Zaak C‑77/08
Dachsberger & Söhne GmbH
tegen
Zollamt Salzburg, Erstattungen
(verzoek van de Unabhängige Finanzsenat, Außenstelle Graz, om een prejudiciële beslissing)
„Restitutie bij uitvoer – Gedifferentieerde restitutie – Tijdstip van indiening van aanvraag – Aangifte ten uitvoer – Ontbreken van bewijs dat formaliteiten voor invoer tot verbruik in land van bestemming zijn vervuld – Sanctie”
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Restituties bij uitvoer – Gedifferentieerde restitutie
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 3, lid 5, 11, lid 1, en 47, leden 1 en 2)
Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening nr. 495/97, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval van een gedifferentieerde restitutie het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie niet wordt gevraagd bij de indiening van het verzoek in de zin van artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 of van het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47, lid 2, van deze verordening, maar bij de overlegging van het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde document. De opname in dit document van gegevens die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden en onjuist blijken, heeft derhalve, behoudens in de gevallen die in artikel 11, lid 1, derde en zevende alinea, van deze verordening worden genoemd, oplegging van de in dit artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde sanctie tot gevolg.
(cf. punt 45 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 maart 2009 (*)
„Restitutie bij uitvoer – Gedifferentieerde restitutie – Tijdstip van indiening van aanvraag – Aangifte ten uitvoer – Ontbreken van bewijs dat formaliteiten voor invoer tot verbruik in land van bestemming zijn vervuld – Sanctie”
In zaak C‑77/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Unabhängige Finanzsenat, Außenstelle Graz (Oostenrijk), bij beslissing van 4 februari 2008, ingekomen bij het Hof op 15 februari 2008, in de procedure
Dachsberger & Söhne GmbH
tegen
Zollamt Salzburg, Erstattungen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, E. Juhász, G. Arestis en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 januari 2009,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
gelet op de opmerkingen van:
– Dachsberger & Söhne GmbH, vertegenwoordigd door O. Wenzlaff, Rechtsanwalt,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Vollkommer en F. Erlbacher als gemachtigden,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 (PB L 310, blz. 57).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Dachsberger & Söhne GmbH, een vennootschap naar Oostenrijks recht, en het Zollamt Salzburg, Erstattungen (douanekantoor te Salzburg, restituties), over de uitvoer van varkensvlees uit de Europese Gemeenschap.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
3 Vooraf zij erop gewezen dat aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de betaling van restituties bij de uitvoer van varkensvlees uit de Gemeenschap waarvan in januari 1999 aangifte is gedaan, het verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden onderzocht in het licht van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 495/97 van de Commissie van 18 maart 1997 (PB L 77, blz. 12; hierna: „verordening nr. 3665/87”).
4 Artikel 3 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
„1. Onder de dag van uitvoer wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de restitutievoet, ingeval de restitutie niet vooraf werd vastgesteld,
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet, ingeval de restitutie vooraf werd vastgesteld.
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. De dag van uitvoer is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product.
5. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name:
a) de omschrijving van de producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur;
b) de nettohoeveelheid van deze producten of, in voorkomend geval, de hoeveelheid in de meeteenheid die voor de berekening van de restitutie in aanmerking moet worden genomen;
[...]
6. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van deze handeling worden de producten onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.”
5 Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 betreft de terugvordering van ten onrechte betaalde uitvoerrestituties en de op te leggen sancties. Artikel 11, lid 1, eerste tot en met derde en zevende alinea, luidt als volgt:
„1. Wanneer is vastgesteld dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de geldende restitutie voor de werkelijke uitvoer, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a) de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b) het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
Als gevraagde restitutie wordt beschouwd het bedrag dat is berekend aan de hand van de gegevens die zijn verstrekt op grond van artikel 3 of van artikel 25, lid 2. Wanneer de restitutie verschilt naargelang van de bestemming, wordt het gedifferentieerde gedeelte van de gevraagde restitutie berekend aan de hand van de op grond van artikel 47 verstrekte gegevens over hoeveelheid, gewicht en bestemming.
De in de eerste alinea, sub a, bedoelde sanctie wordt niet toegepast:
a) in geval van overmacht;
b) in uitzonderlijke gevallen waarin de exporteur onmiddellijk nadat hem duidelijk is geworden dat hij een te hoge restitutie heeft gevraagd, op eigen initiatief de bevoegde autoriteiten schriftelijk daarvan in kennis stelt, tenzij de bevoegde autoriteiten de exporteur hebben medegedeeld dat zij voornemens zijn de aanvraag te onderzoeken, of de exporteur langs andere weg kennis van dit voornemen heeft gekregen of de bevoegde autoriteiten reeds hebben vastgesteld dat de gevraagde restitutie onjuist was;
c) indien het een door de bevoegde autoriteit erkende klaarblijkelijke vergissing inzake de gevraagde restitutie betreft;
d) indien de restitutieaanvraag is ingediend overeenkomstig het bepaalde in verordening (EG) nr. 1222/94 van de Commissie [...], en met name in artikel 3, lid 2, van die verordening, en de restitutie is berekend op basis van de gemiddelde hoeveelheden die in een gegeven periode zijn gebruikt;
e) in geval van aanpassingen van het gewicht voor zover de gewichtsafwijking aan een verschil in de toegepaste weegmethode is toe te schrijven.
[...]
De sancties worden niet toegepast wanneer alleen wegens de toepassing van artikel 2 bis, lid 2, artikel 20, lid 3, artikel 33, lid 2, en/of artikel 48 de gevraagde restitutie hoger is dan de geldende restitutie.”
6 In artikel 16, lid 1, van verordening nr. 3665/87, dat deel uitmaakt van titel 2, afdeling 2, met het opschrift „Gedifferentieerde restitutie”, heet het dat in geval van toepassing van een gedifferentieerde restitutievoet naargelang van de bestemming, de restitutie slechts wordt betaald als de in de artikelen 17 en 18 van deze verordening vastgestelde bijkomende voorwaarden zijn vervuld.
7 Ingevolge artikel 17, lid 1, van verordening nr. 3665/87 moet het product in beginsel binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd. Volgens artikel 17, lid 3, van deze verordening wordt het product als ingevoerd beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld.
8 Artikel 18, lid 1, van deze verordening noemt de documenten aan de hand waarvan het bewijs kan worden geleverd dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in een derde land zijn vervuld.
9 Artikel 20, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bepaalt dat in afwijking van artikel 16 daarvan een deel van de restitutie wordt betaald zodra het bewijs is geleverd dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten.
10 Ingevolge artikel 20, lid 2, van deze verordening is dat deel gelijk aan de restitutie die de exporteur zou ontvangen ingeval zijn product een bestemming zou bereiken waarvoor de laagste restitutie is vastgesteld, met dien verstande dat een bestemming waarvoor geen restitutie is vastgesteld, als de bestemming met de laagste restitutie wordt beschouwd.
11 Artikel 20, lid 3, van deze verordening bepaalt:
„Indien de producten de bestemming die is vermeld in vak 7 van het afgegeven certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie niet hebben bereikt:
a) wordt de restitutie voor de in vak 7 vermelde bestemming toegepast, wanneer de restitutie voor de werkelijke bestemming gelijk is aan of hoger dan die voor de in vak 7 vermelde bestemming;
b) wordt, wanneer de restitutie voor de werkelijke bestemming lager is dan die voor de in vak 7 vermelde bestemming, een restitutie toegepast die gelijk is aan:
– de restitutie voor de werkelijke bestemming,
– welke restitutie, behoudens overmacht, wordt verminderd met 20 % van het verschil tussen de restitutie voor de in vak 7 vermelde bestemming en die voor de werkelijke bestemming.
Voor de toepassing van de eerste alinea wordt de restitutie in aanmerking genomen die geldt op de dag waarop de certificaataanvraag is ingediend.
Wanneer dit lid van toepassing is en wanneer ook artikel 11 op dezelfde uitvoertransactie van toepassing is, wordt het op grond van de eerste en tweede alinea toe te passen bedrag met de in artikel 11 bedoelde sanctie verminderd.”
12 Artikel 47 van verordening nr. 3665/87, dat is opgenomen onder titel 4 daarvan, met het opschrift „Procedure voor de restitutiebetaling”, luidt als volgt:
„1. De restitutie wordt slechts op uitdrukkelijk verzoek van de exporteur betaald door de lidstaat op het grondgebied waarvan de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
De restitutieaanvraag moet worden ingediend:
a) hetzij schriftelijk; de lidstaten kunnen daartoe een specifiek formulier voorschrijven;
b) hetzij met behulp van informaticaprocedés volgens door de bevoegde instanties vastgestelde en door de Commissie goedgekeurde voorschriften.
[...]
2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
[...]”
Nationale regeling
13 Sinds 1 april 1998 bepaalt de Oostenrijkse regelgeving dat de gegevens die moeten worden meegedeeld in het kader van het in artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 bedoelde betalingsverzoek, rechtstreeks in de aangifte ten uitvoer mogen worden verstrekt.
Feiten en prejudiciële vragen
14 Op 18 januari 1999 deed verzoekster in het hoofdgeding onder tariefpost 0203 21 10 9000 aangifte van de uitvoer uit de Gemeenschap van vlees van als landbouwhuisdier gehouden varkens in de vorm van bevroren hele of halve karkassen, met vermelding van Rusland als land van bestemming, en zij verzocht in de aangifte ten uitvoer tegelijk om betaling van uitvoerrestituties.
15 Het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie, dat bij de uitklaring van het voor uitvoer bestemde vlees werd overgelegd, vermeldt 14 januari 1999 als datum van de geldigheid van de vooraf vastgestelde restitutie. Conform verordening (EG) nr. 2634/98 van de Commissie van 8 december 1998 tot vaststelling van de restituties bij uitvoer in de sector varkensvlees (PB L 333, blz. 24), gold op die datum voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tariefpost naargelang van de bestemming een gedifferentieerde restitutievoet van 20,00 ECU/100 kg nettogewicht voor de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Polen, Roemenië, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek, van 70,00 ECU/100 kg nettogewicht voor de Russische Federatie en van 40,00 ECU/100 kg nettogewicht voor de andere bestemmingen.
16 Op 18 februari 1999 werden bij de Oostenrijkse betalingsinstantie, het Zollamt Salzburg, Erstattungen, een door de Russische autoriteiten opgesteld certificaat van inklaring en een kopie van een vrachtbrief ingediend. Bij beschikking van 15 maart 1999 betaalde die instantie de gevraagde uitvoerrestitutie uit.
17 Na te hebben vastgesteld dat het ten bewijze van de vervulling van de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in Rusland overgelegde certificaat van inklaring niet echt was, vorderde het Zollamt Salzburg, Erstattungen, bij beschikking van 14 februari 2002 het gedifferentieerde gedeelte van de betaalde uitvoerrestitutie evenwel terug en legde het verzoekster in het hoofdgeding voorts een sanctie op overeenkomstig artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87. Aangezien bewezen was dat het betrokken product het douanegebied van de Gemeenschap had verlaten, was de restitutie namelijk terecht slechts ten bedrage van de basisrestitutie toegekend.
18 Na afwijzing van haar bezwaar tegen deze beschikking, stelde verzoekster in het hoofdgeding op 27 februari 2006 beroep in, waarover de Unabhängige Finanzsenat, Außenstelle Graz, uitspraak moet doen.
19 Voor de verwijzende rechter heeft verzoekster in het hoofdgeding de evenredigheid van de haar opgelegde sanctie betwist. Dienaangaande wijst de verwijzende rechter erop dat het Hof in zijn arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister (C‑210/00, Jurispr. blz. I‑6453), heeft bevestigd dat de sanctieregeling van artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, van verordening nr. 3665/87 verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. De verwijzende rechter twijfelt evenwel aan de rechtmatigheid van de opgelegde sanctie en vraagt zich af van welk tijdstip in het geval van een gedifferentieerde restitutie moet worden uitgegaan voor de vaststelling van de gevraagde restitutie in de zin van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87.
20 Daarop heeft de Unabhängige Finanzsenat, Außenstelle Graz, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van verordening [nr. 3665/87], op grond waarvan voor de berekening van de gevraagde restitutie in het geval van een gedifferentieerde restitutie ‚het gedifferentieerde gedeelte van de gevraagde restitutie [wordt] berekend aan de hand van de op grond van artikel 47 verstrekte gegevens over hoeveelheid, gewicht en bestemming’, aldus worden uitgelegd, dat de woorden ‚op grond van artikel 47 verstrekte gegevens over hoeveelheid, gewicht en bestemming’ verwijzen naar de gegevens in het uitdrukkelijke verzoek overeenkomstig artikel 47, lid 1, en het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie dus pas bij de indiening van het verzoek in de zin van artikel 47, lid 1, wordt gevraagd?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of de genoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat in het geval waarin het verzoek om betaling overeenkomstig artikel 47, lid 1, van verordening [nr. 3665/87] reeds moet worden ingediend in het ‚document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een uitvoerrestitutie te verkrijgen’ (hier de uitvoeraangifte), de gevraagde restitutie met betrekking tot het gedifferentieerde gedeelte moet worden berekend aan de hand van de gegevens in de uitvoeraangifte en het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie dus ook tegelijk met de uitvoeraangifte wordt gevraagd.
3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst de vraag of de genoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat de gevraagde restitutie met betrekking tot het gedifferentieerde gedeelte aan de hand van de overeenkomstig artikel 47 van verordening [nr. 3665/87] over te leggen documenten moet worden berekend en het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie dus pas bij de overlegging van het ‚dossier voor de betaling’ in de zin van artikel 47, lid 2, van deze verordening wordt gevraagd.
4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag of de genoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat ook de overlegging van een dossier in de zin van artikel 47, lid 2, van verordening [nr. 3665/87] dat gebrekkig is, voldoende is om het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie te kunnen vragen, met het rechtsgevolg dat de sanctieregeling van artikel 11 van deze verordening ook op het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie moet worden toegepast.”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en derde vraag
21 Met zijn eerste en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de verwijzing naar artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van verordening nr. 3665/87, op grond waarvan „het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie [wordt] berekend aan de hand van de op grond van artikel 47 verstrekte gegevens over hoeveelheid, gewicht en bestemming”, aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een gedifferentieerde restitutie het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie wordt gevraagd bij de indiening van het verzoek in de zin van artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 of van het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47, lid 2, van deze verordening.
22 Vooraf zij herinnerd aan de voorwaarden voor betaling van een uitvoerrestitutie zoals die uit verordening nr. 3665/87 voortvloeien.
23 Ten eerste moet de exporteur het in artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87 bedoelde document overleggen, waarmee hij zijn voornemen te kennen geeft om landbouwproducten uit te voeren met toekenning van een restitutie.
24 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de in artikel 3 van verordening nr. 3665/87 bedoelde gegevens niet alleen tot doel hebben de mathematische berekening van het juiste restitutiebedrag mogelijk te maken, maar vooral vast te stellen of er recht bestaat op deze restitutie en het onderzoek van de restitutieaanvraag op gang te brengen, dat tot oplegging van een sanctie overeenkomstig artikel 11, lid 1, van deze verordening kan leiden (zie in die zin arresten van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, C‑385/03, Jurispr. blz. I‑2997, punten 22, 29 en 36; 1 december 2005, Fleisch-Winter, C‑309/04, Jurispr. blz. I‑10349, punt 41, en naar analogie, 27 april 2006, Elfering Export, C‑27/05, Jurispr. blz. I‑3681, punten 25 en 27).
25 Ten tweede moet de exporteur ingevolge artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 een verzoek om betaling indienen waarbij hij de douaneautoriteiten uitdrukkelijk laat weten dat hij betaling van de restitutie vraagt.
26 Dienaangaande heeft het Hof al geoordeeld dat het bij dit betalingsverzoek om een document van technische en procedurele aard gaat dat de exporteur moet overleggen om betaling van de restitutie te verkrijgen. Dit verzoek vormt weliswaar een voorwaarde voor restitutiebetaling, maar niet de juridische basis voor een recht op een dergelijke betaling (zie in die zin reeds aangehaald arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, punten 26 en 27, en reeds aangehaald arrest Fleisch-Winter, punt 40).
27 In het licht van deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat wanneer het een niet-gedifferentieerde restitutie betreft, het bedrag van de gevraagde restitutie in de zin van artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 uitsluitend op basis van het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde document, namelijk de aangifte ten uitvoer of enig ander bij de uitvoer gebruikt document, wordt berekend (zie in die zin arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punten 22 en 23). Onjuiste gegevens in dat document, die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden, hebben tot gevolg dat de in artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 bedoelde sanctie wordt opgelegd (zie in die zin arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punt 36 en dictum).
28 Met betrekking tot een gedifferentieerde restitutie voorziet artikel 20, leden 1 en 2, van verordening nr. 3665/87 in betaling van de basisrestitutie – die wordt berekend aan de hand van de laagste restitutievoet die op de dag van de uitvoer van toepassing is – zodra de exporteur het bewijs heeft geleverd dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten. De betaling van het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie zelf is onderworpen aan de in de artikelen 17 en 18 van deze verordening vastgestelde bijkomende voorwaarden. De exporteur moet namelijk binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte is aanvaard, aantonen dat het product is ingevoerd in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, en zulks door overlegging van de bewijzen dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in dat land zijn vervuld.
29 Bijgevolg moet worden nagegaan of in het geval van een gedifferentieerde restitutie de verwijzing in artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van verordening nr. 3665/87 naar de op grond van artikel 47 van deze verordening verstrekte gegevens betekent dat het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie niet wordt gevraagd bij de overlegging van het in artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87 bedoelde document, maar bij de indiening van het betalingsverzoek of het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47 van verordening nr. 3665/87.
30 Er zij op gewezen dat het functionele onderscheid tussen de artikelen 3 en 47 van verordening nr. 3665/87, zoals in de punten 23 tot en met 27 van het onderhavige arrest in herinnering gebracht, niet van de al dan niet gedifferentieerde aard van de restitutie afhangt.
31 Uit artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87 blijkt namelijk dat op het aldaar bedoelde document, ongeacht de naam ervan, „alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie [moeten] worden vermeld”, waaronder „met name” die welke betrekking hebben op, ten eerste, de omschrijving van de betrokken producten volgens de voor de restituties gebruikte nomenclatuur, ten tweede, de nettohoeveelheid of de hoeveelheid van die producten, en, ten derde, voor zover nodig voor de berekening van de restitutie, de samenstelling van die producten. Het Hof heeft reeds erop gewezen dat de in lid 5 genoemde gegevens een niet-uitputtende lijst vormen (reeds aangehaalde arresten Fleisch-Winter, punt 29, en Elfering Export, punt 25). De woorden „met name” betekenen namelijk dat de gemeenschapswetgever slechts enkele van die gegevens met zoveel woorden noemt. De uitdrukking „alle nodige gegevens” moet dus alle informatie betreffende de voorwaarden voor verlening van de uitvoerrestitutie omvatten [zie wat betreft artikel 5, lid 4, sub a, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11), die in de plaats van verordening nr. 3665/87 is gekomen, arrest Elfering Export, reeds aangehaald, punt 26].
32 Artikel 3, lid 5, van verordening nr. 3665/87 ziet bijgevolg op alle gegevens die tot doel hebben vast te stellen of er recht bestaat op de restitutie, met inbegrip van het gedifferentieerde gedeelte daarvan. In het geval van een gedifferentieerde restitutie omvatten deze gegevens de vermelding van het derde land of de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld.
33 Artikel 47 van deze verordening bepaalt van zijn kant alleen welke administratieve formaliteiten de exporteur moet vervullen om restitutiebetaling te verkrijgen.
34 De verwijzing in artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin, van verordening nr. 3665/87 naar de op grond van artikel 47 van deze verordening verstrekte gegevens heeft niet tot doel noch tot gevolg dat de beperkte en zuiver procedurele functie die krachtens deze verordening toekomt aan het betalingsverzoek in de zin van artikel 47, lid 1, van deze verordening en het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47, lid 2, daarvan, wordt gewijzigd.
35 Die verwijzing maakt het alleen mogelijk om in het geval van een gedifferentieerde restitutie rekening te houden met eventuele afwijkingen qua hoeveelheid, gewicht en/of bestemming van de producten die optreden tijdens een uitvoertransactie, nadat de aangifte ten uitvoer is aanvaard. Met deze afwijkingen moet namelijk rekening worden gehouden om uit te maken of de exporteur een sanctie moet worden opgelegd en, in voorkomend geval, om het bedrag van die sanctie te berekenen.
36 Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 voorziet in de oplegging van een sanctie aan een ondernemer die al dan niet opzettelijk een hogere uitvoerrestitutie vraagt dan die welke voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldt.
37 Wanneer de restitutievoet verschilt naargelang van de bestemming, moeten de bevoegde autoriteiten controleren of de betrokken producten wel degelijk zijn ingevoerd in het derde land of een van de derde landen waarvoor de restitutie was vastgesteld. Zij kunnen daarvoor steunen op het dossier voor de betaling van de restitutie en meer bepaald op de bewijzen dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld. Dat dossier stelt de bevoegde autoriteiten dus in staat te bepalen welk restitutiebedrag geldt voor het daadwerkelijk uitgevoerde product.
38 Ook al kunnen de aangifte ten uitvoer en het betalingsverzoek om praktische redenen, zoals in het hoofdgeding het geval is, worden samengevoegd, er moet van worden uitgegaan dat de gedifferentieerde restitutie, met inbegrip van het gedifferentieerde gedeelte, wordt „gevraagd” in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 op het tijdstip van de overlegging van het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde document.
39 Deze uitlegging van artikel 11, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 3665/87 is voorts in overeenstemming met de bij deze verordening ingevoerde regeling voor onderzoek van de restitutieaanvragen en oplegging van sancties.
40 Een andere uitlegging zou het mogelijk maken, via de indiening van het betalingsverzoek of het dossier voor de betaling van de restitutie, rechtsgeldig een restitutieaanvraag voor reeds uitgevoerde en eventueel al gecontroleerde producten in te dienen.
41 Een dergelijke mogelijkheid zou niet alleen elke nuttige werking ontnemen aan artikel 3 van verordening nr. 3665/87, maar ook aan de procedure voor onderzoek van de restitutieaanvragen. De fysieke controle van de producten waarvoor restituties zijn gevraagd, vormt evenwel een belangrijk hulpmiddel om onregelmatigheden en fraude bij uitvoerrestituties te bestrijden. Teneinde te verzekeren dat het doel van het onderzoek volledig wordt bereikt, is dan ook vereist dat de controle plaatsvindt nadat de exporteur een bindende restitutieaanvraag heeft ingediend (zie in die zin arrest van 14 april 2005, Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punten 27 en 28).
42 Zo de restitutie, met inbegrip van het gedifferentieerde gedeelte, kon worden gevraagd binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, zou voorts de exporteur ook na de uitvoer zijn restitutieaanvraag naar eigen goeddunken of aan het resultaat van een eventuele controle kunnen aanpassen, en zo elke sanctie kunnen ontlopen. De preventieve werking van de in artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 neergelegde sancties zou dan goeddeels teniet worden gedaan.
43 Het is juist dat volgens artikel 11, lid 1, zevende alinea, van verordening nr. 3665/87 de sancties waarin dit lid voorziet, niet worden toegepast wanneer de gevraagde restitutie hoger is dan de restitutie die geldt krachtens artikel 20, lid 3, van deze verordening. Artikel 20, lid 3, eerste alinea, sub b, bepaalt dat wanneer de producten de bestemming die is vermeld in het uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie niet hebben bereikt en de restitutie voor de werkelijke bestemming lager is dan die voor de in dat certificaat vermelde bestemming, een restitutie wordt toegepast die gelijk is aan de restitutie voor de werkelijke bestemming verminderd, behoudens overmacht, met 20 % van het verschil tussen de restitutie voor de in dat certificaat vermelde bestemming en die voor de werkelijke bestemming.
44 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, bevat verordening nr. 3665/87 evenwel geen bijzondere bepaling voor een situatie als die in het hoofdgeding, waar de exporteur heeft bewezen dat de producten uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd, maar niet dat die zijn ingevoerd tot verbruik in het derde land of een van de derde landen waarvoor een restitutie is vastgesteld. In een dergelijke situatie, wanneer bewijzen van de „werkelijke bestemming” van de betrokken producten ontbreken, is artikel 20, lid 3, van deze verordening namelijk niet van toepassing. Aangezien in een dergelijk geval de exporteur moet worden geacht een hogere dan de geldende restitutie te hebben gevraagd, moet de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 vastgestelde sanctie worden opgelegd, tenzij aan één van de in artikel 11, lid 1, derde en zevende alinea, limitatief opgesomde voorwaarden voor vrijstelling is voldaan.
45 Gelet op een en ander, moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 aldus moet worden uitgelegd dat in het geval van een gedifferentieerde restitutie het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie niet wordt gevraagd bij de indiening van het verzoek in de zin van artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 of van het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47, lid 2, van deze verordening, maar bij de overlegging van het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde document. De opname in dit document van gegevens die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden en die onjuist blijken, heeft derhalve, behoudens de gevallen waarin bij artikel 11, lid 1, derde en zevende alinea, van deze verordening is voorzien, de oplegging van de in dit artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde sanctie tot gevolg.
46 Gelet op het antwoord op de eerste en de derde vraag, behoeft op de tweede en de vierde vraag van de verwijzende rechter niet te worden geantwoord.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 11, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 495/97 van de Commissie van 18 maart 1997, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval van een gedifferentieerde restitutie het gedifferentieerde gedeelte van de restitutie niet wordt gevraagd bij de indiening van het verzoek in de zin van artikel 47, lid 1, van verordening nr. 3665/87 of van het dossier voor de betaling van de restitutie in de zin van artikel 47, lid 2, van deze verordening, maar bij de overlegging van het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde document. De opname in dit document van gegevens die tot een hogere dan de geldende restitutie kunnen leiden en die onjuist blijken, heeft derhalve, behoudens de gevallen waarin bij artikel 11, lid 1, derde en zevende alinea, van deze verordening is voorzien, de oplegging van de in dit artikel 11, lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde sanctie tot gevolg.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy