Zaak C‑56/08
Pärlitigu OÜ
tegen
Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus
(verzoek van de Tallinna Halduskohus om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefindeling – GN-postonderverdeling 0511 91 10 – GN-postonderverdeling 0303 22 00 – Bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm – Verordening (EG) nr. 85/2006 – Antidumpingrechten”
Samenvatting van het arrest
Gemeenschappelijk douanetarief – Tariefposten – Bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm, die na fileren van vis overblijft
De gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, die is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2658/87 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1719/2005, moet aldus worden uitgelegd dat bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm (Salmo salar), die na het fileren van de vis overblijft, moet worden ingedeeld onder postonderverdeling 0303 22 00 van de gecombineerde nomenclatuur, op voorwaarde dat de goederen op het tijdstip van inklaring geschikt zijn voor menselijke consumptie, hetgeen de nationale rechter dient te onderzoeken.
(cf. punt 30 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
16 juli 2009 (*)
„Gemeenschappelijk douanetarief – Gecombineerde nomenclatuur – Tariefindeling – GN-postonderverdeling 0511 91 10 – GN-postonderverdeling 0303 22 00 – Bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm – Verordening (EG) nr. 85/2006 – Antidumpingrechten”
In zaak C‑56/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Tallinna Halduskohus (Estland) bij beslissing van 16 januari 2008, ingekomen bij het Hof op 13 februari 2008, in de procedure
Pärlitigu OÜ
tegen
Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, G. Arestis (rapporteur) en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gelet op de opmerkingen van:
– Pärlitigu OÜ, vertegenwoordigd door M. Maksing, advocaat,
– de Estse regering, vertegenwoordigd door L. Uibo als gemachtigde,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door T. Tobreluts en J.‑P. Hix als gemachtigden, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Saaremäel-Stoilov, H. van Vliet en A. Sipos als gemachtigden,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 februari 2009,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van postonderverdelingen 0511 91 10 en 0303 22 00 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 (PB L 286, blz. 1; hierna: „GN”), alsmede de geldigheid van artikel 1, lid 5, van verordening (EG) nr. 85/2006 van de Raad van 17 januari 2006 tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op gekweekte zalm uit Noorwegen (PB L 15, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Maksu- ja Tolliameti Põhja maksu- ja tollikeskus (hierna: „PMTK”), de Estse belasting‑ en douaneautoriteit, en Pärlitigu OÜ (hierna: „Pärlitigu”), een vennootschap naar Ests recht, over een aan laatstgenoemde opgelegde belastingaanslag.
Toepasselijke bepalingen
3 Titel 1, A, van het eerste deel van de GN, dat de algemene regels voor de interpretatie van de GN betreft, bepaalt:
„Voor de indeling van goederen in de [GN] gelden de volgende bepalingen.
1. De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken en – voor zover dit niet in strijd is met de bewoordingen van bedoelde posten en aantekeningen – de navolgende regels.
2. a) De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat.
[...]
6. Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen, alsmede ‚mutatis mutandis’ de vorenstaande regels, met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”
4 Afdeling I van het tweede deel van de GN is getiteld „Levende dieren en producten van het dierenrijk”, en bevat vijf hoofdstukken.
5 Hiervan bevat hoofdstuk 3, met het opschrift „Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren”, post 0303. Deze post, „Bevroren vis, andere dan visfilets en ander visvlees bedoeld bij post 0304” is onderverdeeld als volgt:
„– Pacifische zalm (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou en Oncorhynchus rhodurus), met uitzondering van levers, hom en kuit:
[...]
0303 22 00 – – Atlantische zalm (Salmo salar) en Donauzalm (Hucho hucho)
[...]”.
6 De aantekeningen op voornoemd hoofdstuk 3 vermelden:
„1. Dit hoofdstuk omvat niet:
[...]
c) vis (levers, kuit en hom daaronder begrepen), schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren, dood en naar hun aard of naar de toestand waarin zij zich bevinden ongeschikt voor menselijke consumptie (hoofdstuk 5); [...]
[...]”
7 In hoofdstuk 5 van afdeling I van het tweede deel van de GN, met het opschrift „Andere producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen”, bevindt zich post 0511, met het opschrift „Producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij hoofdstuk 1 of 3, niet geschikt voor menselijke consumptie”, die is onderverdeeld als volgt:
„0511 10 00 – rundersperma
– andere:
0511 91 – – producten van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren; dode dieren van de soorten bedoeld bij hoofdstuk 3:
0511 91 10 – – – visafvallen
[...]”
8 De aantekeningen op dit hoofdstuk 5 bevatten de volgende preciseringen:
„1. Dit hoofdstuk omvat niet:
a) voor menselijke consumptie geschikte producten, andere dan darmen, blazen en magen van dieren, in hun geheel of in stukken, en bloed van dieren (vloeibaar of gedroogd);
[...]”
9 De postonderverdelingen van het geïntegreerde tarief van de Europese Gemeenschappen (TARIC) met betrekking tot hoofdstuk 3 van afdeling I van het tweede deel van de GN zijn onderverdeeld als volgt:
„0303 22 00 11 – – – Atlantische zalm (Salmo salar)
0303 22 00 11 – – – – wilde
0303 22 00 12 – – – – andere
0303 22 00 12 – – – – – in gehele staat
0303 22 00 13 – – – – – gestript, met kop
0303 22 00 15 – – – andere”.
10 Verordening nr. 85/2006 bepaalt in artikel 1 ervan:
„1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op gekweekte (andere dan wilde) zalm, al dan niet gefileerd, vers, gekoeld of bevroren, ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 11 00, ex 0303 19 00, ex 0303 22 00, ex 0304 10 13 en ex 0304 20 13 (hierna ‚gekweekte zalm’ genoemd) uit Noorwegen.
[...]
4. Voor alle andere bedrijven [dan Nordlaks Oppdrett AS] (aanvullende TARIC-code A999) is het bedrag van het definitieve antidumpingrecht het verschil tussen de in lid 5 vastgestelde minimuminvoerprijs en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, indien deze prijs lager is dan de minimuminvoerprijs. Indien de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, gelijk is aan of hoger dan de overeenkomstige bij lid 5 vastgestelde minimuminvoerprijs, wordt geen recht geïnd.
5. Voor de toepassing van lid 4 geldt de in kolom 2 van onderstaande tabel opgenomen minimuminvoerprijs. Indien bij controle na invoer blijkt dat de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, die daadwerkelijk is betaald door de eerste onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap (de prijs na invoer), lager is dan de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, zoals deze blijkt uit de douaneaangifte, en de prijs na invoer lager is dan de minimuminvoerprijs, geldt het in kolom 3 van onderstaande tabel opgenomen vaste antidumpingrecht, tenzij de toepassing van het in kolom 3 opgenomen vaste recht plus de prijs na invoer tot een bedrag leidt (de daadwerkelijk betaalde prijs plus het vaste recht) dat lager is dan de in kolom 2 van onderstaande tabel opgenomen minimuminvoerprijs. In dat geval geldt een recht dat gelijk is aan het verschil tussen de in kolom 2 van onderstaande tabel opgenomen minimuminvoerprijs en de prijs na invoer. Wanneer een dergelijk vast antidumpingrecht met terugwerkende kracht wordt geïnd, wordt het geïnd na aftrek van eerder betaalde antidumpingrechten, berekend op basis van de minimuminvoerprijs.
Aanbiedingsvorm van de gekweekte zalm
Minimuminvoerprijs EUR/kg nettogewicht van het product
Vast recht EUR/kg nettogewicht van het product
Taric-code
Hele vis, vers, gekoeld of bevroren
2,80
0,40
0302 12 00 12, 0302 12 00 33, 0302 12 00 93, 0303 11 00 93, 0303 19 00 93, 0303 22 00 12, 0303 22 00 83
Ontdaan van ingewanden, met kop, vers, gekoeld of bevroren
3,11
0,45
0302 12 00 13, 0302 12 00 34, 0302 12 00 94, 0303 11 00 94, 0303 19 00 94, 0303 22 00 13, 0303 22 00 84
Andere (inclusief ontdaan van ingewanden, zonder kop), vers, gekoeld of bevroren
3,49
0,50
0302 12 00 15, 0302 12 00 36, 0302 12 00 96, 0303 11 00 18, 0303 11 00 96, 0303 19 00 18, 0303 19 00 96, 0303 22 00 15, 0303 22 00 86
Hele visfilets en stukken van filets, van meer dan 300 g per filet, vers, gekoeld of bevroren, met vel
5,01
0,73
0304 10 13 13, 0304 10 13 94, 0304 20 13 13, 0304 20 13 94
Hele visfilets en stukken van filets, van meer dan 300 g per filet, vers, gekoeld of bevroren, zonder vel
6,40
0,93
0304 10 13 14, 0304 10 13 95, 0304 20 13 14, 0304 20 13 95
Andere hele visfilets en stukken van filets, van niet meer dan 300 g per filet, vers, gekoeld of bevroren
7,73
1,12
0304 10 13 15, 0304 10 13 96, 0304 20 13 15, 0304 20 13 96
[...]”
11 Bij verordening (EG) nr. 319/2009 van de Raad van 16 april 2009 tot verduidelijking van het toepassingsgebied van de definitieve antidumpingrechten ingesteld bij verordening nr. 85/2006 (PB L 101, blz. 1), is artikel 1, lid 1, van verordening nr. 85/2006 vervangen door de volgende tekst:
„Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op gekweekte (andere dan wilde) zalm, al dan niet gefileerd, vers, gekoeld of bevroren, ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 11 00, ex 0303 19 00, ex 0303 22 00, ex 0304 10 13 en ex 0304 20 13 (‚gekweekte zalm’) van oorsprong uit Noorwegen. Het definitieve antidumpingrecht is niet van toepassing op zalmgraat, die bestaat uit een gedeeltelijk met vlees bedekt visbeen en een eetbaar bijproduct van de visserijindustrie is, ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 11 00, ex 0303 19 00 en ex 0303 22 00, mits het vlees dat aan de graat zit niet meer dan 40 % van het gewicht van de zalmgraat bedraagt.”
12 Artikel 2 van verordening nr. 319/2009 bepaalt:
„De krachtens artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 85/2006 in de oorspronkelijke versie betaalde of geboekte definitieve antidumpingrechten en de krachtens artikel 2 van die verordening definitief geïnde voorlopige antidumpingrechten voor goederen die niet onder artikel 1, lid 1, van de bij deze verordening gewijzigde verordening (EG) nr. 85/2006 vallen, worden terugbetaald of kwijtgescholden.
[...]”
13 Ingevolge artikel 3 ervan is verordening nr. 319/2009 met terugwerkende kracht vanaf 21 januari 2006 van toepassing.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Op 19 januari 2006 heeft Pärlitigu in Noorwegen 13 050 kg bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm (Salmo salar), die na het fileren van de vis overblijft, gekocht tegen de prijs van 6,54 EEK per kg, waarbij de factuur was opgesteld door Fossen AS. Uit de verwijzingsbeslissing, in het bijzonder de bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag, blijkt dat het gaat om voor menselijke consumptie geschikte en gewoonlijk als voedingsmiddelen in de handel gebrachte producten.
15 Op 23 januari 2006 heeft Pärlitigu deze goederen in Estland ingevoerd, op basis van douaneaangifte nr. I 5446, waarin zij deze goederen heeft aangeduid als visafval, dat valt onder GN-code 0511 91 10, waarover geen douanerechten worden geheven. Op diezelfde datum heeft PMTK deze aangifte aanvaard en de betrokken goederen in het vrije verkeer toegelaten. Bij deze gelegenheid heeft Pärlitigu een bedrag van 15 370 EEK aan belasting over de toegevoegde waarde betaald.
16 Op 25 januari 2006 heeft Pärlitigu de betrokken goederen verkocht aan Alkfish OÜ tegen de prijs van 8,47 EEK per kg.
17 Op 23 maart 2006 heeft een met de controles a posteriori belaste beambte van PMTK in de opslag van Alkfish OÜ een monster van de betrokken goederen genomen om na te gaan of de in de aangifte ten invoer vermelde GN-code juist was. De analyse van dit monster heeft geleid tot de conclusie dat deze goederen geschikt waren voor menselijke consumptie.
18 Gelet op deze conclusie, heeft PMTK aan die goederen een nieuwe GN-code toegekend, namelijk 0303 22 00, en deze ingedeeld onder TARIC-code 0303 22 00 15. Op 30 maart 2007 heeft zij aanslag nr. 12-5/177 vastgesteld, waarbij met name het in verordening nr. 85/2006 voorziene antidumpingrecht in aanmerking werd genomen.
19 Op 11 april 2007 is Pärlitigu tegen deze aanslag opgekomen bij de Tallinna Halduskohus (bestuursrechter te Tallinn), en heeft zij enerzijds nietigverklaring van deze aanslag en anderzijds opschorting van de tenuitvoerlegging ervan bij wege van voorlopige maatregel gevorderd.
20 In deze omstandigheden heeft de Tallinna Halduskohus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Moet de [GN] aldus worden uitgelegd dat bevroren graat (graten met visvlees) van gekweekte Atlantische zalm (Salmo salar), die na het fileren van de vis overblijft, voor menselijke consumptie geschikt is en gewoonlijk als voedingsmiddel wordt verkocht,
a) onder postonderverdeling 0511 91 10 (‚visafvallen’), of
b) onder postonderverdeling 0303 22 00 15 (‚andere’ delen van ‚andere’ ‚Atlantische zalm [Salmo Salar]’)
moet worden ingedeeld?
2) Wanneer de eerste vraag wordt beantwoord als vermeld onder b, is dan de tabel in artikel 1, lid 5, van verordening [nr. 85/2006] ongeldig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 EG, voor zover volgens deze tabel de voor bevroren zalmgraat vastgestelde minimuminvoerprijs hoger is dan de minimuminvoerprijs voor hele vis en voor gestripte vis met kop?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
21 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm, die na het fileren van de vis overblijft, valt onder GN-postonderverdeling 0511 91 10, als visafval, dan wel onder GN-postonderverdeling 0303 22 00, als Atlantische zalm (Salmo salar), in het bijzonder onder TARIC-postonderverdeling 0303 22 00 15.
22 Volgens Pärlitigu moet de GN aldus worden uitgelegd dat de litigieuze goederen moeten worden ingedeeld in GN-postonderverdeling 0511 91 00, met het opschrift „visafvallen”, aangezien deze benaming overeenkomt met de aard van deze goederen en er niet een andere, meer precieze postonderverdeling bestaat waaraan de goederen beantwoorden. De Estse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn daarentegen van mening dat voornoemde goederen, daar zij geschikt zijn voor menselijke consumptie, vallen onder GN-postonderverdeling 0303 22 00 en, meer in het bijzonder, onder TARIC-postonderverdeling 0303 22 00 15.
23 Er zij aan herinnerd dat wanneer het Hof een prejudiciële vraag krijgt voorgelegd op het gebied van de tariefindeling, het veeleer tot taak heeft de nationale rechter de criteria aan te reiken aan de hand waarvan deze de betrokken producten correct in de GN kan indelen, dan zelf deze indeling te verrichten, te meer daar het Hof niet altijd over de daarvoor noodzakelijke gegevens beschikt. De nationale rechter lijkt hiertoe in ieder geval beter toegerust (arresten van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00–C‑263/00, Jurispr. blz. I‑10045, punt 26, en 16 februari 2006, Proxxon, C‑500/04, Jurispr. blz. I‑1545, punt 23). Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven kan het Hof hem evenwel, in een geest van samenwerking met de nationale rechters, alle aanwijzingen geven die het noodzakelijk acht (zie met name arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 30).
24 Voorts zij er eveneens aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, zoals deze in de tekst van de posten van de GN en in de aantekeningen op de afdeling of het hoofdstuk zijn omschreven (zie met name arresten van 16 september 2004, DFDS, C‑396/02, Jurispr. blz. I‑8439, punt 27; 15 september 2005, Intermodal Transports, C‑495/03, Jurispr. blz. I‑1851, punt 47, en 15 februari 2007, RUMA, C‑183/06, Jurispr. blz. I‑1559, punt 27).
25 In casu moet worden vastgesteld dat noch de tekst van de betrokken GN-posten, noch de aantekeningen op de afdelingen of de hoofdstukken van de GN uitdrukkelijk op de betrokken goederen zien. Evenwel staat vast dat deze goederen vallen onder afdeling I van het tweede deel van de GN, die de titel „Levende dieren en producten van het dierenrijk” draagt. Deze afdeling is onderverdeeld in vijf hoofdstukken, waaronder hoofdstuk 3, getiteld „Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren”, en hoofdstuk 5, getiteld „Andere producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen”. Uit de bewoordingen van deze laatste titel blijkt duidelijk dat dit hoofdstuk 5 betrekking heeft op producten die niet aan enige omschrijving van de vier andere hoofdstukken van die afdeling beantwoorden. Bovendien vermeldt aantekening 1, sub a, op dit hoofdstuk 5 dat dit niet voor menselijke consumptie geschikte producten, andere dan darmen, blazen en magen van dieren, en bloed van dieren omvat. In deze context moet worden bepaald aan de hand van welke criteria de eventuele indeling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen in een postonderverdeling van hoofdstuk 3 van afdeling I van het tweede deel van de GN kan worden gerechtvaardigd.
26 Het is vaste rechtspraak dat zowel de aantekeningen bij de hoofdstukken van het gemeenschappelijk douanetarief als de toelichtingen bij de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad belangrijke middelen vormen ter verzekering van een uniforme toepassing van dit tarief en als waardevolle hulpmiddelen bij de uitlegging ervan kunnen worden beschouwd (zie arresten van 20 november 1997, Wiener SI, C‑338/95, Jurispr. blz. I‑6495, punt 11, en 7 februari 2002, Turbon International, C‑276/00, Jurispr. blz. I‑1389, punt 22).
27 In casu vermeldt aantekening 1, sub c, op hoofdstuk 3 van het tweede deel, afdeling I, van de GN dat dit hoofdstuk niet vis omvat die naar zijn aard of naar de toestand waarin hij zich bevindt, ongeschikt is voor menselijke consumptie. Uit de bewoordingen van deze aantekening blijkt dus, dat het beslissende criterium om te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen onder voornoemd hoofdstuk 3 vallen, is of zij naar hun aard geschikt zijn voor menselijke consumptie. In deze omstandigheden is de beslissende vraag of deze goederen bestaande in bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm, die na het fileren van de vis overblijft, ten tijde van de inklaring geschikt waren voor menselijke consumptie (zie, mutatis mutandis, arresten van 9 augustus 1994, Neckermann Versand, C‑395/93, Jurispr. blz. I‑4027, punt 8, en 13 juli 2006, Anagram International, C‑14/05, Jurispr. blz. I‑6763, punt 26), hetgeen de nationale rechter dient te onderzoeken.
28 In dit verband betoogt verzoekster in het hoofdgeding dat de geringe waarde van de goederen aangeeft dat het product waarin zij bestaan, weliswaar onder bepaalde voorwaarden geschikt voor menselijke consumptie is, maar niet als voedingsmiddel kan worden aangemerkt. De opzet van hoofdstuk 3 van het tweede deel, afdeling I, van de GN heeft namelijk betrekking op vis waarvan de delen of de producten nog kunnen worden gebruikt als vis in gehele staat of als wezenlijk deel ervan. Visgraat voldoet echter niet aan deze eisen, omdat zij niet deze wezenlijke eigenschappen en kenmerken meer heeft waarmee op objectieve gronden en aan de hand van economische overwegingen indeling in een postonderverdeling van hoofdstuk 3 kan plaatsvinden.
29 Daar de indeling van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen evenwel overeenkomstig de in punt 24 van dit arrest aangehaalde rechtspraak moet worden gebaseerd op de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan, met inachtneming van de objectieve kenmerken en eigenschappen die zijn omschreven in de tekst van de posten en de aantekeningen op hoofdstuk 3 van het tweede deel, afdeling I, van de GN, is het evident dat de beslissende indelingsfactor voor deze goederen de voor menselijke consumptie geschikte aard ervan is, en niet de waarde of de hoeveelheid ervan.
30 Gelet op de voorgaande overwegingen, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de GN aldus moet worden uitgelegd dat bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm (Salmo salar), die na het fileren van de vis overblijft, moet worden ingedeeld in GN-code 0303 22 00, op voorwaarde dat de goederen op het tijdstip van inklaring geschikt zijn voor menselijke consumptie, hetgeen de verwijzende rechter dient te onderzoeken.
Tweede vraag
31 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 1, lid 5, van verordening nr. 85/2006 ongeldig is wegens schending van het evenredigheidsbeginsel, voor zover de daarbij vastgestelde minimuminvoerprijs voor bevroren zalmgraat hoger is dan die voor hele vis en gestripte vis met kop.
32 Deze verordening stelt een definitief antidumpingrecht in op gekweekte zalm, al dan niet gefileerd, vers, gekoeld of bevroren, van oorsprong uit Noorwegen, voor goederen die vallen onder TARIC-code 0303 22 00 15, met het opschrift „Andere (inclusief ontdaan van ingewanden, zonder kop), vers, gekoeld of bevroren”, waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen volgens de door PMTK opgelegde aanslag nr. 12-5/177 moeten worden ingedeeld. Artikel 1, lid 4, van deze verordening bepaalt dat het bedrag van het definitieve antidumpingrecht het verschil is tussen de in dit artikel 1, lid 5, vastgestelde minimuminvoerprijs en de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, indien deze prijs lager is dan de minimuminvoerprijs. Voor goederen die vallen onder TARIC-code 0303 22 00 15, legt de tabel van voornoemd lid 5 een minimuminvoerprijs van 3,49 EUR per kg vast, die daadwerkelijk hoger is dan die voor hele vis en voor gestripte vis met kop, die respectievelijk 2,80 en 3,11 EUR per kg bedragen.
33 De werkingssfeer van verordening nr. 85/2006 is naderhand verduidelijkt bij verordening nr. 319/2009, die in werking is getreden op 16 april 2009.
34 Uit de punten 5 tot en met 7 van de considerans van laatstgenoemde verordening blijkt dat de Commissie, met het oog op de tweede in het kader van de onderhavige prejudiciële procedure gestelde vraag, een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek heeft geopend van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op gekweekte zalm uit Noorwegen, waarbij zij dit onderzoek heeft beperkt tot de productomschrijving. Het werd wenselijk geacht te onderzoeken of bevroren zalmgraat valt onder de definitie van de producten waarop verordening nr. 85/2006 betrekking heeft, met name van die aangeduid als „Andere (inclusief ontdaan van ingewanden, zonder kop), vers, gekoeld of bevroren”, die onder meer beantwoorden aan TARIC-code 0303 22 00 15.
35 Dit onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat zalmgraat en gekweekte zalm zoals omschreven in artikel 1 van verordening nr. 85/2006 twee verschillende producten zijn, omdat zij niet onderling verwisselbaar zijn en niet met elkaar concurreren op de gemeenschapsmarkt. Bijgevolg bepaalt artikel 1, lid 1, van deze verordening, in de versie van verordening nr. 319/2009, voortaan dat het in verordening nr. 85/2006 bedoelde definitieve antidumpingrecht niet van toepassing is op zalmgraat, die bestaat uit een gedeeltelijk met vlees bedekt visbeen, een eetbaar bijproduct van de visserij-industrie is en is ingedeeld onder de GN-codes ex 0302 12 00, ex 0303 11 00, ex 0303 19 00 en ex 0303 22 00, mits het vlees dat aan de graat zit niet meer dan 40 % van het gewicht van de zalmgraat bedraagt.
36 Bovendien bepaalt artikel 3 van verordening nr. 319/2009 dat deze met terugwerkende kracht vanaf 21 januari 2006 van toepassing is. Bijgevolg bepaalt artikel 2 ervan dat de krachtens artikel 1, lid 1, van verordening nr. 85/2006 in de oorspronkelijke versie ervan betaalde of geboekte definitieve antidumpingrechten en de definitief geïnde voorlopige antidumpingrechten voor goederen die niet vallen onder artikel 1, lid 1, van verordening nr. 85/2006, zoals gewijzigd bij verordening nr. 319/2009, worden terugbetaald of kwijtgescholden.
37 Er moet worden vastgesteld dat de wijziging met terugwerkende kracht van verordening nr. 85/2006 bij verordening nr. 319/2009 voor de uitkomst van het hoofdgeding elk belang bij een antwoord van het Hof op de tweede vraag van de verwijzende rechter heeft weggenomen.
38 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat die rechter over door verzoekster geleverd bewijs beschikt dat in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde goederen het vlees aan de zalmgraat niet méér bedraagt dan 24 gewichtsprocent daarvan, hetgeen die rechter er juist toe heeft gebracht, zich af te vragen of de krachtens verordening nr. 85/2006 op deze goederen toegepaste antidumpingrechten in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel zijn.
39 Gelet op dit feitelijke gegeven dat is aangetoond, blijkt dat de bij verordening nr. 85/2006 ingestelde antidumpingrechten op grond van verordening nr. 319/2009 worden geacht nooit op de betrokken goederen van toepassing te zijn geweest.
40 In deze omstandigheden hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
41 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
De gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005, moet aldus worden uitgelegd dat bevroren graat van gekweekte Atlantische zalm (Salmo salar), die na het fileren van de vis overblijft, moet worden ingedeeld in GN-code 0303 22 00, op voorwaarde dat de goederen op het tijdstip van inklaring geschikt zijn voor menselijke consumptie, hetgeen de verwijzende rechter dient te onderzoeken.
ondertekeningen
* Procestaal: Ests.
Full & Egal Universal Law Academy