Zaak C‑274/08
Commissie van de Europese Gemeenschappen
tegen
Koninkrijk Zweden
„Niet-nakoming – Richtlijn 2003/54/EG – Artikel 15, lid 2 – Artikel 23, lid 2 – Interne markt voor elektriciteit – Voorafgaande goedkeuring van methoden voor berekenen of vastleggen van voorwaarden inzake aansluiting op en toegang tot nationale netwerken, inclusief transmissie‑ en distributietarieven – Nationale regelgevende instantie”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Maatregelen ter verwezenlijking en inzake werking van interne elektriciteitsmarkt – Richtlijn 2003/54 – Regeling van toegang tot netwerken
(Richtlijn 2003/54 van het Europees Parlement en de Raad, art. 23, lid 2, sub a)
Een lidstaat komt de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens richtlijn 2003/54 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92, wanneer hij de regelgevende instantie niet verantwoordelijk maakt voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, overeenkomstig artikel 23, lid 2, sub a, van deze richtlijn.
Een lidstaat mag immers niet afwijken van de in een richtlijn uitdrukkelijk voorziene bepalingen, ook wanneer de door deze lidstaat voorgestelde uitvoering of uitlegging van een bepaling van deze richtlijn strookt of zelfs beter strookt met bepaalde doelstellingen van de richtlijn. Een lidstaat kan voor de naleving van de vereisten van richtlijn 2003/54 niet volstaan met de toepassing van een systeem waarin de gebruikte methode voor het vastleggen van met name de transmissie‑ en distributietarieven voor elektriciteit a posteriori wordt gecontroleerd, zelfs indien deze controle even doeltreffend zou zijn als een voorafgaande controle, en dit omdat de richtlijn uitdrukkelijk voorziet in een systeem van voorafgaande goedkeuring en de lidstaten niet de mogelijkheid biedt een ander systeem toe te passen. Uit de tekst van artikel 23, lid 2, sub a, van deze richtlijn blijkt dat de nationale regelgevende instanties verantwoordelijk zijn voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, en dat deze tarieven of methoden het mogelijk moeten maken dat de noodzakelijke investeringen in de netwerken op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netwerken kunnen waarborgen. Het doel van de richtlijn kan bijgevolg slechts worden bereikt door de vaststelling van concrete tarieven of van een methode voor de berekening van de tarieven die zo nauwkeurig is dat de marktdeelnemers kunnen ramen hoeveel de toegang tot de transmissie‑ en distributienetwerken kost.
(cf. punten 33‑34, 37, 40, 43 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
29 oktober 2009 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 2003/54/EG – Artikel 15, lid 2 – Artikel 23, lid 2 – Interne markt voor elektriciteit – Voorafgaande goedkeuring van methoden voor berekenen of vastleggen van voorwaarden inzake aansluiting op en toegang tot nationale netwerken, inclusief transmissie‑ en distributietarieven – Nationale regelgevende instantie”
In zaak C‑274/08,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 25 juni 2008,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Schima en P. Dejmek als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door A. Falk als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,
griffier: N. Nanchev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2009,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden,
– door geen bepalingen vast te stellen om de functionele ontvlechting tussen de distributiebelangen en de productiebelangen in een verticaal geïntegreerd bedrijf te verzekeren, overeenkomstig artikel 15, lid 2, sub b en c, van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB L 176, blz. 37, en rectificatie PB 2004, L 16, blz. 74; hierna: „richtlijn”), en
– door de regelgevende instantie niet verantwoordelijk te maken voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, overeenkomstig artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn,
de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsrecht
2 Volgens punt 2 van de considerans van de richtlijn moeten concrete maatregelen worden vastgesteld om gelijke concurrentievoorwaarden op het niveau van de elektriciteitsproductie te waarborgen en het risico van marktdominantie en roofzuchtig marktgedrag te beperken, en moet worden gezorgd voor niet-discriminerende transmissie‑ en distributietarieven doordat toegang tot het net wordt verleend op basis van tarieven die gepubliceerd worden voordat zij in werking treden.
3 Luidens punt 6 van de considerans van de richtlijn „[is] [v]oor een goed werkende concurrentie vereist dat de toegang tot het netwerk niet-discriminerend en transparant is en tegen redelijke prijzen kan geschieden”.
4 Volgens punt 13 van de considerans van de richtlijn dienen verder nog maatregelen te worden getroffen om te zorgen voor transparante en niet-discriminerende tarieven voor de netwerktoegang, die op een niet-discriminerende basis voor alle systeemgebruikers moeten gelden.
5 Punt 15 van de considerans van de richtlijn luidt:
„De aanwezigheid van effectieve regelgeving, die door één of meer nationale regelgevende instanties wordt uitgevoerd, vormt een belangrijke factor bij het waarborgen van niet-discriminerende toegang tot het netwerk. De lidstaten specificeren de taken en de administratieve en andere bevoegdheden van de regelgevende instanties. Het is van belang dat de regelgevende instanties in alle lidstaten over dezelfde minimumbevoegdheden beschikken. Deze instanties moeten bevoegd zijn om de tarieven of ten minste de methoden voor de berekening van transmissie‑ en distributietarieven vast te stellen of goed te keuren. Om onzekerheid te voorkomen en kostbare en tijdrovende geschillen te vermijden, moeten deze tarieven worden gepubliceerd voordat ze in werking treden.”
6 Punt 18 van de considerans van de richtlijn luidt:
„De nationale regelgevende instanties moeten in staat zijn de tarieven of de methoden voor de berekening van de tarieven vast te stellen of goed te keuren op basis van een voorstel van de transmissiesysteembeheerder, of van de distributiesysteembeheerder(s), dan wel op basis van een voorstel dat is overeengekomen tussen deze systeembeheerder(s) en de gebruikers van het netwerk. Bij de uitvoering van deze taken dienen de nationale regelgevende instanties ervoor te zorgen dat de transmissie‑ en distributietarieven niet-discriminerend zijn en een weerspiegeling van de kosten vormen, en rekening te houden met de lange termijn, marginale, vermeden netwerkkosten van decentrale productie en vraagsturingsmaatregelen.”
7 Volgens de punten 26 en 31 van de considerans van de richtlijn behoren tot de doelstellingen van de richtlijn „gelijkwaardige mededingingsniveaus in alle lidstaten” en „de totstandbrenging van een volledig operationele interne elektriciteitmarkt die door eerlijke concurrentie wordt gekenmerkt”.
8 Volgens de definitie van artikel 2, punt 21, van de richtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder „verticaal geïntegreerd bedrijf”, „een bedrijf of groep van bedrijven waarvan de onderlinge betrekkingen gedefinieerd zijn in artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen [PB L 395, blz. 1, rectificatie PB 1990, L 257, blz. 13, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1310/97 van de Raad van 30 juni 1997, PB L 180, blz. 1], en waarbij het betrokken bedrijf/de betrokken groep ten minste één van de functies in de vorm van transmissie of distributie en ten minste één van de functies in de vorm van productie of levering van elektriciteit verricht”.
9 Artikel 15, betreffende de ontvlechting van distributienetbeheerders, dat deel uitmaakt van hoofdstuk V van de richtlijn, getiteld „Beheer van het distributiesysteem”, luidt:
„1. Wanneer de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een verticaal geïntegreerd bedrijf, moet hij, althans met betrekking tot zijn rechtsvorm, organisatie en besluitvorming, onafhankelijk van andere, niet met distributie samenhangende activiteiten zijn. Deze regels houden geen verplichting in om de eigendom van de activa van het distributiesysteem af te scheiden van het verticaal geïntegreerde bedrijf.
2. Wanneer de distributiesysteembeheerder deel uitmaakt van een verticaal geïntegreerd bedrijf, moet hij, naast de vereisten zoals bedoeld in lid 1, met betrekking tot zijn organisatie en besluitvorming onafhankelijk zijn van andere, niet met distributie samenhangende activiteiten. Om dit te bereiken, gelden de volgende minimumcriteria:
a) De personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de distributiesysteembeheerder maken geen deel uit van bedrijfsstructuren van het geïntegreerde elektriciteitsbedrijf die direct of indirect verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse beheer van de productie, transmissie of levering van elektriciteit.
b) Er worden passende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat op een zodanige wijze rekening wordt gehouden met de professionele belangen van de personen die verantwoordelijk zijn voor het bestuur van de distributiesysteembeheerder, dat gewaarborgd is dat zij onafhankelijk kunnen functioneren.
c) De distributiesysteembeheerder beschikt over effectieve bevoegdheden om onafhankelijk van het geïntegreerde elektriciteitsbedrijf besluiten te nemen met betrekking tot de activa die nodig zijn voor de exploitatie, het onderhoud of de ontwikkeling van het netwerk. Dit vormt geen beletsel voor passende coördinatieregelingen die ervoor moeten zorgen dat de rechten van de moedermaatschappij op economisch toezicht en beheerstoezicht met betrekking tot het rendement van de investering, zoals indirect geregeld overeenkomstig artikel 23, lid 2, in een dochtermaatschappij beschermd worden. Een en ander stelt de moedermaatschappij met name in staat het jaarlijkse financiële plan of enig vergelijkbaar instrument van de distributiesysteembeheerder goed te keuren en algemene grenzen voor de schuldenlast van de dochtermaatschappij vast te stellen. Het biedt de moedermaatschappij echter niet de mogelijkheid instructies te geven met betrekking tot de dagelijkse bedrijfsvoering of individuele besluiten over de aanleg of de verbetering van distributielijnen, die niet verder gaan dan de voorwaarden van het goedgekeurde financiële plan of enig vergelijkbaar instrument.
d) De distributiesysteembeheerder stelt een nalevingsprogramma vast met maatregelen om te waarborgen dat discriminerend gedrag uitgesloten is en zorgt ervoor dat er adequaat toezicht wordt gehouden op de naleving ervan. Het programma bevat de specifieke verplichtingen van de werknemers ter verwezenlijking van die doelstelling. De persoon of instantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op het nalevingsprogramma, dient bij de in artikel 23, lid 1, bedoelde regelgevende instantie jaarlijks een verslag in waarin de genomen maatregelen worden uiteengezet. Dit verslag wordt gepubliceerd.
De lidstaten kunnen besluiten lid 1 en het onderhavige lid niet toe te passen op geïntegreerde elektriciteitsbedrijven die minder dan 100 000 aangesloten afnemers bedienen, of die kleine geïsoleerde systemen bedienen.”
10 Artikel 20, betreffende de toegang van derden, maakt deel uit van hoofdstuk VII van de richtlijn, getiteld „Organisatie van de toegang tot het systeem”. Artikel 20, lid 1, bepaalt:
„De lidstaten dragen zorg voor de invoering van een systeem voor toegang van derden tot de transmissie‑ en distributiesystemen, gebaseerd op gepubliceerde tarieven die voor alle in aanmerking komende afnemers gelden en die objectief worden toegepast zonder onderscheid te maken tussen gebruikers van het systeem. De lidstaten zorgen ervoor dat deze tarieven of de aan de berekening daarvan ten grondslag liggende methoden voorafgaand aan hun toepassing worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 23 en dat deze tarieven en, wanneer alleen de methoden zijn goedgekeurd, de methoden worden gepubliceerd voordat zij in werking treden.”
11 Artikel 23, betreffende de regelgevende instanties, maakt eveneens deel uit van hoofdstuk VII van de richtlijn. De leden 2 tot en met 5 daarvan bepalen:
„2. De regelgevende instanties zijn verantwoordelijk voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake:
a) de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven. Deze tarieven of methoden maken het mogelijk dat de noodzakelijke investeringen in de netwerken op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netwerken kunnen waarborgen;
b) de verstrekking van balanceringsdiensten.
3. Onverminderd lid 2 kunnen de lidstaten voorschrijven dat de regelgevende instanties de tarieven of ten minste de in dat lid bedoelde methoden alsook de in lid 4 bedoelde wijzigingen aan de relevante instantie in de lidstaat voorleggen met het oog op een formeel besluit. De relevante instantie is in een dergelijk geval bevoegd om een door de regelgevende instantie voorgelegd ontwerpbesluit hetzij goed te keuren hetzij af te keuren. Deze tarieven, methoden of wijzigingen worden samen met het besluit inzake de formele aanneming bekendgemaakt. Elke formele afkeuring van een ontwerpbesluit wordt eveneens bekendgemaakt, met inbegrip van de motivering ervan.
4. De regelgevende instanties zijn bevoegd om zo nodig van de beheerders van transmissie‑ en distributiesystemen te verlangen dat zij de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde voorwaarden, tarieven, regels, mechanismen en methoden wijzigen om ervoor te zorgen dat deze evenredig zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast.
5. Partijen die een klacht hebben tegen de beheerder van een transmissie‑ of distributiesysteem over de in de leden 1, 2 en 4 bedoelde aangelegenheden, kunnen de klacht voorleggen aan de regelgevende instantie die, fungerend als geschillenbeslechtingsinstantie, binnen twee maanden na ontvangst van de klacht een beslissing neemt. Die periode kan met twee maanden worden verlengd indien de regelgevende instantie aanvullende informatie behoeft. Deze periode kan met instemming van de klager verder verlengd worden. Een dergelijke beslissing heeft bindende kracht tenzij of totdat zij in beroep wordt herroepen.
Wanneer een klacht betrekking heeft op aansluitingstarieven voor grote nieuwe productiefaciliteiten, kan de periode van twee maanden door de regelgevende instantie worden verlengd.”
12 Luidens artikel 30, lid 1, van de richtlijn doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Artikel 30, lid 2, bepaalt dat de lidstaten de toepassing van artikel 15, lid 1, mogen opschorten tot en met 1 juli 2007 onverminderd de vereisten zoals bedoeld in artikel 15, lid 2.
Nationaal recht
13 Volgens hoofdstuk 3, § 3, van de wet (2005:551) betreffende de naamloze vennootschap [Aktiebolagslag (2005:551)] is het doel van een naamloze vennootschap het maken van winst ten behoeve van de aandeelhouders ervan, behoudens andersluidende bepaling in de statuten van deze vennootschap. De bevoegdheden van de algemene vergadering van aandeelhouders zijn omschreven in hoofdstuk 7 van deze wet. Hoofdstuk 8 bevat bepalingen over de raad van bestuur en de president-directeur en bepaalt met name de belangrijkste taken van de raad van bestuur, de taken van de president-directeur en de algemene beperkingen van de bevoegdheden van de gemachtigde. Deze wet bevat in hoofdstuk 17, § 3, „Bescherming van vast eigen vermogen en behoedzaamheidsvoorschriften”, bepalingen die winstuitkeringen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij beperken.
14 In hoofdstuk 4 van de wet (1997:857) inzake elektriciteit [Ellag (1997:857)] zijn de netwerktarieven geregeld, terwijl hoofdstuk 12 betrekking heeft op regelgeving en controle. Deze hoofdstukken luiden:
„Hoofdstuk 4 – Netwerktarieven
Algemeen
§ 1 – De netwerktarieven worden zo vastgesteld dat de totale inkomsten die de concessiehouder haalt uit de exploitatie van het netwerk redelijk zijn in verhouding tot enerzijds de objectieve voorwaarden voor de exploitatie van een netwerk en anderzijds de wijze van exploitatie van het netwerk door de concessiehouder.
De netwerktarieven moeten objectief en niet-discriminerend zijn.
Bij de vaststelling van de netwerktarieven voor de transmissie van elektriciteit dient met name rekening te worden gehouden met het aantal aansluitingspunten, de geografische positie ervan, de hoeveelheid getransporteerde energie, het gecontracteerde vermogen, de kosten van het hogere netwerk en de kwaliteit van de transmissie van elektriciteit.
Bij de vaststelling van de netwerktarieven met het oog op aansluiting op een lijn of een circuit dient met name rekening te worden gehouden met de geografische positie van de aansluitingspunten en het gecontracteerde vermogen bij het aansluitingspunt.
De regering of de regelgevende netwerkinstantie, daartoe gemachtigd door eerstgenoemde, kan voorzien in meer gedetailleerde bepalingen voor de vaststelling van de netwerktarieven.
[...]
Hoofdstuk 12 – Regelgeving
[...]
§ 2 – Een regelgevende instantie kan de nodige informatie verlangen en stukken inzien met het oog op de regelgeving. Het verzoek kan gepaard gaan met een administratieve boete.
Krachtens lid 1 genomen besluiten zijn rechtstreeks van toepassing.
De regering of de netwerkreguleringsinstantie, daartoe gemachtigd door eerstgenoemde, kan voorzien in bepalingen voor het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor de beoordeling of de netwerktarieven billijk zijn.
§ 3 – Een regelgevende instantie kan bevelen geven om ervoor te zorgen dat de bepalingen en voorwaarden met betrekking tot de regelgeving worden nageleefd. Een bevel kan gepaard gaan met een administratieve boete.
Bevelen betreffende de elektrische veiligheid of de veiligheid van de werking van het nationale elektriciteitssysteem zijn rechtstreeks van toepassing.”
15 De administratieve instructies nr. 3 van 2003 van het Zweedse Energieagentschap [Statens energimyndighets författningssamling (STEMFS) (2003:3)], zoals gewijzigd bij de administratieve instructies nr. 2 van 2005 van dit agentschap [Statens energimyndighets författningssamling (STEMFS) (2005:2); hierna: „administratieve instructies”], bevatten gedetailleerde bepalingen over de verstrekking van gegevens voor de beoordeling of de netwerktarieven billijk zijn, de technische specificaties van de tarieven en regels met betrekking tot de verstrekking van gegevens aan de regelgevende instantie.
16 Overeenkomstig hoofdstuk 1, § 2, van de wet (2004:875) betreffende het afzonderlijke beheer van bepaalde elektrische installaties [Lag (2004:875) om särskild förvaltning av vissa elektriska anläggningar] kan het länsrätt (administratief gerecht), op verzoek van de netwerkreguleringsinstantie, het afzonderlijke beheer van een elektriciteitsinstallatie gelasten, indien een onderneming die een netwerk exploiteert dat gebruikmaakt van een elektriciteitsinstallatie, haar wezenlijke verplichtingen op grond van de toepasselijke wettelijke regeling niet nakomt.
Precontentieuze procedure
17 Aangezien de Commissie van mening was dat de artikelen 15, lid 2, sub b en c, en 23, lid 2, sub a en b, van de richtlijn door het Koninkrijk Zweden niet correct zijn omgezet, heeft zij de niet-nakomingsprocedure van artikel 226 EG ingeleid.
18 Na deze lidstaat te hebben aangemaand zijn opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie op 15 december 2006 een met redenen omkleed advies uitgebracht, daar zij van mening was dat de ingediende opmerkingen niet op alle punten volstonden. In het met redenen omkleed advies heeft zij het Koninkrijk Zweden verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na ontvangst daarvan gevolg te geven aan dit advies.
19 Het Koninkrijk Zweden heeft op 14 januari 2007 op het met redenen omkleed advies geantwoord met een uiteenzetting van de verschillende aspecten van de nationale regeling.
20 Daar het Koninkrijk Zweden volgens de Commissie nog steeds niet de nodige maatregelen had vastgesteld om de artikelen 15, lid 2, sub b en c, en 23, lid 2, sub a, van de richtlijn volledig om te zetten, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Eerste middel: schending van artikel 15, lid 2, sub b en c, van de richtlijn
21 Met dit middel voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Zweden geen bepalingen heeft vastgesteld om de functionele ontvlechting tussen de distributiebelangen en de productiebelangen in een verticaal geïntegreerd bedrijf te verzekeren, overeenkomstig artikel 15, lid 2, sub b en c, van de richtlijn.
22 In zijn verweerschrift betwist het Koninkrijk Zweden de conclusies van de Commissie in verband met de omzetting van artikel 15, lid 2, sub b en c, van de richtlijn niet. Het is weliswaar van mening dat zijn regeling inzake vennootschapsrecht grotendeels ertoe leidt dat de door deze bepaling voorgeschreven functionele ontvlechting tot stand wordt gebracht, maar geeft toe dat bepaalde specifieke maatregelen tot omzetting ervan nog moeten worden vastgesteld. Daaraan voegt het toe dat de regering een beroep heeft gedaan op de Energimarknadsinspektion (nationale inspectie van de elektriciteitsmarkt) om na te gaan welke wijzigingen in de wettelijke en/of bestuursrechtelijke regelingen noodzakelijk zijn voor de correcte omzetting van artikel 15 van de richtlijn, en om uiterlijk op 1 oktober 2008 een rapport in te dienen.
23 In casu staat vast dat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn nog niet alle nodige maatregelen waren vastgesteld om de betrokken bepalingen van de richtlijn in de Zweedse rechtsorde om te zetten.
24 Het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van deze termijn (zie arresten van 30 januari 2002, Commissie/Griekenland, C‑103/00, Jurispr. blz. I‑1147, punt 23, en 5 juni 2008, Commissie/Duitsland, C‑395/07, punt 8).
25 Bijgevolg dient het eerste middel gegrond te worden verklaard.
Tweede middel: schending van artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn
26 Met dit middel voert de Commissie aan dat artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn niet correct in de Zweedse rechtsorde is omgezet, aangezien de regelgevende instantie niet verantwoordelijk is gemaakt voor de vaststelling of de voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen van de netwerktarieven in de zin van deze bepaling.
27 Volgens het Koninkrijk Zweden daarentegen voldoet zijn regeling aan de richtlijn, aangezien het Zweedse systeem de door de richtlijn voorgeschreven methoden bevat, in combinatie met de mogelijkheid van een correctie a posteriori van de verkregen resultaten door de regelgevende instanties.
28 Gelet op dit argument dient te worden nagegaan of deze regeling aan de voorwaarden van artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn voldoet.
29 Deze bepaling van de richtlijn bevat ook een materieel voorschrift, namelijk dat de tarieven of methoden het mogelijk moeten maken dat de noodzakelijke investeringen in de netwerken op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netwerken kunnen waarborgen. Dergelijke investeringen kunnen slechts van de marktdeelnemers worden verlangd indien deze tarieven of methoden voldoende nauwkeurig en voorspelbaar zijn.
30 Vooraf moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden erkent dat zijn nationale recht geen bepalingen bevat met betrekking tot de voorafgaande goedkeuring, door de nationale regelgevende instantie, van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven.
31 Deze lidstaat is echter van mening dat met het Zweedse systeem het doel van de richtlijn kan worden bereikt, te weten de totstandbrenging van een volledig operationele interne elektriciteitsmarkt waarin de voorwaarden voor eerlijke concurrentie zijn gewaarborgd, teneinde met name ervoor te zorgen dat de toegang tot het netwerk overeenkomstig punt 6 van de considerans van de richtlijn niet-discriminerend en transparant is en tegen redelijke prijzen kan geschieden.
32 Dit betoog kan niet worden gevolgd.
33 Een lidstaat mag immers niet afwijken van de in een richtlijn uitdrukkelijk voorziene bepalingen, ook wanneer de door deze lidstaat voorgestelde omzetting of uitlegging van een bepaling van deze richtlijn strookt of zelfs beter strookt met bepaalde doelstellingen van de richtlijn (zie naar analogie arrest van 6 oktober 2005, Commissie/Frankrijk, C‑243/03, Jurispr. blz. I‑8411, punt 35).
34 Derhalve stelt de Commissie terecht dat het Koninkrijk Zweden voor de naleving van de vereisten van de richtlijn niet kan volstaan met de toepassing van een systeem waarin de gebruikte methode voor het vastleggen van met name de transmissie‑ en distributietarieven voor elektriciteit a posteriori wordt gecontroleerd, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat deze controle even doeltreffend is als een voorafgaande controle, en dit omdat de richtlijn uitdrukkelijk voorziet in een systeem van voorafgaande goedkeuring en de lidstaten niet de mogelijkheid biedt een ander systeem toe te passen.
35 Daarnaast stelt het Koninkrijk Zweden dat het om te voldoen aan artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn volstaat dat wordt voorzien in een nationaal reguleringsstelsel waarin vooraf alleen moeten zijn goedgekeurd de richtsnoeren aan de hand waarvan later de netwerktarieven worden gehanteerd. In casu voorziet de nationale regeling in de methoden voor de vaststelling van de netwerktarieven in de zin van artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn. In dit verband verwijst deze lidstaat naar hoofdstuk 4 van de wet (1997:857) inzake elektriciteit, naar de administratieve instructies en naar het besluit van 21 juni 2004 van het Zweedse Energieagentschap.
36 Volgens punt 15 van de considerans van de richtlijn zijn de nationale regelgevende instanties bevoegd om deze tarieven, of ten minste de methoden voor de berekening ervan, vast te stellen of goed te keuren. Volgens punt 18 van de considerans van de richtlijn dienen deze nationale regelgevende instanties ervoor te zorgen dat deze aldus vastgestelde of goedgekeurde tarieven niet-discriminerend zijn en een weerspiegeling van de daadwerkelijke kosten van de transmissie of de distributie van elektriciteit vormen.
37 Gelet op deze punten van de considerans, waarin de doelstellingen van de gemeenschapswetgever zijn aangegeven, kan artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn niet worden uitgelegd op een wijze die afwijkt van de formulering ervan. Uit de tekst van deze bepaling blijkt immers dat de nationale regelgevende instanties verantwoordelijk zijn voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, en dat deze tarieven of methoden het mogelijk moeten maken dat de noodzakelijke investeringen in de netwerken op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat deze investeringen de levensvatbaarheid van de netwerken kunnen waarborgen.
38 Artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn vereist aldus een voldoende mate van voorspelbaarheid van de genoemde tarieven, zodat de noodzakelijke investeringen voor de levensvatbaarheid van de netwerken voor transmissie en distributie van elektriciteit kunnen worden uitgevoerd.
39 Hoewel deze bepaling van de lidstaten niet verlangt, anders dan de Commissie stelt, dat zij een formule met een aantal parameters bepalen waarmee de tarieven concreet en direct kunnen worden berekend, bevat de regeling waarnaar het Koninkrijk Zweden verwijst, slechts algemene beginselen en criteria waaraan de netwerktarieven moeten voldoen en voorziet zij dus niet in een methode waarmee de marktdeelnemers de toepasselijke tarieven kunnen voorspellen, zelfs niet bij benadering.
40 Het doel van de richtlijn kan slechts worden bereikt door de vaststelling van concrete tarieven of een methode voor de berekening van de tarieven die zo nauwkeurig is dat de marktdeelnemers kunnen ramen hoeveel de toegang tot de transmissie‑ en distributienetwerken kost.
41 Daaruit volgt dat de Zweedse regeling niet voldoet aan het uit de richtlijn voortvloeiende vereiste van voorspelbaarheid van de tarieven, waardoor de investeringen kunnen worden uitgevoerd waarmee de levensvatbaarheid van de netwerken voor transmissie en distributie van elektriciteit kan worden gewaarborgd. In elk geval is daarmee in het nationale recht niet de voorafgaande controle als bedoeld in artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn ingevoerd. De Zweedse regeling voorziet immers niet in een systeem waarin tariefvoorstellen aan de regelgevende instantie worden voorgelegd vóór de inwerkingtreding ervan.
42 Bijgevolg moet het tweede middel van de Commissie gegrond worden verklaard.
43 Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat het Koninkrijk Zweden,
– door geen maatregelen te hebben vastgesteld om de functionele ontvlechting tussen de distributiebelangen en de productiebelangen in een verticaal geïntegreerd bedrijf te verzekeren overeenkomstig artikel 15, lid 2, sub b en c, van de richtlijn, en
– door de regelgevende instantie niet verantwoordelijk te maken voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, overeenkomstig artikel 23, lid 2, sub a, van de richtlijn,
de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
44 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk Zweden in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten.
Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart:
1) Door geen bepalingen vast te stellen om de functionele ontvlechting tussen de distributiebelangen en de productiebelangen in een verticaal geïntegreerd bedrijf te verzekeren, overeenkomstig artikel 15, lid 2, sub b en c, van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG, en
door de regelgevende instantie niet verantwoordelijk te maken voor de vaststelling of de aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake de aansluiting op en de toegang tot nationale netwerken, inclusief de transmissie‑ en distributietarieven, overeenkomstig artikel 23, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/54,
is het Koninkrijk Zweden de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy