CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 17 december 2009 (1)
Zaak C‑471/08
Sanna Maria Parviainen
tegen
Finnair Oyj
[verzoek van de Helsingin käräjäoikeus (Finland) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale politiek – Bescherming van veiligheid en gezondheid op werk van werkneemsters tijdens zwangerschap, na bevalling en tijdens lactatie – Richtlijn 92/85/EEG – Artikelen 5 en 11, punt 1 – Behoud van bezoldiging en/of genot van adequate uitkering – Tijdens zwangerschap naar andere arbeidsplaats overgeplaatste werkneemster – Overplaatsing wegens risico voor haar gezondheid en die van kind – Lagere bezoldiging dan gemiddelde bezoldiging vóór tijdelijke overplaatsing naar andere arbeidsplaats – Vroegere bezoldiging bestaande uit maandsalaris en toelagen”
I – Inleiding
1. Met het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend bij beslissing van 30 december 2008, verzoekt de Helsingin käräjäoikeus (rechtbank van eerste aanleg te Helsinki) (Finland) om uitlegging van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG).(2) Het verzoek is het gevolg van een geschil tussen Parviainen, stewardess en hoofd van het cabinepersoneel aan wie wegens haar zwangerschap minder goed betaalde grondwerkzaamheden werden toegewezen, en Finnair Oyj. Het geschil betreft de betaling van een bezoldiging die gelijk is aan de bezoldiging die verzoekster in het hoofdgeding voor haar werk als hoofd van het cabinepersoneel ontving vóór haar grondwerkzaamheden werden toegewezen.
2. Deze procedure biedt het Hof voor het eerst de gelegenheid om artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 uit te leggen in een context waarin een zwangere werkneemster blijft werken nadat haar tijdelijk een nieuwe arbeidsplaats is toegewezen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Gemeenschapsrecht
3. Volgens de negende overweging van de considerans van richtlijn 92/85 mag de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie geen afbreuk doen aan de plaats van de vrouw op de arbeidsmarkt en evenmin afbreuk doen aan de richtlijnen van de Raad op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
4. Blijkens de achtste overweging van de considerans van richtlijn 92/85 moeten werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie in vele opzichten worden beschouwd als een groep met bijzondere risico’s en moeten maatregelen worden getroffen inzake hun gezondheid en veiligheid.
5. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/85, met als opschrift „Evaluatie en informatie”, luidt:
„Voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan de agentia, procedés of arbeidsomstandigheden waarvan een niet-limitatieve lijst in bijlage I is opgenomen, moeten de aard, de mate en de duur van de blootstelling in de betrokken onderneming en/of inrichting van de werkneemsters in de zin van artikel 2 rechtstreeks door de werkgever of door bemiddeling van de in artikel 7 van richtlijn 89/391/EEG [van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB L 183, blz. 1)] bedoelde beschermings‑ en preventiediensten worden geëvalueerd, teneinde:
– ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster in de zin van artikel 2 te kunnen beoordelen;
– te kunnen vaststellen welke maatregelen moeten worden genomen.”
6. Artikel 5 van de richtlijn, met als opschrift „Consequenties van de resultaten van de evaluatie”, bepaalt:
„1. Onverminderd artikel 6 van richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever, indien uit de resultaten van de in artikel 4, lid 1, bedoelde evaluatie een risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede een terugslag op de zwangerschap of de lactatie van een werkneemster in de zin van artikel 2 blijkt, de nodige maatregelen opdat door tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden van de betrokken werkneemster de blootstelling van deze werkneemster aan dit risico wordt vermeden.
2. Indien aanpassing van de arbeidsomstandigheden en/of werktijden technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokken werkneemster een andere arbeidsplaats krijgt.
3. Indien overplaatsing technisch en/of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de betrokken werkneemster gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode, overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken, vrijgesteld van arbeid.
[...]”
7. Krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 92/85 moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie in de zin van artikel 2 recht hebben op een overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken vóór en/of na de bevalling te nemen zwangerschapsverlof van ten minste veertien aaneengesloten weken.
8. Artikel 11 van richtlijn 92/85, met als opschrift „Rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst”, bepaalt:
„Teneinde de werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in dit artikel erkende rechten inzake de bescherming van hun veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
1. in de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde gevallen moeten de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, van de werkneemsters in de zin van artikel 2 overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken worden gewaarborgd;
2. in het in artikel 8 bedoelde geval moeten worden gewaarborgd:
a) de andere dan de in onderstaand sub b bedoelde rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
b) het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering van de werkneemsters in de zin van artikel 2;
3. de in punt 2, sub b, bedoelde uitkering wordt als adequaat beschouwd, wanneer zij een inkomen waarborgt dat gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen, binnen de grenzen van een eventueel, door de nationale wetten bepaald maximum;
[...]”
9. Bijlage I bij richtlijn 92/85, waarnaar in artikel 4 wordt verwezen, noemt als fysische agentia die embryonaal/foetaal letsel en/of loslating van de placenta tot gevolg kunnen hebben, met name ioniserende en niet-ioniserende stralingen.
B – Nationale regelgeving
10. De wet betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen [naisten ja miesten välisestä tasa-arvosta annettu laki (609/1986)] verbiedt discriminatie op grond van het geslacht.
11. § 7, eerste alinea, van de wet betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals gewijzigd bij wet 232/2005, verbiedt elke rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van het geslacht. Volgens de tweede alinea van die bepaling wordt onder rechtstreekse discriminatie ook verstaan een ongelijke behandeling op grond van zwangerschap of bevalling.
12. Volgens § 8, eerste alinea, punt 2, van de wet betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals gewijzigd bij wet 232/2005, wordt als een door deze wet verboden discriminatie beschouwd, het feit dat een werkgever bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden een persoon benadeelt op grond van zwangerschap, bevalling of andere met het geslacht verband houdende factoren.
13. Volgens § 2 van hoofdstuk 2 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten [työsopimuslaki (55/2001)] mag een werkgever zijn werknemers niet zonder rechtvaardigingsgrond verschillend behandelen naargelang van hun leeftijd, gezondheidstoestand, handicap, nationale of etnische afkomst, nationaliteit, seksuele gerichtheid, taal, godsdienst, mening, levensbeschouwing, familiebanden, werkzaamheid in een politieke partij of in een vakbond, of van enige andere vergelijkbare factor.
14. Indien de arbeid zelf of de arbeidsvoorwaarden gevaar opleveren voor de gezondheid van de zwangere werkneemster of voor de foetus en de in de arbeid zelf of in de arbeidsomstandigheden gelegen oorzaak van het gevaar niet kan worden weggenomen, dient de werkneemster overeenkomstig § 3 van hoofdstuk 2 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten voor de periode van haar zwangerschap een passende andere werkzaamheid te worden gegeven, waarbij zo veel als mogelijk rekening dient te worden gehouden met haar arbeidsgeschiktheid en haar beroepskennis.
15. Hoofdstuk 2, § 11, tweede alinea, van de wet betreffende de veiligheid op het werk [työturvallisuuslaki (738/2002)] bevat een overeenkomstige regeling.
16. Krachtens § 4, eerste alinea, punt 3, van de wet betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten [työehtosopimuslaki (436/1946)] is een collectieve arbeidsovereenkomst bindend voor de werkgevers en de werknemers die tijdens de geldigheidsduur ervan lid zijn of waren van een daardoor verbonden vakvereniging. Die werkgevers en werknemers moeten in de arbeidsovereenkomsten die zij onderling sluiten de bepalingen van de betrokken collectieve arbeidsovereenkomst naleven.
17. Volgens § 4 van hoofdstuk 9 van de wet betreffende de ziekteverzekering [sairausvakuutuslaki (1224/2004)] heeft een zwangere werkneemster die een bezoldigde werkzaamheid uitoefent recht op bijzondere zwangerschapspremies („erityisäitiysraha”) als een chemische stof, een straling, een besmettelijke ziekte die verband houdt met haar professionele taken of arbeidsomstandigheden of een ander vergelijkbaar element haar gezondheid of die van de foetus bedreigen. Die zwangerschapspremies worden betaald op voorwaarde dat de aangeslotene in staat is te werken en haar geen andere werkzaamheden in de zin van § 3, tweede alinea, van hoofdstuk 2 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten kunnen worden toevertrouwd en de aangeslotene daarom verplicht is weg te blijven van haar werk.
18. De bezoldiging gedurende het zwangerschapsverlof en het bijzonder zwangerschapsverlof wordt geregeld in § 16, sub B, van de tussen de vakbond van stewardessen en stewards van Finland en de unie van de werkgevers van de dienstensector gesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel (matkustamohenkilökunnan työehtosopimus) die van kracht was van 1 april 2005 tot en met 30 september 2007.
19. Volgens § 16, sub B, punt 2, mag een stewardess haar activiteit in de lucht stopzetten zodra is vastgesteld dat zij zwanger is. Onverminderd gezondheidsredenen is werk in de lucht toegelaten tot uiterlijk de achttiende week van de zwangerschap.
20. Volgens § 16, sub B, punt 3, kunnen een stewardess gedurende haar zwangerschap door de werkgever op haar verzoek andere werkzaamheden worden toegewezen. Op verzoek draagt de werkgever haar andere werkzaamheden op tot haar de in de wet betreffende de ziekteverzekering bepaalde zwangerschapsuitkeringen („äitiyspäiväraha”) worden betaald.
21. De Finse wettelijke regeling bepaalt niet uitdrukkelijk hoe het salaris wordt berekend wanneer aan een zwangere werkneemster andere werkzaamheden worden opgedragen.
22. Volgens § 16, sub B, punt 4, van de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel worden de in § 16, sub B, punten 1 en 3, bedoelde salarissen betaald ten belope van de bezoldiging van de jaarlijkse vakantie. De stewardess die de haar toegewezen werkzaamheden weigert, verliest haar recht op die bezoldiging.
III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
23. Parviainen werkt sinds 8 april 1998 als stewardess bij Finnair Oyj. In oktober 2005 kreeg zij de taak van hoofd van het cabinepersoneel.
24. Begin 2007 werd verzoekster in het hoofdgeding zwanger. De bevalling was voorzien voor 16 oktober 2007.
25. Wegens haar zwangerschap werden verzoekster in het hoofdgeding op 30 april 2007 grondwerkzaamheden, namelijk kantoorwerk, toegewezen. Zij verrichtte die werkzaamheden tot en met 15 september 2007, het begin van haar zwangerschapsverlof. Die overplaatsing gebeurde overeenkomstig artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 92/85, de relevante Finse bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten en de arbeidsveiligheid, en de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel. Blijkens het dossier werd de overplaatsing ingegeven door het feit dat het werk van verzoekster in het hoofdgeding haar blootstelde aan fysische agentia, zoals ioniserende en niet-ioniserende stralingen, die foetaal letsel tot gevolg kunnen hebben.
26. Blijkens de verwijzingsbeslissing bestaat een groot deel van de totale bezoldiging die verzoekster in het hoofdgeding als hoofd van het cabinepersoneel ontvangt uit toelagen voor de uitoefening van een leidinggevende functie en andere toelagen. Volgens de inlichtingen die verweerster in het hoofdgeding het Hof ter terechtzitting heeft verstrekt, kon verzoekster in het hoofdgeding aldus onder andere een toelage ontvangen voor overwerk indien dit meer bedraagt dan 95 uren per maand, een toelage voor nachtwerk, voor zondagswerk, voor verlofdagen, een premie voor overuren indien de arbeidsdag meer dan acht uren bedraagt, een premie voor langeafstandsvluchten of voor vluchten met een tijdsverschil, enz. Volgens de verwijzende rechter maakten deze toelagen vóór haar overplaatsing 40 % van haar totale bezoldiging uit. Het maandelijkse basissalaris van verzoekster in het hoofdgeding bedraagt 1 821,76 EUR en haar gemiddeld maandsalaris 3 383,04 EUR. Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte informatie kunnen de aan de werknemers betaalde toelagen zeer sterk uiteenlopen naargelang de betrokkene een leidinggevende functie uitoefent, zoals hoofd van het cabinepersoneel, dan wel steward of stewardess is. Bovendien kan het aantal arbeidsuren van personen die tot dezelfde bezoldigingsgroep behoren, erg verschillen, wat gevolgen heeft voor het bedrag van de toelagen.
27. Uit de stukken blijkt ook dat verweerster in het hoofdgeding op basis van het krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel tussen de sociale partners gesloten plaatselijk akkoord op 20 juni 1989 een beslissing heeft genomen inzake de bepaling van de bezoldiging die aan stewardessen moet worden betaald voor de grondwerkzaamheden die zij gedurende hun zwangerschap verrichten. Volgens die beslissing betaalt verweerster in het hoofdgeding aan stewardessen aan wie wegens hun zwangerschap grondwerkzaamheden werden toegewezen, voor de betrokken periode een salaris dat gelijk is aan de bezoldiging van de jaarlijkse betaalde vakantie. Dit salaris bestaat uit een basismaandsalaris en „lisäpäiväpalkka”-toelagen van jaarlijkse vakantie. Die toelage wordt berekend aan de hand van de gemiddelde waarde van de „lisäpäiväpalkka”-toelagen van alle stewardessen en stewards die tot dezelfde salarisschaal behoren. Volgens de door verweerster in het hoofdgeding verstrekte inlichtingen wordt bij de berekening van de „lisäpäiväpalkka”-toelagen van jaarlijkse vakantie, die een toelage is die aan het grondpersoneel wordt toegekend om het verschil tussen hun toelagen en die voor cabinepersoneel te beperken, rekening gehouden met alle toelagen.
28. Als gevolg van haar tijdelijke overplaatsing naar grondwerkzaamheden is de totale maandelijkse bezoldiging van verzoekster in het hoofdgeding, met inbegrip van de toelagen die zij ontving als hoofd van het cabinepersoneel en wegens de ongemakken en de arbeidsomstandigheden van cabinepersoneel, verminderd met 834,56 EUR, dus met ongeveer 33 % in vergelijking met haar gemiddeld salaris in 2006.
29. Volgens verzoekster in het hoofdgeding had verweerster in het hoofdgeding niet het recht verzoeksters salaris wegens haar overplaatsing naar grondwerkzaamheden te verminderen. Haar handelwijze was discriminerend en in strijd met richtlijn 92/85 en de Finse wet betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In het beroep dat zij heeft ingesteld bij de verwijzende rechter vordert verzoekster in het hoofdgeding voor de betrokken periode de betaling van een bezoldiging die gelijk is aan de bezoldiging die zij ontving vóór zij tijdelijk werd overgeplaatst.
30. Verweerster in het hoofdgeding concludeert tot verwerping van het beroep. Verzoekster in het hoofdgeding heeft gedurende haar zwangerschap een hogere bezoldiging ontvangen dan personeelsleden die regelmatig vergelijkbaar werk op de grond verrichten.
31. Van oordeel dat het Hof nog geen uitspraak heeft gedaan over de uitlegging van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, heeft de Helsingin käräjäoikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 11, punt 1, van richtlijn [92/85] aldus worden uitgelegd dat aan een werkneemster aan wie wegens haar zwangerschap andere, minder betaalde werkzaamheden zijn toegewezen, volgens de richtlijn een bezoldiging moet worden betaald die even hoog is als de bezoldiging die zij vóór die overplaatsing gemiddeld ontving, en is het in dit verband van belang welke toelagen de werkneemster naast haar maandelijkse bezoldiging ontving en op grond waarvan die toelagen werden betaald?”
32. Overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie hebben verzoekster in het hoofdgeding, verweerster in het hoofdgeding, de Finse en de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen schriftelijke opmerkingen ingediend. Met uitzondering van de Italiaanse regering, die niet vertegenwoordigd was, zijn die partijen ter terechtzitting van 17 september 2009 ook in hun pleidooien gehoord.
IV – Analyse
33. Met het eerste deel van zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 aldus moet worden uitgelegd dat aan een zwangere werkneemster aan wie wegens haar zwangerschap andere, minder betaalde werkzaamheden zijn toegewezen, een bezoldiging moet worden betaald die even hoog is als de gemiddelde bezoldiging die zij vóór haar overplaatsing ontving. Met het tweede deel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter, gevolg gevend aan de argumentatie van verweerster in het hoofdgeding dat rekening moet worden gehouden met de bijzondere arbeidsvoorwaarden voor cabinepersoneel, in wezen te vernemen of het voor de uitlegging van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 van belang is dat de vroegere bezoldiging van de zwangere werkneemster gedeeltelijk bestond uit een aantal toelagen die werden toegekend op grond van de uitoefening van bijzondere functies die niet vereist is op de arbeidsplaats die de zwangere werkneemster tijdelijk is toegewezen.
A – Eerste deel van de prejudiciële vraag: uitlegging van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85
34. Allereerst moet worden opgemerkt dat ofschoon de verwijzende rechter uitspraak moet doen in een geschil tussen particulieren, hij het Hof geen vragen heeft gesteld over de eventuele horizontale rechtstreekse werking van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 waarvan hij om uitlegging verzoekt.
35. Dienaangaande herinner ik eraan dat een richtlijn volgens vaste rechtspraak uit zichzelf geen verplichtingen kan opleggen aan een particulier, zodat zij als zodanig tegenover deze laatste niet kan worden ingeroepen en zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn, die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, als zodanig geen toepassing kan vinden in gedingen tussen uitsluitend particulieren.(3)
36. Bij de toepassing van het nationale recht moet de nationale rechter dit echter zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde alinea, EG te voldoen.(4)
37. Ik merk op dat de verwijzende rechter niet heeft vermeld door welke nationaalrechtelijke bepaling artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 is uitgevoerd. Aangezien die bepaling, althans gedeeltelijk, kan worden uitgevoerd via nationale praktijken(5), dat wil zeggen met name via tussen de sociale partners gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten – wij kennen de traditionele rol die zij in de noordse landen spelen bij de bepaling van de bezoldigingen(6) – is het aan de verwijzende rechter, bij wie een beroep is ingesteld tegen de beslissing van verweerster in het hoofdgeding inzake het salaris, die werd genomen in het kader van de uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel, om die collectieve arbeidsovereenkomst zo veel mogelijk toe te passen in het licht van de tekst en het doel van richtlijn 92/85.
38. De kern van het eerste deel van de prejudiciële vraag is dus of een zwangere werkneemster, een stewardess aan wie wegens haar zwangerschap grondwerkzaamheden zijn toegewezen, krachtens artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 recht heeft op de betaling van de volledige bezoldiging die zij ontving vóór haar tijdelijke overplaatsing, dan wel of de werkgever haar integendeel, zolang zij grondwerkzaamheden verricht, op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel een lagere bezoldiging mag betalen die niettemin gelijk is aan die van het grondpersoneel.
39. Wanneer een zwangere werkneemster een andere arbeidsplaats heeft gekregen (artikel 5, lid 2, van de richtlijn) ter vermijding van een blootstelling aan agentia of arbeidsomstandigheden die haar veiligheid of gezondheid in gevaar brengen (artikel 6 van de richtlijn), zoals nachtarbeid (artikel 7 van de richtlijn), moeten haar overeenkomstig artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 „de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering [...] overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken worden gewaarborgd”.
40. De partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, zijn het oneens over de uitlegging van het in het vorige punt aangehaalde deel van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85.
41. Volgens verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie betekent die uitdrukking dat een zwangere werkneemster die tijdens haar zwangerschap door blijft werken maar die tijdelijk naar een andere arbeidsplaats wordt overgeplaatst, recht heeft op het behoud van de volledige bezoldiging die zij ontving vóór haar zwangerschap.
42. Daarentegen stellen verweerster in het hoofdgeding en de Finse regering dat artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 de lidstaten opdraagt de bezoldiging te bepalen die moet worden betaald aan een zwangere werkneemster die in een situatie als in het hoofdgeding verkeert, en lijkt de Italiaanse regering te stellen dat die bepaling moet worden uitgelegd dat aan die werkneemster overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken een adequate bezoldiging wordt gegarandeerd.
43. Mijns inziens kan het eerste deel van de prejudiciële vraag slechts worden beantwoord na onderzoek van de bewoordingen en het doel van richtlijn 92/85.
44. Hoewel de redactie van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 te wensen overlaat, lijkt het gebruik van het onbepaald lidwoord „een” in de uitdrukking „een bezoldiging” op het eerste gezicht uit te sluiten dat richtlijn 92/85 de lidstaten verplicht te garanderen dat de aan een zwangere werkneemster betaalde bezoldiging vóór de tijdelijke overplaatsing naar een nieuwe arbeidsplaats onaantastbaar is(7). Dit lijkt te worden bevestigd door de verwijzing in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 naar „de nationale wetten en/of praktijken”, dat wil zeggen in het bijzonder naar de collectieve arbeidsovereenkomsten. Het zou dus aan de lidstaten zijn om de precieze bezoldiging te bepalen die wordt gewaarborgd aan de zwangere werkneemster op wie artikel 5 van richtlijn 92/85, in het bijzonder lid 2 ervan, van toepassing is.
45. Dienaangaande merk ik op dat het Hof in het arrest Boyle e.a.(8) een uitdrukking moest uitleggen die identiek is aan die in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, namelijk de uitdrukking vervat in punt 2, sub b, van dat artikel, dat wil zeggen in de context van de rechten van een zwangere vrouw die zwangerschapsverlof heeft genomen (de in artikel 8 van richtlijn 92/85 bedoelde situatie).
46. In dat arrest overwoog het Hof met betrekking tot de bezoldiging en het genot van een adequate uitkering van een zwangere vrouw gedurende haar zwangerschapsverlof: „Weliswaar wordt in artikel 11 enkel van de uitkering gezegd dat zij adequaat moet zijn, maar uiteraard moet ook het aan de werkneemster tijdens haar zwangerschapsverlof gegarandeerde inkomen wanneer het in de vorm van loon, eventueel in combinatie met een uitkering wordt betaald, adequaat zijn in de zin van artikel 11, punt 3, van richtlijn 92/85”.(9) Zoals het Hof in het arrest Gillespie e.a.(10) inzake de uitlegging van artikel 141 EG heeft overwogen, houden die bepalingen bijgevolg niet de verplichting in om vrouwelijke werknemers tijdens hun zwangerschapsverlof hun volledige loon door te betalen, mits het betaalde bedrag niet zo gering is dat het doel van het zwangerschapsverlof daardoor op de helling komt te staan.
47. Deze verduidelijking betekent echter niet dat in het geval dat de zwangere werkneemster werd overgeplaatst naar een andere arbeidsplaats, zij in het licht van de bewoordingen van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 a contrario recht moet hebben op het behoud van de volledige bezoldiging die zij ontving vóór haar tijdelijk een andere arbeidsplaats was toegewezen.
48. Dienaangaande wijs ik erop dat het Hof in het arrest Boyle e.a. heeft geoordeeld dat het adjectief „adequaat” niet alleen verwijst naar de uitdrukking „een uitkering” in artikel 11, punt 2, sub b, van richtlijn 92/85, maar naar het gehele „artikel 11”, dus met inbegrip van artikel 11, punt 1, van die richtlijn. Volgens dat arrest heeft het adjectief „adequaat” bovendien eveneens betrekking op het als een bezoldiging betaalde inkomen. De omgekeerde uitlegging, waarbij de zwangere werkneemsters slechts het niet nader omschreven behoud van „een bezoldiging” wordt gegarandeerd, zou namelijk geen zin hebben.
49. Daaruit kan dus worden afgeleid dat artikel 11 van richtlijn 92/85 niet beoogt de zwangere werkneemster het behoud van de vóór haar zwangerschap ontvangen bezoldiging te garanderen, maar het behoud van een adequate bezoldiging.
50. Hoewel artikel 11, punt 3, van richtlijn 92/85 een duidelijke aanwijzing bevat om te bepalen of een bezoldiging en/of een uitkering in geval van zwangerschapsverlof adequaat is, nu daarin is bepaald dat zij een inkomen moet waarborgen „dat gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen”, en zo het zwangerschapsverlof gelijkstelt met ziekteverlof, wordt geen enkele verduidelijking gegeven aan de hand waarvan kan worden bepaald of de bezoldiging en/of de uitkering adequaat is als de zwangere werkneemster een andere arbeidsplaats dan vóór de zwangerschap wordt toegewezen.
51. Nu de gemeenschapswetgever niet heeft voorzien in een specifieke bepaling en in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 wordt verwezen naar de nationale wetten en/of praktijken, kan die bepaling niet worden uitgelegd als een verplichting voor de lidstaten om in alle daardoor beoogde gevallen te garanderen dat de vóór haar zwangerschap ontvangen bezoldiging van een zwangere werkneemster onveranderd blijft.
52. Mijns inziens vindt die opvatting steun in de omstandigheid dat artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 niet alleen ziet op de in artikel 5, lid 2, van de richtlijn bedoelde situatie van de zwangere werkneemster aan wie tijdelijk nieuwe werkzaamheden zijn toegewezen, maar ook op de in lid 3 van dat artikel bedoelde situatie van een zwangere werkneemster die gedurende de gehele voor de bescherming van haar veiligheid of gezondheid noodzakelijke periode wordt vrijgesteld van arbeid.
53. Indien artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 aldus zou moeten worden uitgelegd dat het volledig behoud van de bezoldiging wordt beoogd, zou dit de lidstaten verplichten om op basis van de richtlijn zelf aan de van arbeid vrijgestelde zwangere werkneemster dezelfde bezoldiging te betalen als aan een zwangere werkneemster die door blijft werken. Ik denk niet dat dit de bedoeling was van de auteurs van richtlijn 92/85.
54. Aanvaarding van de door verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie verdedigde uitlegging dat artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 de lidstaten verplicht de bezoldiging te betalen die vóór de overplaatsing van de zwangere werkneemster werd betaald, zou mijns inziens de beoordelingsmarge tenietdoen die de lidstaten in casu blijkens de verwijzing in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 naar de nationale wetten en/of praktijken hebben.
55. Als de gemeenschapswetgever de lidstaten had willen verplichten om in de in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 bedoelde situaties het behoud van de bezoldiging van vóór de zwangerschap te garanderen, had hij dat trouwens gemakkelijk duidelijk kunnen maken in de tekst zelf van dat artikel, door in plaats van het onbepaald lidwoord „een” gewoonweg het bepaald lidwoord „de” te gebruiken.(11)
56. Dat de auteurs van richtlijn 92/85 artikel 11, punt 1, van die richtlijn niet aldus hebben willen redigeren, is ook te verklaren door het doel van de richtlijn.
57. Overeenkomstig haar rechtsgrondslag(12) beoogt richtlijn 92/85 namelijk minimumvoorschriften vast te stellen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie, gelet op de bijzondere risico´s die deze werkneemsters doorgaans lopen op het werk.(13)
58. Wat artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 betreft, hebben de lidstaten op grond van die doelstelling alle vrijheid om te oordelen dat de bezoldiging van een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk andere werkzaamheden dan vóór haar zwangerschap zijn toegewezen adequaat is, indien deze werkneemster dezelfde bezoldiging ontvangt als voor haar oorspronkelijke werkzaamheden.
59. Overeenkomstig die doelstelling verplicht die bepaling de lidstaten echter niet de onaantastbaarheid van de bezoldiging van een dergelijke werkneemster te garanderen.
60. In deze tweede hypothese moet de beoordelingsmarge van de lidstaten mijns inziens echter worden beperkt door de reeds vermelde noodzaak om een zwangere werkneemster een adequate bezoldiging te garanderen, wat in geval van een geschil impliceert dat de nationale rechter, onder toezicht van het Hof, de feiten moet beoordelen.
61. Het adequate karakter van de betrokken bezoldiging, dat in de eerste plaats door de nationale rechter wordt beoordeeld, moet mijns inziens echter in het algemeen ondergeschikt zijn aan de naleving van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de zin van artikel 141, lid 1, EG.
62. Indien dus aan een zwangere werkneemster overeenkomstig artikel 5, lid 2, van richtlijn 92/85 tijdelijk andere werkzaamheden dan vóór haar zwangerschap worden toegewezen, moet de nationale rechter zich ervan kunnen vergewissen: a) dat een dergelijke werkneemster een bezoldiging ontvangt die gelijk of gelijkwaardig is aan de bezoldiging die wordt betaald aan een mannelijke of vrouwelijke werknemer die om gezondheidsredenen wordt overgeplaatst naar een arbeidsplaats die gelijk of gelijkwaardig is aan de arbeidsplaats die de zwangere werkneemster tijdelijk is toegewezen, en b) dat de zwangere werkneemster die tijdelijk andere werkzaamheden dan vóór haar zwangerschap moet verrichten minstens een bezoldiging ontvangt die gelijk of gelijkwaardig is aan de bezoldiging die wordt betaald aan mannelijke of vrouwelijke werknemers die gelijke of gelijkwaardige werkzaamheden verrichten.
63. Inzake punt a acht ik het in de lijn van de redenering in de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Gassmayr(14) nuttig te verduidelijken dat de rechtspraak van het Hof het mogelijk maakt om, zonder dat zwangerschap moet worden gelijkgesteld met een ziekte(15), bij het onderzoek naar het adequate karakter van het niveau van de aan zwangere werkneemsters verleende bescherming, waaronder het niveau van de bezoldiging, de bezoldiging van een zwangere werkneemster te vergelijken met die van een mannelijke (of vrouwelijke) werknemer wiens gezondheidstoestand overplaatsing noodzakelijk maakt. Bij die vergelijking moet natuurlijk altijd voor ogen worden gehouden dat de overplaatsing van de zwangere werkneemster van nature tijdelijk is, wat niet noodzakelijk het geval is voor mannelijke of vrouwelijke werknemers die om medische redenen naar een andere arbeidsplaats moeten worden overgeplaatst.
64. In het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter het Hof dienaangaande geen inlichtingen verstrekt. Inzake het in punt 62 van deze conclusie vermelde punt b blijkt echter uit de opmerkingen van verweerster in het hoofdgeding en van de Finse regering dat een zwangere stewardess aan wie grondwerkzaamheden werden toegewezen om te vermijden dat zij aan gezondheidsrisico’s wordt blootgesteld, overeenkomstig artikel 16, sub B, punt 4, van de collectieve arbeidsovereenkomst voor cabinepersoneel, haar basissalaris ontvangt, verhoogd met toelagen (de „lisäpäiväpalkka” van de jaarlijkse vakantie) die worden berekend op basis van de gemiddelde waarde van de toelagen die worden toegekend aan alle stewardessen en stewards die tot dezelfde salarisschaal behoren. Ik herinner er ook aan dat volgens de opmerkingen van de Finse regering ter terechtzitting, die bevestigen wat verweerster in het hoofdgeding in haar schriftelijke opmerkingen heeft meegedeeld, verzoekster in het hoofdgeding een hogere bezoldiging geniet dan iemand die regelmatig gelijkwaardige grondwerkzaamheden verricht. Hoewel het aan de verwijzende rechter is, na te gaan of dat juist is, meen ik dat de wijze waarop de bezoldiging van verzoekster in het hoofdgeding, aan wie tijdelijk grondwerkzaamheden zijn toegewezen, wordt bepaald, strookt met het vereiste dat ik in punt b van punt 62 van deze conclusie heb genoemd.
65. Om de hiervoor uiteengezette redenen geef ik het Hof in overweging het eerste deel van de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter aldus te beantwoorden dat artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats is toegewezen, een even hoge bezoldiging te garanderen als de gemiddelde bezoldiging die zij vóór die overplaatsing ontving. De verwijzende rechter moet echter nagaan of de betrokken zwangere werkneemster een adequate bezoldiging wordt gegarandeerd in de zin van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, zodat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de zin van artikel 141, lid 1, EG wordt geëerbiedigd.
B – Tweede deel van de prejudiciële vraag: relevantie van de samenstelling van de bezoldiging van een zwangere werkneemster die is overgeplaatst naar een andere arbeidsplaats
66. Het tweede deel van de vraag van de verwijzende rechter strekt er in wezen toe te bepalen of het voor de uitlegging van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 relevant is hoe de bezoldiging van een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats dan vóór de zwangerschap is toegewezen, is samengesteld.
67. Ik herinner eraan dat de verwijzende rechter in het hoofdgeding de vraag moet beantwoorden of verzoekster in het hoofdgeding naast het basismaandsalaris dat zij ontvangt, recht heeft op het behoud van de verschillende toelagen, waarvan de ene blijkbaar te maken hebben met haar hoedanigheid van hoofd van het cabinepersoneel, en de andere met de ongemakken en de arbeidsomstandigheden van cabinepersoneel.
68. Het staat mijns inziens buiten kijf dat de toelagen die verzoekster in het hoofdgeding ontvangt, vallen onder het begrip „beloning” in de zin van artikel 141, lid 2, EG, dat bepaalt dat onder beloning „dient te worden verstaan het gewone basis‑ of minimumloon of ‑salaris en alle overige voordelen in geld of in natura die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt”.
69. Het is echter de vraag of de lidstaten bij de vaststelling van het behoud van een adequate bezoldiging in de zin van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, de vrije hand hebben om te bepalen welke bestanddelen van de bezoldiging van een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats is toegewezen, gedurende de periode van overplaatsing gehandhaafd zullen blijven.
70. Dienaangaande meen ik dat hun beoordelingsmarge niet alleen moet worden beperkt door de naleving van de in punt 62 van deze conclusie uiteengezette voorwaarden, maar eveneens, meer concreet, door de aard van de voordelen die deel uitmaken van de bezoldiging van de werkneemster in kwestie.
71. Ik denk namelijk dat naast het basissalaris ook de bestanddelen van de bezoldiging moeten worden behouden die eigen of inherent zijn aan het beroepsstatuut van de werknemer, in het bijzonder zijn anciënniteit, en/of aan zijn beroepskwalificaties, waaronder in het hoofdgeding de toelagen kunnen worden gerekend die worden betaald op grond van de hoedanigheid van verzoekster in het hoofdgeding als hoofd van het cabinepersoneel, ongeacht de arbeidsplaats die de zwangere werkneemster tijdelijk is toegewezen.
72. De bestanddelen van de bezoldiging die in wezen de bijzondere omstandigheden en ongemakken compenseren van de werkzaamheden die de zwangere werkneemster vóór de tijdelijke overplaatsing verrichtte en die precies aanleiding gaven tot die overplaatsing, mogen daarentegen in principe niet in aanmerking worden genomen om te beoordelen of de bezoldiging van de zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats is toegewezen adequaat is in de zin van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85.(16) Die bestanddelen van de bezoldiging zijn namelijk van nature eigen aan de niet-doorlopende ongemakken die de werkneemster ondervond bij haar vroegere werkzaamheden, die zij tijdelijk niet meer verricht. Aangezien die voordelen overigens naargelang van vele factoren kunnen variëren, zou de rechterlijke toetsing van het adequate karakter van de krachtens artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 betaalde bezoldiging daardoor aanmerkelijk kunnen worden gehinderd.
73. Het onderscheid dat naar mijn mening moet worden gemaakt tussen de verschillende bestanddelen van de bezoldiging, naargelang zij worden betaald op grond van de beroepskwalificatie van de werkneemster of wegens de ongemakken die verbonden zijn met de vóór haar zwangerschap verrichte werkzaamheden, strookt ook met de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers. Mijns inziens worden door dit onderscheid eventuele praktijken vermeden die erop gericht zijn om de bezoldiging van zwangere vrouwen aan wie tijdelijk andere werkzaamheden zijn toegewezen dan vóór hun zwangerschap, systematisch meer te verlagen dan gerechtvaardigd is om objectieve redenen die verband houden met de verplichtingen van hun vorige arbeidsplaats, waarvan zij, om moeilijkheden tijdens hun zwangerschap te vermijden, zijn ontslagen doordat hun tijdelijk een nieuwe arbeidsplaats is toegewezen.
74. Mijns inziens moet de verwijzende rechter dus onderzoeken of de bezoldiging die verzoekster in het hoofdgeding ontvangt in de haar wegens haar zwangerschap tijdelijk toegewezen arbeidsplaats, mede de bestanddelen omvat die eigen of inherent zijn aan het statuut of de beroepskwalificatie van de betrokken zwangere werkneemster.
75. Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het tweede deel van de prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat de verwijzende rechter, om te beoordelen of de in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 bedoelde bezoldiging adequaat is, moet onderzoeken of de bezoldiging die een zwangere werkneemster ontvangt in de haar wegens haar zwangerschap tijdelijk toegewezen arbeidsplaats mede de bestanddelen omvat die eigen of inherent zijn aan het statuut of de beroepskwalificatie van de betrokken werkneemster.
V – Conclusie
76. Derhalve geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Helsingin käräjäoikeus te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht om een zwangere werkneemster aan wie tijdelijk een andere arbeidsplaats is toegewezen, een even hoge bezoldiging te garanderen als de gemiddelde bezoldiging die zij vóór die overplaatsing ontving. De verwijzende rechter moet echter nagaan of de betrokken zwangere werkneemster een adequate bezoldiging wordt gegarandeerd in de zin van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85, zodat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid in de zin van artikel 141, lid 1, EG wordt geëerbiedigd.
2) Om te beoordelen of de in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 bedoelde bezoldiging adequaat is, moet de verwijzende rechter eveneens onderzoeken of de bezoldiging die een zwangere werkneemster ontvangt in de haar wegens haar zwangerschap tijdelijk toegewezen arbeidsplaats mede de bestanddelen omvat die eigen of inherent zijn aan het statuut of de beroepskwalificatie van de betrokken werkneemster.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 348, blz. 1.
3 – Arrest van 16 juli 2009, Mono Car Styling (C‑12/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 59, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
4 – Idem (punt 60).
5 – Zie met betrekking tot andere richtlijnen op sociaalrechtelijk gebied arresten van 30 januari 1985, Commissie/Denemarken (143/83, Jurispr. blz. 427, punten 8 en 9); 10 juli 1986, Commissie/Italië (235/84, Jurispr. blz. 2291, punt 20); 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla (C‑234/97, Jurispr. blz. I‑4773, punt 19), en 18 december 2008, Ruben Andersen (C‑306/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 25).
6 – Zie dienaangaande met name punt 160 van mijn conclusie in de zaak waarin het arrest van 18 december 2007, Laval un Partneri (C‑341/05, Jurispr. blz. I‑11767), is gewezen.
7 – De andere taalversies van die bepaling, zoals de Duitse („der Fortzahlung eines Arbeitsentgelts”), de Engelse („the maintenance of a payment”), de Spaanse („el mantenimiento de una remuneración”) en de Italiaanse („il mantenimento di una retribuzione”) gebruiken eveneens het equivalent van het onbepaalde lidwoord „een”. Aangezien in de Finse taal geen bepaalde of onbepaalde lidwoorden bestaan, kan de Finse versie („palkan maksun jatkuminen”) onduidelijk zijn, wat gedeeltelijk de aanleiding kan zijn geweest tot de prejudiciële vraag. Niettemin verduidelijkt de Finse versie van artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85 niet dat de bezoldiging die gedurende de tijdelijke overplaatsing aan de zwangere werkneemster moet worden „doorbetaald”, dezelfde moet zijn als die welke zij in haar oorspronkelijke arbeidsplaats ontving.
8 – Arrest van 27 oktober 1998 (C‑411/96, Jurispr. blz. I‑6401).
9 – Arrest Boyle e.a., reeds aangehaald (punt 34) (cursivering van mij).
10 – Arrest van 13 februari 1996 (C‑342/93, Jurispr. blz. I‑475, punten 20 en 25).
11 – Dienaangaande voeg ik eraan toe dat in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie van 17 oktober 1990 voor de richtlijn [COM(90) 406 def.] artikel 3, lid 2, bepaalde dat de lidstaten de overgeplaatste zwangere werkneemster het behoud van de bezoldiging dienden te waarborgen. De auteurs van de richtlijn zijn dus uitdrukkelijk afgeweken van die formulering en hebben uiteindelijk de voorkeur gegeven aan de formulering in artikel 11, punt 1, van richtlijn 92/85.
12 – Namelijk het oude artikel 118 A EG-Verdrag.
13 – Zie dienaangaande de eerste, de zevende en de achtste overweging van richtlijn 92/85.
14 – Zie met name punt 18 van zijn conclusie van 3 september 2009 in die zaak (C‑194/08, aanhangig bij het Hof).
15 – Arrest van 14 juli 1994, Webb (C‑32/93, Jurispr. blz. I‑3567, punt 25).
16 – Niets belet de lidstaten echter om er rekening mee te houden indien zij, binnen de beoordelingsmarge die zij hebben, menen dat dergelijke elementen van de bezoldiging moeten worden opgenomen in de te garanderen adequate bezoldiging.
Full & Egal Universal Law Academy