Zaak C‑32/08
Fundación Española para la Innovación de la Artesanía (FEIA)
tegen
Cul de Sac Espacio Creativo SL
en
Acierta Product & Position SA
(verzoek van de Juzgado de lo Mercantil nº 1 de Alicante y nº 1 de Marca Comunitaria om een prejudiciële beslissing)
„Verordening (EG) nr. 6/2002 – Gemeenschapsmodellen – Artikelen 14 en 88 – Houder van recht op gemeenschapsmodel – Niet-ingeschreven gemeenschapsmodel – Model dat in opdracht is ontworpen”
Samenvatting van het arrest
1. Gemeenschapsmodellen – Recht op gemeenschapsmodel – Modellen die in kader van arbeidsverhouding zijn ontworpen – Werkingssfeer
(Verordening nr. 6/2002 van de Raad, art. 14, lid 3)
2. Gemeenschapsmodellen – Recht op gemeenschapsmodel – Overdracht van recht op gemeenschapsmodel van ontwerper aan diens rechthebbende
(Verordening nr. 6/2002 van de Raad, art. 14, lid 1)
1. Artikel 14, lid 3, van verordening nr. 6/2002 betreffende gemeenschapsmodellen, volgens hetwelk het recht op het gemeenschapsmodel aan de werkgever toekomt wanneer dit model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever is ontworpen, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald of tenzij de toepasselijke nationale wettelijke regeling een andersluidende bepaling bevat, is niet van toepassing op een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel.
De gemeenschapswetgever is voor het bepalen van de specifieke regeling van artikel 14, lid 3, van de verordening immers uitgegaan van een specifieke contractuele verhouding, te weten de arbeidsverhouding, zodat dit lid niet kan worden toegepast op andere contractuele verhoudingen, zoals die welke bestaat bij een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel.
(cf. punten 44, 51, 55, dictum 1)
2. Met betrekking tot in opdracht ontworpen gemeenschapsmodellen die niet zijn ingeschreven en bovendien door de nationale wettelijke regeling niet worden gelijkgesteld met in het kader van een arbeidsverhouding ontworpen modellen, moet artikel 14, lid 1, van verordening nr. 6/2002 betreffende gemeenschapsmodellen aldus worden uitgelegd dat het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ontwerper, tenzij het bij overeenkomst is overgedragen aan diens rechtverkrijgende.
De mogelijkheid voor de ontwerper om zijn recht op het gemeenschapsmodel bij overeenkomst over te dragen aan zijn rechtverkrijgende in de zin van artikel 14, lid 1, van de verordening, vloeit immers enerzijds voort uit de bewoordingen van dat artikel en is anderzijds in overeenstemming met de door die verordening nagestreefde doelstellingen. De aanpassing van de bescherming van een gemeenschapsmodel aan de behoeften van de verschillende bedrijfstakken in de Gemeenschap door middel van een contractuele overdracht van het recht op het gemeenschapsmodel kan namelijk bijdragen aan de verwezenlijking van het fundamentele doel van doeltreffende uitoefening van de door een gemeenschapsmodel verleende rechten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Bovendien bevordert een betere bescherming van industriële vormgeving niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers aan de vooraanstaande rol van de Gemeenschap op dit gebied, maar moedigt zij ook innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan.
Het is echter de taak van de nationale rechter, de inhoud van een dergelijke overeenkomst te onderzoeken en uit te maken of in het concrete geval het recht op het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel daadwerkelijk door de ontwerper aan zijn rechtverkrijgende is overgedragen. In het kader van dat onderzoek dient hij de wettelijke regeling betreffende de overeenkomsten toe te passen om uit te maken aan wie het recht op het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel toekomt in de zin van artikel 14, lid 1, van de verordening.
(cf. punten 62, 77-82, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
2 juli 2009 (*)
„Verordening (EG) 6/2002 – Gemeenschapsmodellen – Artikelen 14 en 88 – Houder van recht op gemeenschapsmodel – Niet-ingeschreven gemeenschapsmodel – Model dat in opdracht is ontworpen”
In zaak C‑32/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Alicante y n° 1 de Marca Comunitaria (Spanje) bij beslissing van 18 januari 2008, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2008, in de procedure
Fundación Española para la Innovación de la Artesanía (FEIA)
tegen
Cul de Sac Espacio Creativo SL,
Acierta Product & Position SA,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), A. Tizzano, A. Borg Barthet en E. Levits, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2009,
gelet op de opmerkingen van:
– de Fundación Española para la Innovación de la Artesanía (FEIA), vertegenwoordigd door J. Sanmartín Sanmartín, abogada,
– Cul de Sac Espacio Creativo SL, vertegenwoordigd door O. L. Herreros Chico, abogado,
– Acierta Product & Position SA, vertegenwoordigd door T. Sánchez Morgado, abogada,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door I. Rao als gemachtigde, bijgestaan door S. Malynicz, barrister,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en H. Krämer als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 maart 2009,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 14, leden 1 en 3, en 88, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1; hierna: de „verordening”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Fundación Española para la Innovación de la Artesanía (hierna: „FEIA”) enerzijds en de vennootschappen Cul de Sac Espacio Creativo SL (hierna: „Cul de Sac”) en Acierta Product & Position SA (hierna: „Acierta”) anderzijds over de eigendom van gemeenschapsmodellen van wandklokken.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Volgens punt 1 van de considerans van de verordening beoogt deze laatste het creëren van „gemeenschapsmodellen waaraan overal op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde bescherming met dezelfde rechtsgevolgen wordt verleend”.
4 Punt 8 van de considerans van de verordening luidt als volgt:
„Een toegankelijker, aan de vereisten van de interne markt aangepaste regeling van modellenbescherming is van wezenlijk belang voor het bedrijfsleven in de Gemeenschap.”
5 In punt 9 van de considerans van de verordening staat te lezen:
„De materiële bepalingen van deze verordening inzake het modellenrecht moeten worden afgestemd op de respectieve bepalingen in richtlijn 98/71/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PB L 289, blz. 28)].”
6 In punt 16 van de considerans van de verordening wordt verklaard:
„In sommige [bedrijfstakken van de Gemeenschap] worden grote aantallen modellen gemaakt voor voortbrengselen met een vaak korte commerciële levensduur, waarbij een niet door een teveel aan inschrijvingsformaliteiten bezwaarlijk gemaakte bescherming een voordeel is en de beschermingsduur van ondergeschikt belang [...]”
7 Volgens punt 21 van de considerans van de verordening:
„[...] dient aan het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel [...] alleen het recht verbonden te zijn om namaak te beletten [...]”
8 Punt 25 van de considerans van de verordening luidt als volgt:
„Bedrijfstakken waar in korte tijd grote aantallen modellen met een wellicht korte levensduur worden geproduceerd, waarvan er uiteindelijk maar enkele in de handel worden gebracht, zullen baat hebben bij het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel. Daarnaast hebben deze bedrijfstakken behoefte aan een gemakkelijkere toegang tot het ingeschreven gemeenschapsmodel. De mogelijkheid om een aantal modellen in één, meervoudige, aanvrage samen te voegen, komt dan ook aan deze behoefte tegemoet. De modellen in een meervoudige aanvrage kunnen echter onafhankelijk van elkaar worden behandeld wat de [...] overdracht [...] betreft.”
9 In punt 31 van de considerans van de verordening wordt verklaard:
„Deze verordening sluit niet uit dat op als gemeenschapsmodel beschermde modellen wetgeving inzake de industriële eigendom of andere relevante wetgeving van de lidstaten van toepassing is, onder meer die betreffende door inschrijving verworven modellenbescherming of betreffende niet-ingeschreven modellen [...]”
10 Artikel 1, lid 2, sub a, van de verordening bepaalt:
„Een gemeenschapsmodel wordt beschermd als een:
a) ‚niet-ingeschreven gemeenschapsmodel’, indien het op de bij deze verordening bepaalde wijze voor het publiek beschikbaar is gesteld.”
11 In lid 3 van dit artikel wordt bepaald:
„Het gemeenschapsmodel vormt een eenheid. Het heeft dezelfde rechtsgevolgen in de gehele Gemeenschap. [...] overdracht [...] ervan [is] slechts voor de gehele Gemeenschap mogelijk. Dit beginsel en de implicaties ervan zijn van toepassing tenzij deze verordening anders bepaalt.”
12 Titel II, „Het recht inzake modellen”, van de verordening bevat onder meer een afdeling 1, „Voorwaarden voor bescherming”, die de artikelen 3 tot en met 9 omvat, een afdeling 3, „Recht op het gemeenschapsmodel”, die de artikelen 14 tot en met 18 behelst, en een afdeling 5, „Nietigheid”, die bestaat uit de artikelen 24 tot en met 36.
13 In artikel 3, sub a, van de verordening wordt „model” omschreven als „de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan.”
14 Artikel 11, „Aanvang en duur van de bescherming van het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel”, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
„Een model dat aan de in afdeling 1 vastgestelde voorwaarden voldoet, wordt gedurende drie jaar met ingang van de datum waarop het model voor het eerst binnen de Gemeenschap voor het publiek beschikbaar is gesteld, als niet-ingeschreven gemeenschapsmodel beschermd.”
15 Artikel 14, „Recht op het gemeenschapsmodel”, leden 1 en 3, van de verordening bepaalt:
„1. Het recht op het gemeenschapsmodel komt toe aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende.
[...]
3. Wanneer evenwel een model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever wordt ontwikkeld, komt het recht op het gemeenschapsmodel aan de werkgever toe, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald of tenzij de toepasselijke nationale wetgeving een andersluidende bepaling bevat.”
16 Artikel 19, „Aan het gemeenschapsmodel verbonden rechten”, lid 2, van de verordening luidt als volgt:
„Aan een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel is voor de houder echter alleen het recht verbonden om de in lid 1 genoemde handelingen te beletten, als het aangevochten gebruik voortvloeit uit het namaken van het beschermde model.”
17 In artikel 25, „Nietigheidsgronden”, lid 1, sub c, van de verordening wordt bepaald dat een gemeenschapsmodel slechts nietig kan worden verklaard indien „de houder van het recht krachtens een rechterlijke beslissing geen aanspraak op het gemeenschapsmodel kan maken uit hoofde van artikel 14.”
18 Artikel 27, „Behandeling van gemeenschapsmodellen als nationale modelrechten”, lid 1, van de verordening luidt als volgt:
„Tenzij in de artikelen 28, 29, 30, 31 en 32 anders wordt bepaald, wordt het gemeenschapsmodel als deel van het vermogen in zijn geheel en voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap beschouwd als een nationaal modelrecht van de lidstaat waar:
a) de houder op de betrokken dag zijn woonplaats of zetel had, of
b) indien het bepaalde sub a niet van toepassing is, de houder op de betrokken dag een vestiging had.”
19 Titel IX, „Bevoegdheid en procedure inzake rechtsvorderingen betreffende gemeenschapsmodellen”, van de verordening, bevat een afdeling 2, „Geschillen ter zake van inbreuk op en geldigheid van gemeenschapsmodellen”, waarin onder meer artikel 88 voorkomt.
20 In de leden 1 en 2 van dit artikel, met als opschrift „Toepasselijk recht”, wordt bepaald:
„1. De rechtbanken voor het gemeenschapsmodel passen de bepalingen van deze verordening toe.
2. Op alle zaken die niet in deze verordening zijn geregeld, past de rechtbank voor het gemeenschapsmodel het nationale recht toe, met inbegrip van zijn internationaal privaatrecht.”
21 Artikel 96, „Verhouding tot andere vormen van bescherming uit hoofde van het nationale recht”, lid 1, van de verordening bepaalt:
„Deze verordening laat onverlet de bepalingen van het gemeenschapsrecht en het recht van de betrokken lidstaten inzake niet-ingeschreven modellen [...]”
22 Volgens punt 3 van de considerans van richtlijn 98/71 heeft deze richtlijn tot doel „de wetgevingen van de lidstaten inzake de bescherming van modellen nader tot elkaar te brengen”.
23 In artikel 2 van de richtlijn wordt gepreciseerd dat deze onder meer van toepassing is op bij de centrale diensten voor de industriële eigendom van de lidstaten of bij het Benelux-bureau voor tekeningen of modellen ingeschreven modellen.
24 Artikel 11, lid 1, sub c, van richtlijn 98/71 bepaalt:
„In de volgende gevallen wordt de inschrijving van een model geweigerd of het recht op een ingeschreven model nietig verklaard:
[...]
c) de aanvrager of de houder van het modelrecht kan er volgens het recht van de betrokken lidstaat geen aanspraak op maken [...]”
Nationale regeling
25 De ley 20/2003 de Protección Jurídica del Diseño Industrial (wet 20/2003 betreffende de rechtsbescherming van industriële modellen) van 7 juli 2003 (BOE nr. 162, van 8 juli 2003, blz. 26348; hierna: „LPJDI”) ziet alleen op ingeschreven modellen.
26 Artikel 14, lid 1, LPJDI bepaalt dat „[h]et recht op inschrijving van het model toekomt aan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende”.
27 Artikel 15, „Modellen die in het kader van een arbeids‑ of een dienstenverhouding zijn gecreëerd”, LPJDI bepaalt:
„Wanneer een model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever, dan wel op grond van een opdracht in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van diensten is ontwikkeld, komt het recht op inschrijving van het model toe aan de werkgever dan wel aan de contractpartij die opdracht heeft gegeven tot het ontwikkelen van het model, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald.”
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
28 De FEIA heeft een project, genoemd „D’ARTES”, ontwikkeld in het kader waarvan vijftig handwerkateliers uit verschillende sectoren op basis van een ontwerp van een vakman uit de betrokken sector een collectie voorwerpen konden vervaardigen, die in de handel zouden worden gebracht.”
29 De vennootschap AC&G SA (hierna: „AC&G”), die het project leidde, heeft het inhoudelijke kader van het D’ARTES-project vastgesteld en was belast met de selectie van de ontwerpers en het sluiten van overeenkomsten met deze ontwerpers.
30 In het kader daarvan heeft AC&G met Cul de Sac een mondelinge, niet aan de bepalingen van het Spaanse arbeidswetboek onderworpen overeenkomst voor het ontwerpen van een model en het verlenen van technische bijstand aan een ambachtsman bij de creatie van een nieuwe collectie producten gesloten. Cul de Sac heeft hiervoor van AC&G 1 800 EUR exclusief belasting ontvangen.
31 Cul de Sac heeft een reeks wandklokken (koekoeksklokken) ontworpen die in het kader van het D’ARTES-project zijn vervaardigd door de ambachtsvrouw Verónica Palomares en in april 2005 als de „Santamaría”-collectie aan het publiek zijn voorgesteld.
32 Cul de Sac en Acierta hebben vervolgens koekoeksklokken vervaardigd en op de markt gebracht onder de benaming „TIMELESS”-collectie.
33 Van mening dat deze koekoeksklokken een kopie zijn van de niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen van de „Santamaría”-collectie, waarvan zij haar haars inziens houdster is als sponsor en grootste financier van het D’ARTES-project en op grond van de haar door AC&G overgedragen exclusieve exploitatierechten op de voor de eerste editie van dat project vervaardigde producten, heeft de FEIA Cul de Sac en Acierta voor de rechter gedaagd, primair wegens inbreuk op die gemeenschapsmodellen en subsidiair wegens oneerlijke mededinging.
34 De FEIA voert met name aan dat zij overeenkomstig artikel 15 LPJDI eigenaar is van de niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen betreffende de klokken van de „Santamaría”-collectie, aangezien deze door Cul de Sac in opdracht van de als „zichtbare” lasthebber van de FEIA optredende AC&G zijn ontworpen in het kader van het verrichten van diensten tegen vergoeding.
35 Cul de Sac en Acierta betwisten dat AC&G en/of de FEIA houdster(s) van die modellen waren/was of zijn/is, en bijgevolg dat de FEIA procesbevoegdheid heeft.
36 De Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Alicante y n° 1 de Marca Comunitaria is van mening dat de FEIA zich slechts op de eigendom van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde modellen kan beroepen indien AC&G, die haar die eigendom heeft overgedragen, zelf houdster van het recht op die modellen was.
37 In die omstandigheden heeft de Juzgado de lo Mercantil n° 1 de Alicante y n° 1 de Marca Comunitaria de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Dient artikel 14, lid 3, van verordening nr. 6/2002 [...] aldus te worden uitgelegd dat het alleen betrekking heeft op gemeenschapsmodellen die worden ontwikkeld in het kader van een arbeidsverhouding, waarbij de ontwerper gebonden is door een onder het arbeidsrecht vallende overeenkomst en kenmerkend is dat hij voor een ander en onder diens gezag arbeid verricht? of,
2) Moeten de begrippen ‚werknemer’ en ‚werkgever’ in artikel 14, lid 3, [van verordening nr. 6/2002] ruim worden uitgelegd, zodat zij ook gevallen omvatten waarbij het niet om een arbeidsverhouding gaat, zoals verhoudingen waarbij een persoon (de ontwerper) op grond van een civiele of handelsrechtelijke overeenkomst (dat wil zeggen zonder dat hij gewoonlijk voor een ander en onder diens gezag arbeid verricht) zich ertoe verbindt, tegen een bepaalde prijs voor een andere persoon een model te ontwikkelen waarvan het houderschap de opdrachtgever toekomt, tenzij bij de overeenkomst anders is bepaald?
3) Indien het antwoord op de tweede vraag ontkennend luidt, daar het bij de ontwikkeling van modellen binnen een arbeidsverhouding en de ontwikkeling van modellen binnen een andere dan een arbeidsverhouding om verschillende feitelijke situaties gaat,
a) moet dan de algemene regel van artikel 14, lid 1, [van verordening nr. 6/2002] worden toegepast, zodat het model moet worden geacht de ontwerper toe te komen, tenzij partijen bij overeenkomst anders overeenkomen? of,
b) moet de rechtbank voor het gemeenschapsmodel krachtens artikel 88, lid 2, [van verordening nr. 6/2002] zijn nationale modellenrecht toepassen?
4) Indien een beroep moet worden gedaan op het nationale recht, kan dit nationale recht dan worden toegepast wanneer daarbij (zoals in het Spaanse recht) binnen een arbeidsverhouding ontwikkelde modellen (die behoudens andersluidende overeenkomst de werkgever toekomen) en in opdracht ontwikkelde modellen (die behoudens andersluidende overeenkomst de opdrachtgever toekomen) worden gelijkgesteld?
5) Indien het antwoord op de vierde vraag bevestigend luidt, is die oplossing (de modellen komen behoudens andersluidende overeenkomst de opdrachtgever toe) dan niet in strijd met het ontkennende antwoord op de tweede vraag?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste en de tweede vraag, betreffende de werkingssfeer van artikel 14, lid 3, van de verordening
38 Met deze vragen, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 3, van de verordening ook van toepassing is op een in opdracht en dus buiten een arbeidsverhouding ontworpen gemeenschapsmodel.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
39 De FEIA en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn er voorstander van, artikel 14, lid 3, van de verordening ook op de in opdracht ontworpen modellen toepassing te laten vinden; zij zijn van mening dat die bepaling, en inzonderheid de aldaar gehanteerde begrippen „werkgever” en „werknemer”, niet uitsluitend aan de hand van de bewoordingen van die bepaling dienen te worden uitgelegd, maar ook tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstellingen van het systeem waarvan zij deel uitmaken.
40 De Commissie van de Europese Gemeenschappen, Cul de Sac en Acierta geven daarentegen in overweging, de regel van artikel 14, lid 3, van de verordening uitsluitend toepassing te laten vinden op modellen die in het kader van arbeid in ondergeschikt verband zijn ontworpen.
41 Acierta en de Commissie wijzen er voorts op dat artikel 14, lid 3, een regel bevat die afwijkt van of een uitzondering vormt op het in lid 1 van dat artikel geformuleerde algemene beginsel, en als zodanig niet extensief mag worden uitgelegd noch naar analogie mag worden toegepast op gevallen die niet uitdrukkelijk zijn genoemd.
42 Ten slotte is de Commissie van mening dat de voorgestelde uitlegging wordt bevestigd door de voorstukken alsmede door de procedure tot vaststelling van de verordening en strookt met het gemeenschapsrecht en met het internationale recht betreffende andere industriële-eigendomsrechten.
Antwoord van het Hof
43 Volgens artikel 14, lid 1, van de verordening komt het recht op het gemeenschapsmodel toe aan de ontwerper of diens rechtverkrijgende.
44 Uit lid 3 van dit artikel blijkt daarentegen dat het recht op het gemeenschapsmodel aan de werkgever toekomt wanneer dit model door een werknemer in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever is ontworpen, tenzij bij overeenkomst anders is bepaald of tenzij de toepasselijke nationale wettelijke regeling een andersluidende bepaling bevat.
45 Het betoog van de FEIA en van de regering van het Verenigd Koninkrijk, dat inzonderheid de in dat lid gehanteerde begrippen „werkgever” en „werknemer” ruim moeten worden uitgelegd zodat ook de in opdracht ontworpen modellen daaronder vallen, dient derhalve te worden verworpen.
46 In dit verband dient erop te worden gewezen dat de gemeenschapswetgever in dit lid een specifieke regeling voor in het kader van een arbeidsverhouding ontworpen gemeenschapsmodellen heeft opgesteld.
47 Dit blijkt inzonderheid uit het feit dat hij bij de formulering van dit lid heeft gekozen voor de term „werkgever” als houder van het in het kader van een arbeidsverhouding ontworpen gemeenschapsmodel en niet voor de veel ruimere term „opdrachtgever”.
48 Volgens de bewoordingen van artikel 14, lid 3, van de verordening wordt overigens de „werkgever” houder van het gemeenschapsmodel wanneer dit door de „werknemer” in de uitoefening van zijn functie of volgens de instructies van zijn werkgever is ontworpen.
49 Met betrekking tot de term „werknemer” dient nog te worden vastgesteld dat de gemeenschapswetgever in die bepaling voor het aanduiden van de ontwerper van het model niet heeft gekozen voor de veel ruimere term „opdrachtnemer”. Het begrip „werknemer” doelt dus op iemand die bij het ontwerpen van een gemeenschapsmodel ondergeschikt is aan zijn „werkgever” in het kader van een arbeidsverhouding.
50 Met betrekking tot het zinsdeel „tenzij bij overeenkomst anders is bepaald of tenzij de toepasselijke nationale wetgeving een andersluidende bepaling bevat” in lid 3 dient worden gepreciseerd dat daarmee enerzijds aan de partijen bij een arbeidsovereenkomst de mogelijkheid wordt geboden om de „werknemer” als houder van het gemeenschapsmodel aan te wijzen, en anderzijds aan de lidstaten wordt toegestaan in hun wettelijke regeling te bepalen dat het gemeenschapsmodel toekomt aan de „werknemer”, in beide gevallen op voorwaarde dat het model in het kader van een arbeidsverhouding is ontworpen.
51 Hieruit blijkt dat de gemeenschapswetgever voor het bepalen van de specifieke regeling van artikel 14, lid 3, van de verordening is uitgegaan van een specifieke contractuele verhouding, te weten de arbeidsverhouding, zodat dit lid niet kan worden toegepast op andere contractuele verhoudingen, zoals die welke bestaat bij een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel.
52 Deze uitlegging vindt bovendien steun in de voorstukken van de verordening.
53 De Commissie betoogt dienaangaande dat in de toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschapsmodellen [COM (93) 342 def. van 3 december 1993] wordt verklaard dat de werkgever houder van het gemeenschapsmodel is wanneer dit model is ontworpen door een werknemer in het kader van de nakoming van de krachtens de arbeidsovereenkomst op hem rustende verplichtingen.
54 Verder stelt de Commissie – en dat blijkt overigens ook uit de punten 27 tot en met 32 van de conclusie van de advocaat-generaal – dat het eerste door de Commissie opgestelde voorontwerp voor een verordening naast een bepaling betreffende de eigendom van een door een werknemer ontworpen gemeenschapsmodel, een uitdrukkelijke bepaling betreffende de eigendom van een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel bevatte, maar dat die laatste bepaling niet in de verordening is opgenomen.
55 Gelet op een en ander dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 14, lid 3, van de verordening niet van toepassing is op een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel.
De derde vraag, sub a, betreffende de uitlegging van artikel 14, lid 1, van de verordening
56 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ontwerper ervan, tenzij het bij overeenkomst is overgedragen aan diens rechtverkrijgende.
Bij het Hof ingediende opmerkingen
57 De FEIA is van mening dat artikel 14 in zijn geheel moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de doelstellingen van de verordening en rekening houdend met het voornemen van de wetgever om op dit gebied slechts een minimumregeling vast te stellen. Zij herinnert met name enerzijds aan de artikelen 27, 88 en 96 van de verordening, die een verwijzing naar de nationale wettelijke regelingen bevatten en toestaan dat deze een ruimere bescherming van de gemeenschapsmodellen bieden dan die waarin de verordening voorziet, en anderzijds aan de punten 6, 8 en 9 van de considerans van de verordening, waarin wordt gewezen op het vereiste van inachtneming van het subsidiariteits‑ en het evenredigheidsbeginsel en wordt uiteengezet dat het de bedoeling is, de materiële bepalingen van de verordening af te stemmen op de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 98/71.
58 De FEIA stelt verder voor, het in artikel 14, lid 1, van de verordening gehanteerde begrip „rechtverkrijgende” uit te leggen als een verwijzing naar de verschillende in de wettelijke regelingen van de lidstaten bepaalde mogelijkheden om het recht op het model te verkrijgen, daaronder begrepen die waarin de LPJDI voorziet ten gunste van degene die opdracht heeft gegeven voor het ontwerpen van het model.
59 Volgens de Commissie, Acierta en Cul de Sac bevat artikel 14, lid 1, van de verordening een algemene bepaling strekkende tot toewijzing van het recht op het model aan de ontwerper ervan. De enige uitzondering op deze regel staat in lid 3 van dat artikel en betreft uitsluitend het geval van modellen die door een werknemer in het kader van arbeid in ondergeschikt verband zijn ontworpen. De verordening vertoont dus geen lacune met betrekking tot de bepaling van de houder van het recht op het gemeenschapsmodel.
60 Acierta en Cul de Sac verklaren dat het recht op het gemeenschapsmodel bij overeenkomst kan worden overgedragen aan de rechtverkrijgende.
61 De regering van het Verenigd Koninkrijk betoogt dat artikel 14, lid 1, van de verordening het houderschap van in opdracht ontworpen modellen niet regelt. Zij is derhalve van mening dat de lidstaten overeenkomstig punt 31 van de considerans en artikel 88, lid 2, van de verordening hun nationale regeling betreffende niet-ingeschreven modellen kunnen toepassen.
Antwoord van het Hof
62 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in de onderhavige zaak alleen uitspraak dient te doen met betrekking tot een geval waarin het gaat om in opdracht ontworpen gemeenschapsmodellen die niet zijn ingeschreven, en waarin de LPJDI dergelijke modellen niet gelijkstelt met in het kader van een arbeidsverhouding ontworpen modellen.
63 De eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het gelijkheidsbeginsel eisen dat de bewoordingen van een bepaling van gemeenschapsrecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie met name arresten van 18 januari 1984, Ekro, 327/82, Jurispr. blz. 107, punt 11; 19 september 2000, Linster, C‑287/98, Jurispr. blz. I‑6917, punt 43, en 14 december 2006, Nokia, C‑316/05, Jurispr. blz. I‑12083, punt 21).
64 Dit is het geval met de begrippen „ontwerper” en „rechtverkrijgende” in artikel 14 van de verordening.
65 Indien die begrippen op uiteenlopende wijze zouden worden uitgelegd in de verschillende lidstaten, is het immers mogelijk dat in dezelfde omstandigheden in sommige lidstaten het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ontwerper en in andere lidstaten aan diens rechtverkrijgende. In dat geval zou de bescherming die de gemeenschapsmodellen genieten, niet eenvormig worden gewaarborgd op het gehele grondgebied van de Gemeenschap (zie, mutatis mutandis, arrest Nokia, reeds aangehaald, punt 27).
66 Het is dus van wezenlijk belang dat bovengenoemde begrippen in de communautaire rechtsorde eenvormig worden uitgelegd.
67 Voor een dergelijke uitlegging is ook steun te vinden in punt 1 van de considerans van de verordening, volgens hetwelk „[aan het] uniform[e] stelsel ter verkrijging van gemeenschapsmodellen [...] overal op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde bescherming met dezelfde rechtsgevolgen wordt verleend”.
68 Voorts blijkt uit artikel 1, lid 3, van de verordening dat overdracht van het gemeenschapsmodel slechts mogelijk is voor de gehele Gemeenschap, tenzij de verordening anders bepaalt.
69 Vaststaat, zoals de FEIA, Cul de sac en Acierta in wezen opmerken, dat met name de mogelijkheid van overdracht van het recht op een gemeenschapsmodel van de ontwerper aan diens rechtverkrijgende in de zin van artikel 14, lid 1, van de verordening impliciet voortvloeit uit de bewoordingen van dat artikel.
70 Die uitlegging volgt overigens uitdrukkelijk uit sommige taalversies van het begrip „rechtverkrijgende”, zoals de Duitse, de Poolse, de Sloveense, de Zweedse, en de Engelse taalversie, waarin sprake is van, respectievelijk, „Rechtsnachfolger”, „następcy prawnemu”, „pravni naslednik”, „den till vilken rätten har övergått” en „successor in title”.
71 Een dergelijke overdracht omvat de overdracht bij overeenkomst.
72 Uit de voorstukken van de verordening volgt immers, zoals de advocaat-generaal in de punten 45 tot en met 50 van zijn conclusie beklemtoont, dat de ontwerper het recht op het gemeenschapmodel bij overeenkomst kan overdragen aan zijn rechtverkrijgende.
73 Deze uitlegging vindt steun in de punten 8 en 15 van de considerans van de verordening, waarin wordt gewezen op de noodzaak om de bescherming van een gemeenschapsmodel aan te passen aan de behoeften van de verschillende bedrijfstakken in de Gemeenschap.
74 Ter bescherming van met name de niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen is het overigens van wezenlijk belang om overeenkomstig punt 21 van de considerans en artikel 19, lid 2, van de verordening de hand te houden aan het recht om namaak van die modellen te beletten.
75 Producenten van niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen kunnen immers niet alleen individuele ontwerpers als bedoeld in punt 7 van de considerans van de verordening, maar volgens de punten 16 en 25 van de considerans van de verordening ook bepaalde bedrijfstakken in de Gemeenschap zijn.
76 In die omstandigheden kan niet worden uitgesloten, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk zakelijk weergegeven heeft opgemerkt, dat de rechtverkrijgende economisch sterker is dan de ontwerper en over meer middelen beschikt om via een procedure in rechte de namaak van die modellen te beletten.
77 De in de punten 8 en 15 van de considerans van de verordening bedoelde aanpassing van de bescherming van een gemeenschapsmodel aan de behoeften van de verschillende bedrijfstakken in de Gemeenschap door middel van een contractuele overdracht van het recht op het gemeenschapsmodel kan dus bijdragen aan de verwezenlijking van het fundamentele doel van doeltreffende uitoefening van de door een gemeenschapsmodel verleende rechten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap in de zin van punt 29 van de considerans van de verordening.
78 Volgens punt 7 van de considerans van de verordening bevordert een betere bescherming van industriële vormgeving overigens niet alleen de bijdrage van individuele ontwerpers aan de vooraanstaande rol van de Gemeenschap op dit gebied, maar moedigt deze ook innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investering in de productie ervan aan.
79 Uit het voorgaande volgt dat de mogelijkheid voor de ontwerper om zijn recht op het gemeenschapsmodel bij overeenkomst over te dragen aan zijn rechtverkrijgende in de zin van artikel 14, lid 1, van de verordening, niet alleen in overeenstemming is met de bewoordingen van dat artikel, maar ook met de door die verordening nagestreefde doelstellingen.
80 De nationale rechter dient echter de inhoud van een dergelijke overeenkomst te onderzoeken en uit te maken of in het concrete geval het recht op het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel daadwerkelijk door de ontwerper aan zijn rechtverkrijgende is overgedragen.
81 De voorgaande overwegingen staan uiteraard niet eraan in de weg dat de nationale rechter in het kader van dat onderzoek de wettelijke regeling betreffende de overeenkomsten toepast om uit te maken aan wie het recht op het niet-ingeschreven gemeenschapsmodel toekomt in de zin van artikel 14, lid 1, van de verordening.
82 Gelet op een en ander dient op de derde vraag, sub a, te worden geantwoord dat in omstandigheden als die in het hoofdgeding artikel 14, lid 1, van die verordening aldus moet worden uitgelegd dat het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ontwerper, tenzij het bij overeenkomst is overgedragen aan diens rechtverkrijgende.
De derde vraag, sub b, alsmede de vierde en de vijfde vraag
83 Gelet op het antwoord op de derde vraag, sub a, behoeft de derde vraag, sub b, de vierde vraag noch de vijfde vraag te worden beantwoord.
Kosten
84 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen is niet van toepassing op een in opdracht ontworpen gemeenschapsmodel.
2) In omstandigheden als die in het hoofdgeding moet artikel 14, lid 1, van verordening nr. 6/2002 aldus worden uitgelegd dat het recht op het gemeenschapsmodel toekomt aan de ontwerper, tenzij het bij overeenkomst is overgedragen aan diens rechtverkrijgende.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy