CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 17 december 2009 1(1)
Zaak C‑518/08
Fundació Gala-Salvador Dalí
Visual Entidad de Gestión de Artistas Plásticos
tegen
Société des auteurs dans les arts graphiques et plastiques
Juan-Leonardo Bonet Domenech
Eulalia-María Bas Dalí
María del Carmen Domenech Biosca
Antonio Domenech Biosca
Ana-María Busquets Bonet
Mónica Busquets Bonet
[verzoek van het Tribunal de grande instance (Parijs) om een prejudiciële beslissing]
„Intellectuele eigendom – Volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk – Rechthebbenden na het overlijden van de auteur – Nationale bepaling die het volgrecht gedurende zeventig jaar beperkt tot de erfgenamen bij versterf, met uitsluiting van legatarissen en andere rechtsopvolgers”
1. In 1859 voltooide en verkocht Jean-François Millet zijn beroemde schilderij Het Angelus. Jaren na zijn dood, op een moment waarop zijn familie, net als vele andere door de Eerste Wereldoorlog getroffenen, in behoeftige omstandigheden verkeerde, ging het schilderij in andere handen over voor een prijs die de verkoper aanzienlijk verrijkte. Naar verluidt was de tegenstelling tussen die twee omstandigheden voor de Franse wetgever aanleiding tot de invoering in 1920 van een droit de suite of volgrecht, volgens hetwelk bij latere verkopen van kunstwerken een recht verschuldigd is aan de auteur of zijn erfgenamen.(2)
2. Het volgrecht heeft sindsdien ook zijn weg gevonden naar andere rechtsstelsels. In 1948 is het op facultatieve basis in de Berner Conventie opgenomen,(3) en in de Europese Unie is het dwingend recht geworden door richtlijn 2001/84/EG (hierna: „richtlijn”).(4) Het beginsel is weliswaar uniform en de toegepaste tarieven zijn geharmoniseerd, maar de lidstaten genieten in verschillende opzichten beslissingsvrijheid.
3. Naar de huidige stand van het Franse recht is na het overlijden van de auteur van het werk de kring van rechthebbenden van het volgrecht beperkt tot de erfgenamen bij versterf van de auteur, met uitsluiting van alle testamentaire legatarissen.
4. De kunstenaar Salvador Dalí(5) overleed in 1989 en liet al zijn intellectuele eigendomsrechten bij testament na aan de Spaanse Staat. Indien hij intestaat was overleden, zouden die rechten zijn overgegaan op een aantal erfgenamen in de zijlijn.
5. Overeenkomstig Frans recht is het volgrecht op de verkoop van werk van Dalí op Frans grondgebied namens die erfgenamen in de zijlijn geheven. Tussen de Spaanse maatschappij die de rechten int namens de Spaanse Staat, vertegenwoordigd door een stichting die Dalí vóór zijn overlijden heeft opgericht, en de Franse collectieve beheermaatschappij die rechten aan zijn erfgenamen in de zijlijn heeft uitgekeerd, is een geschil ontstaan.
6. In die context wenst het Tribunal de grande instance te Parijs te vernemen of de Franse beperking van de kring van rechthebbenden van het volgrecht tot de erfgenamen bij versterf verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
Rechtskader
De richtlijn
7. In punt 1 van de considerans van de richtlijn valt te lezen dat het volgrecht een niet voor afstand vatbaar, onvervreemdbaar recht is, en in punt 3, dat het volgrecht beoogt „te waarborgen dat de auteurs van werken van grafische of beeldende kunst in economisch opzicht in het succes van hun werken delen” en ertoe strekt „een evenwicht tot stand te brengen tussen de economische positie van auteurs van grafische of beeldende kunst en de positie van andere scheppende kunstenaars, die wel van verdere exploitatie van hun werken profijt trekken”.
8. Punt 9 van de considerans beschrijft de voorheen bestaande situatie. Het merendeel, maar niet alle, van de indertijd 15 lidstaten kende een volgrecht, zij het dat er aanmerkelijke verschillen bestonden, met name ten aanzien van de werken waarvoor het gold, de rechthebbenden, de tarieven, de transacties waarop het recht werd geheven en de berekeningsgrondslag hiervan. Vervolgens wordt gesteld: „Het al dan niet heffen van een recht beïnvloedt in aanzienlijke mate de concurrentievoorwaarden op de interne markt: het al dan niet voorbehouden zijn van een uit het volgrecht voortvloeiende betalingsplicht is een factor waarmee eenieder die een kunstwerk wenst te verkopen, noodzakelijkerwijs rekening houdt. Op die manier is dit recht een van de factoren die concurrentievervalsingen en verschuivingen binnen de Gemeenschap van verkopingen in de hand werken.”
9. Ook punt 10 van de considerans benadrukt: „[d]e verschillen met betrekking tot het bestaan en de toepassing van het volgrecht in de lidstaten hebben een rechtstreekse nadelige invloed op de goede werking van de interne markt van kunstwerken, bedoeld in artikel 14 van het Verdrag”, terwijl punt 11 stelt dat harmonisatie van de wetgeving van de lidstaten inzake het volgrecht bijdraagt tot de verwezenlijking van de vrijheden die inherent zijn aan de interne markt. Daarom, aldus punt 13, dienen „[d]e bestaande verschillen in de wetgeving die de werking van de interne markt verstoren, [...] te worden weggenomen, en [moet worden belet] dat er nieuwe verschillen ontstaan”, een streven dat in wezen wordt herhaald in de punten 14 en 15 van de considerans. In het bijzonder vergt, volgens punt 23, de doelmatige werking van de interne markt van hedendaagse en van moderne kunstwerken dat met betrekking tot het volgrecht zoveel mogelijk uniforme tarieven worden vastgesteld.
