Zaak C‑14/08
Roda Golf & Beach Resort SL
(verzoek van de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción nº 5 de San Javier om een prejudiciële beslissing)
„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid van Hof – Begrip ‚geding’ – Verordening (EG) nr. 1348/2000 – Betekening en kennisgeving van buitengerechtelijke stukken buiten gerechtelijke procedure om – Notariële akte”
Samenvatting van het arrest
1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Handeling op grond van titel IV van derde deel van Verdrag – Verordening nr. 1348/2000 inzake betekening en kennisgeving in lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
(Art. 68 EG)
2. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Handeling op grond van titel IV van derde deel van Verdrag – Verordening nr. 1348/2000 inzake betekening en kennisgeving in lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
(Art. 68 EG; verordening nr. 1348/2000 van de Raad)
3. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Buitengerechtelijke stukken
(Verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 16)
4. Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken – Verordening nr. 1348/2000 – Werkingssfeer
(Art. 65 EG; verordening nr. 1348/2000 van de Raad, art. 2, leden 1 en 2, en 14)
1. Wanneer bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 68 EG wordt ingediend, staat het niet aan hem, een controverse te beslechten met betrekking tot de vraag of tegen de beslissing die de verwijzende rechter in het hoofdgeding zal geven, al dan niet een rechtsmiddel kan worden aangewend, wanneer de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft aangegeven dat de door hem in het hoofdgeding te geven beslissing, een beslissing in laatste aanleg is.
(cf. punten 24, 28-29)
2. Hoewel de griffier van een rechterlijke instantie van een lidstaat bij wie op grond van verordening nr. 1348/2000 een verzoek om betekening of kennisgeving van gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken wordt ingediend, kan worden geacht als bestuursorgaan op te treden zonder dat hij tegelijkertijd een geschil dient te beslechten, is dat niet het geval met de rechter die uitspraak moet doen op het beroep tegen de weigering van die griffier om tot de gevraagde betekening of kennisgeving over te gaan. Een dergelijk beroep strekt namelijk tot nietigverklaring van die weigering, waarvan wordt gesteld dat zij een recht van de verzoeker schaadt, te weten zijn recht om van bepaalde stukken betekening of kennisgeving te laten doen op de bij verordening nr. 1348/2000 voorziene wijze. Bijgevolg is bij de verwijzende rechter een geding aanhangig gemaakt, en vervult deze dus een rechtsprekende functie.
De omstandigheid dat de griffier deel uitmaakt van de organisatorische structuur van de verwijzende rechterlijke instantie, kan deze conclusie niet op de helling zetten. Deze omstandigheid heeft namelijk geen weerslag op de rechtsprekende aard van de functie die de verwijzende rechter in het kader van de procedure in het hoofdgeding vervult, aangezien die procedure strekt tot nietigverklaring van een handeling die een recht van de verzoeker zou schaden.
(cf. punten 37‑40)
3. Het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, is een gemeenschapsrechtelijk begrip. Het doel van het Verdrag van Amsterdam, een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te scheppen, en het van het EU-Verdrag naar het EG-Verdrag overbrengen van de regeling op grond waarvan maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen kunnen worden getroffen, getuigen namelijk van de wil van de lidstaten om dergelijke maatregelen in de communautaire rechtsorde te verankeren en aldus het beginsel van de autonome uitlegging ervan vast te leggen.
(cf. punten 48, 50)
4. De betekening en de kennisgeving van een notariële akte buiten een gerechtelijke procedure om vallen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken. Aangezien het systeem van intracommunautaire betekening en kennisgeving de goede werking van de interne markt tot doel heeft, kan de in artikel 65 EG en verordening nr. 1348/2000 bedoelde justitiële samenwerking niet tot de gerechtelijke procedures worden beperkt, maar kan zij ook buiten een dergelijke procedure om plaatsvinden, voor zover die samenwerking grensoverschrijdende gevolgen heeft en nodig is voor de goede werking van de interne markt.
Deze ruime opvatting van het begrip buitengerechtelijk stuk dreigt uit het oogpunt van de middelen van de nationale rechterlijke instanties geen onevenredig grote last mee te brengen, aangezien de lidstaten ingevolge artikel 2, leden 1 en 2, van verordening nr. 1348/2000 ter fine van de betekening en kennisgeving als verzendende of ontvangende instanties ook andere organen dan die rechterlijke instanties kunnen aanwijzen, en op grond van artikel 14 van deze verordening tevens in de mogelijkheid kunnen voorzien om de betekening of kennisgeving aan personen die zich in een andere lidstaat bevinden, rechtstreeks per post te laten verrichten. Overeenkomstig artikel 16 van deze verordening zijn die twee bepalingen van toepassing op de betekening of kennisgeving van buitengerechtelijke stukken.
(cf. punten 55‑56, 59-61)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
25 juni 2009 (*)
„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid van Hof – Begrip ‚geding’ – Verordening (EG) nr. 1348/2000 – Betekening en kennisgeving van buitengerechtelijke stukken buiten gerechtelijke procedure om – Notariële akte”
In zaak C‑14/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 68 EG, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 5 de San Javier (Spanje) bij beslissing van 3 januari 2008, ingekomen bij het Hof op 14 januari 2008, in de procedure
Roda Golf & Beach Resort, SL,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, J. Klučka, U. Lõhmus, P. Lindh en A. Arabadjiev (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: R. Grass,
gelet op de opmerkingen van:
– Roda Golf & Beach Resort, SL, vertegenwoordigd door E. López Ayuso, abogada,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J. López-Medel Bascones als gemachtigde,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en J. Kemper als gemachtigden,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door S. Chala als gemachtigde,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door R. Adam als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,
– de Letse regering, vertegenwoordigd door E. Balode-Buraka en E. Eihmane als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door G. Iván als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,
– de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door J. Čorba als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Joris en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 maart 2009,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 16 van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB L 160, blz. 37).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat door Roda Golf & Beach Resort, SL (hierna: „Roda Golf”) is ingesteld bij de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 5 de San Javier tegen de weigering van de griffier van deze rechterlijke instantie om, buiten een gerechtelijke procedure om, aan in het Verenigd Koninkrijk en Ierland gevestigde geadresseerden kennis te geven van een notariële akte van betekening en sommatie waarin melding werd gemaakt van de eenzijdige ontbinding, door Roda Golf, van zestien tussen haar en elk van die geadresseerden gesloten verkoopovereenkomsten voor onroerend goed.
Toepasselijke bepalingen
Bepalingen van gemeenschapsrecht en van internationaal recht
3 Bij akte van 26 mei 1997 heeft de Raad van de Europese Unie op grond van artikel K.3 EU-Verdrag (de artikelen K-K.9 EU-Verdrag zijn vervangen door de artikelen 29 EU-42 EU) het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (PB C 261, blz. 1) vastgesteld.
4 Dat verdrag is niet in werking getreden. Aangezien de tekst ervan als voorbeeld heeft gediend voor de tekst van verordening nr. 1348/2000, wordt in de aanhef van deze verordening verwezen naar het toelichtend verslag bij dat verdrag (PB 1997, C 261, blz. 26).
5 Verordening nr. 1348/2000 regelt de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken.
6 Punt 2 van de considerans van deze verordening luidt:
„Het is voor de goede werking van de interne markt nodig de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.”
7 Punt 6 van de considerans ervan luidt:
„Met het oog op de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures in burgerlijke zaken is het nodig dat de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken tussen de door de lidstaten aangewezen plaatselijke instanties rechtstreeks en op snelle wijze geschiedt. [...]”
8 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1348/2000 bepaalt dat „[e]lke lidstaat [...] de deurwaarders, autoriteiten of andere personen aan[wijst], hierna ‚verzendende instanties’ genoemd, die bevoegd zijn gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken te verzenden ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat”. Krachtens artikel 23, lid 1, van deze verordening delen de lidstaten deze gegevens mee aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die deze bekendmaakt in het Publicatieblad.
9 Uit de door het Koninkrijk Spanje overeenkomstig genoemd artikel 23 meegedeelde gegevens (PB 2001, C 151, blz. 4, en C 202, blz. 10) blijkt dat in Spanje de verzendende instanties de Secretarios Judiciales (griffiers) van de verschillende Juzgados (uit één persoon bestaande rechterlijke instanties) en Tribunales (collegiale rechterlijke instanties) zijn.
10 Artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 in hoofdstuk III daarvan, „Buitengerechtelijke stukken”, bepaalt:
„Buitengerechtelijke stukken kunnen overeenkomstig de bepaling[en] van deze verordening ter betekening of kennisgeving in een andere lidstaat worden verzonden.”
11 Artikel 17, sub b, van deze verordening voorziet in de opstelling van een lijst van de stukken waarvan de betekening of kennisgeving op grond van deze verordening mogelijk is.
12 Die lijst vormt bijlage II bij beschikking 2001/781/EG van de Commissie van 25 september 2001 tot vaststelling van een handleiding van ontvangende instanties en een lijst van de stukken waarvan de betekening of kennisgeving mogelijk is op grond van verordening nr. 1348/2000 (PB L 298, blz. 1, en – rectificaties – PB 2002, L 31, blz. 88, en PB 2003, L 60, blz. 3), zoals gewijzigd bij beschikking 2007/500/EG van de Commissie van 16 juli 2007 (PB L 185, blz. 24). Hij bevat de gegevens die op grond van artikel 17, sub b, van verordening nr. 1348/2000 door de lidstaten zijn verstrekt. Wat Spanje betreft, heet het daarin met name dat „[b]uitengerechtelijke stukken die kunnen worden betekend, [...] niet-gerechtelijke stukken [zijn] van instanties welke volgens de Spaanse wet bevoegd zijn om betekeningen te doen”.
13 Verordening nr. 1348/2000 is vervangen door verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening nr. 1348/2000 (PB L 324, blz. 79), waarvan de bepalingen alle met ingang van 13 november 2008 van toepassing zijn.
14 Het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, stelt een mechanisme voor administratieve samenwerking vast waardoor de betekening of kennisgeving van een stuk kan plaatsvinden door tussenkomst van een centrale autoriteit. Artikel 17 van dat verdrag heeft betrekking op de betekening en de kennisgeving van buitengerechtelijke stukken.
15 Overeenkomstig artikel 20, lid 1, ervan heeft verordening nr. 1348/2000 voorrang op de bepalingen van het Verdrag van ’s‑Gravenhage van 15 november 1965.
Bepalingen van nationaal recht
16 De in de artikelen 223 en 224 van Ley 1/2000, de Enjuiciamiento Civil (wet nr. 1/2000 op de burgerlijke rechtsvordering), van 7 januari 2000 (BOE nr. 7 van 8 januari 2000, blz. 575; hierna: „LEC”), neergelegde regeling voor besluiten die door griffiers worden genomen in burgerlijke zaken, luidt als volgt:
„Artikel 223. Maatregelen tot organisatie
1. Het staat aan de griffiers maatregelen tot organisatie vast te stellen, door middel waarvan aan beslissingen het gevolg wordt gegeven dat de wet bepaalt.
2. De maatregelen tot organisatie vermelden enkel het bepaalde, met de naam van de griffier die deze vaststelt, de datum en de ondertekening van de griffier.
Artikel 224. Herziening van de maatregelen tot organisatie
1. Maatregelen tot organisatie houdende een besluit over kwesties waarover volgens de wet bij beschikking, (tussen)beslissing of vonnis moet worden beslist, zijn van rechtswege nietig.
2. Buiten de in het vorige lid genoemde gevallen kunnen maatregelen tot organisatie ook nietig worden verklaard op verzoek van de benadeelde partij, wanneer zij in strijd zijn met een wettelijke bepaling of een besluit houden over kwesties die overeenkomstig het bepaalde in deze wet bij beschikking moeten worden geregeld.
3. De behandeling van en uitspraak op het in het vorige lid genoemde verzoek geschiedt volgens de procedure die is voorzien voor bezwaar.”
17 Met betrekking tot de bezwaarprocedure waarnaar in artikel 224 LEC wordt verwezen, bepaalt artikel 454 LEC:
„Onherroepelijkheid van beslissing op bezwaar
Behalve in de gevallen waarin een klacht kan worden ingediend, staat tegen een beslissing op bezwaar geen rechtsmiddel open, onverminderd de mogelijkheid om het voorwerp van het bezwaar opnieuw aan de orde te stellen wanneer in voorkomend geval tegen de eindbeslissing een rechtsmiddel wordt aangewend.”
18 Volgens artikel 455 LEC staat hoger beroep open tegen de beslissingen van de Juzgados de Primera Instancia, wanneer deze „eindbeslissingen” zijn of „de wet dit uitdrukkelijk bepaalt”.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
19 Op 2 november 2007 heeft Roda Golf, een vennootschap naar Spaans recht, de griffier van de verwijzende rechterlijke instantie verzocht om verzending, krachtens verordening nr. 1348/2000, aan de bevoegde ontvangende instanties van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en van Ierland, van zestien brieven aan een aantal geadresseerden met woonplaats in deze twee lidstaten. Die brieven betroffen de eenzijdige ontbinding van verkoopovereenkomsten voor onroerende goederen, die tussen die vennootschap en genoemde geadresseerden waren gesloten. Uit de inhoud van de brieven blijkt geen verband met een aanhangige gerechtelijke procedure.
20 Zoals blijkt uit de stukken die door de verwijzende rechter aan het Hof zijn overgelegd, en zoals verzoekster in het hoofdgeding in haar opmerkingen heeft betoogd, heeft zij door een notaris te San Javier een akte van betekening en sommatie laten opmaken, die onder nr. 111 in het notariële register werd ingeschreven, waarbij die notaris werd verzocht, van de bewuste akte kennis te geven via de griffier, die volgens de overeenkomstig artikel 23 van verordening nr. 1348/2000 door het Koninkrijk Spanje verstrekte gegevens de bevoegde autoriteit is.
21 De griffier van de verwijzende rechterlijke instantie heeft verzending van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde akte geweigerd, op grond dat de kennisgeving daarvan niet in het kader van een gerechtelijke procedure plaatsvond en dus niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000 viel.
22 Roda Golf heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij betoogt met name dat op grond van verordening nr. 1348/2000 kennisgeving van buitengerechtelijke stukken kan plaatsvinden buiten een gerechtelijke procedure om.
23 Daarop heeft de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción n° 5 de San Javier de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Strekt de werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000 [...] zich uit tot de kennisgeving van buitengerechtelijke stukken tussen louter particuliere personen die gebruikmaken van de materiële en personele middelen van de gerechten van de Europese Unie en de Europese regelgeving zonder dat een gerechtelijke procedure is ingeleid?
2) Of is verordening nr. 1348/2000 integendeel alleen van toepassing in het kader van de justitiële samenwerking tussen lidstaten en mits er een gerechtelijke procedure loopt [artikelen 61, sub c, EG, 67, lid 1, EG en 65 EG, en punt 6 van de considerans van verordening nr. 1348/2000]?”
Bevoegdheid van het Hof
24 De Commissie werpt twee excepties van onbevoegdheid van het Hof op ten aanzien van de gestelde vragen. Ten eerste betoogt zij dat het bij de door de verwijzende rechter in het hoofdgeding te geven beslissing om een eindbeslissing gaat waartegen overeenkomstig artikel 455 LEC hoger beroep kan worden ingesteld. Ten gevolge hiervan is de verwijzing niet-ontvankelijk, omdat volgens artikel 68 EG alleen nationale rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof kunnen verzoeken om een prejudiciële beslissing in het kader van titel IV van het derde deel van het EG-Verdrag.
25 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 68 EG, indien een vraag wordt opgeworpen in verband met de uitlegging van op die titel IV gebaseerde handelingen van de instellingen van de Europese Gemeenschap in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, deze instantie gehouden is, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie te verzoeken, over deze vraag uitspraak te doen.
26 De in de onderhavige procedure gestelde vragen betreffen de uitlegging van verordening nr. 1348/2000. Aangezien deze verordening door de Raad is vastgesteld op de grondslag van de artikelen 61, sub c, EG en 67, lid 1, EG, die zijn opgenomen in het derde deel, titel IV, van het EG-Verdrag, is artikel 68 EG in casu dus van toepassing.
27 In die omstandigheden kan enkel een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof verzoeken om een uitspraak over een vraag van uitlegging van deze verordening.
28 Dienaangaande heeft de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie gewag gemaakt van een zekere heterogeniteit in de Spaanse rechtspraak met betrekking tot de mogelijkheid om tegen een beslissing als die welke de verwijzende rechter in het hoofdgeding moet geven, een rechtsmiddel aan te wenden. Hoewel de Commissie een aantal tussenbeslissingen van nationale rechters noemt waarbij die mogelijkheid werd erkend, neemt dit niet weg dat er in dit verband niet alleen tegengestelde rechtspraak bestaat, maar ook een zekere academische controverse, waarbij een deel van de rechtsleer elke mogelijkheid afwijst om in het kader van een dergelijke procedure een rechtsmiddel aan te wenden.
29 Het staat evenwel niet aan het Hof, deze controverse te beslechten. In casu heeft de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing aangegeven dat de door hem in het hoofdgeding te geven beslissing, een beslissing in laatste aanleg is.
30 De eerste door de Commissie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid moet bijgevolg worden afgewezen.
31 Ten tweede is de Commissie van mening dat de verwijzende rechter niet kennis neemt van een geding, maar van een „niet-gerechtelijk dossier”. Het Hof is dan ook niet bevoegd om uitspraak te doen over de gestelde vragen, nu die worden gesteld in een geval waarin de nationale rechter handelt als een bestuursorgaan en geen rechtsprekende functies vervult.
32 Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt dat de prejudiciële vragen zijn gesteld naar aanleiding van een bezwaarprocedure tegen de weigering van een griffier om van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde akte kennis te laten geven. In die procedure is verzoekster in het hoofdgeding de enige partij.
33 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 234 EG, dat krachtens artikel 68 EG van toepassing is op titel IV van het derde deel van het EG-Verdrag, de verwijzing naar het Hof niet afhankelijk stelt van de contradictoire aard van de procedure waarin de nationale rechter een prejudiciële vraag stelt (zie arrest van 17 mei 1994, Corsica Ferries, C‑18/93, Jurispr. blz. I‑1783, punt 12).
34 Uit artikel 234 EG volgt evenwel dat de nationale rechter alleen bevoegd is tot verwijzing naar het Hof, indien bij hem een geding aanhangig is gemaakt en hij uitspraak moet doen in het kader van een procedure die moet uitmonden in een beslissing die de kenmerken vertoont van een rechterlijke uitspraak (zie beschikkingen van 18 juni 1980, Borker, 138/80, Jurispr. blz. 1975, punt 4, en 5 maart 1986, Greis Unterweger, 318/85, Jurispr. blz. 955, punt 4; arresten van 19 oktober 1995, Job Centre, C‑111/94, Jurispr. blz. I‑3361, punt 9, en 14 juni 2001, Salzmann, C‑178/99, Jurispr. blz. I‑4421, punt 14).
35 Wanneer dus het verwijzende orgaan als bestuursorgaan optreedt zonder dat het tegelijkertijd een geschil dient te beslechten, kan het niet worden geacht een rechtsprekende functie te vervullen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het zich uitspreekt over een verzoek om inschrijving in een register van een vennootschap volgens een procedure die niet strekt tot nietigverklaring van een handeling waarbij een recht van de verzoeker is geschaad (zie reeds aangehaalde arresten Job Centre, punt 11, en Salzmann, punt 15, alsmede arrest van 15 januari 2002, Lutz e.a., C‑182/00, Jurispr. blz. I‑547, punt 14; zie in die zin ook arrest van 16 december 2008, Cartesio, C‑210/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 57).
36 Bij een gerecht waarbij wordt opgekomen tegen een beslissing van een lagere rechtbank die belast is met het bijhouden van een register, waarbij wordt geweigerd een dergelijk verzoek om inschrijving in te willigen, welk hoger beroep de vernietiging betreft van die beslissing, waarvan wordt gesteld dat zij een recht van de verzoeker schaadt, wordt daarentegen een geding aanhangig gemaakt en dit gerecht vervult wel een rechtsprekende functie (zie arrest Cartesio, reeds aangehaald, punt 58). In een dergelijk geval moet het gerecht dat in hoger beroep uitspraak doet, in beginsel dus worden aangemerkt als een rechterlijke instantie die conform artikel 234 EG bevoegd is, het Hof een prejudiciële vraag te stellen (zie voor dergelijke gevallen met name arresten van 15 mei 2003, Salzmann, C‑300/01, Jurispr. blz. I‑4899; 13 december 2005, SEVIC Systems, C‑411/03, Jurispr. blz. I‑10805, en 11 oktober 2007, Möllendorf en Möllendorf-Niehuus, C‑117/06, Jurispr. blz. I‑8361, alsmede arrest Cartesio, reeds aangehaald).
37 Deze rechtspraak kan worden getransponeerd naar het onderhavige geval. Hoewel de griffier bij wie op grond van verordening nr. 1348/2000 een verzoek om betekening of kennisgeving van gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken wordt ingediend, kan worden geacht als bestuursorgaan op te treden zonder dat hij tegelijkertijd een geschil dient te beslechten, is dat niet het geval bij de rechter die uitspraak moet doen op het beroep tegen de weigering van die griffier om tot de gevraagde betekening of kennisgeving over te gaan.
38 Een dergelijk beroep strekt namelijk tot nietigverklaring van die weigering, waarvan wordt gesteld dat zij een recht van de verzoeker schaadt, te weten zijn recht om van bepaalde stukken betekening of kennisgeving te laten doen op de bij verordening nr. 1348/2000 voorziene manieren.
39 Bijgevolg is bij de verwijzende rechter een geding aanhangig gemaakt, en vervult hij dus een rechtsprekende functie.
40 De omstandigheid dat de griffier deel uitmaakt van de organisatorische structuur van de verwijzende rechterlijke instantie, kan deze conclusie niet op de helling zetten. Deze omstandigheid heeft namelijk geen weerslag op de rechtsprekende aard van de functie die de verwijzende rechter in het kader van de procedure in het hoofdgeding vervult, aangezien die procedure strekt tot nietigverklaring van een handeling die een recht van de verzoeker zou schaden.
41 Hieruit volgt dat de tweede door de Commissie opgeworpen exceptie van onbevoegdheid eveneens moet worden afgewezen.
42 Het Hof is dus bevoegd om de gestelde vragen te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
43 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de betekening en de kennisgeving van buitengerechtelijke stukken buiten een gerechtelijke procedure om, wanneer die plaatsvinden tussen particulieren, binnen de werkingssfeer van genoemde verordening vallen.
Inleidende opmerking
44 Om te beginnen moet worden uitgemaakt of het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 een gemeenschapsrechtelijk begrip dan wel integendeel een nationaalrechtelijk begrip is.
45 De Spaanse, de Tsjechische, de Duitse, de Griekse, de Letse, de Hongaarse en de Poolse regering zijn van mening dat de inhoud van het begrip buitengerechtelijk stuk moet worden bepaald op basis van het recht van elke lidstaat. Zij betogen dat verordening nr. 1348/2000 het aan de lidstaten overlaat om te beslissen of de betekening of kennisgeving van buitengerechtelijke stukken mogelijk is, en, zo ja, voor welke buitengerechtelijke stukken dat mogelijk is. Zij refereren in dit verband aan artikel 17, sub b, van deze verordening, dat als uitvoeringsbepaling daarvan voorziet in de opstelling van een repertorium van de stukken waarvan de betekening of kennisgeving mogelijk is; zij benadrukken daarbij dat dit repertorium lijsten van dergelijke stukken bevat, waarvan de inhoud al naargelang de lidstaat verschilt.
46 Er zij aan herinnerd dat het doel van verordening nr. 1348/2000 erin bestaat, de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen. Deze verordening gaat evenwel niet zo ver dat het begrip buitengerechtelijk stuk daarin nauwkeurig en uniform wordt vastgelegd.
47 Krachtens artikel 17, sub b, van deze verordening wordt de Commissie belast met de opstelling, in overleg met de lidstaten, van een lijst waarin de stukken worden genoemd waarvan de betekening of kennisgeving mogelijk is. In de inleiding van deze lijst heet het dat de in dat kader door de lidstaten verstrekte gegevens slechts indicatieve waarde hebben. Uit de inhoud ervan blijkt evenwel dat de lidstaten, onder het toezicht van de Commissie, de stukken waarvan zij kennisgeving of betekening op grond van deze verordening mogelijk achten, op uiteenlopende wijzen hebben omschreven. Ondanks het bestaan van deze lijst, moet het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 toch een gemeenschapsrechtelijk begrip worden geacht.
48 Het doel van het Verdrag van Amsterdam, een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te scheppen waardoor aan de Gemeenschap een nieuwe dimensie wordt gegeven, en het overbrengen van het EU-Verdrag naar het EG-Verdrag van het mechanisme op grond waarvan maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen kunnen worden getroffen, getuigen namelijk van de wil van de lidstaten om dergelijke maatregelen in de communautaire rechtsorde te verankeren en aldus het beginsel van hun autonome uitlegging vast te leggen (arrest van 8 november 2005, Leffler, C‑443/03, Jurispr. blz. I‑9611, punt 45).
49 Ook de omstandigheid dat de voorkeur is gegeven aan een verordening, terwijl de Commissie aanvankelijk een richtlijn had voorgesteld (zie PB 1999, C 247 E, blz. 11), toont het belang aan dat de gemeenschapswetgever hecht aan de rechtstreekse toepasselijkheid van de bepalingen van verordening nr. 1348/2000 en aan de eenvormige toepassing daarvan (arrest Leffler, reeds aangehaald, punt 46).
50 Bijgevolg is het begrip „buitengerechtelijk stuk” in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1348/2000 een gemeenschapsrechtelijk begrip.
Werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000
51 Met betrekking tot de vraag of de betekening en de kennisgeving van buitengerechtelijke stukken buiten een gerechtelijke procedure om, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000 vallen, voeren de Spaanse en de Slowaakse regering aan dat een document slechts als een buitengerechtelijk stuk kan worden beschouwd, wanneer het concreet verband houdt met hetzij een aanhangige gerechtelijke procedure, hetzij de inleiding van een dergelijke procedure.
52 Roda Golf, de Duitse, de Griekse, de Italiaanse, de Letse, de Hongaarse en de Poolse regering alsmede de Commissie zijn de tegenovergestelde mening toegedaan.
53 Er zij op gewezen dat artikel 61, sub c, EG de rechtsgrondslag van verordening nr. 1348/2000 is. Deze bepaling maakt het mogelijk om, met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, de in artikel 65 EG genoemde maatregelen te treffen. Deze maatregelen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen beogen, overeenkomstig genoemd artikel 65 EG, onder meer het systeem van grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken te verbeteren en te vereenvoudigen, voor zover dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.
54 Zo ook heet het in punt 2 van de considerans van verordening nr. 1348/2000 dat het voor de goede werking van de interne markt nodig is, de verzending tussen de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, met het oog op betekening of kennisgeving ervan, te verbeteren en te versnellen.
55 Artikel 65 EG en verordening nr. 1348/2000 beogen dus een systeem van intracommunautaire betekening en kennisgeving in te voeren, dat de goede werking van de interne markt tot doel heeft.
56 Gelet op dit doel, kan de in dat artikel en die verordening bedoelde justitiële samenwerking niet tot enkel de gerechtelijke procedures worden beperkt. Die samenwerking kan namelijk plaatsvinden zowel in het kader van een gerechtelijke procedure als buiten een dergelijke procedure om, voor zover die samenwerking grensoverschrijdende gevolgen heeft en nodig is voor de goede werking van de interne markt.
57 Anders dan de Spaanse, de Poolse en de Slowaakse regering stellen, volstaat het feit dat punt 6 van de considerans van verordening nr. 1348/2000 enkel gewag maakt van de doelmatigheid en de snelheid van de gerechtelijke procedures, niet om stukken die geen verband houden met een gerechtelijke procedure, van de werkingssfeer van deze verordening uit te sluiten. Dat punt van de considerans verwijst namelijk slechts naar een van de uitvloeisels van het voornaamste doel van deze verordening. De vermelding, in dat punt van de considerans, van buitengerechtelijke stukken in de context van gerechtelijke procedures moet derhalve aldus worden begrepen, dat betekening of kennisgeving van een dergelijk stuk in het kader van een gerechtelijke procedure noodzakelijk kan zijn.
58 Verder is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde stuk, dat met het oog op de kennisgeving ervan is bezorgd aan de griffier van de verwijzende rechterlijke instantie, opgesteld door een notaris, zoals blijkt uit punt 20 van onderhavig arrest, en gaat het daarbij als zodanig om een buitengerechtelijk stuk in de zin van artikel 16 van verordening nr. 1348/2000.
59 Met betrekking tot de door de Spaanse en de Poolse regering geformuleerde bedenkingen, namelijk dat een ruime opvatting van het begrip buitengerechtelijk stuk een onevenredig grote last meebrengt, gelet op de middelen van de nationale rechterlijke instanties, zij benadrukt dat de uit verordening nr. 1348/2000 voortvloeiende verplichtingen ter zake van betekening en kennisgeving niet noodzakelijkerwijs op de nationale rechterlijke instanties rusten. De aanwijzing van de verzendende instanties en de ontvangende instanties, die volgens artikel 2, leden 1 en 2, van deze verordening „deurwaarders, autoriteiten of andere personen” kunnen zijn, behoort namelijk tot de bevoegdheid van de lidstaten. Die kunnen, met het oog op de betekening en kennisgeving van gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken, als verzendende of ontvangende instanties dus vrijelijk andere organen aanwijzen dan de nationale rechterlijke instanties.
60 Voorts is betekening of kennisgeving via verzendende en ontvangende instanties niet de enige wijze van betekening of kennisgeving waarin verordening nr. 1348/2000 voorziet. Zo bepaalt artikel 14 daarvan dat de lidstaten in de mogelijkheid mogen voorzien om de betekening of kennisgeving aan zich in een andere lidstaat bevindende personen rechtstreeks per post te laten verrichten. Een dergelijke wijze van betekening of kennisgeving wordt namelijk door het merendeel van de lidstaten aanvaard. Bovendien staat deze verordening overeenkomstig artikel 15 ervan niet eraan in de weg dat de betekening of kennisgeving rechtstreeks wordt verricht door deurwaarders, ambtenaren of andere bevoegde personen in de aangezochte lidstaat. Overeenkomstig artikel 16 van deze verordening zijn deze twee bepalingen van toepassing op de betekening of kennisgeving van buitengerechtelijke stukken.
61 Bijgevolg moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de betekening en de kennisgeving, buiten een gerechtelijke procedure om, van een notariële akte als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1348/2000 vallen.
Kosten
62 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
De betekening en de kennisgeving, buiten een gerechtelijke procedure om, van een notariële akte als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, vallen binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy