Zaak C‑308/08
Europese Commissie
tegen
Koninkrijk Spanje
„Niet-nakoming – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van natuurlijke habitats – Wilde flora en fauna – Regeling van bescherming vóór opneming van habitat in lijst van gebieden van communautair belang – Artikel 12, lid 4 – Project voor verbetering van veldweg”
Samenvatting van het arrest
1. Milieu – Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna – Richtlijn 92/43
(Richtlijn 92/43 van de Raad, art. 3, lid 1, en 4, lid 1)
2. Beroep wegens niet-nakoming – Bewijs van niet-nakoming – Bewijslast rustend op Commissie
(Art. 226 EG)
3. Milieu – Instandhouding van natuurlijke habitats en van wilde flora en fauna – Richtlijn 92/43
(Richtlijn 92/43 van de Raad, art. 12, lid 4, en bijlage IV, sub a)
1. Krachtens richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna dienen de lidstaten ten aanzien van gebieden waar prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten aanwezig zijn en die zijn aangewezen met het oog op de opneming ervan in de communautaire lijst, passende beschermingsmaatregelen te nemen om de kenmerken van die gebieden in stand te houden. De lidstaten mogen derhalve geen ingrepen toestaan die de ecologische kenmerken van die gebieden ernstig kunnen aantasten. Dit is met name het geval wanneer een ingreep zou kunnen leiden tot het verdwijnen van in de betrokken gebieden aanwezige prioritaire soorten
(cf. punt 21)
2. In een niet-nakomingsprocedure krachtens artikel 226 EG staat het aan de Commissie, de gestelde niet-nakoming aan te tonen. Zij moet het Hof immers de informatie verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er sprake is van deze niet-nakoming, en kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden.
(cf. punt 23)
3. Krachtens artikel 12, lid 4, van richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, gelezen in samenhang met bijlage IV, sub a, daarbij, stellen de lidstaten een systeem in van toezicht op met name het bij toeval doden van Iberische lynxen. Op basis van de verkregen gegevens verrichten de lidstaten nieuw onderzoek of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om met name te verzekeren dat het bij toeval doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten.
De omstandigheid dat de nationale autoriteiten in het kader van de uitvoering van een project voor de verbetering van een veldweg verder onderzoek verrichten naar nieuwe maatregelen die de omstandigheden van de instandhouding en de verbetering van de betrokken soort nog kunnen versterken, kan op zich niet leiden tot de constatering dat de vastgestelde maatregelen niet passend zijn voor de doelstelling van artikel 12, lid 4, van die richtlijn.
(cf. punten 56, 59)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
20 mei 2010 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 92/43/EEG – Instandhouding van natuurlijke habitats – Wilde flora en fauna – Regeling van bescherming vóór opneming van habitat in lijst van gebieden van communautair belang – Artikel 12, lid 4 – Project voor verbetering van veldweg”
In zaak C‑308/08,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 10 juli 2008,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán en D. Recchia als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. W. A. Timmermans, K. Schiemann, P. Kūris en L. Bay Larsen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7; hierna: „habitatrichtlijn”), zoals uitgelegd door de arresten van 13 januari 2005, Dragaggi e.a. (C‑117/03, Jurispr. blz. I‑167), en 14 september 2006, Bund Naturschutz in Bayern e.a. (C‑244/05, Jurispr. blz. I‑8445), en krachtens artikel 12, lid 4, van deze richtlijn met betrekking tot het project voor de verbetering van de veldweg tussen Villamanrique de la Condesa (Sevilla) en El Rocío (Huelva) (hierna: „project voor de verbetering van de veldweg”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2 In de zesde overweging van de considerans van de habitatrichtlijn staat „dat er specialebeschermingszones moeten worden aangewezen om volgens een welbepaald tijdschema een coherent Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen, teneinde het herstel of de handhaving van de natuurlijke habitats en soorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te waarborgen”.
3 Luidens artikel 3, lid 1, van de habitatrichtlijn „wordt [er] een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van specialebeschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen”.
4 Artikel 4 van de habitatrichtlijn bepaalt:
„1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. [...]
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. [...]
2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, sub c‑iii, genoemde biogeografische regio’s en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de lidstaten een ontwerplijst van de gebieden van communautair belang [hierna: „GCB’s”] uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.
[...]
De lijst van [GCB’s], waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.
[...]
5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.”
5 Tot de in bijlage II bij de habitatrichtlijn vermelde soorten van communautair belang behoort de Lynx pardina (hierna: „Iberische lynx”) als prioritaire soort. Artikel 1, sub h, van deze richtlijn definieert „prioritaire soorten” als „de sub g‑i, bedoelde soorten voor welker instandhouding de Gemeenschap bijzondere verantwoordelijkheid draagt omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op het in artikel 2 bedoelde grondgebied ligt”.
6 Artikel 6 van de habitatrichtlijn, dat in een beschermingsregeling voor GCB’s voorziet, bepaalt in lid 2:
„De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de specialebeschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.”
7 Artikel 12, lid 4, van de habitatrichtlijn luidt:
„De lidstaten stellen een systeem in van toezicht op het bij toeval vangen en doden van de diersoorten, genoemd in bijlage IV, sub a. In het licht van de verkregen gegevens verrichten de lidstaten de verdere onderzoekwerkzaamheden of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval vangen en doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten.”
8 De Iberische lynx is een van de in bijlage IV, sub a, van de habitatrichtlijn vermelde soorten.
Feiten en precontentieuze procedure
9 In december 1997 heeft het Koninkrijk Spanje het natuurpark Doñana als GCB voorgesteld omdat met name de Iberische lynx daar aanwezig was.
10 In november 1999, dat wil zeggen tussen het tijdstip waarop dat gebied aldus was voorgesteld en het tijdstip waarop de Commissie het daadwerkelijk als GCB heeft ingeschreven, is het project voor de verbetering van de veldweg aangenomen. Deze veldweg loopt langs en gedeeltelijk door het natuurpark Doñana.
11 Van oordeel dat de verbetering van die weg was uitgevoerd zonder dat alle nodige maatregelen waren genomen om negatieve gevolgen voor het milieu te voorkomen, in het bijzonder voor de Iberische lynx, heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje op 1 april 2004 een aanmaningsbrief gestuurd, waarin zij deze lidstaat verweet dat hij met name de krachtens de artikelen 6 en 12 van de habitatrichtlijn op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen.
12 Teneinde rekening te houden met het reeds aangehaalde arrest Dragaggi e.a., heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje op 4 juli 2006 een aanvullende aanmaningsbrief gestuurd. In deze brief stelde zij dat het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet was nagekomen die op hem rusten krachtens de habitatrichtlijn, zoals uitgelegd door dit arrest, en krachtens artikel 12, lid 4, van deze richtlijn. In dit verband herinnerde zij aan het belang van de aanwezigheid van de Iberische lynx in het gebied waar het project voor de verbetering van de veldweg was uitgevoerd, en wees zij erop dat de verandering van deze veldweg in grote weg de natuurlijke habitat van deze soort opdeelde en het gevaar inhield dat deze bij toeval zou worden gedood, aangezien de beschermingsmaatregelen niet passend waren.
13 Op 19 juli 2006 heeft de Commissie bij beschikking 2006/613/EG tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB L 259, blz. 1), het natuurpark Doñana opgenomen in deze lijst.
14 Bij brief van 25 september 2006 heeft het Koninkrijk Spanje geantwoord dat na de uitvoering van de corrigerende maatregelen geen enkele aanrijding meer had plaatsgevonden en dat bleek dat de beschermingsmaatregelen het gevaar voor aanrijding weliswaar niet uitsloten, maar dit enorm verminderden.
15 Van oordeel dat de schending van het unierecht voortduurde, heeft de Commissie op 18 oktober 2006 een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij haar grieven herhaalde en het Koninkrijk Spanje verzocht binnen twee maanden vanaf de ontvangst ervan aan dit advies te voldoen.
16 In antwoord heeft het Koninkrijk Spanje op 18 december 2006 een rapport van de Junta de Andalucía gestuurd, waarin opnieuw werd benadrukt dat er sinds de uitvoering van de corrigerende maatregelen geen aanrijdingen van Iberische lynxen meer hadden plaatsgevonden.
17 Van oordeel dat de situatie onbevredigend bleef, heeft de Commissie op 10 juli 2008 het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Eerste grief: vermeende niet-nakoming van de krachtens de habitatrichtlijn op de verwerende lidstaat rustende verplichting om geen ingrepen toe te staan die de ecologische kenmerken van het betrokken gebied ernstig kunnen aantasten
Argumenten van partijen
18 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje, door de verbetering van de aan de orde zijnde veldweg uit te voeren zonder daarbij passende beschermingsmaatregelen te treffen, heeft ingegrepen op een wijze die de ecologische kenmerken van het GCB zoals dit was voorgesteld – waarbij dit gebied werd beschouwd als een voor de Iberische lynx onontbeerlijk gebied – ernstig heeft gewijzigd.
19 Immers, ondanks de door de Spaanse autoriteiten vastgestelde corrigerende maatregelen deelt dit ingrijpen, dat plaatsvindt in een gebied dat van bijzonder belang is voor het voortbestaan van de Iberische lynx, de habitat van deze soort op, maakt het de verspreiding van jonge lynxen en de verbinding tussen de verschillende „territoriale kernen” moeilijk en houdt het vooral voor jonge specimens het gevaar in dat zij door aanrijding worden gedood. Bijgevolg bestaat het gevaar dat deze prioritaire soort verdwijnt, hetgeen in strijd is met de verplichtingen van de habitatrichtlijn zoals deze door de rechtspraak van het Hof worden uitgelegd.
20 Het Koninkrijk Spanje voert aan dat de regionale verbindingsweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío een asfaltweg was, en nog steeds is, die de Andalusische autoriteiten enkel passend in stand hebben gehouden. Bijgevolg was er geen sprake van een ingrijpen dat de ecologische kenmerken van het gebied ernstig kan aantasten. Gesteld al dat dit het geval was, heeft het Koninkrijk Spanje hoe dan ook maatregelen genomen om aantasting van het milieu te voorkomen.
Beoordeling door het Hof
21 Er zij aan herinnerd dat de lidstaten krachtens de habitatrichtlijn ten aanzien van gebieden waar prioritaire typen natuurlijke habitats en/of prioritaire soorten aanwezig zijn en die zijn aangewezen met het oog op de opneming ervan in de communautaire lijst, passende beschermingsmaatregelen dienen te nemen om de kenmerken van die gebieden in stand te houden. De lidstaten mogen derhalve geen ingrepen toestaan die de ecologische kenmerken van die gebieden ernstig kunnen aantasten. Dit is met name het geval wanneer een ingreep zou kunnen leiden tot het verdwijnen van in de betrokken gebieden aanwezige prioritaire soorten (zie in die zin arrest Bund Naturschutz in Bayern e.a., reeds aangehaald, punten 44 en 46).
22 De Commissie verwijt het Koninkrijk Spanje juist dat het een ingreep heeft toegestaan die de ecologische kenmerken van het voorgestelde GCB ernstig heeft gewijzigd en die kan leiden tot de verdwijning van de Iberische lynx, een prioritaire soort waarvan de aanwezigheid in het aan de orde zijnde gebied een van de redenen is waarom de verwerende lidstaat het natuurpark Doñana als GCB heeft voorgesteld.
23 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de Commissie de gestelde niet-nakoming moet aantonen. Zij moet namelijk voor het Hof de gegevens aandragen die nodig zijn om uit te maken of er sprake is van deze niet-nakoming, zonder zich daarbij te kunnen baseren op enig vermoeden (zie arresten van 4 oktober 2007, Commissie/Italië, C‑179/06, Jurispr. blz. I‑8131, punt 37, en 10 september 2009, Commissie/Griekenland, C‑416/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 32).
24 Vaststaat dat de eerste asfaltering van de veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío in 1989 is voltooid. Wat het aan de orde zijnde verbeteringsproject betreft, is de uitvoering ervan toegestaan in februari 2000, waarbij de voorwaarde is gesteld dat maatregelen zouden worden genomen zoals de bouw van faunapassages, de plaatsing van een passende wegmarkering en de plaatsing van een omheining die fauna buitensluit langs het weggedeelte dat loopt door het bosgebied – het gebied dat voor de instandhouding van de Iberische lynx het gunstigst is. De verbetering van de veldweg is in juli 2001 voltooid. Een reeks aanvullende corrigerende maatregelen is echter geleidelijk uitgevoerd en afgewerkt in november 2004. Blijkens het dossier hebben de asfalteringswerkzaamheden het traject van de aan de orde zijnde verbindingsweg weliswaar niet gewijzigd en evenmin de dimensies van deze weg gewijzigd, maar zij hebben het gebruik ervan gewijzigd door deze veldweg in een grote weg te veranderen. Deze verbetering heeft geleid tot meer verkeer, met name van particuliere voertuigen, en een grotere snelheid van de voertuigen die er rijden.
25 Er wordt niet betwist dat lineaire transportinfrastructuur over het algemeen een echte barrière kan vormen voor bepaalde in de habitatrichtlijn bedoelde soorten en, door hun natuurlijke verspreidingsgebied aldus op te delen, inteelt en genetische drift binnen deze soorten in de hand kan werken. Er blijkt echter niet dat de aan de orde zijnde verbetering daadwerkelijk een reële weerslag op de opdeling van de habitat van de Iberische lynx heeft gehad.
26 In dit verband dient op het volgende te worden gewezen.
27 Uit de studie betreffende de inventarisering van de populaties van de Iberische lynx in Spanje en in Portugal [El Lince ibérico (Lynx pardinas) en España y Portugal – Censo – diagnóstico de sus poblaciones, J. N. Guzmán e.a., Ministerio de Medio Ambiente, 2004] blijkt dat ongeveer de helft van de populatie van de Iberische lynx die in het natuurpark Doñana leeft, zich op 20 % van de oppervlakte van dit park bevindt, juist daar waar zich de meeste konijnen – het voornaamste voedsel van de Iberische lynx – bevinden.
28 Doordat er op 75 % van het gebied waar de Iberische lynx aanwezig is, niet voldoende konijnen zijn, is het aantal voortplantingsgebieden overigens teruggebracht van ongeveer 12 tot maximum 8.
29 Bovendien volgt uit de samenvatting van het door de Spaanse autoriteiten opgestelde eindverslag betreffende de activiteiten, dat op de periode van 1 juli 2002 tot en met 30 juni 2006 betrekking heeft (Recuperación de poblaciones de Lince ibérico en Andalucía, Proyecto Life n° 02NAT/E/8609, Consejería de Medio Ambiente, Septiembre 2006), dat het van belang was de verbinding tussen de verschillende gebieden waar de populatie van de Iberische lynx van de regio Doñana voorkomt, te bevorderen, aangezien deze populatie bestaat uit kleine „territoriale kernen” waartussen de specimens die zich verspreiden, zich verplaatsen.
30 In het bijzonder volgt uit de stukken dat de belangrijkste aanvankelijke kern van jongen van de Iberische lynx zich bevindt in de bosgebieden van Coto del Rey, in het natuurpark Doñana, en van Matasgordas, in het nationale park Doñana. Vanuit deze kern hebben de jonge Iberische lynxen twee essentiële verspreidingslijnen, de ene naar het noorden, die loopt door de geasfalteerde veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío, en de andere naar het westen.
31 In november 2006 waren acht faunapassages en twee bruggen aangelegd om ervoor te zorgen dat die weg kon worden overgestoken en dus de barrièrewerking van de ontwikkeling van die weg tot regionale weg te ondervangen.
32 Het is juist dat in een rapport van WWF/Adena van september 2007 [Informe sobre el camino agricola asfaltado Villamanrique de la Condesa (Sevilla) – El Rocío (Huelva)] staat dat de aangelegde faunapassages onbruikbaar en nutteloos zijn gebleken omdat het ontwerp gebreken vertoonde en er een gebrek aan onderhoud was of geen aanvullende corrigerende maatregelen werden uitgevoerd.
33 Het technische rapport van het adviesbureau Inerco van november 2006, dat is opgesteld op verzoek van de gemeente Villamanrique de la Condesa [Informe Técnico sobre las medidas correctoras adoptadas en las obras de adecuación del firme de la via Villamanrique – El Rocío (Sevilla – Huelva)], wijst er echter op dat het aantal passages voor fauna die de aan de orde zijnde weg oversteekt en het ontwerp van deze passages werden geacht aangepast te zijn aan de kenmerken van de verbindingsweg waarvan zij willen verzekeren dat deze kan worden overgestoken. De functionaliteit ervan is slechts bij uitzonderlijke regen beperkt.
34 Weliswaar is, zoals de Commissie heeft opgemerkt onder verwijzing naar het follow-uprapport betreffende de doeltreffendheid van de corrigerende maatregelen die zijn getroffen op de geasfalteerde veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío (Informe de seguimiento de la eficacia de las medidas correctoras establecidas en el camino agrícola asfaltado Villamanrique de la Condesa – El Rocío, Junta de Andalucía Consejería de Medio Ambiente, 16 marzo de 2008), het gebruik van de passages door de Iberische lynx tussen maart 2006 en februari 2007 slechts vier keer kunnen worden aangetoond in een tijdvak van een jaar, maar het is ook juist dat de geschatte totale populatie van de Iberische lynx in de Doñana-parken niet eens 50 individuen bedroeg in die tijd. Overigens vermeldt het in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde eindverslag betreffende de activiteiten dat is geverifieerd dat er sprake is van een uitwisseling van specimens van de Iberische lynx tussen de diverse gebieden van de regio Doñana. In dit verband hebben de faunapassages volgens voormeld follow-uprapport voldoende vegetatiebedekking om de dieren ertoe aan te zetten ze te gebruiken, en de hellingen voor toegang tot de passages zijn perfect haalbaar voor de lynxen.
35 Daarenboven zijn, zoals in vermeld eindverslag betreffende de activiteiten is vermeld, dankzij de vangst van 13 specimens en het programma voor het kweken in gevangenschap, twee jongen geboren uit fokdieren uit respectievelijk de populaties van de regio’s Andujar Cardeña et Doñana. Dit zou een stap vooruit zijn geweest bij de instandhouding van de huidige genetische variabiliteit.
36 Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat rechtens afdoende is aangetoond dat de uitvoering van het project voor de verbetering van de veldweg als zodanig een reële weerslag heeft gehad op de opdeling van de habitat van de Iberische lynx in de regio Doñana.
37 Met betrekking tot het vermeende grote gevaar voor aanrijding van Iberische lynxen in die regio na de uitvoering van het project voor verbetering van de veldweg, dient het volgende te worden geconstateerd.
38 De Commissie heeft verwezen naar het op 18 december 2006 door de Spaanse autoriteiten voorgelegde voorontwerp van het document „Duurzame mobiliteit, verkeersveiligheid en instandhouding van de wilde fauna in de regio Doñana” (Borrador, Movilidad sostenible, seguridad vial y conservación de la faune silvestre en la comarca de Doñana), waarin staat dat aanrijdingen van Iberische lynxen door voertuigen voor de Iberische lynxen van de regio Doñana een van de belangrijkste doodsoorzaken en dus een bepalende factor voor de toekomstige levensvatbaarheid van de populatie zijn geworden. Volgens dit voorontwerp is die situatie verergerd door twee hoofdfactoren, te weten het grotere aantal asfaltwegen, vooral in het laatste decennium van de XXe eeuw, en het toegenomen wegverkeer in de gehele regio, doordat de hoofdwegen vaker worden gebruikt voor toeristische en commerciële doeleinden en de geasfalteerde veldwegen vaker worden gebruikt.
39 Volgens de in punt 27 van het onderhavige arrest vermelde studie zijn in de regio Doñana in de periode 2000-2003 tien Iberische lynxen gedood door aanrijding. Vaststaat dat in deze periode slechts één Iberische lynx is gedood door aanrijding op de veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío.
40 In 2004 is een andere Iberische lynx op deze weg gedood.
41 Er wordt echter niet betwist dat sinds de voltooiing van de uitvoering van de aanvullende corrigerende maatregelen, in november 2004, geen enkele Iberische lynx is aangereden op die weg, althans niet aan het eind van de schriftelijke procedure voor het Hof, die op 23 februari 2009 is beëindigd.
42 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat die corrigerende maatregelen bestaan in de vaststelling van snelheidsbeperkende maatregelen en de plaatsing van wegmarkering, in de bouw van een omheining om gewervelde dieren buiten te sluiten en in de aanleg van faunapassages, bruggen en drainages.
43 Zo volgt, wat de snelheidsbeperkingen en de wegmarkering betreft, uit het in punt 33 van het onderhavige arrest vermelde rapport van Inerco dat dankzij de door de Spaanse autoriteiten vastgestelde maatregelen tegen te hoge snelheden op de aan de orde zijnde veldweg een merkbare vermindering van de rijsnelheid is waargenomen in vergelijking met de rijsnelheid die enkele jaren daarvoor was geregistreerd.
44 Uit de in 2006 verrichte studie van het natuurpark Doñana (Estudio de 2006 del Parque Natural de Doñana) volgt echter dat de gemiddelde snelheden op die weg de toegestane maxima overschrijden.
45 In die context concludeert het in punt 34 van het onderhavige arrest vermelde rapport dat ook al lijken de genomen maatregelen thans goede resultaten op te leveren, alle vastgestelde maatregelen vatbaar zijn voor verbetering door snelheidscontroles, een groter onderhoud van alle voorzieningen en zelfs de vaststelling van nieuwe maatregelen.
46 Met betrekking tot de omheining wijst het in punt 32 van het onderhavige arrest aangehaalde rapport van WWF/Adena erop dat deze niet over de gehele lengte van de veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío is geplaatst, aangezien een van de kanten over ongeveer 3 kilometer niet omheind is. De toegang van de Iberische lynx tot de weg wordt op dit gedeelte dus niet tegengehouden. Volgens het in de punten 33 en 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rapport van Inerco is deze omheining volledig geplaatst en zijn de in dit verband vastgestelde maatregelen passend voor de beoogde doelstellingen, ook al is een herziening van de omheiningen noodzakelijk om te waarborgen dat deze ongeschonden zijn. Bovendien is passage van de fauna bij wijze van uitzondering mogelijk geweest doordat bepaalde omheiningen bij vergissing open waren.
47 Het in de punten 34 en 45 van het onderhavige arrest vermelde follow-uprapport wijst erop dat, wat betreft het gedeelte van 11 000 meter van die veldweg dat door het natuurpark Doñana loopt, de eerste 9 300 meter, die overeenstemmen met het bosgebied dat een gunstige habitat voor de Iberische lynx vormt, aan beide kanten van de weg volledig zijn omheind. De resterende 1 700 meter zijn niet omheind, aangezien de weg door een overstroombaar gebied loopt en als wad dienst doet bij grote overstromingen. Overigens is er geen boom‑ of struikvegetatie, aangezien de gronden voor weiland zijn bestemd.
48 Bovendien volgt uit het op initiatief van de nationale natuurbeschermingscommissie van het Koninkrijk Spanje opgestelde document „Technische voorschriften voor het ontwerp van faunapassages en omtrekomheiningen” („Prescripciones técnicas para el diseño de pasos de fauna y vallados perimetrales”), waarnaar de Commissie heeft verwezen, dat voor de Iberische lynx omheiningen in draadgaas of elektrogelaste omheiningen, die een hoogte van 2 meter boven de grond moeten hebben, aanbevolen zijn. Vaststaat dat de in casu aan de orde zijnde omheining voldoet aan de aanbevolen specificaties, die, anders dan de Commissie in repliek betoogt, helemaal niet uitgesloten zijn voor wegen met de kenmerken van de aan de orde zijnde weg.
49 Overigens staat in dat follow-uprapport dat er voldoende ontsnappingspunten zijn geplaatst langs de gehele omheining, vooral in de buurt van de mogelijke toegangspunten zoals kruispunten of het begin en het einde van omheiningen, een corrigerende maatregel in verband met de omheiningen die beoogde de vlucht te vergemakkelijken wanneer een Iberische lynx op de aan de orde zijnde weg zou komen. De doeltreffendheid van deze ontsnappingspunten is nog niet onderzocht omdat de omheiningen hun taak goed hebben vervuld en geen enkel exemplaar van de Iberische lynx deze heeft kunnen oversteken.
50 Voor de faunapassages, de bruggen en de drainages wordt verwezen naar de punten 32 tot en met 34 van het onderhavige arrest.
51 Gelet op alle voorgaande elementen in hun geheel beschouwd, dient te worden geconstateerd dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de uitvoering van het project voor de verbetering van de veldweg een groot gevaar voor aanrijding van de Iberische lynx inhield.
52 Ook al lijken bepaalde elementen uit de stukken erop te wijzen dat de situatie in het gehele Doñana-gebied niet bevredigend zou kunnen zijn ten aanzien van de eisen van instandhouding van de Iberische lynx, met name wegens het vrij grote aantal specimens van deze prioritaire soort dat door aanrijding wordt gedood, kan het Hof derhalve op basis van het hem ter beschikking staande bewijs niet constateren dat het project voor de verbetering van de veldweg, dat vergezeld gaat van corrigerende maatregelen, op zich een ingreep vormt die tot de verdwijning van de Iberische lynx uit het betrokken gebied kan leiden en die derhalve de ecologische kenmerken van dit gebied ernstig kan aantasten.
53 De eerste grief dient dan ook te worden afgewezen.
Tweede grief: vermeende niet-nakoming van de verplichtingen die op de verwerende lidstaat rusten krachtens artikel 12, lid 4, van de habitatrichtlijn
Argumenten van partijen
54 De Commissie betoogt dat de Spaanse autoriteiten weliswaar hebben erkend dat drie Iberische lynxen bij toeval zijn gedood op de veldweg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocío, respectievelijk in 1996, in 2002 en in 2004, maar geen systeem hebben ingevoerd voor een strikt toezicht op het bij toeval doden van Iberische lynxen op de aan de orde zijnde asfaltweg en niet de nodige instandhoudingsmaatregelen hebben genomen om te verzekeren dat dit bij toeval doden geen aanzienlijke negatieve weerslag op deze beschermde soort heeft.
55 Het Koninkrijk Spanje voert aan dat het maatregelen heeft vastgesteld die passend zijn gebleken en het gevaar voor bij toeval doden drastisch verminderen. Bovendien volgen de Spaanse autoriteiten de vastgestelde maatregelen voldoende op en verrichten zij verder onderzoek naar nieuwe maatregelen die eventueel nog geschikter zijn voor de instandhouding en de verbetering van de soort.
Beoordeling door het Hof
56 Krachtens artikel 12, lid 4, van de habitatrichtlijn, gelezen in samenhang met bijlage IV, sub a, daarbij, stellen de lidstaten een systeem in van toezicht op met name het bij toeval doden van Iberische lynxen. Op basis van de verkregen gegevens verrichten de lidstaten nieuw onderzoek of treffen zij de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om met name te verzekeren dat het bij toeval doden geen significante negatieve weerslag heeft op de betrokken soorten.
57 Met betrekking tot de instelling van een systeem van toezicht op het bij toeval doden van Iberische lynxen dient erop te worden gewezen dat volgens de in punt 29 van het onderhavige arrest aangehaalde samenvatting van het eindverslag betreffende de activiteiten een databank over de mortaliteit wegens onnatuurlijke oorzaken, waaronder aanrijdingen, van de Iberische lynx, die op geografische criteria is gebaseerd, is gecreëerd. Zo is bepaald kunnen worden welke gebieden het meeste gevaar voor de Iberische lynx opleveren in zijn verspreidingsgebied.
58 Met betrekking tot de instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn om te verzekeren dat het bij toeval doden geen significante negatieve weerslag heeft op de Iberische lynx, kunnen de uiteenzettingen in het kader van de eerste grief, die de afwijzing van die grief hebben gerechtvaardigd, in wezen hier worden overgenomen.
59 In casu kan, zoals het Koninkrijk Spanje heeft betoogd, de omstandigheid dat de Spaanse autoriteiten verder onderzoek verrichten naar nieuwe maatregelen die de omstandigheden van de instandhouding en de verbetering van de soort nog kunnen versterken, op zich niet leiden tot de constatering dat de vastgestelde maatregelen niet passend zijn voor de in het voorgaande punt in concreto vermelde doelstelling van artikel 12, lid 4, van de habitatrichtlijn.
60 De tweede grief moet dus worden afgewezen.
61 Gelet op al het voorgaande dient, zonder dat behoeft te worden beslist over de door het Koninkrijk Spanje in zijn memorie van dupliek opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, die eraan is ontleend dat de eerste grief vaag en onnauwkeurig zou zijn, het beroep van de Commissie te worden verworpen.
Kosten
62 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Koninkrijk Spanje in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy