CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 29 oktober 2009 1(1)
Zaak C‑462/08
Ümit Bekleyen
tegen
Land Berlin
[verzoek van het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Vrij verkeer van werknemers – Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Recht van kind van Turkse werknemer om te reageren op ieder arbeidsaanbod in lidstaat van ontvangst waar hij beroepsopleiding heeft voltooid – Situatie van kind dat aan opleiding begint op tijdstip dat zijn ouders, die gedurende meer dan drie jaar behoorden tot legale arbeidsmarkt van lidstaat van ontvangst, die staat al tien jaar verlaten hebben – Artikel 59 van Aanvullend Protocol – Gunstiger behandeling dan voor burgers van lidstaten”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend bij beslissing van 6 oktober 2008, verlangt het Oberverwaltungsgericht Berlin‑Brandenburg (Duitsland) uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad(2) van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”)(3). De vraag is gerezen in het kader van een beroep dat Ümit Bekleyen, een Turks staatsburger, heeft ingesteld tegen het besluit van het Land Berlin om haar een verblijfsvergunning op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 te weigeren.
2. De onderhavige procedure biedt het Hof de gelegenheid om de aard van de bij die bepaling aan het kind van een Turkse werknemer verleende rechten te verduidelijken en de voorwaarden voor het verkrijgen van die rechten nader te omschrijven.
II – Toepasselijke bepalingen
3. Besluit nr. 1/80 is vastgesteld op grond van artikel 36 van het Aanvullend Protocol(4) bij de Associatieovereenkomst. Dat artikel bepaalt dat het vrije verkeer van werknemers tussen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geleidelijk tot stand wordt gebracht overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in artikel 12 van de Associatieovereenkomst, volgens hetwelk de Overeenkomstsluitende Partijen overeenkomen zich te laten leiden door de artikelen 48, 49 en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.
4. Deel 1 van hoofdstuk II („Sociale bepalingen”) van besluit nr. 1/80 betreft verschillende „Arbeidsmarktvraagstukken en vraagstukken in verband met het vrije verkeer van werknemers”, waaronder de toegang van Turkse staatsburgers tot de arbeidsmarkt van een lidstaat. Twee bepalingen kunnen hun het recht daartoe verlenen, hetzij als werknemer die tot de legale arbeidsmarkt behoort (artikel 6), hetzij als gezinsleden van een Turkse werknemer die aan die voorwaarde voldoet (artikel 7).
5. Artikel 6 van besluit nr. 1/80, dat een Turkse werknemer naar gelang van de duur van het tijdvak waarin hij in de lidstaat legale arbeid heeft verricht geleidelijk aan een recht van toegang tot arbeid verleent, bepaalt:
„1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
– na vier jaar legale arbeid in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.
2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.
[…]”
6. Artikel 7 van besluit nr. 1/80 maakt onderscheid tussen gezinsleden die toestemming hebben gekregen om zich bij de werknemer in de lidstaat van ontvangst te voegen en die daar gedurende een bepaalde periode legaal hebben gewoond (eerste alinea), en kinderen van die werknemer die in de betrokken lidstaat een beroepsopleiding hebben voltooid (tweede alinea). Artikel 7 luidt:
„Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:
– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;
– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.
Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.”
III – Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7. Bekleyen is in 1975 geboren te Berlijn en woonde tot haar veertiende levensjaar met haar gezin in Duitsland. Haar ouders, die Turkse staatsburgers zijn, waren beiden sinds 1971 in loondienst werkzaam in de Bondsrepubliek Duitsland. In 1989 keerde Bekleyen met haar hele familie terug naar Turkije, waar zij haar schoolopleiding beëindigde en een studie landschapsarchitectuur afrondde.
8. In januari 1999 kwam Bekleyen zonder haar familie met toestemming van het Land Berlin terug naar de Bondsrepubliek Duitsland om er haar studie voort te zetten. In maart 1999 kreeg zij een toestemming tot verblijf, die meerdere malen werd verlengd, laatstelijk als verblijfsvergunning tot en met 31 december 2005. In de zomer van 2005 rondde Bekleyen haar studie aan de Technische Universiteit van Berlijn af en verkreeg zij de titel van ingenieur landschapsarchitectuur.
9. Op 19 december 2005 vroeg Bekleyen onder verwijzing naar haar in de Bondsrepubliek Duitsland voltooide academische opleiding een verblijfsvergunning aan op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80. Bij besluit van 21 september 2006 wees het Land Berlin die aanvraag af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht krachtens de Associatieovereenkomst. Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 eist volgens verweerder in het hoofdgeding een temporeel verband tussen het verblijf van de ouders en dat van het kind, en dit was in casu niet aanwezig. De letter en het doel van die bepaling van besluit nr. 1/80 veronderstellen voor de verkrijging van het recht op toegang tot arbeid en verblijf, dat ten minste één van de twee ouders nog in de lidstaat van ontvangst woont wanneer het kind aan zijn beroepsopleiding begint.
10. In mei 2007 kreeg Bekleyen, omdat zij werkte voor een Duitse onderneming, op grond van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. l/80 een verblijfsvergunning tot 13 mei 2009.
11. Met een in juli 2006 ingesteld beroep tegen het uitblijven van een beslissing, dat vervolgens is omgezet in een beroep tegen het besluit van 21 september 2006, vorderde Bekleyen bevestiging van haar verblijfsrecht op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
12. Het Verwaltungsgericht Berlin verwierp het beroep bij vonnis van 9 augustus 2007. Het beroep was stellig ontvankelijk, daar Bekleyen ondanks het haar krachtens artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 verleende verblijfsrecht procesbelang had. Indien zij zich op artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 zou kunnen beroepen, zou zij in de Bondsrepubliek Duitsland namelijk vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben. Het beroep was echter ongegrond, omdat Bekleyens langdurige verblijf in Turkije tot gevolg had dat zij niet langer aanspraak kon maken op de gunstregeling van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
13. Daarop heeft Bekleyen hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
14. Van mening dat de beslechting van het geschil uitlegging van het gemeenschapsrecht vereist, heeft het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 […] aldus worden uitgelegd dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het daarmee samenhangend recht van verblijf na voltooiing van een beroepsopleiding in het gastland, ook ontstaat wanneer het in het gastland geboren kind, nadat het met zijn familie naar de gezamenlijke staat van herkomst is teruggekeerd, als meerderjarige voor het volgen van een beroepsopleiding alleen naar de betrokken lidstaat terugkeert op een tijdstip dat zijn in het verleden in loondienst werkzame ouders met de Turkse nationaliteit de lidstaat reeds tien jaar voordien voorgoed hadden verlaten?”
IV – Analyse
15. De verwijzende rechter vraagt zich in wezen af of artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het daarmee samenhangend recht van verblijf van het kind van een Turkse werknemer na voltooiing van een beroepsopleiding in de lidstaat van ontvangst ook ontstaat indien de ouder van het betrokken kind de lidstaat van ontvangst voorgoed heeft verlaten alvorens zijn kind dat land binnenkomt en zijn beroepsopleiding aanvat.
16. Om op die vraag een bruikbaar antwoord te kunnen geven, moet allereerst worden herinnerd aan de rechtspraak inzake artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
17. In de eerste plaats heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze bepaling in de lidstaten rechtstreekse werking heeft, zodat Turkse staatsburgers die de voorwaarden voor toepassing ervan vervullen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten die deze bepaling hun verleent.(5)
18. In de tweede plaats brengen de rechten die artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 het kind van een Turkse werknemer op het gebied van arbeid in de betrokken lidstaat verleent, voor de rechthebbende noodzakelijkerwijs een recht van verblijf met zich, aangezien anders het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het recht om daadwerkelijk arbeid in loondienst te verrichten van hun inhoud zouden worden beroofd.(6)
19. In de derde plaats kan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 niet aldus worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op de situatie van een minderjarig kind van een tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst behorende of behoord hebbende Turkse werknemer; het is ook van toepassing op de situatie van een meerderjarig kind van een dergelijke werknemer.(7)
20. In de rechtspraak betreffende de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 neemt het arrest Akman, dat de verwijzende rechter in de verwijzingbeslissing uitdrukkelijk heeft genoemd, een belangrijke plaats in.
21. In de zaak waarin dat arrest is gewezen, had Akman in 1980 toestemming gekregen om de Bondsrepubliek Duitsland, waar zijn vader legale arbeid verrichtte, binnen te komen om er een ingenieursopleiding te volgen. Nadat hij in 1993 zijn studie met succes had voltooid, verzocht hij om een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur. Deze vergunning werd hem geweigerd omdat zijn vader in 1986 naar Turkije was teruggekeerd.
22. In het arrest Akman overwoog het Hof dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voor het aan het kind van een Turkse werknemer verleende recht om in de lidstaat van ontvangst op elk arbeidsaanbod te reageren, twee voorwaarden stelt, namelijk dat het kind van de betrokken werknemer in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid en dat één van zijn ouders daar gedurende ten minste drie jaar legaal heeft gewerkt.(8)
23. Daar volgens het Hof voldaan was aan de eerste voorwaarde, betreffende de voltooiing van een beroepsopleiding, heeft het in die zaak de tweede voorwaarde onderzocht, namelijk dat de ouder gedurende drie jaar heeft gewerkt.
24. Aangaande deze tweede voorwaarde overwoog het Hof dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 niet aldus kan worden uitgelegd, dat voor het recht van het kind om op ieder arbeidsaanbod te reageren de voorwaarde geldt, dat de ouder in de betrokken lidstaat woont wanneer het kind aldaar, na voltooiing van zijn beroepsopleiding, wil gaan werken.(9) Tot staving van die opvatting beklemtoonde het Hof dat het kind van een migrerende Turk die gedurende ten minste drie jaar in een lidstaat legale arbeid heeft verricht, dat legaal op het grondgebied van deze lidstaat woont, aldaar een opleiding heeft voltooid en vervolgens de mogelijkheid krijgt in die staat een beroepsactiviteit uit te oefenen, op dat moment niet langer afhankelijk van de aanwezigheid van één van zijn ouders moet worden geacht, aangezien het door zijn toetreding tot de arbeidsmarkt niet langer te hunnen last komt, maar in staat is zelf in zijn behoeften te voorzien.(10)
25. Bijgevolg concludeerde het Hof dat gelet op de geest en doelstelling van de betrokken bepaling alsmede op de context ervan, de tweede voorwaarde van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden opgevat, dat enkel vereist is dat de ouder op een willekeurig moment vóór de datum waarop zijn kind aldaar zijn beroepsopleiding voltooit, gedurende ten minste drie jaar legaal in de lidstaat van ontvangst in loondienst werkzaam is geweest.(11)
26. Wat de onderhavige zaak betreft, moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter het Hof in wezen vraagt, of de rechtspraak van het arrest Akman ook geldt in een situatie waarin de Turkse werknemer die in loondienst werkzaam was, al tien jaar niet meer in de betrokken lidstaat woont wanneer zijn kind daar aan een beroepsopleiding begint.
27. Voor een bruikbaar antwoord op de vraag lijkt het mij belangrijk te vermelden in welk opzicht de situatie in het hoofdgeding verschilt van die in de zaak waarin het arrest Akman is gewezen.
28. Allereerst moet eraan worden herinnerd dat op het tijdstip dat Akman, die toestemming had gekregen om de Bondsrepubliek Duitsland binnen te komen om er zich bij zijn vader te voegen, aan zijn studie begon, zijn vader nog de hoedanigheid van Turkse werknemer in de zin van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 had, aangezien hij toen nog behoorde tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat. Pas toen Akman zijn beroepsopleiding had voltooid en vrije toegang tot arbeid wenste te hebben op grond van een krachtens artikel 7, tweede alinea, van dat besluit verkregen recht om te reageren op ieder arbeidsaanbod, behoorde zijn vader niet meer tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst.
29. In de onderhavige zaak waren de ouders van Bekleyen niet werkzaam in de Bondsrepubliek Duitsland en verbleven zij daar zelfs niet toen zij aan haar beroepsopleiding begon, noch toen zij haar studie aan de universiteit beëindigde.
30. Wat deze zaak juridisch van het arrest Akman onderscheidt, houdt nauw verband met dit feit.
31. In punt 22 van deze conclusie heb ik reeds beklemtoond dat het Hof in de zaak Akman heeft overwogen dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voor het aan het kind van een Turkse werknemer verleende recht om in de lidstaat van ontvangst op elk arbeidsaanbod te reageren, twee voorwaarden stelt, namelijk dat het kind van de betrokken werknemer in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid en dat één van zijn ouders daar gedurende ten minste drie jaar legaal heeft gewerkt.
32. Dienaangaande moet allereerst een opmerking worden gemaakt over de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van dat besluit door het Hof in de zaak Akman, met betrekking tot de twee voorwaarden waaraan een Turks staatsburger die op grond van die bepaling rechten op het gebied van arbeid geldend wil maken, moet voldoen.
33. Het lijkt mij belangrijk te beklemtonen dat, om op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 vrije toegang tot arbeid te hebben, niet aan twee, maar aan drie cumulatieve voorwaarden moet zijn voldaan. De betrokkene moet 1) in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding hebben voltooid, 2) bewijzen dat één van zijn ouders „gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt” en 3) het kind zijn van een Turkse werknemer.(12)
34. In casu is de eerste voorwaarde ongetwijfeld vervuld, aangezien Bekleyen in de lidstaat van ontvangst haar universitaire studie heeft beëindigd en er het diploma van ingenieur landschapsarchitectuur heeft behaald.
35. Wat de tweede voorwaarde van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 betreft, zijn partijen het erover eens dat daaraan in casu is voldaan, aangezien de ouders van Bekleyen, die Turkse staatsburgers zijn, beiden meer dan drie jaar legaal in de Bondsrepubliek Duitsland hebben gewerkt.
36. Bijgevolg staat in casu de derde voorwaarde, betreffende de hoedanigheid van kind van een Turkse werknemer, centraal.
37. Nu dit is geïdentificeerd als de factor die de onderhavige zaak onderscheidt van het arrest Akman, kunnen wij het voorwerp van deze zaak beter omschrijven. De nationale rechter vraagt zich namelijk in wezen af of het voor het verkrijgen van de uit artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende rechten door het kind noodzakelijk is dat de ouder de status van Turkse werknemer in de zin van besluit nr. 1/80 heeft op het ogenblik dat het kind aan zijn beroepsopleiding begint en zolang het die volgt.
38. De Deense en de Nederlandse regering stellen dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 niet van toepassing is op een kind van Turkse werknemers dat zijn studie in de lidstaat van ontvangst pas aanvat wanneer zijn twee ouders die staat reeds voorgoed verlaten hebben. Zij menen dat artikel 7, tweede alinea, van het besluit het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt – en het daaruit voortvloeiende verblijfsrecht – afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het verblijf en de werkzaamheid van de ouders in de lidstaat van ontvangst in de tijd samenvalt met de mogelijkheid dat het kind, na aldaar een beroepsopleiding te hebben gevolgd, toegang krijgt tot arbeid.
39. Uit deze opvatting, waarin de nadruk wordt gelegd op de derde voorwaarde, betreffende de hoedanigheid van „kind van een Turkse werknemer”, volgt dat een van de ouders van de Turkse staatsburger bij het begin van en tijdens de studie van het kind de status van Turkse werknemer in de zin van besluit nr. 1/80 moet hebben opdat het na de voltooiing van zijn beroepsopleiding recht heeft op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst.
40. Aangaande de hoedanigheid van „kind van een Turkse werknemer” in de zin van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, die de Turkse staatsburger moet hebben om na zijn beroepsopleiding recht te hebben op vrije toegang tot arbeid, moet worden opgemerkt dat deze alinea, anders dan in de artikelen 6 en 7, eerste alinea, van dat besluit uitdrukkelijk is voorzien, niet vereist dat de Turkse werknemer wiens kind aanspraak wil maken op een verblijfsrecht, moet behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat, hetgeen in die twee bepalingen als extra voorwaarde wordt gesteld.
41. Deze bijzonderheid in de formulering van artikel 7, tweede alinea, doet de vraag rijzen of de gemeenschapswetgever kort heeft willen herinneren aan het begrip Turkse werknemer in de twee andere bepalingen – de artikelen 6 en 7, eerste alinea – dan wel of ervoor gekozen is de voorwaarden voor toepassing van de betrokken bepaling te doen verschillen van die voor de andere bepalingen.
42. Om de betekenis van die formulering voor de onderhavige zaak te verduidelijken, moet worden uitgegaan van een overweging in de arresten die het Hof van Justitie heeft gewezen in de zaken Bozkurt(13) en Tetik(14). In de zaak waarin het eerste van die twee arresten is gewezen, onderzocht het Hof de voorwaarden van artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80, dat bepaalde tijdvakken van afwezigheid gelijkstelt met tijdvakken van legale arbeid en dat bepaalt: „Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid”. Het Hof werd verzocht te verduidelijken of een Turkse werknemer, zoals Bozkurt, aan die bepaling het recht kan ontlenen van voortgezet verblijf op het grondgebied van de staat van ontvangst, nadat hij door een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden.
43. Het Hof besliste dat, gelet op het doel van besluit nr. 1/80, te weten het consolideren van de positie van reeds werkzame Turkse werknemers, het verblijfsrecht accessoir moet blijven aan het verrichten van arbeid, zodat ingeval de arbeid wordt onderbroken, het verblijfsrecht slechts kan blijven bestaan indien de onderbreking van korte duur is. Het achtte deze uitlegging in overeenstemming met artikel 6, lid 2, van besluit nr. 1/80, dat slechts betrekking heeft op perioden van tijdelijke afwezigheid, die in beginsel niet afdoen aan de verdere deelneming van de werknemer aan het beroepsleven. Bij blijvende arbeidsongeschiktheid daarentegen is de werknemer in het geheel niet meer beschikbaar voor de arbeidsmarkt en bestaat er voor het toekennen van een recht van toegang tot de arbeidsmarkt en een daaraan accessoir verblijfsrecht geen objectief gerechtvaardigd belang.(15)
44. Volgens het Hof betreft artikel 6 van besluit nr. 1/80 „niet de situatie van een Turkse onderdaan die de arbeidsmarkt van een lidstaat definitief heeft verlaten”.(16) Het leidde daaruit af: „Bij gebreke van een specifieke bepaling die aan Turkse werknemers het recht verleent van voortgezet verblijf op het grondgebied van een lidstaat na er arbeid te hebben verricht, vervalt het verblijfsrecht van de Turkse onderdaan […] indien hij volledig en blijvend arbeidsongeschikt is geworden”.(17)
45. In het arrest Tetik bevestigde het Hof naderhand hetgeen het in het arrest Bozkurt had beslist, en verduidelijkte het „dat een Turkse werknemer die gedurende meer dan vier jaar legaal op het grondgebied van een lidstaat heeft gewerkt, vrijwillig besluit zijn arbeid op te geven om in dezelfde lidstaat nieuw werk te zoeken en er niet in slaagt onmiddellijk een andere arbeidsverhouding aan te gaan, recht heeft gedurende een redelijke termijn in die lidstaat te verblijven om nieuwe arbeid in loondienst te zoeken, voor zover hij tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat blijft behoren en, in voorkomend geval, de voorschriften van de in die staat vigerende regeling naleeft, bijvoorbeeld door zich als werkzoekende in te schrijven en zich ter beschikking van het arbeidsbureau te stellen”.(18)
46. Gelet op die twee arresten stellen de Deense en de Nederlandse regering voor, de bijzondere formulering van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 op te vatten in de eerste zin die in punt 41 van deze conclusie wordt genoemd, namelijk aldus dat het gaat om de wil van de gemeenschapswetgever om kort te herinneren aan het begrip Turkse werknemer in de eerste alinea van dat artikel.
47. Bijgevolg moet huns inziens a) rekening worden gehouden met het feit dat de ouders van Bekleyen, die het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland verlaten hebben en er al tien jaar niet meer wonen, de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst voorgoed verlaten hebben, b) daaruit worden afgeleid dat zij, toen Bekleyen haar beroepsopleiding in de Bondsrepubliek Duitsland heeft aangevat, gevolgd en voltooid, niet meer de status van Turkse werknemer hadden voor de toepassing van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, en c) de door de verwijzende rechter gestelde vraag aldus worden beantwoord dat een persoon die zich in de situatie van Bekleyen bevindt na de voltooiing van zijn beroepsopleiding niet het recht van vrije toegang tot arbeid kan verkrijgen en zich dus ook niet kan beroepen op de rechten inzake arbeid en verblijf die voortvloeien uit artikel 7, tweede alinea, van dat besluit.
48. Tegen die oplossing van het aan het Hof voorgelegde probleem pleiten drie soorten redenen, die betrekking hebben op a) de doelstellingen van de Associatieovereenkomst en besluit nr. 1/80, b) de verschillen tussen de inhoud van de tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80 en die van de eerste alinea van dat artikel, en c) de invloed van artikel 59 van het Aanvullend Protocol op de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
A – Doelstellingen van de Associatieovereenkomst en besluit nr. 1/80
49. Zoals het Hof duidelijk heeft uiteengezet, a) bepaalt artikel 12 van de Associatieovereenkomst dat deze overeenkomst „tot doel [heeft], de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, met inbegrip van die inzake arbeidskrachten, door onder meer geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen”(19) en b) moet dat doel „zoveel mogelijk” worden nagestreefd door bij de toepassing van de regels van de Associatieovereenkomst de regels en beginselen van het vrij verkeer van werknemers in de Gemeenschap te volgen(20) „teneinde de levensstandaard van het Turkse volk te verbeteren en in een later stadium de toetreding van de Republiek Turkije tot de Gemeenschap te vergemakkelijken (vierde overweging van de considerans en artikel 28 van deze overeenkomst)”.(21)
50. Dit doel van de Associatieovereenkomst moet noodzakelijkerwijs de inspiratiebron zijn bij de uitlegging van besluit nr. 1/80, dat volgens de eerste en de derde overweging van zijn considerans is vastgesteld, rekening houdend met „het speciale karakter van de associatiebanden tussen de Gemeenschap en Turkije”, en dat ertoe strekt dat „de bepalingen [van de overeenkomst] betreffende de uitwisseling van jonge werknemers ten uitvoer […] worden gelegd”.
51. Goed voor ogen houdend dat de bepalingen van het betrokken besluit die moeten worden uitgelegd, namelijk de artikelen 6 en 7, eerste en tweede alinea, moeten worden gezien in een context waarin de Gemeenschap geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand beoogt te brengen, waarbij bijzondere zorg wordt besteed aan de toelating van jonge Turkse werknemers tot de arbeidsmarkt van de Gemeenschap, moet bij de uitlegging van die bepalingen onderscheid worden gemaakt op grond van hun gemeenschappelijke doel en de specifieke functie die elk daarvan vervult.
52. Het algemene doel dat de drie bepalingen gemeen hebben, is de geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van Turkse werknemers tussen elke lidstaat van de Gemeenschap en Turkije.
53. De functie van artikel 6 van besluit nr. 1/80 is te specificeren hoe de geleidelijke integratie van de Turkse werknemers in de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Gemeenschap moet worden verwezenlijkt.
54. De eerste en de tweede alinea van artikel 7 van het besluit sluiten aan bij de algemene inspiratie van het stelsel waarvan zij deel uitmaken, nu zij voorzien in de toegang van de gezinsleden tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst. Dit gemeenschappelijke algemene doel van de twee alinea’s wordt bevestigd door het arrest Derin, volgens hetwelk artikel 7 van besluit nr. 1/80 „een voortschrijdende consolidatie van de situatie van de gezinsleden van [de Turkse] werknemers in de betrokken lidstaat tot doel heeft, door hen in staat te stellen om er na een bepaalde periode een zelfstandig bestaan te leiden”.(22)
55. Deze toelating van de gezinsleden van een Turkse werknemer tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst neemt voor een gezinslid de vorm aan van een recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op ieder arbeidsaanbod wanneer hij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal woont (eerste streepje van de eerste alinea van artikel 7), of van de vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze wanneer hij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal woont (tweede streepje van de eerste alinea), en voor een kind (en niet zomaar een gezinslid), van de mogelijkheid om in de lidstaat van ontvangst op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt en het kind in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid (tweede alinea van artikel 7).
56. Het specifieke doel van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 is de geleidelijke integratie van de Turkse werknemers in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst doordat wordt voldaan aan hun met hun wens om toegang tot de arbeidsmarkt samenhangende behoefte aan gezinshereniging. Daarom zijn de rechten van hun gezinsleden afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat die werknemers behoorden en blijven behoren tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst.
57. In het arrest Kadiman(23) overwoog het Hof dat deze eerste alinea a) „ten doel heeft de tewerkstelling en het verblijf van de tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer te bevorderen, door te waarborgen dat hij zijn familiebanden kan behouden”(24), b) aan die gezinsleden het recht verleent om na een bepaalde tijd arbeid te verrichten in die staat teneinde „de duurzame integratie van het gezin van de Turkse migrerende werknemer in de lidstaat van ontvangst te versterken”(25), en c) beoogt „gunstige voorwaarden [te] scheppen voor de gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst, door eerst de aanwezigheid van de gezinsleden bij de migrerende werknemer mogelijk te maken en vervolgens hun positie daar te consolideren, door hun het recht te verlenen in die staat arbeid te verrichten”.(26)
58. De tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80 heeft daarentegen niet tot doel gunstige voorwaarden te scheppen voor de gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst(27), maar wil de toegang tot de arbeidsmarkt van de ontvangende lidstaat van kinderen van Turkse werknemers die een beroepsopleiding hebben voltooid vergemakkelijken teneinde geleidelijk het vrije verkeer van werknemers te verwezenlijken.(28) Daarom is de toepassing van deze alinea niet meer nauw verbonden met het doel van integratie van de ouders van een Turks kind in de lidstaat van ontvangst en vereist deze bepaling niet dat zij behoren tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat op het tijdstip waarop dat kind wil reageren op een arbeidsaanbod.
59. Bovendien zou de door de Deense en de Nederlandse regering voorgestelde uitlegging, die vereist dat de ouders daadwerkelijk aanwezig zijn op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst en behoren tot de legale arbeidsmarkt van die staat, aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 elk nuttig effect ontnemen, aangezien die bepaling dan niets zou toevoegen aan de eerste alinea, die in ruimere zin ziet op de gezinshereniging van „gezinsleden”.
60. Aangezien artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 niet specifiek het doel van gezinshereniging nastreeft, kan het bijgevolg niet aldus worden opgevat dat het een voorwaarde stelt met betrekking tot het verblijf en het werk van de ouders, en derhalve van een gemeenschappelijk verblijf van de ouders en het kind wanneer dat kind aan een beroepsopleiding begint en zolang het die volgt.
B – Verschillen tussen de inhoud van de tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80 en die van de eerste alinea van dat artikel
61. Gelet op de verschillende specifieke functies van de eerste en de tweede alinea van artikel 7 van besluit nr. 1/80, moet de inhoud van de eerste alinea aldus worden uitgelegd dat het voor de gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, een recht doet ontstaan dat is afgeleid van het recht van die werknemer; de inhoud van de tweede alinea moet daarentegen aldus worden uitgelegd dat het, wanneer aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan, een eigen recht van zijn kinderen doet ontstaan.
62. Dat het recht van de kinderen van Turkse werknemers op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Gemeenschap op grond daarvan een eigen recht is, en geen afgeleid recht, wordt niet weerlegd door het feit dat, zoals ik in de punten 31 en volgende van deze conclusie heb vermeld, artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 juist in dat recht voorziet voor „kinderen van Turkse werknemers […] op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt”.
63. Dit element impliceert ongetwijfeld dat het recht van een kind van Turkse werknemers op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van de staat van ontvangst zijn oorsprong vindt in de arbeid die deze werknemers in het verleden hebben verricht. De eigen functie van artikel 7, tweede alinea, van het besluit betekent evenwel dat dit element niet aldus mag worden opgevat dat het behoud van de status van Turkse werknemer door een van de ouders tijdens de opleiding van het betrokken kind wordt verheven tot voorwaarde voor de toepassing van dat artikel. Dat element moet, samen met de verkrijging door dat kind van een diploma dat de beroepsopleiding afsluit, worden beschouwd als een feitelijk gegeven waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of dat kind minstens in zekere mate is geïntegreerd in de samenleving van de lidstaat van ontvangst; juist wegens dat niveau van integratie is het in besluit nr. 1/80, in de geest van de Associatieovereenkomst waaraan ik in de punten 49 en 50 van deze conclusie heb herinnerd, nodig geacht hem een bevoorrechte status te verlenen in vergelijking met elke andere derdelander en elk ander lid van hetzelfde gezin.
64. Het is duidelijk dat het Hof wegens deze opvatting van de hoedanigheid van kind van een Turkse werknemer als een historisch gegeven met sociologische waarde, in punt 30 van het arrest Akman het accent heeft gelegd op het feit dat artikel 7, tweede alinea, van het besluit het werkwoord „werken” in de verleden tijd heeft gebruikt – in tegenstelling tot het gebruik van de tegenwoordige tijd in de eerste alinea van dat artikel(29) – waar het dat recht verleent „op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt”. Het Hof heeft die omstandigheid aldus beoordeeld dat deze formulering „een aanwijzing [vormt], dat de voorwaarde […] op een eerder tijdstip moet zijn vervuld dan de datum waarop het kind zijn beroepsopleiding heeft voltooid”.(30)
65. Zoals ik in punt 61 van deze conclusie al zei, verleent besluit nr. 1/80 het kind niet alleen een eigen recht van toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat van de Gemeenschap omdat het het kind is van een werknemer die gedurende ten minste drie jaar legaal in een lidstaat heeft gewerkt, maar ook omdat het een diploma heeft behaald na in dat land een beroepsopleiding te hebben gevolgd.
66. Door die twee voorwaarden heeft besluit nr. 1/80 uitvoering gegeven aan het beginsel van de „geleidelijke totstandbrenging van het vrije verkeer van Turkse werknemers”, waarop de Associatieovereenkomst is gebaseerd. Enerzijds stelt besluit nr. 1/80 Turkse kinderen niet gelijk met communautaire werknemers, daar het hun toegang verleent tot de arbeidsmarkt van het land waar een van hun ouders gedurende ten minste drie jaar legale arbeid heeft verricht; anderzijds verleent het hun slechts toegang tot die markt als zij in staat zijn zich voldoende te integreren in de samenleving van dat land, hetgeen blijkt uit het behalen van een diploma na afloop van een beroepsopleiding.
67. Uit één en ander volgt dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, tenzij anders moet worden geconcludeerd op grond van de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol, aldus moet worden uitgelegd dat een kind van een Turkse werknemer die gedurende drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, dat in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid, zich kan beroepen op een recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van die staat en op een daarmee samenhangend recht van verblijf, ook als zijn ouders die lidstaat voorgoed hebben verlaten voordat dat kind die lidstaat is binnengekomen en er aan zijn beroepsopleiding is begonnen.
C – Invloed van artikel 59 van het Aanvullend Protocol op de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80
68. De verwijzende rechter vraagt zich af of de in het vorige punt geformuleerde uitlegging verenigbaar is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol, volgens hetwelk „de behandeling van Turkije niet gunstiger [mag] zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het EG-Verdrag”; derhalve moet een vergelijking worden gemaakt, zodat kan worden vastgesteld of de in het vorige punt uiteengezette oplossing van het probleem niet tot gevolg heeft dat in een geval als dat van het hoofdgeding een kind van een Turkse werknemer gunstiger wordt behandeld dan een kind van een communautair werknemer. Die vergelijking is te meer noodzakelijk nu de verwijzende rechter meent dat een kind van een burger van de Europese Unie de rechten die voortvloeien uit een eerder verblijf in de lidstaat van ontvangst niet behoudt wanneer hij, na het met zijn ouders te hebben verlaten, daar alleen naar terugkeert om er een beroepsopleiding te volgen.
69. Voor een bruikbare vergelijking moeten twee voorafgaande opmerkingen worden gemaakt.
70. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak dat besluit nr. 1/80 niet afdoet aan de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse staatsburgers tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren.(31)
71. Aangaande de situatie van de gezinsleden van een Turkse werknemer heeft het Hof in het arrest Ergat overwogen dat de lidstaten ondanks de vaststelling van besluit nr. 1/80 nog steeds de bevoegdheid hebben, zowel regels te stellen voor de toegang tot hun grondgebied van een gezinslid van een Turkse werknemer, als de voorwaarden vast te leggen voor zijn verblijf gedurende de eerste drie jaar, voordat hij het recht verkrijgt op elk arbeidsaanbod in te gaan.(32)
72. Die bevoegdheid van de lidstaten impliceert ook de mogelijkheid om regels te stellen voor de nieuwe vestiging of de nieuwe toelating van een gezinslid van een Turkse werknemer dat eerder de in artikel 7 van besluit nr. 1/80 bedoelde rechten heeft verkregen, maar die deze juridische status in beginsel verloren heeft omdat die werknemer de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten. Het Hof heeft derhalve bevestigd dat ingeval een gezinslid van een Turkse werknemer zich later opnieuw in de betrokken lidstaat wil vestigen, de autoriteiten van die lidstaat mogen verlangen dat hij een nieuw verzoek om toelating indient, hetzij om zich te voegen bij die werknemer, indien hij nog steeds te zijnen laste komt, hetzij voor het verrichten van arbeid op de grondslag van artikel 6 van besluit nr. 1/80.(33)
73. Dienaangaande moet worden gepreciseerd dat de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 die ik in punt 67 van deze conclusie voorstel, geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om de nieuwe toelating van het kind van een Turkse werknemer die de lidstaat van ontvangst met zijn gezin voorgoed verlaten heeft, afhankelijk te stellen van de afgifte van een nieuwe inreisvergunning indien het kind in kwestie in die lidstaat een opleiding wil volgen.(34)
74. In de tweede plaats moet bij de vergelijking van de situatie van een kind van een Turkse werknemer met die van een kind van een burger van een lidstaat in een geval als in het hoofdgeding rekening worden gehouden met het feit dat het recht van verblijf in de Bondsrepubliek Duitsland, dat aan Bekleyen is verleend nadat zij naar die lidstaat was teruggekeerd om er haar beroepsopleiding voort te zetten, was gebaseerd op het nationale recht, en niet op besluit nr. 1/80.
75. In het licht daarvan moet bij die vergelijking, anders dan in de opmerkingen van de Deense regering wordt gesteld en de verwijzende rechter meent, de situatie van Bekleyen in aanmerking worden genomen zoals die was toen zij haar beroepsopleiding heeft voltooid en zij onder verwijzing naar een aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ontleend recht toegang wilde krijgen tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst, en niet op het tijdstip waarop zij het grondgebied van die staat is binnengekomen en haar universitaire studie heeft aangevat. Bijzonder aan haar situatie is, dat haar ouders niet meer in de lidstaat van ontvangst woonden toen zij naar die lidstaat terugkeerde, noch toen zij haar beroepsopleiding volgde; haar geval valt dan ook niet binnen de discipline van de gezinshereniging. Het gaat dus om een meerderjarig kind dat zich na zijn universitaire studie in de situatie van een zelfstandige persoon bevindt.(35) Bijgevolg moet een vergelijking worden gemaakt tussen haar aan besluit nr. 1/80 ontleende rechten en de rechten van een kind van een burger van de Europese Unie die toegang wil krijgen tot de arbeidsmarkt van een andere lidstaat nadat het in die staat een beroepsopleiding heeft voltooid zonder dat zijn ouders aanwezig zijn op het grondgebied van de lidstaat in kwestie.(36)
76. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de situatie van een kind van een Europees burger, anders dan de verwijzende rechter meent, niet wordt beheerst door artikel 7, lid 1, sub d, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: „richtlijn 2004/38”)(37) of artikel 12, lid 1, van die richtlijn.(38)
77. Artikel 7, lid 1, sub d, van richtlijn 2004/38 voorziet voor familieleden die een burger van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen in het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien deze de hoedanigheid van werknemer heeft (sub a van dat lid), over voldoende bestaansmiddelen beschikt (sub b van dat lid) of een studie volgt (sub c van dat lid).
78. Uit de in die bepaling gebruikte woorden „begeleidt of zich bij hem voegt” volgt dat artikel 7, lid 1, sub d, van richtlijn 2004/38, dat gezinshereniging nastreeft, veronderstelt dat ten minste één van de ouders van het kind in kwestie zich bevindt op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst opdat dat kind er een verblijfsrecht kan hebben. Niettemin moet het onderzoek dat overeenkomstig artikel 59 van het Aanvullend Protocol moet worden verricht, zoals ik in punt 75 van deze conclusie al heb gezegd, gebeuren aan de hand van een vergelijking van de situatie van een Turks kind zoals in deze zaak met die van een kind van een burger van de Europese Unie wiens ouders niet meer in de lidstaat van ontvangst verblijven wanneer het daar een recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt wil uitoefenen.
79. Artikel 12, lid 1, van richtlijn 2004/38 voorziet van zijn kant in het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van overlijden of vertrek van de burger van de Europese Unie. Bijgevolg moet daarmee geen rekening worden gehouden bij de vergelijking die moet worden gemaakt op grond van artikel 59 van het Aanvullend Protocol, aangezien dit moet gebeuren voor een situatie waarin de ouders van een kind op het tijdstip waarop dit terugkeert naar de lidstaat van ontvangst en gedurende zijn verblijf aldaar daar niet meer verblijven.
80. In het geval van een kind van een burger van de Europese Unie dat zelf dat burgerschap heeft, moet daarentegen rekening worden gehouden met de artikelen 18 EG en 39 EG, artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/38, en de rechtspraak van het Hof inzake artikel 39 EG.
81. Volgens artikel 18, lid 1, EG heeft „iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld”.
82. Artikel 39, lid 1, EG poneert het algemene beginsel van het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, en lid 2 van dit artikel bepaalt dat dit de afschaffing inhoudt van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Het vrije verkeer van werknemers houdt volgens lid 3, sub a en b, van dat artikel het recht in om in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling en zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten.
83. Verder bepaalt artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/38 dat iedere burger van de Unie het recht heeft gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is.
84. Uit de rechtspraak van het Hof inzake artikel 39 EG blijkt ten slotte dat het begrip „werknemer” in de zin van deze bepaling een communautaire inhoud heeft en niet strikt mag worden uitgelegd(39); in overwegingen die ook gelden voor de uitlegging van het begrip „werknemer” in de zin van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/38, is daarin gepreciseerd dat dit begrip niet enkel degene omvat die zich naar een andere lidstaat begeeft om er te reageren op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling, maar ook op degene die dat doet om er werk te zoeken.(40)
85. Daaruit volgt dat een burger van een lidstaat, die een meerderjarig kind is van een burger van de Europese Unie en die in een andere lidstaat een universitaire studie heeft voltooid, niet alleen een autonoom recht heeft om in die lidstaat van ontvangst te verblijven, maar ook recht heeft op vrije toegang tot werkzaamheden in loondienst op de arbeidsmarkt van die lidstaat. Volgens artikel 39, lid 3, EG kan dat recht slechts worden beperkt uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.
86. Wat de rechten van een kind van een Turkse werknemer betreft, moet daarentegen worden vastgesteld dat Turkse staatsburgers die de bij artikel 7 van besluit nr. 1/80 verleende rechten van toegang tot arbeid en verblijf hebben, anders dan burgers van de Europese Unie, niet het recht hebben zich vrij binnen de Gemeenschap te verplaatsen, maar slechts bepaalde rechten genieten en dat alleen in de lidstaat van ontvangst.(41)
87. Zoals ik in punt 33 van deze conclusie al zei, moet een kind van een Turks staatsburger, om aanspraak te kunnen maken op het recht van vrije toegang tot arbeid en het daarmee samenhangende recht van verblijf op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) het kind zijn van een Turkse werknemer, 2) bewijzen dat één van de ouders „gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt”, en 3) in de lidstaat van ontvangst een beroepsopleiding hebben voltooid.
88. Daaruit volgt dat het kind van een Turks staatsburger, anders dan een kind van een burger van de Europese Unie, geen onvoorwaardelijk recht op toegang tot de arbeidsmarkt van een lidstaat en een daarmee samenhangend verblijfsrecht heeft, aangezien het aan verschillende voorwaarden moet voldoen om die rechten te krijgen. Wat de strekking van de hem bij artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten betreft, is in de vorige punten van deze conclusie bovendien reeds vastgesteld dat die rechten op significante wijze achterblijven (geen vrij verkeer binnen de Gemeenschap, binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat overeenkomstig diens nationale recht) bij de rechten die een gemeenschapsburger ontleent aan de verdragsregels inzake het vrij verkeer van werknemers en de ter uitvoering daarvan vastgestelde handelingen van afgeleid recht.
89. Daaruit volgt dat de voorgestelde uitlegging van de aan artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ontleende rechten er niet toe leidt dat een kind van een Turkse werknemer gunstiger wordt behandeld dan een kind van een burger van de Europese Unie op grond van het Verdrag.
90. Op grond van deze overwegingen meen ik dat de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, volgens welke een kind van een Turkse werknemer die gedurende drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, dat in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid, zich kan beroepen op een recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van die staat en op een daarmee samenhangend recht van verblijf, ook als zijn ouders die lidstaat voorgoed hebben verlaten voordat dat kind die lidstaat is binnengekomen en er aan zijn beroepsopleiding is begonnen, niet in strijd is met artikel 59 van het Aanvullend Protocol.
V – Conclusie
91. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg te beantwoorden als volgt:
„Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, moet aldus worden uitgelegd dat een kind van een Turkse werknemer die gedurende drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, dat in die lidstaat een beroepsopleiding heeft voltooid, zich kan beroepen op een recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van die staat en op een daarmee samenhangend recht van verblijf, ook als zijn ouders die lidstaat voorgoed hebben verlaten voordat dat kind die lidstaat is binnengekomen en er aan zijn beroepsopleiding is begonnen.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – De Associatieraad is opgericht bij de Overeenkomst die op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds. Deze Overeenkomst is namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, L 217, blz. 3685; hierna: „Associatieovereenkomst”).
3 – Het besluit van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie is in werking getreden op 1 juli 1980. Het is niet gepubliceerd in het Publicatieblad, maar is te vinden in Associatieovereenkomst en protocollen EEG-Turkije en andere basisteksten, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, Brussel, 1992.
4 – Ondertekend te Brussel op 23 november 1970, tot vaststelling van de voorwaarden, de wijze en het tempo van verwezenlijking van de overgangsfase; namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening nr. 2760/72/EEG van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: „Aanvullend Protocol”).
5 – Arresten van 5 oktober 1994, Eroglu (C‑355/93, Jurispr. blz. I-5113, punt 17); 19 november 1998, Akman (C‑210/97, Jurispr. blz. I-7519, punt 23), en 16 februari 2006, Torun (C‑502/04, Jurispr. blz. I-1563, punt 19).
6 – Reeds aangehaalde arresten Eroglu (punten 20 en 23), Akman (punt 24) en Torun (punt 20).
7 – Arrest Torun, reeds aangehaald (punten 27 en 28).
8 – Punt 25.
9 – Punt 44.
10 – Punt 45.
11 – Punt 47.
12 – In het arrest Akman heeft het Hof weliswaar kort onderzocht of Akman de hoedanigheid van kind van een Turkse werknemer bezat – hetgeen de Duitse en de Griekse regering betwistten – maar het heeft dit criterium niet beschouwd als een in artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 uitdrukkelijk gestelde voorwaarde.
13 – Arrest van 6 juni 1995 (C-434/93, Jurispr. blz. I-1475).
14– Arrest van 23 januari 1997 (C-171/95, Jurispr. blz. I‑329).
15 – Arrest Bozkurt, reeds aangehaald, punt 36.
16– Idem, punt 39.
17– Idem, punt 40.
18– Idem, punt 48.
19– Arrest van 18 juli 2007, Derin (C‑325/05, Jurispr. blz. I-6495, punt 3).
20– Zie arrest Bozkurt, reeds aangehaald (punt 20).
21– Arrest Derin, reeds aangehaald (punt 3). Zie dienaangaande O’Leary, S., „Employment and residence for Turkish workers and their families: Analogies with the case-law of the Court of justice on Art. 48 EC”, in Festschrift für G.F. Mancini, 1998, blz. 738.
22– Punt 71.
23 – Arrest van 17 april 1997 (C‑351/95, Jurispr. blz. I-2133).
24 – Punt 34.
25 – Idem, punt 35.
26– Idem, punt 36.
27– Zie arrest Akman, reeds aangehaald (punt 34).
28– Zie reeds aangehaalde arresten Akman (punt 38) en Torun (punt 23).
29– In die eerste alinea legt besluit nr. 1/80 immers de voorwaarden vast waaronder een gezinslid van een tot de arbeidsmarkt van de staat van ontvangst „behorende” Turkse werknemer toegang heeft tot die markt.
30– Op grond van deze uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 in punt 30 van het arrest Akman heeft het Hof – in punt 44 van dat arrest – overwogen dat de tweede alinea niet aldus kan worden uitgelegd, dat voor het recht van het kind om op ieder arbeidsaanbod te reageren de voorwaarde geldt, dat de ouder in de betrokken lidstaat woont wanneer het kind aldaar, na voltooiing van zijn beroepsopleiding, wil gaan werken. Dat deze overweging van het Hof strikter is geformuleerd dan die in punt 30 van het arrest Akman, die in dit punt van mijn conclusie is aangehaald, is – juist – te wijten aan het feit dat zij in die zaak de toepassing van de uitlegging van de betrokken alinea vormde die noodzakelijk was om de gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden.
31– Zie met name arrest van 16 december 1992, Kus (C-237/91, Jurispr. blz. I-6781, punt 25); arrest Kadiman (reeds aangehaald, punt 31), en arrest van 18 december 2008, Altun (C-337/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
32– Arrest van 16 maart 2000 (C-329/97, Jurispr. blz. I-1487, punt 42).
33– Reeds aangehaalde arresten Ergat (punt 49) en Derin (punt 67).
34– Dienaangaande heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen gesteld dat Bekleyen haar juridische status op grond van artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 niet verloren heeft, dat wil zeggen dat zij bij haar terugkeer nog steeds vrije toegang tot arbeid in loondienst in de lidstaat van ontvangst en een recht van verblijf heeft. Daar Bekleyen als minderjarige de lidstaat van ontvangst niet uit vrije wil heeft verlaten, maar zij zich heeft neergelegd bij het besluit van haar ouders, kan volgens de Commissie niet worden verondersteld dat zij die staat „zonder gegronde redenen” heeft verlaten. Mijns inziens mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, en dat de vraag betreffende de rechten die Bekleyen zou kunnen ontlenen aan artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 niet is gerezen in de nationale administratieve procedure of voor de nationale rechter, en door verzoekster in haar opmerkingen zelfs niet is vermeld. Ik zal dan ook niet onderzoeken of Bekleyen de juridische status die zij, zoals de Commissie stelt, eventueel zou hebben verworven op grond van artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 heeft verloren doordat zij het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland heeft verlaten.
35– Het Hof heeft die onafhankelijkheid, die kenmerkend is voor het tijdstip van de voltooiing van de universitaire studie, beklemtoond in punt 45 van het arrest Akman, volgens hetwelk „het kind van een migrerende Turk die gedurende ten minste drie jaar in een lidstaat legale arbeid heeft verricht, dat legaal op het grondgebied van deze lidstaat woont, aldaar een opleiding heeft voltooid en vervolgens de mogelijkheid krijgt in die staat een beroepsactiviteit uit te oefenen, op dat moment niet langer afhankelijk van de aanwezigheid van één van zijn ouders [moet] worden geacht, aangezien het door zijn toetreding tot de arbeidsmarkt niet langer te hunnen last komt, maar in staat is zelf in zijn behoeften te voorzien”.
36 – Om deze vergelijking te maken heb ik om twee redenen slechts rekening gehouden met een deel van de argumenten die werden aangevoerd in de zaak Derin. In de eerste plaats vergeleek het Hof in die zaak de rechten die een kind van een Turkse werknemer ontleent aan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, en niet die welke voortvloeien uit de tweede alinea van dat artikel. In de tweede plaats heeft het Hof in punt 68 van dat arrest weliswaar overwogen dat „de situatie van het kind van een Turkse migrerende werknemer redelijkerwijs niet [kan] worden vergeleken met die van een afstammeling van een burger van een lidstaat, gelet op de aanzienlijke verschillen tussen hun respectieve rechtsposities”, maar dat neemt niet weg dat dit gebeurde bij de beoordeling van het uitputtende karakter van de gronden voor verval van het verblijfsrecht dat de gezinsleden van Turkse staatsburgers ontlenen aan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80. Bijgevolg meen ik dat de argumenten die de motivering vormen van het arrest Derin niet in hun geheel kunnen worden toegepast op de situatie in de onderhavige zaak.
37– PB L 158, blz. 77, en rectificatie in PB L 229, blz 35.
38– Bij mijn vergelijking hou ik rekening met de bepalingen van richtlijn 2004/38, en niet met artikel 11 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2434/92 van de Raad van 27 juli 1992 (PB L 245, blz. 1). Artikel 11 van verordening nr. 1612/68 is ingetrokken en vervangen bij richtlijn 2004/38, die overeenkomstig artikel 40 door de lidstaten moest zijn omgezet vóór 30 april 2006. Hoewel verzoekster haar verblijfsvergunning heeft aangevraagd toen dat artikel 11 van verordening nr. 1612/68 nog van kracht was, namelijk op 19 december 2005, was de nieuwe richtlijn intussen in werking getreden. Toen het Land Berlin op 21 september 2006 het verzoek afwees, was artikel 11 van verordening nr. 1612/68 reeds ingetrokken, en gold enkel richtlijn 2004/38, en dat was gedurende de gehele gerechtelijke procedure het geval. Het lijkt mij dan ook nuttig de vergelijking te maken op basis van richtlijn 2004/38.
39– Arrest van 23 maart 2004, Collins (C-138/02, Jurispr. blz. I-2703, punt 26, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 – Zie in die zin arrest van 12 mei 1998, Martínez Sala (C-85/96, Jurispr. blz. I‑2691, punt 32), volgens hetwelk in het kader van artikel 39 EG „ook iemand die daadwerkelijk werk zoekt als werknemer moet worden aangemerkt”.
41– Zie in die zin met name reeds aangehaalde arresten Tetik (punt 29) en Derin (punt 66).
Full & Egal Universal Law Academy