10. In punt 13 van de considerans valt evenwel ook te lezen: „[V]erschillen die de werking van de interne markt niet schaden, behoeven niet te worden weggenomen en het ontstaan ervan behoeft ook niet te worden belet”, en in punt 15: „[H]et is [...] niet nodig alle bepalingen van de wetgevingen van de lidstaten inzake het volgrecht te harmoniseren en er kan worden volstaan met de harmonisatie van die nationale bepalingen die voor de werking van de interne markt het meest rechtstreeks gevolgen hebben, zulks teneinde zoveel mogelijk ruimte te laten voor nationaal beleid.”
11. In deze zin, maar meer specifiek, wordt in punt 27 van de considerans gezegd: „Er dient vastgesteld te worden aan wie het recht verschuldigd is, zonder voorbij te gaan aan het subsidiariteitsbeginsel. Het is wenselijk dat deze richtlijn het erfrecht van de lidstaten onverlet laat. Doch [...] dienen de rechtsopvolgers van de auteur zich na diens overlijden ten volle op het volgrecht te kunnen beroepen.”
12. Van de materiële bepalingen van de richtlijn verlangt artikel 1, lid 1, van de lidstaten dat zij „ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk een volgrecht in[stellen], dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het kunstwerk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de doorverkoopprijs berekend recht te ontvangen”.
13. De toe te passen tarieven zijn uniform vastgesteld in artikel 4, lid 1, met kleine discretionaire varianten in artikel 4, leden 2 en 3.
14. Volgens artikel 6, lid 1, is het recht verschuldigd „aan de auteur van het werk en, behoudens artikel 8, lid 2, na diens overlijden aan zijn rechtsopvolgers”.(6)
15. Artikel 8 bepaalt in het bijzonder:
„1. De duur van de bescherming van het volgrecht [geldt gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn dood, ongeacht op welk tijdstip het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt(7)].
2. In afwijking van lid 1 behoeven de lidstaten die op [de in artikel 13 bedoelde datum van inwerkingtreding] het volgrecht niet toepassen, gedurende een termijn die uiterlijk verstrijkt op 1 januari 2010, het volgrecht niet toe te passen ten behoeve van rechtsopvolgers van een kunstenaar na diens overlijden.
3. Een lidstaat als bedoeld in lid 2 beschikt over een extra termijn van ten hoogste twee jaar alvorens hij het volgrecht ten behoeve van rechtsopvolgers van een kunstenaar na diens overlijden moet toepassen indien zulks nodig is om de economische actoren in die lidstaat in staat te stellen zich geleidelijk aan het volgrechtstelsel aan te passen en hun economische levensvatbaarheid toch in stand te houden. [...]”
16. Volgens artikel 12 moeten de lidstaten vóór 1 januari 2006 uitvoering geven aan de richtlijn, en artikel 13 specificeert dat de richtlijn in werking treedt op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, te weten 13 oktober 2001.
Frans recht
17. Het volgrecht is sinds 1920 in de Franse wetgeving voorzien.(8) De relevante bepaling is niettemin in 2006 gewijzigd, teneinde haar volledig in overeenstemming te brengen met de vereisten van de richtlijn.(9) Artikel L.122-8 van de Code de la propriété intellectuelle (wetboek van intellectueel eigendom) bepaalt thans:
„De auteurs van een oorspronkelijk werk van grafische of beeldende kunst die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hebben een volgrecht, dit is het onvervreemdbare recht om te delen in de opbrengst van elke verkoop van een kunstwerk na de eerste vervreemding ervan door de auteur of door zijn rechtsopvolgers [...]”
18. Artikel L.123-7 bepaalt verder:
„Na het overlijden van de auteur komt het in artikel L.122-8 genoemde volgrecht toe aan zijn erfgenamen [...], met uitsluiting van alle legatarissen en rechtsopvolgers, voor de duur van het lopende kalenderjaar en de zeventig daaropvolgende jaren.”(10)
19. Ik zal naar deze definitie van de rechthebbenden van het volgrecht na het overlijden van de auteur verwijzen als de „bestreden bepaling”.
20. De rangorde van erfopvolging is geregeld in de artikelen 734 en volgende van de Franse Code Civil (burgerlijk wetboek) en omvat vier opeenvolgende categorieën. Binnen elke categorie is de voorrang afhankelijk van de graad van verwantschap. Verwanten in de zijlijn verder dan de zesde graad erven niet.(11)
21. Artikel 912 en volgende van de Code Civil verdelen de nalatenschap van een overledene in een deel dat volgens de wet is gereserveerd voor bepaalde erfgenamen, en een deel dat bij testament aan legatarissen kan worden nagelaten. In het algemeen geldt dat over de hele nalatenschap bij testament kan worden beschikt indien de overledene geen nog levende nakomelingen of echtgeno(o)t(e) uit een bestaand huwelijk (of, vóór 2007, verwanten in rechtstreeks opgaande lijn) heeft. De bestreden bepaling is derhalve een uitzondering op die algemene regel.
Spaans recht
22. Het volgrecht is in het Spaanse recht ingevoerd in 1987(12) en op de bepalingen van de richtlijn afgestemd bij wet nr. 3/2008.(13) Anders dan de Franse wetgeving sluit de Spaanse geen enkele categorie van personen uit als rechtsopvolgers van de auteur, maar bepaalt sinds 1996 simpelweg dat de aanspraak slechts overgaat bij erfopvolging mortis causa.
Feiten, procesverloop en prejudiciële vragen
23. De Fundació Gala-Salvador Dalí(14) (hierna: „Stichting”) is door Salvador Dalí in 1983 opgericht met als doel het „bevorderen, stimuleren, verspreiden, huldigen, beschermen en verdedigen, op het grondgebied van de Spaanse Staat en op dat van om het even welke andere staat, van het artistieke, culturele en intellectuele werk van de schilder, zijn eigendom en rechten van welke aard ook; zijn levenservaring, zijn gedachtengoed, zijn artistieke, culturele en intellectuele projecten en ideeën en werken; zijn nagedachtenis en de universele erkenning van zijn geniale bijdrage aan de schone kunsten, de cultuur en het hedendaagse denken”.(15)
24. Dalí was weduwnaar toen hij in 1989 overleed, had geen kinderen of nakomelingen, en benoemde de Spaanse Staat in zijn testament tot universeel en onvoorwaardelijke erfgenaam van al zijn eigendommen, rechten en artistieke creaties, met een vurige bede aan de staat om zijn kunstwerken te behouden, te verspreiden en te beschermen. De staat aanvaardde dat legaat en legde het beheer en de exploitatie van de betrokken rechten in handen van het ministerie van Cultuur, dat deze taak weer bij de Stichting legde.
25. In 1997 verleende de Stichting aan de Spaanse beheermaatschappij Visual Entidad de Gestión de Artistas Plásticos (hierna: „VEGAP”), waarvan zij lid is, de exclusieve volmacht om haar rechten op het werk van Dalí wereldwijd te beheren en uit te oefenen. VEGAP, die een vertegenwoordigingsovereenkomst op basis van wederkerigheid heeft met haar Franse zustervereniging, Auteurs dans les Arts Graphiques et Plastiques (hierna: „ADAGP”), verzocht ADAGP om de rechten op het werk van Dalí voor het Franse grondgebied te beheren met ingang van 17 oktober 1997.
26. ADAGP heeft sindsdien, voor rekening van de Stichting, alle met betrekking tot de exploitatie van het werk van deze kunstenaar in Frankrijk verschuldigde rechten geïnd en aan VEGAP afgedragen – met uitzondering van de bedragen uit hoofde van het volgrecht, die zij, althans aanvankelijk, voor rekening van Dalí’s erfgenamen in de zijlijn heeft geïnd en aan hen heeft afgedragen.
27. Op 28 december 2005 hebben de Stichting en VEGAP een procedure tegen ADAGP aanhangig gemaakt bij het Tribunal de grande instance te Parijs. Zij stellen dat de opvolging in de roerende nalatenschap van Dalí zowel volgens de Franse als de Spaanse conflictregels door Spaans recht wordt beheerst, nu hij bij zijn overlijden een in Spanje ingezeten Spaans staatsburger was. De Stichting is derhalve de enige rechthebbende van alle rechten op het werk van Dalí, in het bijzonder het volgrecht bij openbare verkopen. De Stichting verlangt dat ADAGP wordt veroordeeld tot betaling aan haar, via VEGAP, van alle rechten die bij verkopingen van Dalí’s werk sinds 17 oktober 1997 zijn geïnd.
28. Blijkens het nationale dossier heeft ADAGP die rechten niet meer uitgekeerd sinds de procedure aanhangig is gemaakt, en is zij bereid deze af te dragen aan de partij of partijen die daarop volgens het Tribunal de grande instance recht hebben. De rechten die reeds zijn uitgekeerd aan de zes erfgenamen in de zijlijn, die zij naar Frans recht als rechthebbenden beschouwde, moeten volgens haar in voorkomend geval van die erfgenamen worden teruggevorderd. Zij heeft de erfgenamen daartoe opgeroepen in het geding, doch geen van hen is verschenen.
29. Het Tribunal de grande instance merkt op dat Frankrijk enkel nog een volgrecht voor de erfgenamen bij versterf kent, terwijl de richtlijn bepaalt dat het recht verschuldigd is aan de „rechtsopvolgers” van de overleden kunstenaar. Het wenst te vernemen of de richtlijn dit in algemene zin dan wel op grond van de uitzonderingsbepalingen van artikel 8 toestaat.
30. Het Tribunal de grande instance heeft het Hof daarom de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„Kan Frankrijk na de vaststelling van richtlijn [2001/84/EG] van 27 september 2001 een volgrecht in stand houden voor erfgenamen met uitsluiting van legatarissen en rechtsopvolgers?
Staan de overgangsbepalingen van artikel 8, leden 2 en 3, van richtlijn [2001/84/EG] van 27 september 2001 Frankrijk toe een afwijkende regeling in stand te houden?”
31. De Stichting en VEGAP, de Franse, de Italiaanse en de Spaanse regering, alsmede de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting hebben de Stichting, de Franse en de Spaanse regering en de Commissie mondeling hun standpunt toegelicht.
Beoordeling
32. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de richtlijn, met name de artikelen 6, lid 1, en 8, leden 2 en 3, aldus moeten worden uitgelegd dat Frankrijk een volgrecht in stand mag houden dat zich, na het overlijden van de auteur, beperkt tot zijn erfgenamen bij versterf, met uitsluiting van legatarissen of rechtsopvolgers.
33. Voordat ik die vragen bespreek, acht ik het evenwel zinvol aandacht te besteden aan bepaalde aspecten die relevant zijn voor de toepasselijkheid van de richtlijn in de omstandigheden van het hoofdgeding en zelfs, zoals de Spaanse regering stelt, voor de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen.
34. Om te beginnen merk ik op dat de partijen in het hoofdgeding particulieren zijn en Frankrijk daarbij niet als lidstaat, de adressaat van de richtlijn, is betrokken. In de tweede plaats betreft die procedure in ieder geval ten dele bedragen die kunnen zijn geïnd voordat de richtlijn werd vastgesteld, of ook nadat zij werd vastgesteld, doch voordat de termijn voor omzetting ervan was verstreken. In de derde plaats doen verzoeksters in het hoofdgeding geen beroep op enige onverenigbaarheid van het Franse recht met de richtlijn, maar op de toepasselijkheid van Spaans in plaats van Frans recht om te bepalen wie de rechthebbenden van het volgrecht zijn.
„Horizontale rechtstreekse werking”
35. Uit vaste rechtspraak blijkt dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen kan opleggen aan een particulier, zodat zij als zodanig tegenover deze laatste niet kan worden ingeroepen en zelfs een duidelijke, nauwkeurig omschreven en onvoorwaardelijke bepaling van een richtlijn die tot doel heeft particulieren rechten te verlenen of hun verplichtingen op te leggen, als zodanig geen toepassing kan vinden in gedingen tussen uitsluitend particulieren.(16) Nu in casu het hoofdgeding tussen particulieren is, lijkt die regel een beroep op een eventuele onverenigbaarheid van het Franse recht met de richtlijn uit te sluiten.
36. Uit de verwijzingsbeschikking en het aan het Hof overgelegde nationale dossier blijkt evenwel dat de Stichting en VEGAP in het hoofdgeding niet de richtlijn tegen ADAGP of de erfgenamen van Dalí willen inroepen. Het Tribunal de grande instance heeft de kwestie veeleer ambtshalve aan de orde te gesteld, en eerst in hun opmerkingen aan dit Hof hebben de Stichting en VEGAP met betrekking tot de aldus opgeworpen kwestie betoogd dat de bestreden regel in strijd is met de richtlijn.
37. In die omstandigheden komt het mij voor dat de rechtspraak ter zake in feite niet relevant is. Het Hof heeft weliswaar in algemene termen vastgesteld dat een bepaling van een richtlijn in een geding tussen particulieren geen toepassing kan vinden, maar de basis voor die vaststelling is dat de ene particuliere partij de bepalingen van een richtlijn niet kan inroepen teneinde een recht te doen gelden tegen of een verplichting op te leggen aan een andere particuliere partij. Die overweging is niet van toepassing wanneer een nationale rechter de kwestie ambtshalve aan de orde stelt.
38. Volgens vaste rechtspraak van het Hof in dat verband, is het bij ontbreken van een desbetreffende gemeenschapsregeling (thans regeling van de Unie) een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procesregels te bepalen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van dergelijke rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Het Unierecht verzet zich derhalve tegen een nationaal voorschrift dat de nationale rechter verbiedt ambtshalve de verenigbaarheid van een handeling van nationaal recht met een bepaling van Unierecht te toetsen, en dat aldus geen van beide beginselen eerbiedigt. Het verplicht een nationale rechter evenwel niet een dergelijke kwestie ambtshalve te behandelen wanneer geen van deze beginselen in geding is.(17)
39. Het is evident dat het Unierecht een nationale rechter niet kan beletten ambtshalve (zoals de verwijzende rechter heeft gedaan) de verenigbaarheid van het nationale recht met de bepalingen van een Unierichtlijn ter discussie te stellen. De verplichting van de nationale rechter om het nationale recht zo veel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken(18) vormt juist nadrukkelijk een stimulans om dergelijke kwesties aan de orde te stellen.
40. In het onderhavige geval moet aan de hand van het Franse recht worden bepaald of het Tribunal de grande instance bevoegd is om het Hof een prejudiciële uitspraak te vragen over de verenigbaarheid van de bestreden bepaling met de richtlijn en om gevolg te geven aan die uitspraak. Zou de bepaling onverenigbaar met de richtlijn blijken te zijn, dan zal zij waarschijnlijk buiten toepassing moeten blijven; de uitdrukkelijke bewoordingen ervan kunnen immers moeilijk zo worden uitgelegd dat zij ook legatarissen omvatten, en de verplichting om nationaal recht conform het Unierecht uit te leggen kan niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.(19)
41. Er is evenwel niet gesteld dat het Tribunal de grande instance niet bevoegd is tot prejudiciële verwijzing of het nemen van de stappen die nodig zijn om gevolg te geven aan de uitspraak daarop. Ik ga ervan uit dat het Tribunal de grande instance bevoegd is en op gepaste wijze gevolg kan geven aan het arrest van het Hof.
Toepasselijkheid in de tijd van de richtlijn
42. ADAGP heeft de volgrechtvergoedingen bij verkopingen van de werken van Dalí geïnd sinds 17 oktober 1997. De richtlijn is in werking getreden op 13 oktober 2001, en de lidstaten moesten de nodige maatregelen nemen om aan de richtlijn te voldoen vóór januari 2006 (behoudens de in artikel 8, leden 2 en 3, bepaalde tijdelijke uitzonderingen tot respectievelijk 1 januari 2010 dan wel 1 januari 2012, die onderwerp zijn van de tweede vraag van de nationale rechter).
43. De uitlegging van de richtlijn is derhalve relevant voor de periode na 1 januari 2006. Zij heeft echter geen rechtstreekse betekenis voor de periode vóór 13 oktober 2001 en zelfs niet voor het tussen die twee data gelegen tijdvak.
44. Hoewel de lidstaten zich gedurende de termijn voor de omzetting van een richtlijn moeten onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar kunnen brengen, zijn zij niet verplicht hun wetgeving aan te passen vóór het verstrijken van die termijn. In casu heeft de omstreden bepaling gedurende de omzettingstermijn geen enkele wijziging ondergaan.
45. Wat de verplichting van een richtlijnconforme uitlegging aangaat, geldt dat de nationale rechterlijke instanties het nationale recht (zo veel mogelijk) richtlijnconform moeten uitleggen vanaf het verstrijken van de omzettingstermijn.(20) In de tussentijd dienen zij zich alleen (wederom, zo veel mogelijk) te onthouden van een uitlegging die, na het verstrijken van de omzettingstermijn, de toekomstige verwezenlijking van de met de richtlijn nagestreefde doelstelling ernstig in gevaar zou kunnen brengen.(21)
46. Zoals gezegd, valt de duidelijke formulering van de bestreden bepaling evenwel moeilijk anders uit te leggen. Het „zoveel mogelijk”-voorbehoud in ’s Hofs rechtspraak lijkt dan ook in dit geval een verplichting tot richtlijnconforme uitlegging uit te sluiten. Indien de omstreden bepaling onverenigbaar met de richtlijn blijkt, is kennelijk de enige optie haar buiten toepassing te laten,(22) en een verplichting daartoe kan enkel bestaan voor de periode na de uiterste termijn voor de omzetting. Ingeval de bestreden bepaling met betrekking tot die periode buiten toepassing zou moeten blijven, rijst natuurlijk als volgende de vraag of zij nog wel kan worden toegepast met betrekking tot eerdere perioden; maar dat is uitsluitend een kwestie van Frans recht en niet van Unierecht.
Toepasselijk recht
47. Het voornaamste argument van de Stichting en VEGAP, zowel in het hoofdgeding als in deze procedure, alsook van de Spaanse regering in deze procedure, is dat op grond van Spaans en niet van Frans recht moet worden bepaald wie de „rechtsopvolgers” van Salvador Dalí na diens overlijden zijn, nu op de opvolging in zijn roerende nalatenschap Spaans recht van toepassing is. De vraag van de verenigbaarheid van de omstreden bepaling met de richtlijn is volgens hen derhalve niet aan de orde. De Spaanse regering merkt nog op dat de vragen bijgevolg niet-ontvankelijk zijn, want niet noodzakelijk voor de beslechting van het geschil in het hoofdgeding.
48. Hoewel het juist is dat het Hof kan weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding,(23) denk ik niet dat die conclusie in het onderhavige geval valt te trekken. Om tot die conclusie te komen, zou het Hof een rechtsbeslissing over het nationale recht moeten geven – de bepaling van het op de opvolging in de nalatenschap van een overledene toepasselijke recht is nog niet op enige wijze in het Unierecht geregeld(24) – en dat is een stap verder dan zijn bevoegdheid toelaat.
49. In een situatie als die in het hoofdgeding moet de nationale rechter mijns inziens in de eerste plaats vaststellen of de identiteit van de rechthebbenden van het volgrecht na het overlijden van de kunstenaar wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de inning van de rechten, dan wel door het recht dat de opvolging in de nalatenschap van de kunstenaar regelt. Alleen in dit laatste geval moet hij beslissen welk recht op die opvolging van toepassing is, een kwestie die buiten de bevoegdheid van het Hof valt. Wel kan het Hof aangeven of de richtlijn met betrekking tot de eerste vraag richtsnoeren biedt.
50. Het begrip „rechtsopvolgers” van de auteur is nergens in de richtlijn gedefinieerd. Punt 27 van de considerans laat de invulling ervan impliciet, maar desalniettemin duidelijk over aan het nationale recht en verwijst in het bijzonder naar het erfrecht van de lidstaten. Blijkens de wetsgeschiedenis was dit ook de intentie van de Commissie en van de Raad tijdens het wetgevingsproces.(25) En ondanks de door het Parlement voorgestelde wijzigingen, was ook dit laatste ervan overtuigd dat de identiteit van de rechthebbenden na het overlijden van de auteur op grond van het subsidiariteitsbeginsel aan de hand van nationaal recht moest worden bepaald en dat niet in het erfrecht moest worden ingegrepen.(26) Ik merk nog op dat, zo er enige intentie bestond om de conflictregels op het gebied van erfopvolging te harmoniseren, de richtlijn niet alleen, zoals nu het geval is, op artikel 95 EG(27) gebaseerd had kunnen worden, maar net als het in voetnoot 24 genoemde voorstel ook een verwijzing had moeten bevatten naar de artikelen 61 EG en 67 EG(28).
51. In een geschil over de vraag wie rechthebbende is van het volgrecht na het overlijden van de auteur, voor de rechter in de lidstaat waarin het betrokken recht is geïnd, moet die rechter derhalve de regels toepassen die volgens zijn nationale recht die kwestie regelen. Bij gebreke van een meer specifieke bepaling zijn dat de materieelrechtelijke bepalingen van het nationale recht dat volgens de conflictregels daarvan de erfopvolging beheerst.
52. Het feit dat de richtlijn duidelijk niet in nationaal recht wil ingrijpen, en de identificatie van de rechthebbenden na het overlijden van de kunstenaar niet exclusief verbindt aan het recht dat de opvolging in zijn nalatenschap regelt, impliceert evenwel naar mijn mening dat het een lidstaat niet verboden is een meer specifieke bepaling vast te stellen in de vorm van een materieelrechtelijke bepaling die de conflictregels die anders dat recht zouden aanwijzen, geheel of gedeeltelijk opzij zet.
53. Die conclusie sluit bovendien het beste aan bij artikel 14ter van de Berner Conventie, volgens hetwelk het volgrecht na de dood van de auteur toekomt aan „de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen”, een formulering die ruimer is dan een verwijzing naar het erfrecht in de minste zin.
54. Het Tribunal de grande instance zal dus moeten bepalen of de omstreden bepaling een dergelijke bepaling van hogere rang is en, zo niet, welk erfrecht door de toepasselijke conflictregels wordt aangewezen.
55. Aangenomen dat die beoordeling tot de conclusie leidt dat de omstreden bepaling in het hoofdgeding van toepassing is, moet de vraag van haar verenigbaarheid met de richtlijn worden beantwoord.
De eerste vraag
56. Staat de richtlijn een lidstaat toe in zijn nationale wetgeving de kring van „rechtsopvolgers” van de kunstenaar te beperken op de wijze waarop dat in de omstreden bepaling is gebeurd?
57. Om soortgelijke redenen als die welke ik hierboven heb uiteengezet bij de bespreking van de vrijheid van handelen van de lidstaten bij de vaststelling van het toepasselijke recht, meen ik dat het antwoord bevestigend moet zijn.
58. De richtlijn geeft geen definitie van de „rechtsopvolgers” van de kunstenaar na diens overlijden. Die definitie wordt overgelaten aan het nationale recht en bijgevolg meer in het bijzonder (hoewel niet noodzakelijkerwijs uitsluitend) aan het nationale erfrecht. Verschillen tussen nationale rechtsstelsels die de werking van de interne markt naar verwachting niet schaden, behoeven niet te worden weggenomen.(29) Er is derhalve geen uniforme kring van „rechtsopvolgers”, en lidstaten kunnen elke definitie vaststellen of handhaven die naar verwachting geen dergelijke invloed heeft.
59. Het voornaamste punt van zorg, zoals uit punt 9 van de considerans van de richtlijn blijkt(30), was een situatie te vermijden waarin de verkoop van kunstwerken zich zou concentreren in lidstaten waar het volgrecht niet werd toegepast dan wel minder bezwarend was, ten nadele van veilinghuizen of andere handelaren in lidstaten die de kunstenaar (en zijn opvolgers van welke aard dan ook) wilden laten delen in de door de waardestijging van de kunstwerken gegenereerde winst.
60. Die situatie bestond vóórdat de richtlijn werd vastgesteld en was een gevolg van de onwil van verkopers om afstand te doen van een deel van de prijs die een kunstwerk had opgebracht. Ik ben het met de Commissie eens dat, na de vaststelling van de richtlijn, de kans dat verkopers bij verkoop voor een lidstaat kiezen op basis van de identiteit van de personen die aanspraak op de rechten kunnen maken – een factor die niet van invloed is op het te betalen bedrag en misschien niet eens de verkoper bekend is – te verwaarlozen is en de werking van de interne markt niet schaadt. Ik ben in dat verband niet overtuigd door – en zelfs verbaasd over – de stelling van de Spaanse regering ter terechtzitting dat verkopen eerder zouden kunnen plaatsvinden in lidstaten waarin de kunstenaar geen „rechtsopvolgers” heeft. Zelfs indien een bepaald nationaal rechtsstelsel geen andere specifieke maatregel treft, zal de nalatenschap van een overleden kunstenaar altijd aan iemand toevallen, al is het maar aan de staat als ultimus haeres.
61. Ook het door de Stichting en VEGAP alsook de Spaanse regering aangevoerde argument dat het begrip „rechtsopvolgers” van een overleden kunstenaar alle rechtsopvolgers volgens het toepasselijke erfrecht moet omvatten en niet kan worden onderscheiden in afzonderlijke categorieën, waarbij sommigen wel en anderen geen rechthebbende zijn, kan volgens mij niet slagen.
62. Indien de omstreden bepaling van dien aard is dat zij de conflictregels op erfrechtelijk gebied opzij zet, is er geen reden waarom zij niet bepaalde personen die volgens het erfrecht rechthebbende kunnen zijn, zou kunnen uitsluiten. Een dergelijke uitsluiting kan de interne markt in geen geval ongunstig beïnvloeden.
63. Er is evenmin een reden om een andere benadering te volgen indien de omstreden bepaling zelf een materiële bepaling van erfrecht is. De vrijheid van een individu om over zijn nalatenschap bij overlijden te beschikken, kan per rechtsstelsel variëren en verschillende voorschriften of mechanismen kunnen de mogelijkheid beperken om bijvoorbeeld buiten de kring van de erfgenamen bij versterf, of van nakomelingen en/of een langstlevende echtgeno(o)t(e), legaten toe te kennen. Het onderscheid dat de omstreden bepaling maakt, valt naar mijn mening in die sfeer en daarmee binnen het bereik van rechtmatige keuzes in het nationale erfrecht waarnaar de richtlijn verwijst om de rechthebbenden van het volgrecht na het overlijden van de kunstenaar te bepalen.
64. Er was tijdens de mondelinge behandeling enige discussie over de vraag of de lidstaten, ook al laat de richtlijn de definitie van „rechtsopvolgers” over aan het nationale recht, bij de vaststelling van die definitie in een geest van loyale samenwerking of wellicht van „hoffelijkheid” tussen lidstaten, niet toch een verplichting hebben om elkaars regels inzake erfopvolging te eerbiedigen. Ik vrees echter dat een dergelijke benadering gevaarlijk dicht in de buurt van een „harmonisatie via de achterdeur” van het erfrecht of van conflictregels zou komen, wat buiten de werkingssfeer van de richtlijn valt – zowel bezien vanuit haar rechtsgrondslag als vanuit de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever.
65. Zoals beide redenen duidelijk maken, beperkt de rol van de richtlijn zich tot het wegnemen van concurrentieverstoringen binnen de interne markt. De wederzijdse erkenning – in dit geval de erkenning, door de lidstaat die de rechten int, van de definitie van „rechtsopvolgers” van een overleden kunstenaar in de lidstaat waarvan het erfrecht op de nalatenschap van die kunstenaar van toepassing is – is een loffelijke gedachte. Ik meen evenwel dat dit niet binnen de werkingssfeer van deze specifieke richtlijn valt. Waarborgen dat in de hele Unie een volgrecht wordt geheven, staat centraal in de doelstelling van de richtlijn. Waarborgen dat het recht exact ten goede komt aan degenen die volgens een bepaald erfrecht rechthebbenden zijn, is dat niet.
66. De in de omstreden bepaling vervatte keuze is een beleidsmatige en als zodanig altijd discutabel.(31) Het is evenwel een keuze die volledig binnen de aan de lidstaten overgelaten beoordelingsruimte blijft en de werking van de interne markt niet schaadt. De richtlijn sluit de keuze dan ook niet uit.
De tweede vraag
67. Indien het Hof het door mij voorgestelde antwoord op de eerste vraag volgt, is een antwoord op de tweede vraag – of de bestreden bepaling volgens de optionele en transitionele uitzonderingen van artikel 8, leden 2 en 3, van de richtlijn gehandhaafd mag blijven – overbodig. Voor zover niettemin een antwoord noodzakelijk is, kan dit heel kort zijn.
68. De uitzonderingen van artikel 8, gelezen in samenhang met artikel 13 van de richtlijn, staan uitdrukkelijk ter beschikking van de lidstaten die het volgrecht op 13 oktober 2001 niet toepasten.
69. Frankrijk paste het volgrecht op die datum wel toe en kan derhalve geen beroep doen op de uitzonderingen.
70. Hoe het ook zij, die uitzonderingen staan de lidstaten enkel toe het volgrecht niet toe te passen ten behoeve van rechtsopvolgers van een kunstenaar na diens overlijden; zij betreffen niet de kwestie van de toepassing op slechts een beperkte groep rechthebbenden.
Conclusie
71. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door het Tribunal de grande instance te Parijs gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk verzet zich niet tegen een nationale bepaling volgens welke na het overlijden van de auteur het volgrecht enkel overgaat op de erfgenamen bij versterf, met uitsluiting van legatarissen en rechtsopvolgers.”
1 – Oorspronkelijke taal: Engels.
2 – Zie de verklaring van de Franse minister van Cultuur en Communicatie in de Franse Nationale Vergadering op 16 maart 2006 .
3 – Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst van 9 september 1886, in het bijzonder herzien te Brussel op 26 juni 1948. Alle lidstaten van de Europese Unie zijn partij bij de conventie.
4 – Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PB L 272, blz. 32). Ofschoon de term „droit de suite” in het Engels gangbaar is, met name in de Engelse versie van de Berner Conventie, zal ik hier in navolging van de richtlijn de term „volgrecht” gebruiken.
5 – Dalí zelf is diepgaand beïnvloed door Het Angelus en publiceerde in 1963 een breedvoerige „kritisch-paranoïde” interpretatie ervan, getiteld „Le mythe tragique de l’Angélus de Millet”.
6 – Voetnoot niet relevant voor de Nederlandse tekst.
7 – Zie artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB L 290, blz. 9), thans vervangen door artikel 1, lid 1, van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (gecodificeerde versie) (PB L 372, blz. 12).
8 – Loi frappant d’un droit au profit des artistes les ventes publiques d’objets d’art (wet inzake de heffing van een recht ten behoeve van de kunstenaars op openbare verkopen van kunstvoorwerpen) van 20 mei 1920, ingetrokken en vervangen bij loi n° 57-298 sur la propriété littéraire et artistique (wet op de literaire en artistieke eigendom) van 11 maart 1957.
9 – Loi n° 2006-961 relative au droit d’auteur et aux droits voisins dans la société de l’information (wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij) van 1 augustus 2006.
10 – Deze bepaling is ongewijzigd gebleven sinds in 1997 de duur van de toepasselijke periode van vijftig jaar naar zeventig jaar werd verlengd. De term „rechtsopvolgers” is hier een vertaling van het Franse „ayants cause”, dat mogelijk een andere betekenis heeft dan „ayants droit”, de term die in de richtlijn wordt gebruikt voor „rechtsopvolgers”, alhoewel beide termen in het Frans vaak door elkaar worden gebruikt.
11 – Volgens artikel 724 van de Code Civil vervalt de nalatenschap aan de staat indien er geen erfgenamen of legatarissen zijn.
12 – Artikel 24 van Ley 22/1987 de Propiedad Intelectual (wet betreffende de intellectuele eigendom) van 11 november 1987, zoals herzien bij Real Decreto Legislativo 1/1996 por el que se apruebe el texto refundido de la Ley de Propiedad Intelectual, regularizando, aclarando y armonizando las disposiciones legales vigentes sobre la materia (koninklijk wetsbesluit houdende goedkeuring van de gecodificeerde tekst van de wet betreffende de intellectuele eigendom, met formalisering, verduidelijking en aanpassing van de geldende wettelijke bepalingen ter zake) van 12 april 1996.
13 – Artikelen 2, lid 1, en 6 van Ley 3/2008 relativa al derecho de participación en beneficio del autor de una obra de arte original (wet betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk) van 23 december 2008.
14 – Gala was de naam waaronder zijn vrouw, Elena Dmitrievna Diakonova, algemeen bekend was. Zij overleed in 1982.
15 – Zie .
16 – Zie laatstelijk arrest van 16 juli 2009, Mono Car Styling (C‑12/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 59).
17 – Deze welbekende rechtspraak, die ik hier samenvat, is ingezet met de arresten van 14 december 1995, Peterbroeck (C‑312/93, Jurispr. blz. I‑4599), en 14 december 1995, van Schijndel en van Veen (C‑430/93 en C‑431/93, Jurispr. blz. I‑4705), en is laatstelijk uiteengezet in het arrest van 7 juni 2007, van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, Jurispr. blz. I‑4233, punten 28‑42). Zie tevens de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in laatstgenoemde zaak, punten 13‑41.
18 – Zie laatstelijk arrest Mono Car Styling, aangehaald in voetnoot 16, punten 60 e.v.
19 – Zie arrest Mono Car Styling, aangehaald in voetnoot 16, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
20 – Zie arresten van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie (C‑129/96, Jurispr. blz. I‑7411, met name punten 43‑45), en 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C‑212/04, Jurispr. blz. I‑6057, punten 114 en 115).
21 – Zie arrest Adeneler e.a., aangehaald in voetnoot 19, punt 123, en arrest van 23 april 2009, VTB-VAB (C‑261/07, I‑00000, punt 39).
22 – Zie laatstelijk arrest van 27 oktober 2009, ČEZ (C‑115/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 140).
23 – Zie laatstelijk arrest van 1 oktober 2009, Compañía Española de Comercialización de Aceite (C‑505/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 26).
24 – Door de Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht is opgesteld het Verdrag betreffende het recht dat van toepassing is op erfopvolging bij versterf, gesloten op 1 augustus 1989 – van alle lidstaten van de Europese Unie is het verdrag evenwel alleen door Luxemburg en Nederland ondertekend, en alleen door Nederland geratificeerd. De Commissie heeft een maand voor de mondelinge behandeling van deze zaak een voorstel gepubliceerd voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring [COM(2009) 154 definitief van 14 oktober 2009] – het hoeft evenwel geen betoog dat dit voorstel nog lang geen wet is. Zouden de artikelen 3 e.v. van het Haagse Verdrag en de artikelen 16 e.v. van het voorstel van de Commissie van toepassing zijn, dan zou dit betekenen dat de opvolging in de nalatenschap van Salvador Dalí wordt beheerst door Spaans recht.
25 – Zie in het bijzonder de motivering van de Raad van 5 juni 2000 voor zijn gemeenschappelijk standpunt van 22 mei 2000 (7484/00 ADD 1), punt 23, en het advies van de Commissie van 24 januari 2001 over de amendementen van het Europees Parlement op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad [COM(2001) 47 definitief, punt 3.1.2, sub b].
26 – Zie het verslag in eerste lezing van het Parlement van 3 februari 1997 (document A4‑0030/97), toelichting, punt IV, A, 2, en zijn verslag in tweede lezing van 29 november 2000 (document A5-0370/2000), toelichting, deel III, punt 8.
27 – Zie thans artikel 114 VWEU.
28 – Zie thans artikel 67 VWEU.
29 – Punt 13 van de considerans.
30 – Zie hierboven, punt 8.
31 – Zo zou men zich kunnen afvragen waarom een dergelijke regel alleen voor het volgrecht geldt en niet voor, bijvoorbeeld, het auteursrecht op letterkundige werken (het antwoord moet waarschijnlijk worden gezocht in het feit dat het volgrecht, anders dan het auteursrecht, niet voor afstand vatbaar en onvervreemdbaar is). En het debat had in casu bijzonder verhit kunnen zijn indien Salvador Dalí niet door erfgenamen in de zesde of nadere graad was overleefd, zodat het volgrecht aan de Franse Staat was toegevallen ondanks de uitdrukkelijke bedoeling van Dalí dat het naar de Spaanse Staat zou gaan.
Full & Egal Universal Law Academy