd door het Hof, en artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37.
– Ierland in de kosten van de procedure te verwijzen.
23. Ierland, van zijn kant, concludeert dat het het Hof behage:
– het beroep te verwerpen en
– de Commissie in de kosten te verwijzen.
24. Bij het Hof is het beroep van de Commissie eerst schriftelijk en vervolgens op 24 september 2009 mondeling behandeld.(13)
V – Beoordeling
25. Het beroep van de Commissie is gegrond, voor zover Ierland de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Daartoe behoort overeenkomstig artikel 249, lid 3, EG en artikel 10 EG ook de verplichting de doelstellingen van de communautaire richtlijnen te verwezenlijken.
26. In het onderhavige geval baseert de Commissie haar beroep op twee grieven. De eerste van deze grieven betreft een individueel geval: er wordt betoogd dat is nagelaten het niet-gekozen inschrijvende consortium in kennis te stellen van het gunningsbesluit betreffende het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway. De tweede grief gaat verder dan dit individuele geval: de regeling betreffende de beroepstermijnen volgens het Ierse recht, zoals die in Order 84A, lid 4, RSC is neergelegd, wordt gelaakt als in strijd met het gemeenschapsrecht.
A – Eerste grief: Nalaten van de kennisgeving van het gunningsbesluit
27. Met haar eerste grief verwijt de Commissie Ierland zijn verplichtingen krachtens artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 en artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37 te hebben geschonden, doordat de NRA niet overeenkomstig de voorschriften de niet-gekozen inschrijver kennis heeft gegeven van haar gunningsbesluit betreffende het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway.
28. Zowel de Commissie alsook Ierland gaan er stilzwijgend van uit dat de door de NRA bekendgemaakte oproep voor het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken in de zin van richtlijn 93/37 betrof.
29. Bijgevolg was de NRA als aanbestedende overheidsinstantie overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37 verplicht de gegadigden en inschrijvers zo spoedig mogelijk in kennis te stellen van haar besluit tot gunning van deze opdracht.
30. Dezelfde verplichting vloeit bovendien voort uit artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, omdat een effectieve rechtsbescherming tegen gunningsbesluiten alleen verzekerd kan worden wanneer alle gegadigden en inschrijvers tijdig en volledig van deze besluiten in kennis worden gesteld.(14)
31. Niet in geschil is echter dat de NRA in het onderhavige geval de niet‑gekozen inschrijver, het consortium Eurolink, waartoe SIAC behoorde, nooit officieel in kennis heeft gesteld van haar besluit om het betrokken wegenbouwproject aan het concurrerende consortium Celtic Roads Group te gunnen.
32. Ook de kennisgeving van 9 februari 2004 op de internetsite van de NRA en de bekendmaking van 3 april 2004 in het Publicatieblad van de Europese Unie kunnen hiervoor geen passend alternatief zijn. Daardoor werd immers enkel het publiek in kennis gesteld van de definitieve sluiting van de overeenkomst van de NRA met de Celtic Roads Group. Om evenwel de niet-gekozen gegadigden en inschrijvers een effectieve rechtsbescherming te kunnen bieden, hadden deze tijdig vóór het sluiten van de overeenkomst – en niet eerst wanneer er sprake is van een voldongen feit – van het gunningsbesluit in kennis moeten worden gesteld.(15)
33. Bijgevolg is de NRA met betrekking tot het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway haar kennisgevingsverplichtingen in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37 en artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 niet nagekomen.
34. Ierland voert hiertegen aan, dat in casu niettemin aan SIAC geen onrecht is aangedaan. Gelet op de omstandigheden van het individuele geval heeft de onderneming op geen enkel moment in onzekerheid verkeerd over de vraag aan wie de NRA het wegenbouwproject zou gunnen. In dat verband verwijst Ierland naar de brief van 14 oktober 2003, waarbij het consortium EuroLink over de voorkeur van de NRA voor de Celtic Roads Group als inschrijver op de hoogte was gebracht. Uiterlijk op dat tijdstip had SIAC volgens Ierland zich ervan bewust moeten zijn, dat het – behoudens buitengewone omstandigheden(16) – tot een gunningsbesluit ten gunste van de Celtic Roads Group zou komen. Ierland sluit zich op dit punt uitdrukkelijk aan bij de argumentatie van de High Court of Ireland in de nationale beroepsprocedure.(17)
35. Dit argument faalt echter. In haar brief van 14 oktober 2003 heeft de NRA geen definitief gunningsbesluit medegedeeld. Zij heeft Eurolink zelfs uitdrukkelijk erop gewezen dat zijn aanbod niet werd afgewezen. In de formulering van een „voorkeur voor een inschrijver” door de NRA kon weliswaar reeds een belangrijke aanwijzing worden gezien, maar deze voorkeur hield nog niet in dat hiermee definitief een inschrijver werd gekozen. De NRA heeft immers uitdrukkelijk het voorbehoud gemaakt, EuroLink eventueel later in plaats van de Celtic Roads Group voor besprekingen uit te nodigen. EuroLink mocht er derhalve vooralsnog van uitgaan niet volledig uit de race te zijn.
36. Afgezien daarvan is het in een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG, die objectief van aard is, hoe dan ook niet van belang of door het optreden van de overheidsautoriteiten van een lidstaat concrete schade dan wel andere nadelige gevolgen zijn ontstaan.(18)
37. Ten slotte benadrukt Ierland dat zijn nationale recht in overeenstemming is met de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen tot kennisgeving; deze zijn in artikel 49, lid 1, van de APAC-verordening correct in nationaal recht omgezet. In die omstandigheden zou een individueel geval waarbij was nagelaten om van het gunningsbesluit kennis te geven, niet gebrandmerkt mogen worden als een schending van het gemeenschapsrecht.
38. Ook dit argument van Ierland acht ik evenwel niet overtuigend. Enerzijds staat het geenszins vast dat artikel 49, lid 1, van de APAC-verordening de gemeenschapsrechtelijke verplichtingen tot kennisgeving inderdaad op correcte wijze in nationaal recht omzet; hierover is een aparte niet-nakomingsprocedure tegen Ierland aanhangig.(19) Anderzijds kan volgens vaste rechtspraak in een niet-nakomingsprocedure niet alleen de verenigbaarheid van de nationale wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen van een lidstaat met het gemeenschapsrecht worden getoetst, maar ook een schending van het gemeenschapsrecht door de nationale instanties in een concreet geval worden vastgesteld.(20)
39. Per saldo kom ik derhalve tot de conclusie dat de eerste grief van de Commissie gegrond is.
B – Tweede grief: Met het gemeenschaprecht strijdige regeling van de beroepstermijnen in het Ierse procesrecht
40. Met haar tweede grief verwijt de Commissie Ierland een schending van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665, die erin bestaat dat Order 84A, lid 4, RSC de vervaltermijn voor het instellen van beroep op een wijze regelt die in strijd is met de vereisten van het gemeenschapsrecht.
41. In richtlijn 89/665 worden de termijnen die gelden voor de beroepsprocedures overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, niet uitdrukkelijk geregeld.(21) Volgens vaste rechtspraak erkent het Hof echter dat de lidstaten in het kader van hun procesautonomie redelijke vervaltermijnen voor het instellen van beroep mogen invoeren, voor zover zij daarbij het gelijkwaardigheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel in acht nemen.(22) Beide beginselen zijn in artikel 1 van richtlijn 89/665 terug te vinden: het gelijkwaardigheidsbeginsel in lid 2 en het effectiviteitsbeginsel in lid 1.(23)
42. In het onderhavige geval is het effectiviteitsbeginsel van centraal belang. Niet in geschil is, dat Ierland voor het instellen van beroep tegen besluiten van aanbestedende diensten in vervaltermijnen mag voorzien.(24) Procespartijen zijn het enkel met elkaar oneens over bepaalde details van de nationale termijnregeling. In wezen gaat het erom te toetsen of deze regeling voldoende duidelijk is om een doeltreffend beroep in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 mogelijk te maken. De Commissie ontkent dit. Zij verwijst enerzijds naar onduidelijkheden met betrekking tot de bepaling van het soort besluiten waarvoor de beroepstermijn van Order 84A, lid 4, RSC geldt, en anderzijds op onduidelijkheden betreffende de duur van deze termijn.
1. Bepaling van het soort besluiten waarvoor de vervaltermijn geldt (eerste onderdeel van de tweede grief)
43. In het eerste onderdeel van haar tweede grief bekritiseert de Commissie, dat er rechtsonzekerheid bestaat over het soort aanbestedingsbesluiten waarvoor de beroepstermijn van Order 84A, lid 4, RSC geldt. Volgens de bewoordingen ervan is Order 84A, lid 4, RSC namelijk alleen van toepassing op beroepen tegen „een gunningsbesluit of tegen het plaatsen van een overheidsopdracht”. In de praktijk vindt dit voorschrift echter ook toepassing op voorlopige besluiten, zodat daartegen ook alleen binnen de termijn van Order 84A, lid 4, RSC beroep kan worden ingesteld.
44. De feiten waarop de Commissie zich hierbij baseert, zijn niet in geschil. Zowel de verklaringen van Ierland in de onderhavige niet-nakomingsprocedure als het arrest van de High Court of Ireland inzake het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway(25) bevestigen, dat de in Order 84A, lid 4, RSC gestandaardiseerde beroepstermijn in de praktijk door de bevoegde Ierse instanties niet alleen wordt toegepast in geval van beroep tegen definitieve besluiten („een gunningsbesluit of […] het plaatsen van een overheidsopdracht”), maar ook in geval van beroep tegen voorlopige besluiten van aanbestedende diensten.(26)
45. Fel omstreden tussen procespartijen is daarbij de vraag, of Order 84A, lid 4, RSC in deze uitlegging en toepassing door de nationale instanties recht doet aan de voorschriften van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665.
46. Artikel 1 van richtlijn 89/665 verlangt dat tegen gunningsbesluiten van aanbestedende diensten „doeltreffend en vooral zo snel mogelijk” beroep kan worden ingesteld op grond van het feit dat door die besluiten het aanbestedingsrecht is geschonden.
47. Om het doel van deze richtlijn te verwezenlijken, moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 249, lid 3, EG juncto artikel 10 EG alle passende maatregelen van algemene of bijzondere aard treffen. Volgens vaste rechtspraak zijn zij verplicht om voor een duidelijk wettelijk kader op het betrokken gebied te zorgen.(27) Zij zijn gehouden om in het nationale recht een voldoende bepaalde, duidelijke en doorzichtige situatie te scheppen, zodat de particulieren hun rechten en verplichtingen kunnen kennen.(28)
48. Ditzelfde volgt overigens uit het rechtszekerheidsbeginsel, dat als algemeen rechtsbeginsel deel uitmaakt van de communautaire rechtsorde en waaraan de lidstaten gehouden zijn bij de uitoefening van hun bevoegdheden op gemeenschapsrechtelijk gebied.(29) Tot de vereisten van de rechtszekerheid behoort volgens vaste rechtspraak dat de gevolgen van rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelig kunnen werken voor particulieren en ondernemingen.(30)
49. Voor een termijnregeling zoals die van Order 84A, lid 4, RSC gelden de vereisten van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorzienbaarheid in bijzondere mate. Een onduidelijke termijnregeling kan namelijk erg nadelig werken voor particulieren en ondernemingen. Houdt een gegadigde of inschrijver zich niet aan een beroepstermijn overeenkomstig Order 84A, lid 4, RSC, dan is hij niet-ontvankelijk in zijn bezwaar betreffende eventuele schendingen van het aanbestedingsrecht en verliest hij de mogelijkheid om tegen het betrokken gunningsbesluit in een beroepsprocedure op te komen. Hij heeft dan niet meer het recht om bij de rechter tegen de aanbesteding als zodanig op te komen, of althans schadevergoeding te vorderen voor de overheidsopdracht die aan hem is voorbijgegaan.(31)
50. De toepassing van een vervaltermijn mag er echter niet toe leiden dat de uitoefening van het recht om tegen gunningsbesluiten beroep in te stellen, haar nuttige werking verliest.(32)
51. Alleen wanneer buiten kijf staat dat ook voorbereidingshandelingen van aanbestedende diensten of de in casu litigieuze voorlopige besluiten de vervaltermijn van Order 84A, lid 4, RSC in werking zetten, kunnen gegadigden en inschrijvers de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen nemen om op grond van eventuele schendingen van het aanbestedingsrecht doeltreffend beroep in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 in te stellen en te verhinderen dat zij in hun bezwaren niet-ontvankelijk worden.
52. In deze omstandigheden acht ik het met de vereisten van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 onverenigbaar, wanneer in Ierland de termijn van Order 84A, lid 4, RSC ook wordt toegepast op beroepen tegen voorlopige besluiten, zonder dat dit in de bewoordingen van het voorschrift duidelijk tot uitdrukking komt. Op die wijze kunnen de gegadigden en inschrijvers in de aanbestedingsprocedure immers niet met voldoende zekerheid voorzien wat de gevolgen van de termijnregeling zullen zijn, en in het bijzonder in hoeverre hun rechten hierdoor zullen vervallen. Daardoor wordt het doel van een effectief beroep tegen besluiten van de aanbestedende instanties, dat artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 aan de lidstaten oplegt, ondermijnd.
– Het verweer van Ierland, dat een beroepstermijn voor voorlopige besluiten in overeenstemming is met de doelstellingen van richtlijn 89/665, in het bijzonder met het vereiste van snelheid
53. Ierland voert om te beginnen aan dat, volgens richtlijn 89/665 en de over deze richtlijn gewezen rechtspraak, tegen alle besluiten van aanbestedende diensten kan worden opgekomen. De verruiming van de termijnregeling in Order 84A, lid 4, RSC tot voorlopige besluiten is in overeenstemming met de gemeenschapsrechtelijke vereisten. Bovendien is richtlijn 89/665 gebaseerd op het vereiste van snelheid. Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn vereist niet alleen dat doeltreffend, maar ook zo snel mogelijk beroep tegen besluiten van aanbestedende diensten wordt ingesteld. Daarom moet de termijn van Order 84A, lid 4, RSC gelden voor alle besluiten van aanbestedende diensten waartegen beroep wordt ingesteld. Indien zou worden toegestaan dat de betrokken inschrijvers al hun bezwaren eerst na het nemen van een definitief gunningsbesluit zouden aanvoeren, dan was te vrezen voor een langdurige rechtsonzekerheid en een aanzienlijk tijdverlies bij de gunning van overheidsopdrachten. Bovendien zou het op die manier onmogelijk zijn om eventuele schendingen van het aanbestedingsrecht nog tijdens een lopende aanbestedingsprocedure recht te zetten.
54. Daarbij moet worden opgemerkt dat het Ierland uiteraard vrijstaat, ook voor de toetsing op grond van het aanbestedingsrecht van voorbereidende handelingen en voorlopige besluiten van aanbestedende diensten – bijvoorbeeld het opstellen van een „short list” of het vastleggen van een voorkeur voor een inschrijver – in vervaltermijnen te voorzien. Zoals reeds is uiteengezet(33), is het vaststellen van een redelijke vervaltermijn met het gemeenschapsrecht verenigbaar, indien daarbij het gelijkwaardigheids‑ en het effectiviteitsbeginsel in acht worden genomen. Deze – ook relatief korte – vervaltermijnen kunnen pas werkelijk geoorloofd en effectief zijn, wanneer het gemeenschapsrecht voor een bepaald feitelijk gebied een vereiste van snelheid formuleert, waarbij – zoals in het aanbestedingsrecht – een „zo snel mogelijk” optreden wordt verlangd(34) (artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665(35)).
55. Het lijdt dan ook volstrekt geen twijfel dat Ierland met de verruiming van de in Order 84A, lid 4, RSC vervatte termijnregeling tot voorlopige besluiten een legitiem doel nastreeft dat strookt met de richtlijn.(36) Weliswaar moet dit doel in overeenstemming met de vereisten van rechtszekerheid in het nationale recht worden verwezenlijkt. De termijnregeling moet duidelijk en nauwkeurig zijn geformuleerd, en voorzienbaar zijn wat de gevolgen ervan betreft. Het bestaan van nationale praktijken die dienstig zijn aan de doelstellingen van een richtlijn, ontslaat een lidstaat niet van de verplichting om een voldoende bepaalde, duidelijke en doorzichtige situatie te scheppen, zodat de particulieren hun rechten en verplichtingen kunnen kennen.(37)
56. In het onderhavige geval moet daarbij in overweging worden genomen dat volgens richtlijn 89/665 de lidstaten niet alleen het instellen van een snel beroep, maar ook van een doeltreffend beroep tegen gunningsbesluiten mogelijk moeten maken (zie artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665). Een nationale praktijk die slechts een van beide doelstellingen ten koste van de andere verwezenlijkt, strookt niet met de richtlijn. De verruiming van de vervaltermijn van Order 84A, lid 4, RSC kan weliswaar dienstig zijn voor het instellen van een snel beroep, doch indien dit niet tegelijkertijd in de bewoordingen van Order 84A, lid 4, RSC wordt rechtgezet, gaat deze praktijk van de Ierse instanties ten koste van de rechtszekerheid en brengt zij daarmee uiteindelijk de verwezenlijking van het doel van het doeltreffend beroep in gevaar.(38)
57. Het rechtszekerheidsvereiste en het vereiste van snelheid in het aanbestedingsrecht zijn overigens niet fundamenteel met elkaar in tegenspraak.(39) Integendeel, het zo snel mogelijk toetsen van besluiten van aanbestedende diensten dient de rechtszekerheid, mits de daarvoor geldende procedures met inbegrip van vervaltermijnen in het nationale recht zo duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar mogelijk zijn geregeld.
58. Het eerste verweer van Ierland moet dan ook worden afgewezen.
– Het verweer van Ierland, dat zijn nationale recht door de „common law” is gevormd
59. Verder betoogt Ierland dat zijn nationale recht door de „common law” is gevormd. In een common-law-systeem, zoals het Ierse, zijn niet alleen de wettelijke bepalingen van belang, maar ook de rechtspraak. Inschrijvers en gegadigden zouden zo nodig juridisch advies moeten inwinnen.
60. Hierbij moet worden opgemerkt dat een richtlijn de nationale instanties de bevoegdheid laat vorm en middelen te kiezen om het vastgestelde doel te verwezenlijken (artikel 249, lid 3, EG). Voor de omzetting van een richtlijn in nationaal recht is dus niet per se vereist dat er uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepalingen worden vastgesteld, maar kan ook een algemene juridische context volstaan. Beslissend is echter dat in dat laatste geval daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze wordt verzekerd.(40)
61. Komt de nationale situatie voort uit een samenspel van wettelijke bepalingen en „rechtersrecht”, dan mag dat niet ten koste van de duidelijkheid en nauwkeurigheid van de betrokken bepalingen en regels gaan. Dit geldt vooral wanneer een richtlijn beoogt de particulier rechten te verlenen(41), en een onduidelijke of complexe situatie met betrekking tot eventuele vervaltermijnen kan leiden tot het verlies van een recht, in casu het recht om tegen besluiten van een aanbestedende dienst beroep in te stellen. Vooral buitenlandse gegadigden en inschrijvers zouden door een complexe en ondoorzichtige situatie afgeschrikt kunnen worden om in Ierland naar een overheidsopdracht te dingen.
62. De nationale rechter is gehouden de bepalingen van het nationale recht in overeenstemming met de richtlijn uit te leggen en toe te passen.(42) Speciaal met betrekking tot de beroepsprocedure inzake overheidsopdrachten moeten zij de nationale regels die een vervaltermijn bevatten, zo veel mogelijk met inachtneming van het effectiviteitsbeginsel van richtlijn 89/665 uitleggen.(43)
63. Het is niet in overeenstemming met deze vereisten, wanneer een nationale rechter de wettelijk vastgestelde vervaltermijn voor het beroepsrecht – in het onderhavige geval Order 84A, lid 4, RSC – extensief en naar analogie ook toepast op het beroep tegen besluiten waarvoor de wetgever niet in een dergelijke vervaltermijn heeft voorzien. Dat maakt de situatie namelijk minder doorzichtig. De betrokken gegadigden en inschrijvers lopen, gelet op de niet-ontvankelijkheid als gevolg van de vervaltermijn, het gevaar dat hun recht op het instellen van beroep tegen bepaalde besluiten verloren gaat. Het in artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 vastgestelde doel van een doeltreffend beroep tegen besluiten van aanbestedende diensten wordt op die manier ondermijnd.(44)
64. In die omstandigheden moet ook het tweede verweer van Ierland worden afgewezen.
– Voorlopige conclusie
65. Per saldo kom ik derhalve tot de conclusie dat het eerste onderdeel van de tweede grief van de Commissie moet worden aanvaard.
2. De duur van de vervaltermijn (tweede onderdeel van de tweede grief)
66. In het tweede onderdeel van haar tweede grief bekritiseert de Commissie de in Order 84A, lid 4, RSC vervatte formulering dat het beroep „zo snel mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden„ moet worden ingesteld. Deze regeling laat de betrokken inschrijvers en gegadigden in het ongewisse hoe lang de vervaltermijn precies duurt, en maakt het voor hen zeer moeilijk beroep in te stellen. Bovendien kan men niet weten in welke gevallen een beroep binnen drie maanden en in welke gevallen een beroep eerder – derhalve vóór het einde van de periode van drie maanden – moet worden ingesteld.
67. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het niet noodzakelijkerwijs om twee autonome vervaltermijnen gaat, wanneer een wettelijk voorschrift aan een in dagen, weken, maanden of jaren weergegeven tijdsduur de woorden „zo snel mogelijk” toevoegt of hem in soortgelijke bewoordingen aanvult. In vele voorschriften worden die toevoegsels enkel gebruikt om het vereiste van snelheid te laten uitkomen en de verzoeker of eiser te herinneren aan zijn verplichting om in zijn eigen belang zo snel mogelijk de noodzakelijke stappen te verrichten om zijn rechten zo optimaal mogelijk te beschermen.
68. In die zin heeft bijvoorbeeld het Hof zelf in het verleden de woorden „zo vroeg mogelijk” gebruikt met betrekking tot eventuele verzoeken van partijen om verlenging van spreektijd in de mondelinge behandeling.(45) Tijdelijke functionarissen van de Gemeenschap die werkloos worden, moeten bepaalde formaliteiten „zo spoedig mogelijk [...], uiterlijk [binnen een bepaalde nader gedefinieerde termijn]” vervullen.(46) Een dergelijke woordkeuze komt ook voor, wanneer moet worden aangegeven dat overheidsinstanties bij bepaalde verzoeken of procedures een vereiste van snelheid moeten betrachten.(47) Ook in het aanbestedingsrecht is het concept van een „zorgvuldigheidsplicht [...] die meer als een inspannings- dan als een resultaatsverplichting moet worden geanalyseerd”, niet onbekend.(48)
69. Met betrekking tot de hier relevante termijnregeling van Order 84A, lid 4, RSC kan er daarentegen niet met stelligheid van worden uitgegaan dat de woorden „zo snel mogelijk” enkel het beginsel van spoed moeten weergeven. Veeleer is het volgens de informatie van Ierland in de procedure voor het Hof, niet uitgesloten dat de formulering „zo snel mogelijk” in Order 84A, lid 4, RSC een ruimere betekenis heeft en moet worden opgevat als een autonome vervaltermijn die beroepen die reeds vóór het einde van de „in ieder geval” bestaande termijn van drie maanden zijn ingesteld, niet-ontvankelijk kan maken.
70. Weliswaar lijkt Ierland ervan uit te gaan dat een beroep normaliter tijdig is ingesteld, wanneer het „in ieder geval binnen drie maanden na het intreden van de gronden voor het beroep” wordt ingediend. Tegelijkertijd benadrukt Ierland echter, onder verwijzing naar een arrest van zijn opperste gerechtshof(49), dat degene die in het kader van Order 84A, lid 4, RSC beroep instelt, als „hoofdverplichting”(50) heeft zijn rechtsmiddel „zo snel mogelijk” aan te wenden. In bepaalde omstandigheden kan dit ertoe leiden dat een beroep dat binnen de termijn van drie maanden is ingesteld, zelfs dan wegens het verstrijken van de beroepstermijn wordt afgewezen.(51) Het is dus in elk geval niet uitgesloten dat de zinsnede „zo snel mogelijk” in Order 84A, lid 4, RSC door de Ierse rechter als een autonome vervaltermijn wordt opgevat.(52)
71. Mocht de formulering „zo snel mogelijk” in Order 84A, lid 4, RSC de Ierse rechter daadwerkelijk de bevoegdheid geven om naar eigen goeddunken beroepen die reeds vóór het einde van de termijn van drie maanden zijn ingediend, niet-ontvankelijk te verklaren, dan is zij niet in overeenstemming met de vereisten van het gemeenschapsrecht. De gevolgen van een vervaltermijn waarvan de bevoegde rechters de duur naar eigen inzicht vaststellen, zijn immers niet voorzienbaar. De betrokken inschrijvers en gegadigden verkeren in het duister over hoeveel tijd zij hebben om het instellen van hun beroep naar behoren voor te bereiden, en zij kunnen de kansen op succes ervan haast niet inschatten. Het door artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 voorgeschreven doel van een effectief beroep tegen besluiten van de aanbestedende diensten, wordt op die wijze niet verwezenlijkt.(53)
72. Nu niet kan worden uitgesloten dat de formulering „zo snel mogelijk” in Order 84A, lid 4, RSC door de nationale rechter als een autonome vervaltermijn wordt opgevat, is dit voorschrift daarenboven onvoldoende duidelijk om een met het gemeenschapsrecht verenigbare toepassing te verzekeren.(54) Ook om deze reden volstaat Order 84A, lid 4, RSC niet om aan richtlijn 89/665 volledig uitvoering te geven.
– Het verweer van Ierland, dat de nationale rechter zo nodig naar eigen goeddunken de beroepstermijn kan verlengen
73. Ierland voert aan dat Order 84A, lid 4, RSC de nationale rechter toestaat de termijn om beroep in te stellen naar eigen goeddunken te verlengen; als voorbeeld verwijst Ierland naar een arrest van de High Court of Ireland uit 2006.(55)
74. Die mogelijkheid kan het de rechter weliswaar gemakkelijker maken om in een individueel geval recht te doen. Zij is echter niet geschikt om de hierboven gebleken gebreken van Order 84A, lid 4, RSC met betrekking tot de vereisten van duidelijkheid, nauwkeurigheid en voorzienbaarheid van de termijnregeling te verhelpen. Voor de betrokken inschrijvers en gegadigden kan zelfs met inachtneming van deze mogelijkheid tot verlenging niet van tevoren worden overzien hoeveel tijd zij hebben om het instellen van hun beroep naar behoren voor te bereiden en of dat rechtsmiddel kans van slagen heeft. Integendeel, op deze wijze wordt aan een toch al onduidelijke termijnregeling nog een factor van onzekerheid toegevoegd.
75. Artikel 1, lid 1 juncto lid 3, van richtlijn 89/665 verzekert eenieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde overheidsopdracht en die door een beweerde schending is of dreigt te worden gelaedeerd, een individueel recht om beroep in te stellen tegen besluiten van de aanbestedende diensten.(56) Zoals ik ook in de zaak Uniplex (UK) betoog, mag de daadwerkelijke effectuering van een dergelijk recht niet tot de discretionaire bevoegdheid van een nationale instantie behoren, ook niet tot die van een onafhankelijk rechter.(57)
76. Derhalve moet het verweer van Ierland worden afgewezen.
– Het verweer van Ierland, dat er nog geen beroep wegens het verstrijken van de beroepstermijn is afgewezen op grond van schending van het „zo snel mogelijk”‑beginsel
77. Bovendien betoogt Ierland dat er tot op heden nog geen Ierse rechter een beroep heeft afgewezen wegens overschrijding van de beroepstermijn, op grond dat dit beroep weliswaar binnen drie maanden, maar niet „zo snel mogelijk” zou zijn ingesteld.
78. Ook dit tweede verweer faalt. Om aan te tonen dat een richtlijn ontoereikend of onjuist ten uitvoer is gelegd, hoeven niet de reële gevolgen van de nationale uitvoeringswetgeving te worden aangetoond. De ontoereikende of gebrekkige uitvoering ligt immers in de tekst van die wetgeving zelf besloten.(58) Het beroep wegens niet-nakoming is objectief en kan ook dan reeds worden ingesteld, wanneer nog geen concrete schade is ontstaan of andere nadelige gevolgen zijn ingetreden.(59)
– Het verweer van Ierland, dat de nationale situatie binnenkort wordt gewijzigd
79. Ten slotte heeft Ierland zich in de precontentieuze procedure verweerd met het argument dat het nationale recht toch al in het kader van de omzetting van richtlijn 2007/66 zou worden gewijzigd, waardoor Order 84A, lid 4, RSC verduidelijkt kon worden.
80. Op dit punt volstaat het op te merken dat het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn; met sedertdien opgetreden wijzigingen kan het Hof geen rekening houden.(60) Met wijzigingen van het nationale recht die zich nog in de plannings‑ of ontwerpfase bevinden kan al helemaal geen rekening worden gehouden.
– Voorlopige conclusie
81. Per saldo kom ik tot de conclusie dat ook het tweede onderdeel van de tweede grief gegrond is en het beroep van de Commissie derhalve in zijn geheel moet worden toegewezen.
VI – Kosten
82. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien Ierland in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
VII – Conclusie
83. Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
„1) Doordat
a) de Ierse National Roads Authority heeft nagelaten de niet-gekozen inschrijver kennis te geven van haar gunningsbesluit betreffende het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway, hetgeen is in strijd is met de vereisten van artikel 8, lid 2, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, en artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, en
b) uit Order 84A, lid 4, van de Ierse Rules of the Superior Courts niet met voldoende duidelijkheid kan worden afgeleid hoe lang de vervaltermijn voor het instellen van beroep tegen een gunningsbesluit is en op welke besluiten van aanbestedende diensten deze termijn betrekking heeft, hetgeen in strijd is met de vereisten van artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken,
is Ierland de krachtens het EG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Ierland wordt in de kosten verwezen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199, blz. 54). Aangezien de litigieuze aanbestedingsprocedure vóór 31 januari 2006 heeft plaatsgevonden, is richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114, gerectificeerd in PB L 351, blz. 44), voor de onderhavige zaak niet van belang.
3 – Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33).
4 – Richtlijn 97/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1997 tot wijziging van de richtlijnen 92/50/EEG, 93/36/EEG en 93/37/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, overheidsopdrachten voor leveringen respectievelijk overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 328, blz. 1).
5 – Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1).
6 – De meest recente wijzigingen van richtlijn 89/665 door richtlijn 2007/66 zijn voor het onderhavige geschil niet van belang, daar hiervoor een omzettingstermijn tot en met 20 december 2009 geldt (richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG van de Raad met betrekking tot de verhoging van de doeltreffendheid van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, PB L 335, blz. 31, zie aldaar met name artikel 3, lid 1).
7 – De in artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 vervatte verwijzing naar richtlijn 71/305, moet worden gelezen als een verwijzing naar richtlijn 93/37 (zie artikel 36, lid 2, van richtlijn 93/37).
8 – Verordening van 2006 over het plaatsen van overheidsopdrachten (blz. 1, nr. 329 van 2006).
9 – Procedureregels voor de hogere rechterlijke instanties.
10 – Dit voorschrift gaat terug op een op 19 oktober 1998 in werking getreden wijziging van de procedureregels van de High Court of Ireland door de zogenoemde Rules of the Superior Courts (No. 4) (Review of the Award of Public Contracts) (blz. 1, nr. 374 van 1998).
11 – „Public-Private Partnership (PPP)”.
12 – Arrest van de High Court of Ireland (Mr. Justice Kelly) in de zaak SIAC Construction Limited/National Road Authority, [2004] IEHC 128; hierna: arrest SIAC/NRA.
13 – De mondelinge behandeling vond plaats direct na de mondelinge behandeling in de zaak Uniplex (UK) (C‑406/08).
14 – Arresten van 24 juni 2004, Commissie/Oostenrijk (C‑212/02, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 21), en 3 april 2008, Commissie/Spanje (C‑444/06, Jurispr. blz. I‑2045, punt 38); in dezelfde zin reeds arrest van 28 oktober 1999, Alcatel Austria e.a. (C‑81/98, Jurispr. blz. I‑7671, punt 43).
15 – In die zin arrest Commissie/Oostenrijk (C‑212/02, aangehaald in voetnoot 14, punt 21).
16 – In de woorden van de procestaal: „except in very exceptional circumstances”.
17 – Zie in die zin arrest SIAC/NRA (aangehaald in punt 17 en voetnoot 12 van deze conclusie).
18 – Arresten van 21 september 1999, Commissie/Ierland (C‑392/96, Jurispr. blz. I‑5901, punt 61); 26 juni 2003, Commissie/Frankrijk (C‑233/00, Jurispr. blz. I‑6625, punt 62); 14 maart 2006, Commissie/Frankrijk (C‑177/04, Jurispr. blz. I‑2461, punt 52), en 26 oktober 2006, Commissie/Spanje (C‑36/05, Jurispr. blz. I‑10313, punt 38).
19 – Zaak Commissie/Ierland (C‑455/08).
20 – Zie, naast vele andere, arrest van 31 januari 2006, Commissie/Spanje (C‑503/03, Jurispr. blz. I‑1097), en – met betrekking tot het plaatsen van overheidsopdrachten – arresten van 10 april 2003, Commissie/Duitsland (C‑20/01 en C‑28/01, Jurispr. blz. I‑3609); 14 september 2004, Commissie/Italië (C‑385/02, Jurispr. blz. I‑8121); 10 november 2005, Commissie/Oostenrijk (C‑29/04, Jurispr. blz. I‑9705); 4 juni 2009, Commissie/Griekenland (C‑250/07, Jurispr. blz. I‑00000), en 15 oktober 2009, Commissie/Duitsland (C‑275/06, Jurispr. blz. I‑00000).
21 – Zie ook mijn conclusie van 13 maart 2008 in de zaak pressetext Nachrichtenagentur (C‑454/06, Jurispr. blz. I‑4401, punt 154). Voor de toekomst definieert artikel 2 quater van richtlijn 89/665, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66, echter gemeenschapsrechtelijke basisregels voor nationale termijnen voor het instellen van beroep.
22 – Zie bijvoorbeeld arresten van 16 december 1976, Rewe (33/76, Jurispr. blz. 1989, punt 5); 15 september 1998, Edis (C‑231/96, Jurispr. blz. I‑4951, punten 20 en 35); 17 juni 2004, Recheio – Cash & Carry (C‑30/02, Jurispr. blz. I‑6051, punt 18), en 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C‑40/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 41).
23 – Zie mijn conclusie in de zaak pressetext Nachrichtenagentur (aangehaald in voetnoot 21, punt 155).
24 – Zie dienaangaande arresten van 12 december 2002, Universale-Bau e.a. (C‑470/99, Jurispr. blz. I‑11617, in het bijzonder punten 71 en 76); 27 februari 2003, Santex (C‑327/00, Jurispr. blz. I‑1877, punt 52), en 11 oktober 2007, Lämmerzahl (C‑241/06, Jurispr. blz. I‑8415, punt 50).
25 – Arrest SIAC/NRA, hierboven in voetnoot 12 aangehaald.
26 – De strekking van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen moet worden beoordeeld met inachtneming van de uitlegging die de nationale rechterlijke instanties daaraan geven; zie arresten van 8 juni 1994, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑382/92, Jurispr. blz. I‑2435, punt 36); 9 december 2003, Commissie/Italië (C‑129/00, Jurispr. blz. I‑14637, punt 30), en 18 juli 2007, Commissie/Duitsland (C‑490/04, Jurispr. blz. I‑6095, punt 49).
27 – Arresten van 15 maart 1990, Commissie/Nederland (C‑339/87, Jurispr. blz. I‑851, punt 25); 30 mei 1991, Commissie/Duitsland (C‑361/88, Jurispr. blz. I‑2567, punt 24); 2 augustus 1993, Commissie/Italië (C‑366/89, Jurispr. blz. I‑4201, punt 17); 28 april 2005, Commissie/Italië (C‑410/03, Jurispr. blz. I‑3507, punt 32), en 12 juli 2007, Commissie/Oostenrijk (C‑507/04, Jurispr. blz. I‑5939, punt 298).
28 – Arresten Commissie/Duitsland (C‑361/88, aangehaald in voetnoot 27, punt 24), en Commissie/Italië (C‑366/89, aangehaald in voetnoot 27, punt 17); arresten van 7 november Commissie/Luxemburg (C‑221/94, Jurispr. blz. I‑5669, punt 22); 13 september 2001, Commissie/Spanje (C‑417/99, Jurispr. blz. I‑6015, punt 38), en 16 juli 2009, Commissie/Ierland (C‑427/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 55).
29 – Arresten van 26 april 2005, „Goed Wonen” (C‑376/02, Jurispr. blz. I‑3445, punt 32); 16 september 2008, Isle of Wight Council e.a. (C‑288/07, Jurispr. blz. I‑7203, punt 48), en 10 september 2009, Plantanol (C‑201/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 43).
30 – Arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a. (C‑17/03, Jurispr. blz. I‑4983, punt 80); 17 juli 2008, ASM Brescia (C‑347/06, Jurispr. blz. I‑5641, punt 69), en 18 november 2008, Förster (C‑158/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 67) en arrest Plantanol (aangehaald in voetnoot 29, punt 46).
31 – In het voorbeeld van het wegenbouwproject Dundalk Western Bypass Motorway, dat de aanleiding voor de onderhavige niet-nakomingsprocedure vormde, wordt de door Order 84A, lid 4, RSC teweeggebrachte niet-ontvankelijkheid bijzonder duidelijk: Volgens Ierland had SIAC reeds tegen het voorlopige besluit van de NRA over de voorkeur voor een inschrijver binnen de termijn van Order 84A, lid 4, RSC moeten opkomen en haar bezwaren betreffende de keuze van het consortium Celtic Roads Group reeds op dat tijdstip maar voren moeten brengen. Bij het latere beroep tegen het gunningsbesluit was SIAC, zoals is vastgesteld in het arrest SIAC/NRA van de High Court of Ireland (aangehaald in voetnoot 12), in zijn desbetreffende argumentatie reeds niet-ontvankelijk.
32 – In die zin de in voetnoot 24 reeds aangehaalde arresten Universale-Bau e.a. (in het bijzonder punt 72), Santex (punten 51 en 57) en Lämmerzahl (punt 52); zie in het algemeen inzake de procedurele regels voor beroepen in rechte, arrest van 3 maart 2005, Fabricom (C‑21/03 en C‑34/03, Jurispr. blz. I‑1559, punt 42).
33 – Zie punt 41 van deze conclusie.
34 – Arresten Universale-Bau e.a. (punt 76), Santex (punt 52) en Lämmerzahl (punten 50 en 51), aangehaald in voetnoot 24; zie ook mijn conclusie in de zaak pressetext Nachrichtenagentur (aangehaald in voetnoot 21, punt 157).
35 – Zie bovendien de derde en de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 89/665, waarin van een „snelle beroepsprocedure” respectievelijk „een spoedbehandeling van de [...] inbreuken” sprake is. Voor de toekomst maakt daarenboven artikel 2 quater van richtlijn 89/665 (toegevoegd bij richtlijn 2007/66) duidelijk, dat nationale regelingen, waarbij een „beroep tegen een besluit van een aanbestedende dienst dat is genomen in het kader van of met betrekking tot een onder richtlijn 2004/18/EG vallende gunningsprocedure, binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld”, geoorloofd zijn.
36 – In gelijke zin arresten Universale-Bau e.a. (aangehaald in voetnoot 24, punten 74‑79) en Lämmerzahl (aangehaald in voetnoot 24, punten 50 en 51), en arrest van 12 februari 2004, Grossmann Air Service (C‑230/02, Jurispr. blz. I‑1829, punten 30 en 36‑39).
37 – Arresten Commissie/Duitsland (C‑361/88, aangehaald in voetnoot 27, punt 24), Commissie/Italië (C‑366/89, aangehaald in voetnoot 27, punt 17) en Commissie/Luxemburg (C‑221/94, aangehaald in voetnoot 28, punt 22).
38 – Zie dienaangaande punten 49 en 50 van deze conclusie.
39 – Zie wederom arrest Universale-Bau e.a. (aangehaald in voetnoot 24, punten 76‑78).
40 – Arresten van 23 mei 1985, Commissie/Duitsland (29/84, Jurispr. blz. 1661, punt 23); 9 april 1987, Commissie/Italië (363/85, Jurispr. blz. 1733, punt 7); 10 mei 2001, Commissie/Nederland (C‑144/99, Jurispr. blz. I‑3541, punt 17); 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑6/04, Jurispr. blz. I‑9017, punt 21), en 30 november 2006, Commissie/Luxemburg (C‑32/05, Jurispr. blz. I‑11323, punt 34) en arrest Commissie/Ierland (C‑427/07, aangehaald in voetnoot 28, punten 54 en 55).
41 – Zie wederom arrest Commissie/Ierland (C‑427/07, aangehaald in voetnoot 28, punt 55).
42 – Zie in het algemeen met betrekking tot het beginsel van de richtlijnconforme uitlegging, arresten van 10 april 1984, Von Colson en Kamann (14/83, Jurispr. blz. 1891, punt 26); 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a. (C‑397/01–C‑403/01, Jurispr. blz. I‑8835, punt 113), en 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 98) en zie in het bijzonder met betrekking tot richtlijn 89/665 nog arresten Santex (punt 63) en Lämmerzahl (punt 62), aangehaald in voetnoot 24.
43 – Arrest Santex (aangehaald in voetnoot 24, punt 62).
44 – Zie ook hierboven, punten 49‑52 van deze conclusie.
45 – Zie punt 50, lid 2, van de praktische aanwijzingen betreffende rechtstreekse beroepen en hogere voorzieningen, in de versie van 15 oktober 2004 (PB 2004, L 361, blz. 15): op grond hiervan moet een verzoek om verlenging van de spreektijd in de mondelinge behandeling „zo vroeg mogelijk bij het Hof worden ingediend” en kan het slechts in aanmerking worden genomen, wanneer het „uiterlijk twee weken vóór de zitting” bij het Hof binnenkomt.
46 – Artikel 1, punt 2, sub a en b van verordening (EG) nr. 780/2009 van de Commissie van 27 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 28 bis, lid 2, derde alinea, en van artikel 96, lid 2, derde alinea, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (RAP) (PB L 226, blz. 3).
47 – Zie bijvoorbeeld artikel 3, lid 2, van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 141, blz. 26), en ook – met betrekking tot de vroegere regeling – mijn conclusie van 27 januari 2005 in de zaak Housieaux (C‑186/04, Jurispr. blz. I‑3299, punt 23).
48 – Arrest Commissie/Griekenland (C‑250/07, aangehaald in voetnoot 20, punt 68). Zie bovendien artikel 2, lid 1, sub a, van richtlijn 89/665 en artikel 41, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/18.
49 – Arrest van de Supreme Court of Ireland van 4 april 2003 in de zaak Dekra Éireann Teoranta/Minister for the Environment and Local Government, [2003] IESC 25, 2 IR 270 (Ierland verwijst in het bijzonder naar het gedetailleerde betoog in punt 14 a van Mrs. Justice Denham).
50 – In de procestaal: „primary obligation”.
51 – Refererend aan een obiter dictum in het arrest van de Supreme Court of Ireland in de zaak Dekra Éireann Teoranta (aangehaald in voetnoot 49) betoogt Ierland dat „in certain circumstances a court could refuse an application under Order 84A, rule 4, brought within three months where the prejudice to the public or a party could be such that the application should be refused”.
52 – Op dit punt zijn vooral de uiteenzettingen van Mrs. Justice Denham in het arrest Dekra Éireann Teoranta (aangehaald in voetnoot 49) verhelderend. De rechter spreekt zich aldaar ten eerste uit over de qua inhoud in wezen identieke termijnbepaling in Order 84, artikel 21, eerste alinea, RSC: „Whilst there is a discretion in the court to extend this time, there is also a discretion to refuse the application even within the months specified in the Rules of the Superior Courts” ([2003] 2 IR 270 [285]). In het verdere verloop van haar betoog spreekt Mrs. Justice Denham zich nader uit over de hier relevante termijnbepaling van Order 84A, artikel 4, RSC en legt zij deze uit als volgt: „[...] in all the circumstances of a case a court may determine in its discretion that the prejudice to the public or a party could be such that [...] the application should be refused. Since urgency and rapidity is an underpinning policy of applications regarding public contracts, the test requires that such applications be made rapidly and an applicant must explain reasonably any delay” ([2003] 2 IR 270 [286]).
53 – Zie hierover ook mijn conclusie van heden in de zaak Uniplex (UK) (C‑406/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 69).
54 – Arrest Commissie/Italië (C‑129/00, aangehaald in voetnoot 26, punt 33).
55 – Arrest van de High Court of Ireland (Mr. Justice Clarke) van 2 mei 2006 in de zaak Veolia Water UK/Fingal County Council (No. 1), [2006] IEHC 137, [2007] 1 IR 690 (punten 28‑54).
56 – In die zin arrest van 2 juni 2005, Koppensteiner (C‑15/04, Jurispr. blz. I‑4855, punt 38), en arrest Lämmerzahl (aangehaald in voetnoot 24, punt 63, tweede volzin).
57 – Zie mijn conclusie van heden in de zaak Uniplex (UK) (aangehaald in voetnoot 53, punten 48‑50).
58 – Arrest Commissie/Ierland (C‑392/96, aangehaald in voetnoot 18, punt 60).
59 – Arresten Commissie/Ierland (C‑392/96, punt 61), Commissie/Frankrijk (C‑233/00, punt 62), Commissie/Frankrijk (C‑177/04, punt 52) en Commissie/Spanje (C‑36/05, punt 38), alle aangehaald in voetnoot 18.
60 – Zie, naast vele andere, arresten Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑6/04, aangehaald in voetnoot 40, punt 49), Commissie/Spanje (C‑417/99, aangehaald in voetnoot 28, punt 34), Commissie/Luxemburg (C‑32/05, aangehaald in voetnoot 40, punt 22) en Commissie/Ierland (C‑427/07, aangehaald in voetnoot 28, punten 64 en 65). Zie in het bijzonder over het argument van het op handen zijn van de omzetting van richtlijn 2007/66, arrest van 11 juni 2009, Commissie/Frankrijk (C‑327/08, niet in de Jurispr. gepubliceerd, punten 21‑26).
Full & Egal Universal Law Academy