ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
15 oktober 2009 (*)
„Niet-nakoming – Verordening (EG) nr. 850/1998 – Artikel 29, lid 2 – Beperkingen ten aanzien van visserij op schol – Maximaal motorvermogen van vissersvaartuigen – Verordening (EEG) nr. 2847/93 – Artikel 2, lid 1 – Verordening (EG) nr. 2371/2002 – Artikel 23 – Controle en handhaving ten aanzien van regels”
In zaak C‑232/08,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 28 mei 2008,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en K. Banks als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. de Grave en C. Wissels als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: P. Lindh (rapporteur), president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, A. Ó Caoimh en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door toe te laten dat vissersvaartuigen een hoger motorvermogen hebben dan is toegestaan uit hoofde van artikel 29, lid 2, van verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125, p.1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 (PB L 345, blz. 5; hierna: „verordening nr. 850/98”), de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 23 van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358, blz. 59, met rectificatie in PB 2004, L 240, blz. 17), en artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 261, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 (PB L 128, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2847/93”).
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
2 Artikel 29 van verordening nr. 850/98 heeft als opschrift „Voorwaarden die gelden voor belangrijke kinderkamers voor schol”, en voorziet in lid 1 in een verbod op het gebruik van bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig door vaartuigen langer dan acht meter in bepaalde geografische zones. Die geografische zones worden doorgaans aangeduid als de „scholbox”.
3 Volgens artikel 29, lid 2, sub c, van verordening nr. 850/98 mogen vaartuigen die in het bezit zijn van een speciaal visdocument en voldoen aan de voorwaarden waarin is voorzien bij lid 2, sub a en b, van dat artikel 29, in de „scholbox” vissen, mits zij aan de volgende criteria voldoen:
– voorkomen op een door elke lidstaat aan de Commissie toe te zenden lijst, die zo is samengesteld dat het totale motorvermogen per lidstaat dat van 1 januari 1998 niet overschrijdt;
– een motorvermogen hebben dat 221 kW nooit overschrijdt en, in geval van een afgestelde motor, vóór de afstelling niet meer dan 300 kW bedroeg.
4 Artikel 29, lid 2, sub f, van verordening nr. 850/98 bepaalt dat van vissersvaartuigen die niet voldoen aan de criteria van dat lid, het speciaal visdocument wordt ingetrokken.
5 De beperking met betrekking tot het motorvermogen van vissersvaartuigen was voordien opgenomen in artikel 9, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB L 288, blz. 1).
6 Artikel 23 van verordening nr. 2371/2002 luidt:
„1. Tenzij in communautaire regelgeving anders is bepaald, dragen de lidstaten zorg voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving ten aanzien van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid.
2. De lidstaten controleren de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid op hun grondgebied of in de wateren onder hun soevereiniteit of jurisdictie worden uitgevoerd. Ten aanzien van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, en onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de vlaggenstaat voor hun onderdanen, oefenen zij ook controle uit op de toegang tot de wateren en hulpbronnen en de visserijactiviteiten buiten de communautaire wateren. Zij zijn verantwoordelijk voor het plaatsen van waarnemers aan boord van vissersvaartuigen en voor het nemen van passende besluiten, onder meer het verbieden van visserijactiviteiten.
3. De lidstaten treffen de maatregelen, wijzen de financiële en personele middelen toe en zetten de administratieve en technische structuren op die voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving noodzakelijk zijn, met inbegrip van satellietvolgsystemen. [...]”
7 Artikel 25 van die verordening draagt het opschrift „Vervolgactie bij inbreuken”, en bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Wanneer de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd zien de lidstaten erop toe dat tegen de verantwoordelijke natuurlijke personen of rechtspersonen passende maatregelen worden getroffen waaronder administratieve maatregelen of strafvervolging overeenkomstig hun nationale recht.
2. De overeenkomstig lid 1 ingeleide procedures moeten er, conform de ter zake doende bepalingen van de nationale wetgeving, toe kunnen leiden dat de verantwoordelijken het economische voordeel van de inbreuken daadwerkelijk verliezen en dat resultaten behaald worden die in verhouding staan tot de ernst van die inbreuken, zodat verdere overtredingen van dezelfde aard effectief worden ontmoedigd.”
8 Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2847/93 luidt als volgt:
„Teneinde te waarborgen dat alle geldende regelingen worden nageleefd, controleert, inspecteert en bewaakt iedere lidstaat op zijn grondgebied en in de onder zijn soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren alle activiteiten op visserijgebied en met name de visvangst, de activiteiten in verband met het overladen, de aanvoer, de verkoop, het vervoer en de opslag van visserijproducten en het noteren van de aanvoer en de verkoop. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om een optimale controle op hun grondgebied en in de onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallende maritieme wateren te waarborgen, rekening houdend met hun specifieke situatie.”
9 Artikel 31, leden 1 en 2, van die verordening bepaalt:
„1. Wanneer de lidstaten, met name na een controle of inspectie op grond van deze verordening, constateren dat de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd, zien zij erop toe dat passende maatregelen worden getroffen, daaronder begrepen de inleiding, overeenkomstig hun nationale wetgeving, van een administratieve of strafrechtelijke actie tegen de verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersonen.
2. De krachtens lid 1 ingeleide actie moet er, overeenkomstig de relevante bepalingen van de nationale wetgeving, voor kunnen zorgen dat het economisch voordeel van de verantwoordelijke personen wordt tenietgedaan, of leiden tot resultaten die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding, zodat verdere overtredingen van hetzelfde type effectief worden ontraden.”
Nationale regeling
10 Het Koninkrijk der Nederlanden verwijst naar zijn visserijwetgeving en in het bijzonder naar de artikelen 5 en 6 van de Regeling visvergunning van 29 december 2003 (Stcrt. 2003, 252), zoals nadien gewijzigd, alsook naar artikel 4, lid 2, sub a, van de Regeling technische maatregelen 2000 (Stcrt. 1999, 252), zoals nadien herhaaldelijk gewijzigd.
11 Naast deze regelingen zijn met de Nederlandse visserijsector gemaakte afspraken vastgelegd in een privaat arrangement, waarvan de inhoud is uiteengezet in een brief van 24 mei 2005 van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (hierna: „privaat arrangement”).
12 Dat arrangement voorziet in een gefaseerde reductie van het motorvermogen van vissersvaartuigen tot 221 kilowatt (dit komt overeen met 300 pk), het niveau waarin is voorzien bij artikel 29, lid 2, van verordening nr. 850/98, op 1 mei 2009.
13 Wat de periode vóór die datum betreft, bepaalt het private arrangement het volgende:
– indien de motor een capaciteit heeft van meer dan 400 pk, moet deze worden teruggebracht tot dat vermogen en moet de motor worden verzegeld om te voorkomen dat het vermogen nadien weer wordt verhoogd,
– vaartuigen met een initieel vermogen van minder dan 400 pk moeten op het bestaande vermogen worden verzegeld, en
– het vermogen van de nieuwgebouwde vaartuigen wordt direct op 300 pk afgesteld.
14 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft gepreciseerd dat op overtredingen van deze regeling boeten staan van 5 000 EUR tot 35 000 EUR, afhankelijk van de geconstateerde overtreding.
15 Die lidstaat heeft tevens verklaard dat 85 % van de onder de Nederlandse vlag varende vaartuigen die in de „scholbox” vissen, aan het private arrangement deelnemen. Deze moeten steekproefsgewijs door de algemene inspectiedienst (AID) worden gecontroleerd, terwijl de overige 15 % van de vaartuigen systematisch door deze inspectiedienst moet worden gecontroleerd.
16 Voornoemde lidstaat heeft voorts verklaard dat bij de controle van het motorvermogen van de vaartuigen een op het advies van een onafhankelijke groep deskundigen gebaseerde tolerantiemarge van 12,5 % wordt toegepast.
Precontentieuze procedure
17 Nadat de Commissie twee tegen de Nederlandse autoriteiten gerichte klachten had ontvangen, heeft zij een niet-nakomingsprocedure ingeleid door het Koninkrijk der Nederlanden op 18 oktober 2005 een aanmaningsbrief te sturen.
18 Bij schrijven van 15 december 2005 heeft het Koninkrijk der Nederlanden op die brief geantwoord dat het private arrangement een aanvulling vormde op de bestaande handhavingsmaatregelen, die voldeden aan de in artikel 23 van verordening nr. 2371/2002 vermelde verplichtingen.
19 Aangezien dit antwoord de Commissie niet kon overtuigen, heeft zij op 18 oktober 2006 het Koninkrijk der Nederlanden een met redenen omkleed advies toegezonden, met het verzoek om aan dit advies te voldoen binnen een termijn van twee maanden na de betekening ervan.
20 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft op dit met redenen omkleed advies geantwoord bij brief van 19 december 2006, waarin het zijn standpunt herhaalde.
21 Daar de Commissie geen genoegen kon nemen met dat antwoord, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
22 De Commissie verwijt het Koninkrijk der Nederlanden dat het welbewust overtredingen van de norm met betrekking tot het in artikel 29, lid 2, van verordening nr. 850/98 toegestane maximale motorvermogen toelaat.
23 Deze situatie vloeit enerzijds voort uit de uitvoering van het private arrangement, op grond waarvan de maximale norm tot 1 mei 2009 kon worden overschreden, en anderzijds uit de toepassing van de tolerantiemarge van 12,5 % bij de controles.
24 Het Koninkrijk der Nederlanden betwist dat het zijn verplichtingen niet is nagekomen. Het benadrukt dat het private arrangement en de tolerantiemarge van 12,5 % slechts een aanvulling zijn op de relevante nationale regeling. Die regeling omvat met name de in punt 10 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorschriften en is volledig in overeenstemming met het gemeenschapsrecht.
25 Die lidstaat zet uiteen dat hij, ondanks het bestaan van die regeling, niet tevreden was met de voorwaarden waaronder de naleving van de voorschriften inzake het motorvermogen van de vissersvaartuigen werd verzekerd. Daarom heeft hij bijkomende maatregelen genomen in de vorm van het private arrangement.
26 Volgens het Koninkrijk der Nederlanden is dankzij het private arrangement de naleving van de normen aantoonbaar en structureel verbeterd. Het benadrukt dat „[d]oor gedurende een beperkte overgangsperiode een relatief lichte overtreding toe te laten, meer vissers bereid [waren] mee te doen met het arrangement”.
De overgangstermijn tot 1 mei 2009
27 De Commissie herinnert eraan dat het maximaal toegestane motorvermogen krachtens artikel 29, lid 2, sub c, van verordening nr. 850/98 en de daaraan voorafgaande bepaling, op 300 pk is vastgesteld.
28 Het private arrangement maakt het evenwel mogelijk die grens te overschrijden door het maximumvermogen in bepaalde gevallen vast te stellen op 400 pk.
29 De Commissie betwist niet dat de lidstaten prioriteiten mogen vaststellen bij het toezicht op de naleving van het gemeenschapsrecht. Een dergelijke prioritering mag evenwel geen afbreuk doen aan de verplichting om zorg te dragen voor een doeltreffende uitvoering van de controlemaatregelen, teneinde de naleving van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Een prioritering die tot gevolg heeft dat bewust en systematisch wordt afgezien van handhavend optreden tegen schendingen van de maximumnorm gedurende de periode tot 1 mei 2009, voldoet naar de mening van de Commissie niet aan de verplichting die is neergelegd in artikel 23 van verordening nr. 2371/2002.
30 Volgens de Commissie werd deze conclusie overigens bevestigd door de Rechtbank te ’s‑Gravenhage, die in het kader van een kort geding aangespannen door de Stichting Duurzame Kustvisserij tegen de Staat der Nederlanden op 19 april 2006 heeft geoordeeld dat het private arrangement niet strookt met het voorschrift van artikel 29, lid 2, sub c, van verordening nr. 850/98.
31 Het Koninkrijk der Nederlanden zet uiteen dat, gelet op de tijd en de investeringen die zijn gemoeid met de noodzakelijke aanpassingen aan de motoren, was gekozen voor een procedure waarbij het motorvermogen van de vissersvaartuigen tot 1 mei 2009 gefaseerd werd teruggebracht. In zijn verweerschrift stelt het nog dat op korte termijn – uiterlijk op voormelde datum – alle vaartuigen aan de gemeenschapsnormen zullen voldoen.
32 Die lidstaat voert aan dat de lidstaten over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken bij de uitvoering van die normen en bij de controle op de toepassing ervan, en betoogt dat het private arrangement alsook het gefaseerde terugbrengen van het motorvermogen een vorm van prioritering zijn.
33 Het Koninkrijk der Nederlanden stelt het standpunt te betwisten dat de Rechtbank te ’s‑Gravenhage heeft ingenomen in haar vonnis van 19 april 2006, waartegen het overigens hoger beroep heeft ingesteld. Uitspraak in dit hoger beroep wordt niet verwacht vóór eind 2009.
34 Het Koninkrijk der Nederlanden voert aan dat sancties passend en noodzakelijk dienen te zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel. Het betoogt dat lidstaten onder omstandigheden zelfs moeten kunnen afzien van sanctieoplegging. Volgens die lidstaat kan bij de overtreding van een specifieke norm – tijdelijk – worden afgezien van een sanctie onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat, ten eerste, het niveau van naleving verbetert, en ten tweede, binnen afzienbare tijd de norm volledig zal worden nageleefd.
De tolerantiemarge van 12,5 %
35 De Commissie acht de toepassing van de tolerantiemarge van 12,5 % niet aanvaardbaar. In de eerste plaats voorziet artikel 29 van verordening nr. 850/98 niet in een dergelijke tolerantiemarge. In de tweede plaats heeft de systematische toepassing van die tolerantiemarge tot gevolg dat feitelijk een hoger motorvermogen dan 300 pk wordt toegelaten.
36 Hoewel er sprake kan zijn van bepaalde onzekere factoren die het motorvermogen van vissersvaartuigen kunnen beïnvloeden, zoals mechanische afwijkingen of verschillen in brandstofkwaliteit, acht de Commissie het onaanvaardbaar dat het Koninkrijk der Nederlanden er in alle gevallen bij voorbaat van uitgaat dat alle onzekerheidsfactoren zich voordoen en zo elke bewijslast van de visser wegneemt.
37 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk der Nederlanden de doeltreffendheid van de specifieke maatregelen voor de instandhouding van het scholbestand in de Noordzee ondermijnt.
38 Het Koninkrijk der Nederlanden zet uiteen dat de marge van 12,5 % wordt toegepast op iedere visser, ongeacht of de betrokkene deelneemt aan het private arrangement. Het preciseert dat het zich heeft gebaseerd op het advies van een onafhankelijke groep deskundigen, volgens hetwelk een combinatie van technische en externe factoren ervoor kan zorgen dat een op 300 pk afgestelde motor toch een hoger vermogen te zien geeft. Zonder die marge kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de gemeten overschrijding een daadwerkelijke overschrijding is en niet te wijten is aan externe factoren.
39 Volgens het Koninkrijk der Nederlanden aanvaardt de Commissie zelf dat externe factoren, zoals het klimaat of de brandstofkwaliteit, het motorvermogen kunnen beïnvloeden, en in aanmerking worden genomen bij de afstelling van de motor. Het Koninkrijk der Nederlanden is van mening dat het hanteren van een tolerantiemarge bij de toepassing van een sanctie juister is en het mogelijk maakt lange discussies voor de nationale strafrechter te voorkomen.
40 Die lidstaat concludeert dat zijn wetgeving, aangevuld met het private arrangement, het hoogst haalbare effect sorteert, gegeven de ook door de Commissie erkende grote technische mogelijkheden om de normen inzake het motorvermogen van vissersvaartuigen te ontduiken.
Beoordeling door het Hof
41 Artikel 29 van verordening nr. 850/98 legt beperkingen op aan vissersvaartuigen die in de „scholbox” opereren. Zo bepaalt het in lid 2, sub c, dat het motorvermogen van bepaalde vissersvaartuigen niet hoger mag zijn dan 300 pk.
42 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de naleving van de communautaire regels voor de lidstaten een dwingende verplichting is met het oog op de bescherming van de visgronden, de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en de duurzame en evenwichtige exploitatie daarvan onder passende economische en sociale omstandigheden (arresten van 12 juli 2005, Commissie/Frankrijk, C‑304/02, Jurispr. blz. I‑6263, punt 34, en 22 december 2008, Commissie/Spanje, C‑189/07, punt 36).
43 Met het oog daarop leggen artikel 2 van verordening nr. 2847/93 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 2371/2002 de lidstaten de verplichting op om erop toe te zien dat de visserijactiviteiten worden uitgeoefend met eerbiediging van de communautaire voorschriften.
44 Artikel 31, leden 1 en 2, van verordening nr. 2847/93 en artikel 25, leden 1 en 2, van verordening nr. 2371/2002 bepalen dat de lidstaten passende maatregelen treffen wanneer wordt geconstateerd dat de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid niet zijn nageleefd, en de vastgestelde overtredingen gerechtelijk vervolgen. De ingeleide actie moet ervoor kunnen zorgen dat het uit de overtreding voortvloeiende economisch voordeel van de verantwoordelijke personen wordt tenietgedaan, of leiden tot resultaten die in verhouding staan tot de ernst van de overtreding, zodat verdere overtredingen van hetzelfde type effectief worden ontmoedigd.
45 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de verplichting van de lidstaten om erop toe te zien dat overtredingen van de communautaire regeling effectief, evenredig en afschrikkend worden bestraft, op het gebied van de visserij van levensbelang is. Zouden de bevoegde autoriteiten van een lidstaat namelijk stelselmatig afzien van vervolging van degenen die dergelijke overtredingen begaan, dan zouden zowel de instandhouding en het beheer van de visbestanden als de eenvormige toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid in gevaar komen (reeds aangehaalde arresten Commissie/Frankrijk, punt 69, en Commissie/Spanje, punt 39).
46 In het licht van die overwegingen moet worden onderzocht of het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 29, lid 2, van verordening nr. 850/98, artikel 23 van verordening nr. 2371/2002, en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2847/93.
47 In dat verband staat enerzijds vast dat de Nederlandse autoriteiten tot 1 mei 2009 een overschrijding hebben toegestaan van het in artikel 29, lid 2, van verordening nr. 850/98 bedoelde maximale motorvermogen, door in het private arrangement vast te stellen dat dit vermogen 400 pk mocht bedragen in plaats van het in die verordening vastgestelde vermogen van 300 pk, en anderzijds, dat die autoriteiten bij de controles op algemene wijze een systematische tolerantiemarge van 12,5 % toepassen.
48 Artikel 29, lid 2, sub c, van verordening nr. 850/98 voorziet evenwel in een dwingende regel die de lidstaten moeten doen naleven. Die verordening voorziet niet in een tolerantiemarge bij de toepassing van die bepaling. Overigens moet die bepaling, die een afwijking vormt van het verbod voor bepaalde vaartuigen om in de „scholbox” te vissen, hoe dan ook strikt worden uitgelegd.
49 De omstandigheid dat de Nederlandse regelgeving – voor het overige – in overeenstemming zou zijn met de communautaire voorschriften is irrelevant, aangezien niet wordt betwist dat de Nederlandse autoriteiten, wat de vissers die deelnemen aan het private arrangement betreft, slechts verlangen dat het in het arrangement voorgeschreven motorvermogen van vaartuigen in acht wordt genomen, en de naleving daarvan slechts ten aanzien van het arrangement controleren. Evenmin wordt betwist dat er bij de controles stelselmatig een tolerantiemarge van 12,5 % wordt gehanteerd.
50 Het Koninkrijk der Nederlanden heeft overigens in zijn verweerschrift erkend dat het een – naar eigen zeggen lichte – overtreding op de communautaire regeling tolereerde.
51 De moeilijkheden die de Nederlandse vissers, en zelfs andere vissers uit de Gemeenschap, ondervonden om te voldoen aan de gemeenschapsregeling, vormen evenmin een geldig verweer. Zo bij het Koninkrijk der Nederlanden de wens bestond om een overgangsperiode in te voeren, had het immers gebruik moeten maken van de communautaire procedure, in plaats van eenzijdig te handelen en de voordelen verbonden aan een maatregel, die reeds op zichzelf onverenigbaar was met de erkende noodzaak van instandhoudingsmaatregelen, voor te behouden aan de eigen nationale vissersvloot (zie in die zin arrest van 10 juli 1980, Commissie/Verenigd Koninkrijk, 32/79, Jurispr. blz. 2403, punten 27 en 29).
52 De bepalingen van het private arrangement alsook de tolerantiemarge van 12,5 % zijn in strijd met de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht en kunnen, zoals de Commissie terecht aanvoert, afdoen aan de bescherming van het scholbestand in de Noordzee.
53 Door in het private arrangement te voorzien in een maximaal vermogen dat hoger is dan het in artikel 29, lid 2, sub c, van verordening nr. 850/98 vastgestelde maximale vermogen, en door een tolerantiemarge van 12,5 % te hanteren, en aldus het uit hoofde van dat artikel toegestane maximale vermogen in dezelfde mate te verhogen, heeft het Koninkrijk der Nederlanden derhalve inbreuk gemaakt op de bepalingen van dat artikel.
54 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden, door toe te laten dat vissersvaartuigen een hoger motorvermogen hebben dan is toegestaan uit hoofde van artikel 29, lid 2, van verordening nr. 850/98, de krachtens artikel 23 van verordening nr. 2371/2002 en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 2847/93 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
55 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Zevende kamer) verklaart:
1) Door toe te laten dat vissersvaartuigen een hoger motorvermogen hebben dan is toegestaan uit hoofde van artikel 29, lid 2, van verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005, is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 23 van verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid, en artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy