Zaak C‑132/08
Lidl Magyarország Kereskedelmi bt
tegen
Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa
(verzoek van de Fővárosi Bíróság om een prejudiciële beslissing)
„Vrij verkeer van goederen – Radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur – Wederzijdse erkenning van conformiteit – Niet-erkenning van verklaring van overeenstemming die is afgegeven door in andere lidstaat gevestigde producent”
Samenvatting van het arrest
1. Harmonisatie van wetgevingen – Radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en wederzijdse erkenning van hun conformiteit – Richtlijn 1999/5
(Richtlijn 1999/5 van het Europees Parlement en de Raad)
2. Harmonisatie van wetgevingen – Algemene productveiligheid – Richtlijn 2001/95
(Richtlijn 2001/95 van het Europees Parlement en de Raad)
3. Vrij verkeer van goederen – Afwijkingen – Bestaan van harmonisatierichtlijnen – Gevolgen
(Art. 28 EG en 30 EG; richtlijn 1999/5 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5)
1. De lidstaten kunnen op grond van richtlijn 1999/5 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, een persoon die radioapparatuur op de markt brengt, niet verplichten een verklaring van overeenstemming af te geven, ook al heeft de producent van deze apparatuur, die in een andere lidstaat is gevestigd, dit product van het CE-merkteken voorzien en hiervoor een verklaring van overeenstemming opgesteld. Richtlijn 1999/5 voorziet immers in een vermoeden van conformiteit voor apparatuur die van het CE-merkteken is voorzien. Dit merkteken geeft aan dat deze apparatuur voldoet aan alle voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de hierin vastgestelde procedures ter beoordeling van de conformiteit ervan. Bijgevolg kunnen de producten die van het CE-merkteken zijn voorzien, op de markt worden gebracht zonder dat ze hoeven te worden onderworpen aan een mechanisme van voorafgaande toestemming of aan enige andere procedure die beoogt de kring van personen die het overeenstemmingsmerkteken moeten aanbrengen, uit te breiden.
(cf. punten 26, 28, 33, dictum 1)
2. Richtlijn 2001/95 inzake algemene productveiligheid is niet van toepassing op de vraag of een persoon verplicht is om een verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur af te geven. Wat de bevoegdheid van de lidstaten betreft om op grond van deze richtlijn personen die radioapparatuur in de handel brengen andere verplichtingen op te leggen dan die tot afgifte van een verklaring van overeenstemming, dient te worden vastgesteld dat een persoon die een product in de handel brengt, slechts onder de in artikel 2, sub e, van deze richtlijn gestelde voorwaarden als de producent ervan en onder de in artikel 2, sub f, gestelde voorwaarden als de distributeur ervan kan worden beschouwd. Op de producent en de distributeur kunnen slechts die verplichtingen rusten die voor elk van hen in richtlijn 2001/95 zijn vastgelegd.
(cf. punt 40, dictum 2)
3. Wanneer op communautair niveau een geharmoniseerde regeling voor een bepaalde materie is getroffen, moeten alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen worden getoetst aan de bepalingen van deze harmonisatiemaatregel en niet aan de artikelen 28 EG en 30 EG. Op de gebieden die vallen onder richtlijn 1999/5 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, moeten de lidstaten zich volledig naar de bepalingen van deze richtlijn voegen en mogen zij geen daarmee strijdige nationale bepalingen handhaven. Wanneer een lidstaat van mening is dat overeenstemming met een geharmoniseerde norm niet garandeert dat wordt voldaan aan de in richtlijn 1999/5 bedoelde essentiële eisen waaraan deze norm wordt geacht tegemoet te komen, moet deze lidstaat de procedure van artikel 5 van deze richtlijn volgen. Anderzijds kan een lidstaat ter ondersteuning van een beperking gronden aanvoeren die geen verband houden met het door richtlijn 1999/5 geharmoniseerde gebied. In dat geval kan hij zich slechts beroepen op de in artikel 30 EG genoemde gronden of op dwingende vereisten van algemeen belang.
(cf. punt 46, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
30 april 2009 (*)
„Vrij verkeer van goederen – Radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur – Wederzijdse erkenning van conformiteit – Niet-erkenning van verklaring van overeenstemming die is afgegeven door in andere lidstaat gevestigde producent”
In zaak C‑132/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Fővárosi Bíróság (Hongarije) bij beslissing van 11 maart 2008, ingekomen bij het Hof op 2 april 2008, in de procedure
Lidl Magyarország Kereskedelmi bt
tegen
Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresident, E. Juhász en G. Arestis, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Lidl Magyarország Kereskedelmi bt, vertegenwoordigd door R. Kölcsey-Rieden, ügyvéd,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door J. Fazekas, R. Somssich en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils en A. Sipos als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PB L 91, blz. 10), richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB 2002, L 11, blz. 4) en artikel 30 EG.
2 Dit verzoek is ingediend in een geding tussen Lidl Magyarország Kereskedelmi bt (hierna: „Lidl”) en de Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa (raad van de Hongaarse communicatieautoriteit; hierna: „Hatóság”), betreffende het verbod dat deze laatste aan Lidl heeft opgelegd om radioapparatuur die is vervaardigd door een in België gevestigde vennootschap, in Hongarije in de handel te brengen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsrecht
Richtlijn 1999/5
3 Artikel 1, lid 1, van richtlijn 1999/5 omschrijft de werkingssfeer van deze richtlijn als volgt:
„In deze richtlijn wordt een regelgevingskader ingesteld inzake het op de markt brengen, het vrije verkeer en de ingebruikneming in de Gemeenschap van radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur.”
4 Artikel 2 van richtlijn 1999/5 bepaalt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ‚apparatuur’: alle apparatuur die als radioapparatuur of telecommunicatie-eindapparatuur of als beide fungeert;
[...]
c) ‚radioapparatuur’: een product of een relevant onderdeel daarvan dat geschikt is voor telecommunicatie door uitzending en/of ontvangst van radiogolven waarbij gebruik wordt gemaakt van het aan aarde/ruimtecommunicatie toegewezen spectrum;
d) ‚radiogolven’: elektromagnetische golven met frequenties van 9 kHz tot 3000 GHz, die zich op natuurlijke wijze in de ruimte voortplanten;
[...]”
5 Wat de essentiële veiligheidseisen betreft waaraan de apparatuur moet voldoen, bepaalt artikel 3, lid 1, van de richtlijn het volgende:
„De volgende essentiële eisen zijn van toepassing op alle apparatuur:
a) de bescherming van de gezondheid of de veiligheid van de gebruiker of van anderen, met inbegrip van de doelstellingen met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften van richtlijn 73/23/EEG, echter zonder toepassing van de spanningsgrens;
b) de beschermingsvoorschriften met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit van richtlijn 89/336/EEG.”
6 Artikel 5 van richtlijn 1999/5 bepaalt:
„1. Wanneer apparatuur voldoet aan de toepasselijke geharmoniseerde normen of delen daarvan, [...] nemen de lidstaten aan dat is voldaan aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen waarop deze geharmoniseerde normen of delen daarvan betrekking hebben.
2. Wanneer een lidstaat of de Commissie van oordeel is dat overeenstemming met een geharmoniseerde norm niet garandeert dat wordt voldaan aan de in artikel 3 bedoelde essentiële eisen waarop de bedoelde norm betrekking heeft, brengt de Commissie of de betrokken lidstaat deze aangelegenheid onder de aandacht van het [Comité voor overeenstemmingsbeoordeling en markttoezicht inzake telecommunicatie].
3. [...] Na overleg met het comité kan de Commissie [...] geharmoniseerde normen schrappen door bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.”
7 Artikel 6, leden 1 en 4, van richtlijn 1999/5 bepaalt:
„1. De lidstaten zorgen ervoor dat apparatuur uitsluitend op de markt wordt gebracht indien zij, bij behoorlijke installatie en onderhoud en bij gebruik overeenkomstig haar bestemming, voldoet aan de toepasselijke in artikel 3 genoemde essentiële eisen en aan de andere desbetreffende bepalingen van deze richtlijn. Met betrekking tot het op de markt brengen worden geen verdere nationale voorschriften opgelegd.
[...]
4. Indien voor radioapparatuur frequentiebanden gebruikt worden waarvan het gebruik niet in de gehele Gemeenschap geharmoniseerd is, stelt de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de apparatuur, de voor spectrumbeheer verantwoordelijke nationale autoriteit in de betrokken lidstaat in kennis van zijn voornemen die apparatuur op de markt van die lidstaat te brengen.
Deze kennisgeving vindt plaats ten minste vier weken voordat begonnen wordt met het op de markt brengen en behelst informatie over de radiokenmerken van de apparatuur [...] en het identificatienummer van de aangemelde instantie als bedoeld in bijlage IV of V.”
8 Artikel 8, lid 1, van richtlijn 1999/5 luidt als volgt:
„De lidstaten verbieden, beperken of verhinderen niet het op de markt brengen en het in gebruik nemen op hun grondgebied van apparatuur die is voorzien van het in bijlage VII beschreven CE-merkteken dat aangeeft dat de apparatuur voldoet aan alle bepalingen van deze richtlijn, [...] een en ander onverlet artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 2, en artikel 9, lid 5.”
9 Met betrekking tot het CE-overeenstemmingsmerkteken bepaalt artikel 12, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 1999/5 het volgende:
„Apparatuur die aan alle geldende essentiële eisen voldoet, wordt voorzien van het CE-overeenstemmingsmerkteken zoals bedoeld in bijlage VII. Het wordt aangebracht onder verantwoordelijkheid van de fabrikant, zijn gemachtigde in de Gemeenschap of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de apparatuur.”
Richtlijn 2001/95
10 Artikel 1 van richtlijn 2001/95 omschrijft het doel en de werkingssfeer van deze richtlijn als volgt:
„1. Het doel van deze richtlijn is ervoor te zorgen dat de op de markt gebrachte producten veilig zijn.
2. Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 2, sub a, omschreven producten. De bepalingen ervan zijn van toepassing voor zover er in het kader van de communautaire voorschriften geen specifieke bepalingen bestaan die de veiligheid van die producten regelen en op hetzelfde doel gericht zijn.
Ten aanzien van producten waarvoor krachtens de communautaire wetgeving specifieke veiligheidsvoorschriften gelden, is deze richtlijn alleen van toepassing wat de aspecten risico’s en risicocategorieën betreft die niet onder die voorschriften vallen. [...]”
11 Artikel 2, sub a, e en f, van richtlijn 2001/95 bepaalt:
„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ‚product’: een product dat – ook in het kader van een dienstverrichting – bestemd is voor de consument of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat het door de consument kan worden gebruikt, ook al is het niet voor hem bestemd, en dat in het kader van een handelsactiviteit tegen betaling of gratis wordt geleverd of beschikbaar gesteld, ongeacht of het nieuw, tweedehands of opnieuw in goede staat gebracht is.
[...]
e) ‚producent’:
i) de fabrikant van het product, indien deze in de Gemeenschap gevestigd is, en eenieder die zich als fabrikant aandient door op het product zijn naam, merk of een ander kenteken aan te brengen, of degene die het product opnieuw in goede staat brengt;
ii) de vertegenwoordiger van de fabrikant, indien laatstgenoemde niet in de Gemeenschap gevestigd is, of, indien er geen in de Gemeenschap gevestigde vertegenwoordiger is, de importeur van het product;
iii) andere personen die beroepshalve betrokken zijn bij de verhandelingsketen, voor zover hun activiteiten van invloed kunnen zijn op de veiligheidskenmerken van het product;
f) ‚distributeur’: de persoon die beroepshalve betrokken is bij de verhandelingsketen, maar wiens activiteit geen invloed heeft op de veiligheidskenmerken van het product.”
12 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 2001/95 luidt als volgt:
„De lidstaten dragen er zorg voor dat de producenten en distributeurs aan de uit hoofde van deze richtlijn op hen rustende verplichtingen voldoen, zodat de op de markt gebrachte producten veilig zijn.”
13 Artikel 8, lid 2, eerste en tweede alinea, van de richtlijn bepaalt:
„Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de in lid 1, met name sub d en f, bedoelde maatregelen nemen, nemen zij daarbij het Verdrag in acht, met name de artikelen 28 en 30, zodat de maatregelen in verhouding staan tot de ernst van het risico, en handelen zij in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel.
In verband met die maatregelen stimuleren en bevorderen zij vrijwillige initiatieven van de producenten en distributeurs overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, met name hoofdstuk III, in voorkomend geval ook door het opstellen van gedragscodes.”
Nationaal recht
14 Artikel 188, punt 32, van wet nr. C. van 2003 betreffende de elektronische communicatie (2003. évi C. törvény az elektronikus hírközlésről):
„In de zin van deze wet wordt verstaan onder:
[...]
32. ‚producent’: elke economische entiteit die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de productie, de verpakking, het merken, het in de handel brengen van de apparatuur, ongeacht of zij deze taken uitvoert voor eigen rekening dan wel voor rekening van een derde. Wordt eveneens beschouwd als een producent degene die aan bestaande apparatuur met het oog op het in de handel brengen ervan wijzigingen of aanvullingen aanbrengt die de wezenlijke kenmerken ervan beïnvloeden of degene die nieuwe apparatuur vervaardigt op basis van bestaande apparatuur. Indien de producent niet in Hongarije is gevestigd, wordt de importeur van de apparatuur als de producent ervan beschouwd.”
15 Volgens artikel 1, lid 2, van decreet nr. 5/2004 (IV.13.) van de minister van Informatica en Communicatie betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit [5/2004. (IV. 13.) IHM rendelet a rádióberendezésekről és az elektronikus hírközlő végberendezésekről, valamint megfelelőségük kölcsönös elismeréséről], „strekt de werkingssfeer van dit decreet zich uit tot alle natuurlijke en rechtspersonen of entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, alle Hongaarse filialen of vertegenwoordigers van in het buitenland gevestigde ondernemingen die de in lid 1 bedoelde apparatuur vervaardigen, invoeren, in de handel brengen (hierna samen: „producenten”), distribueren, certificeren, in bedrijf stellen en gebruiken, alsmede tot de Hongaarse communicatieautoriteit”.
16 Volgens artikel 4, lid 4, van het decreet moet de producent overeenkomstig de daartoe vastgestelde bijzondere bepalingen aan de bevoegde autoriteit zijn voornemen meedelen om radioapparatuur die niet in de Europese Unie geharmoniseerde frequenties of frequentiebanden gebruikt, in Hongarije in de handel te brengen.
17 Volgens artikel 10, lid 6, van het decreet moet de producent „een verklaring opstellen dat de apparatuur aan de essentiële eisen voldoet. Voor het in de handel brengen van in Hongarije vervaardigde apparatuur dient een verklaring van overeenstemming in het Hongaars of in verschillende talen, daaronder begrepen het Hongaars, te worden opgesteld. Wanneer de apparaten niet in Hongarije zijn vervaardigd, kan de verklaring worden opgesteld in een officiële taal van elk van de lidstaten van de Europese Unie. De materiële vereisten waaraan de verklaring van overeenstemming dient te voldoen, zijn vermeld in bijlage 6.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18 Lidl brengt in Hongarije radioapparatuur in de handel, namelijk de „UC Babytalker 500”, die wordt vervaardigd door een Belgische onderneming, die deze apparatuur van het CE-merkteken heeft voorzien en een verklaring van overeenstemming voor dit product heeft opgesteld. Deze apparatuur maakt gebruik van een niet-geharmoniseerde frequentie.
19 Naar aanleiding van een inspectie in 2007 in een winkel van Lidl heeft de Hatóság vastgesteld dat de voor deze apparatuur afgegeven verklaring van overeenstemming niet voldeed aan de Hongaarse wetgeving. Hij heeft Lidl daarop verboden om de betrokken apparatuur in de handel te brengen zolang zij geen volgens het Hongaarse recht opgestelde verklaring van overeenstemming kon overleggen. Volgens de Hatóság dient Lidl immers als de producent van de apparatuur te worden beschouwd, aangezien zij deze in Hongarije op de markt brengt.
20 Aangezien de Hatóság de verklaring van overeenstemming van de Belgische producent niet aanvaardde, heeft Lidl beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit waarbij verbod werd opgelegd om de apparatuur in de handel te brengen.
21 Aangezien de Fővárosi Bíróság van oordeel is dat het betrokken product overeenkomstig de toepasselijke communautaire richtlijnen in alle lidstaten in de handel kan worden gebracht, en verweerder in het hoofdgeding het tegenovergestelde standpunt inneemt, heeft de Fővárosi Bíróság de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Kan artikel 8 van richtlijn [1999/5], dat betrekking heeft op het vrije verkeer van radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur (hierna: ‚apparatuur’), aldus worden uitgelegd dat behalve de in deze bepaling genoemde verplichtingen geen andere verder gaande verplichtingen kunnen worden opgelegd voor het op de markt brengen van apparatuur die onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt en door een in een andere lidstaat gevestigde fabrikant van een CE-merkteken is voorzien?
2) Kan artikel 2, sub e en f, van richtlijn [2001/95] vanuit het oogpunt van de verkoopverplichtingen aldus worden uitgelegd dat ook als producent kan worden beschouwd de entiteit die de apparatuur in een lidstaat in de handel brengt (zonder bij de fabricage ervan betrokken te zijn) en in een andere lidstaat is gevestigd dan die waar de producent zijn maatschappelijke zetel heeft?
3) Kan artikel 2, sub e‑i tot en met iii en f, van richtlijn [2001/95] aldus worden uitgelegd dat de distributeur (die niet de producent is) van in een andere lidstaat vervaardigde apparatuur verplicht kan zijn een overeenstemmingsverklaring af te geven die de technische gegevens van deze apparatuur bevat?
4) Kan artikel 2, sub e‑i tot en met iii en f, van richtlijn [2001/95] aldus worden uitgelegd dat een entiteit die zich in een lidstaat waar zij gevestigd is, enkel met de verkoop van de apparatuur bezighoudt, tevens als producent van deze apparatuur kan worden aangemerkt wanneer de activiteit van distributeur geen invloed op de veiligheidskenmerken van de apparatuur heeft?
5) Kan artikel 2, sub f, van richtlijn [2001/95] aldus worden uitgelegd dat van de in dat artikel omschreven distributeur kan worden verlangd dat hij voldoet aan dezelfde eisen als die welke volgens de richtlijn enkel voor de in artikel 2, sub e, omschreven producent gelden, zoals bijvoorbeeld de afgifte van een overeenstemmingsverklaring met betrekking tot de technische gegevens?
6) Kunnen artikel 30 [EG] en/of de zogenoemde dwingende vereisten grond opleveren voor een uitzondering op de toepassing van de formule van het arrest [van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, Jurispr. blz. 837], mede gelet op de beginselen van gelijkwaardigheid (principle of equivalence) en wederzijdse erkenning (mutual recognition)?
7) Kan artikel 30 [EG] aldus worden uitgelegd dat de handel in en de invoer van transitogoederen om geen andere dan de daarin genoemde redenen kunnen worden beperkt?
8) Voldoet het CE-merkteken aan de beginselen van gelijkwaardigheid en wederzijdse erkenning, alsmede aan de voorwaarden van artikel 30 [EG]?
9) Kan het CE-merkteken aldus worden uitgelegd dat de lidstaten om geen enkele reden andere technische of kwaliteitsnormen op apparatuur met dat merkteken kunnen toepassen?
10) Kunnen artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 2, tweede volzin, van richtlijn [2001/95] aldus worden uitgelegd, dat de producent en de distributeur met betrekking tot de verhandeling van de waren kunnen worden geacht dezelfde verplichtingen te hebben, wanneer de producent de producten niet in de handel brengt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Uitlegging van richtlijn 1999/5
22 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een lidstaat krachtens richtlijn 1999/5 een onderneming die radioapparatuur op de nationale markt brengt, kan verplichten een verklaring van overeenstemming af te geven, ook al heeft de producent van deze apparatuur, die in een andere lidstaat is gevestigd, dit product van het CE-merkteken voorzien en hiervoor een verklaring van overeenstemming opgesteld.
23 De relevante regels voor de beslechting van het hoofdgeding zijn vervat in de artikelen 6, 8, en 12 van richtlijn 1999/5, waarbij een regelgevingskader wordt ingesteld inzake het op de markt brengen, het vrije verkeer en de ingebruikneming in de Gemeenschap van radioapparatuur.
24 De artikelen 6 en 8 van deze richtlijn verzekeren het vrije verkeer van apparatuur die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet (arrest van 8 mei 2003, ATRAL, C‑14/02, Jurispr. blz. I‑4431, punt 50).
25 Ingevolge artikel 6, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 1999/5 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat uitsluitend apparatuur op de markt wordt gebracht die voldoet aan de essentiële eisen van deze richtlijn. Volgens de tweede zin van deze bepaling mogen zij evenwel geen verdere nationale voorschriften opleggen met betrekking tot het op de markt brengen van deze apparatuur. Bovendien mogen zij krachtens 8, lid 1, van deze richtlijn niet verhinderen dat apparatuur die van het CE-merkteken is voorzien, op hun grondgebied op de markt wordt gebracht.
26 Richtlijn 1999/5 verleent apparatuur die voorzien is van het CE-merkteken immers een vermoeden van conformiteit. Dit merkteken geeft aan dat deze apparatuur voldoet aan alle voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de procedures ter beoordeling van de overeenstemming waarin de richtlijn voorziet (zie arrest ATRAL, reeds aangehaald, punt 51).
27 In het kader van deze regeling wordt het CE-merkteken volgens artikel 12, lid 1, eerste alinea, tweede volzin, van richtlijn 1999/5 aangebracht onder verantwoordelijkheid van de fabrikant, zijn gemachtigde in de Gemeenschap of de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de apparatuur.
28 Bijgevolg kunnen de producten die van het CE-merkteken zijn voorzien, op de markt worden gebracht zonder dat ze hoeven te worden onderworpen aan een mechanisme van voorafgaande toestemming (zie in die zin arrest ATRAL, reeds aangehaald, punt 52) of aan enige andere procedure die beoogt de kring van personen die het overeenstemmingsmerkteken moeten aanbrengen, uit te breiden.
29 De lidstaten moeten dus – onverminderd de artikelen 6, lid 4, 7, lid 2, en 9, lid 5, van richtlijn 1999/5 – het CE-merkteken erkennen dat door een van de in artikel 12, lid 1, van deze richtlijn genoemde personen is aangebracht. Indien van een van deze personen een verklaring van overeenstemming werd geëist voor radioapparatuur die reeds door een van de andere in artikel 12, lid 1, van richtlijn 1999/5 bedoelde personen van het EC-merkteken is voorzien, zou dit erop neerkomen dat de betrokkene wordt verhinderd dit product op de markt te brengen doordat hieraan andere eisen worden gesteld dan die van richtlijn 1999/5.
30 Hieruit volgt dat richtlijn 1999/5 zich verzet tegen nationale regels die op het door deze richtlijn geharmoniseerde gebied voorschrijven dat personen die verantwoordelijk zijn voor het op de markt brengen van een product dat van het CE-merkteken is voorzien, en die beschikken over een door de producent opgestelde verklaring van overeenstemming, eveneens een verklaring van overeenstemming afgeven.
31 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat de producent die het CE-merkteken heeft aangebracht, is gevestigd in een andere lidstaat dan die waar het product op de markt wordt gebracht. Integendeel, richtlijn 1999/5 heeft juist betrekking op dit geval, aangezien zij ziet op het vrije verkeer van radioapparatuur en de wederzijdse erkenning van de conformiteit ervan.
32 De omstandigheid dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde apparatuur gebruikmaakt van een niet-geharmoniseerde frequentie kan, gelet op artikel 6, lid 4, van richtlijn 1999/5, evenmin afdoen aan deze beoordeling. De in deze bepaling vastgestelde procedureregel legt de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of de persoon die verantwoordelijk is voor het op de markt brengen van de apparatuur, slechts de verplichting op om de voor spectrumbeheer verantwoordelijke nationale autoriteit in kennis te stellen van zijn voornemen deze apparatuur op de markt van die lidstaat te brengen. Deze procedureregel beoogt de uitvoering van richtlijn 1999/5 in het nationale recht te begeleiden, maar biedt de lidstaten geenszins de mogelijkheid voorwaarden te verbinden aan het in artikel 6, lid 1, tweede volzin, van deze richtlijn neergelegde verbod, of de toepassing daarvan te beperken (zie arrest van 20 juni 2002, Radiosistemi, C‑388/00 en C‑429/00, Jurispr. blz. I‑5845, punt 53).
33 Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat de lidstaten een persoon die radioapparatuur op de markt brengt, op grond van richtlijn 1999/5 niet kunnen verplichten een verklaring van overeenstemming af te geven, ook al heeft de producent van deze apparatuur, die in een andere lidstaat is gevestigd, dit product van het CE-merkteken voorzien en hiervoor een verklaring van overeenstemming opgesteld.
Uitlegging van richtlijn 2001/95
34 Met zijn tweede tot en met vijfde en tiende vraag, die samen dienen te worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een distributeur van radioapparatuur op grond van de bepalingen van richtlijn 2001/95 kan worden beschouwd als de producent van dit product, zonder dat hij aan de productie heeft deelgenomen en zonder dat zijn activiteit een negatieve invloed heeft op de veiligheidskenmerken van het product, en of hij kan worden verplicht een verklaring van overeenstemming op te stellen die de technische gegevens van de betrokken apparatuur omvat, dan wel of hem de verplichtingen van de producent kunnen worden opgelegd wanneer deze de betrokken producten niet in de handel brengt.
35 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat richtlijn 2001/95 volgens artikel 1, lid 2, ervan niet van toepassing is wanneer er specifieke communautaire regelingen bestaan die de veiligheid van de betrokken producten regelen en op hetzelfde doel gericht zijn.
36 Zoals met name de Belgische regering en de Commissie in wezen stellen, vormt richtlijn 1999/5 een dergelijke specifieke regeling met betrekking tot de verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur.
37 Richtlijn 2001/95 en de definities van de woorden „producent” en „distributeur” in artikel 2, sub e en f, ervan zijn dus niet van toepassing voor zover het gaat om de beoordeling van vragen die betrekking hebben op de verplichting van een persoon om een verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur af te geven.
38 Voor zover de verwijzende rechter wenst te vernemen of een lidstaat een distributeur bepaalde uit richtlijn 2001/95 voortvloeiende verplichtingen kan opleggen die normalerwijs op de producenten rusten, dient te worden vastgesteld dat de aan het Hof overgelegde stukken geen aanwijzingen bevatten dat distributeurs van radioapparatuur in Hongarije nog andere verplichtingen hebben dan die tot afgifte van een verklaring van overeenstemming.
39 In het kader van het onderzoek naar de specifieke verplichtingen die uit richtlijn 2001/95 voortvloeien, dient hoe dan ook te worden vastgesteld dat een persoon die een product in de handel brengt, slechts onder de in artikel 2, sub e, van deze richtlijn gestelde voorwaarden als de producent ervan en onder de in artikel 2, sub f, gestelde voorwaarden als de distributeur ervan kan worden beschouwd. Op de producent en de distributeur kunnen slechts die verplichtingen rusten die voor elk van hen in richtlijn 2001/95 zijn vastgelegd.
40 Bijgevolg dient op de tweede tot en met de vijfde en de tiende vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2001/95 niet van toepassing is op de vraag of een persoon verplicht is om een verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur af te geven. Wat de bevoegdheid van de lidstaten betreft om op grond van richtlijn 2001/95 personen die radioapparatuur in de handel brengen andere verplichtingen op te leggen dan die tot afgifte van een verklaring van overeenstemming, dient te worden vastgesteld dat een persoon die een product in de handel brengt, slechts onder de in artikel 2, sub e, van deze richtlijn gestelde voorwaarden als de producent ervan en onder de in artikel 2, sub f, gestelde voorwaarden als de distributeur ervan kan worden beschouwd. Op de producent en de distributeur kunnen slechts die verplichtingen rusten die voor elk van hen in richtlijn 2001/95 zijn vastgelegd.
Uitlegging van artikel 30 EG
41 De zesde tot en met de negende vraag, die samen dienen te worden behandeld, betreffen de eventuele gronden die een lidstaat kan aanvoeren ter rechtvaardiging van belemmeringen van het vrije verkeer van radioapparatuur die het EC-overeenstemmingsmerkteken draagt, alsook de uitlegging van artikel 30 EG.
42 Zoals met name de Commissie stelt, moeten, wanneer op communautair niveau een geharmoniseerde regeling is getroffen voor een bepaalde materie, alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen worden getoetst aan de bepalingen van de harmonisatiemaatregel en niet aan de artikelen 28 EG en 30 EG (zie arrest van 13 december 2001, DaimlerChrysler, C‑324/99, Jurispr. blz. I‑9897, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Richtlijn 1999/5 bevat specifieke voorschriften betreffende de verplichting een verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur af te geven. Uit de tekst en de doelstelling van deze richtlijn vloeit voort dat zij binnen haar werkingssfeer een volledige harmonisatie beoogt. Daaruit volgt dat de lidstaten zich op de onder deze richtlijn vallende gebieden volledig naar deze richtlijn moeten voegen en geen daarmee strijdige nationale bepalingen mogen handhaven (zie arrest ATRAL, reeds aangehaald, punt 44).
44 Het vrije verkeer van binnen de werkingssfeer van richtlijn 1999/5 vallende apparatuur die wordt geacht te voldoen aan de hierin bedoelde essentiële eisen en dus aan de veiligheidsnormen ervan, mag slechts worden belemmerd onder de voorwaarden die in deze richtlijn zelf zijn vastgesteld. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat overeenstemming met een geharmoniseerde norm niet garandeert dat wordt voldaan aan de in deze richtlijn bedoelde essentiële eisen waarop deze norm betrekking heeft, kan deze lidstaat krachtens artikel 5 van deze richtlijn deze aangelegenheid onder de aandacht van het comité brengen. Wanneer de geharmoniseerde normen op bepaalde punten niet aan de essentiële eisen voldoen, kunnen deze normen slechts worden ingetrokken overeenkomstig de procedure van artikel 5 van richtlijn 1999/5. In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de bij richtlijn 1999/5 ingevoerde regeling verzekert dat aan de essentiële eisen van deze richtlijn wordt voldaan.
45 Bovendien kan een lidstaat, zoals de Commissie opmerkt, wanneer hij ter ondersteuning van een beperking gronden aanvoert die geen verband houden met het door richtlijn 1999/5 geharmoniseerde gebied, verwijzen naar artikel 30 EG. In dat geval kan de lidstaat zich slechts beroepen op een van de in artikel 30 EG omschreven gronden van algemeen belang of op een van de in de rechtspraak van het Hof erkende dwingende vereisten (zie met name arrest van 20 februari 1979, Rewe-Zentral, „Cassis de Dijon”, 120/78, Jurispr. blz. 649, punt 8). In beide gevallen moet de beperking de verwezenlijking van het nagestreefde doel kunnen garanderen en mag zij niet verder gaan dan hiervoor nodig is (zie reeds aangehaalde arresten Radiosistemi, punt 42, en ATRAL, punt 64).
46 Gelet op het bovenstaande dient op de zesde tot en met de negende vraag te worden geantwoord dat wanneer op communautair niveau een geharmoniseerde regeling voor een bepaalde materie is getroffen, alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen moeten worden getoetst aan de bepalingen van deze harmonisatiemaatregel en niet aan de artikelen 28 EG en 30 EG. Op de onder richtlijn 1999/5 vallende gebieden moeten de lidstaten zich volledig naar de bepalingen van deze richtlijn voegen en mogen zij geen daarmee strijdige nationale bepalingen handhaven. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat overeenstemming met een geharmoniseerde norm niet garandeert dat wordt voldaan aan de in richtlijn 1999/5 bedoelde essentiële eisen waaraan deze norm wordt geacht tegemoet te komen, moet deze lidstaat de procedure van artikel 5 van deze richtlijn volgen. Anderzijds kan een lidstaat ter ondersteuning van een beperking gronden aanvoeren die geen verband houden met het door richtlijn 1999/5 geharmoniseerde gebied. In dat geval kan hij zich slechts beroepen op de in artikel 30 EG genoemde gronden of op dwingende vereisten van algemeen belang.
Kosten
47 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Achtste kamer) verklaart voor recht:
1) De lidstaten kunnen op grond van richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, een persoon die radioapparatuur op de markt brengt, niet verplichten een verklaring van overeenstemming af te geven, ook al heeft de producent van deze apparatuur, die in een andere lidstaat is gevestigd, dit product van het CE-merkteken voorzien en hiervoor een verklaring van overeenstemming opgesteld.
2) Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, is niet van toepassing op de vraag of een persoon verplicht is om een verklaring van overeenstemming voor radioapparatuur af te geven. Wat de bevoegdheid van de lidstaten betreft om op grond van richtlijn 2001/95 personen die radioapparatuur in de handel brengen andere verplichtingen op te leggen dan die tot afgifte van een verklaring van overeenstemming, dient te worden vastgesteld dat een persoon die een product in de handel brengt, slechts onder de in artikel 2, sub e, van deze richtlijn gestelde voorwaarden als de producent ervan en onder de in artikel 2, sub f, gestelde voorwaarden als de distributeur ervan kan worden beschouwd. Op de producent en de distributeur kunnen slechts die verplichtingen rusten die voor elk van hen in richtlijn 2001/95 zijn vastgelegd.
3) Wanneer op communautair niveau een geharmoniseerde regeling voor een bepaalde materie is getroffen, moeten alle daarop betrekking hebbende nationale regelingen worden getoetst aan de bepalingen van deze harmonisatiemaatregel en niet aan de artikelen 28 EG en 30 EG. Op de onder richtlijn 1999/5 vallende gebieden moeten de lidstaten zich volledig naar de bepalingen van deze richtlijn voegen en mogen zij geen daarmee strijdige nationale bepalingen handhaven. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat overeenstemming met een geharmoniseerde norm niet garandeert dat wordt voldaan aan de in richtlijn 1999/5 bedoelde essentiële eisen waaraan deze norm wordt geacht tegemoet te komen, moet deze lidstaat de procedure van artikel 5 van deze richtlijn volgen. Anderzijds kan een lidstaat ter ondersteuning van een beperking gronden aanvoeren die geen verband houden met het door richtlijn 1999/5 geharmoniseerde gebied. In dat geval kan hij zich slechts beroepen op de in artikel 30 EG genoemde gronden of op dwingende vereisten van algemeen belang.
ondertekeningen
* Procestaal: Hongaars.
Full & Egal Universal Law Academy