Zaak C‑365/08
Agrana Zucker GmbH
tegen
Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft
[verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Suiker – Verordening (EG) nr. 318/2006 – Artikel 16 – Berekening van bedrag van productieheffing – Opneming van hoeveelheid aan markt onttrokken quotumsuiker in berekeningsgrondslag van heffing – Evenredigheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Productieheffing – Berekeningsgrondslag
(Verordening nr. 318/2006 van de Raad, art. 16 en 19; verordening nr. 290/2007 van de Commissie, art. 1)
2. Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Suiker – Productieheffing – Berekeningsgrondslag
(Verordeningen van de Raad nr. 318/2006, art. 16 en 19, en nr. 320/2006; verordening nr. 290/2007 van de Commissie, punt 8 van de considerans)
1. Artikel 16 van verordening nr. 318/2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, moet aldus worden uitgelegd dat de hoeveelheid quotumsuiker die aan de markt is onttrokken krachtens artikel 19 van die verordening en artikel 1 van verordening nr. 290/2007 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 2007/2008, van het in artikel 19 van verordening nr. 318/2006 bedoelde percentage, is opgenomen in de berekeningsgrondslag van de productieheffing.
Uit de inhoud en de systematiek van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 volgt immers dat de Uniewetgever, in het kader van de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, een nieuwe heffing heeft willen invoeren waarvan de berekeningsgrondslag niet wordt gevormd door de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid suiker, maar door het toegekende suikerquotum. Terwijl in lid 1 van dit artikel het beginsel is vervat dat een heffing wordt gelegd op het suikerquotum dat toegekend is aan ondernemingen die suiker produceren, heeft lid 2 ervan enkel tot doel, de hoogte van deze heffing te bepalen.
Deze analyse wordt bevestigd door artikel 16, lid 3, van verordening nr. 318/2006, waarin de praktische modaliteiten van de productieheffing worden gepreciseerd. Enerzijds wordt immers in de eerste alinea daarvan bepaald dat het totaalbedrag van de overeenkomstig lid 1 te betalen productieheffing door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening wordt gebracht op basis van het quotum dat de onderneming in het betrokken verkoopseizoen bezit. Anderzijds wordt in de tweede alinea van artikel 16, lid 3, geëist dat de ondernemingen deze heffing uiterlijk eind februari van het betrokken verkoopseizoen betalen. Op dat tijdstip is de voor dat verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheid echter nog niet bekend, aangezien, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die verordening, een verkoopseizoen begint op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgende jaar.
Verder blijkt noch uit verordening nr. 318/2006, noch uit enig ander gegeven, dat de Uniewetgever de overeenkomstig artikel 19 van die verordening aan de markt onttrokken hoeveelheid quotumsuiker van de berekeningsgrondslag van de productieheffing heeft willen aftrekken.
(cf. punten 22‑25, dictum 1)
2. De opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing die is ingevoerd bij artikel 16 van verordening nr. 318/2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, is niet kennelijk ongeschikt ter bereiking van het door die verordening nagestreefde doel, zodat zij niet kan worden geacht in te druisen tegen het evenredigheidsbeginsel.
Een dergelijke opneming kan evenmin worden geacht in te druisen tegen het non-discriminatiebeginsel. Weliswaar kan zij, vanwege de wijze waarop de onttrekking wordt vastgesteld, ertoe leiden dat ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie zouden bevinden, maar in verschillende lidstaten zijn gevestigd, anders worden behandeld, doch een dergelijke behandeling van de ondernemingen blijkt objectief gerechtvaardigd te zijn. Aangezien de verdeling van de quota over de ondernemingen en het beheer van die quota een zaak van de lidstaten blijft, wordt immers ook de afstand van quota door iedere lidstaat georganiseerd en verschilt hij van lidstaat tot lidstaat. In deze context is het, zoals volgt uit punt 8 van de considerans van verordening nr. 290/2007 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 2007/2008, van het in artikel 19 van verordening nr. 318/2006 bedoelde percentage, noodzakelijk rekening te houden met het feit dat de eisen die verbonden zijn aan de onttrekkingsmaatregel, ernstige economische gevolgen kunnen hebben voor de ondernemingen in de lidstaten die zich bijzondere inspanningen hebben getroost in het kader van de bij verordening nr. 320/2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ingestelde herstructureringsregeling, en dat een dergelijk effect zou indruisen tegen de doelstelling van deze regeling en van de gemeenschappelijke ordening der markten, namelijk de levensvatbaarheid en het concurrentievermogen van de sector garanderen. Derhalve heeft de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van toepassing van het onttrekkingspercentage dat aan de lidstaten gemeenschappelijk is, tot doel rekening te houden met hun inspanningen betreffende de definitieve afstand van quota.
(cf. punten 40, 45‑47)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
20 mei 2010 (*)
„Suiker – Verordening (EG) nr. 318/2006 – Artikel 16 – Berekening van bedrag van productieheffing – Opneming van hoeveelheid aan markt onttrokken quotumsuiker in berekeningsgrondslag van heffing – Evenredigheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel”
In zaak C‑365/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 4 juli 2008, ingekomen bij het Hof op 11 augustus 2008, in de procedure
Agrana Zucker GmbH
tegen
Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader, K. Schiemann, P. Kūris (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: K. Malacek, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 19 november 2009,
gelet op de opmerkingen van:
– Agrana Zucker GmbH, vertegenwoordigd door W. Schwartz en H.‑J. Prieß, Rechtsanwälte, en door B. Kurzai en H. Husemeyer,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door F. Díez Moreno als gemachtigde,
– de Litouwse regering, vertegenwoordigd door D. Kriaučiūnas als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Moore en Z. Kupčová als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en P. Rossi als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 januari 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging en de geldigheid van artikel 16 van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 58, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat door Agrana Zucker GmbH (hierna: „Agrana Zucker”) is ingesteld tegen een besluit van de Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft (bondsminister van Land‑ en Bosbouw, Milieu en Waterbeheer) van 25 maart 2008 over de hoogte van de productieheffing voor het verkoopseizoen 2007/2008.
Rechtskader
Verordening nr. 318/2006
3 Bij verordening nr. 318/2006, die de Raad heeft vastgesteld in het kader van de in 2006 doorgevoerde hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, is een nieuwe regeling ingesteld en zijn de quota opnieuw verlaagd. Bovendien is bij deze verordening een heffing, de zogenoemde „productieheffing”, ingevoerd en voorziet zij in nieuwe, door de Europese Commissie te beheren marktinstrumenten, zoals onttrekking aan de markt.
4 Aangaande de productieheffing wordt in punt 19 van de considerans van verordening nr. 318/2006 verklaard:
„Er dient een productieheffing te worden ingevoerd als bijdrage in de financiering van de met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker gemoeide uitgaven.”
5 Artikel 16 van deze verordening, met het opschrift „Productieheffing”, bepaalt:
„1. Met ingang van het verkoopseizoen 2007/2008 wordt een productieheffing gelegd op het suikerquotum […] [dat] in het bezit [is] van ondernemingen die suiker […] produceren.
2. De productieheffing bedraagt 12,00 EUR per ton suikerquotum […].
3. Het totaalbedrag van de overeenkomstig lid 1 te betalen productieheffing wordt door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening gebracht op basis van het quotum dat de onderneming in het betrokken verkoopseizoen in haar bezit heeft.
De ondernemingen betalen deze heffing uiterlijk eind februari van het betrokken verkoopseizoen.
4. De communautaire ondernemingen die suiker […] produceren, kunnen van de telers van suikerbieten of suikerriet of de leveranciers van cichorei verlangen dat deze tot 50 % van de betrokken productieheffing voor hun rekening nemen.”
6 Het begrip „quotumsuiker” is in artikel 2, punt 5, van verordening nr. 318/2006 gedefinieerd als elke hoeveelheid suiker die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen het quotum van de betrokken onderneming wordt geproduceerd.
7 Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 318/2006 preciseert dat een verkoopseizoen begint op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgende jaar.
8 Met betrekking tot de onttrekking aan de markt wordt in punt 22 van de considerans van deze verordening het volgende verklaard:
„Nieuwe, door de Commissie te beheren marktinstrumenten moeten worden ingevoerd. […] [V]oor het behoud van het structurele evenwicht op de markten voor suiker op een prijsniveau dat dicht bij de referentieprijs ligt, [moet] de Commissie kunnen besluiten om zo lang als voor het herstel van het marktevenwicht nodig is, suiker aan de markt te onttrekken.”
9 Artikel 19 van deze verordening, met het opschrift „Onttrekking van suiker aan de markt” is als volgt verwoord:
„1. Om het structurele marktevenwicht in stand te houden bij een prijsniveau dat dicht bij de referentieprijs ligt, kan met inachtneming van de verplichtingen van de Gemeenschap die voortvloeien uit de overeenkomstig artikel 300 van het [EG‑]Verdrag gesloten overeenkomsten, een voor alle lidstaten gemeenschappelijk percentage quotumsuiker […] aan de markt worden onttrokken tot het begin van het volgende verkoopseizoen.
[…]
2. Het in lid 1 bedoelde onttrekkingspercentage wordt uiterlijk op 31 oktober van het betrokken verkoopseizoen bepaald op basis van de voor dat verkoopseizoen verwachte markttendensen.
3. Elke onderneming die over een quotum beschikt, slaat gedurende de periode van onttrekking aan de markt op eigen kosten de hoeveelheden suiker op die overeenstemmen met de toepassing van het in lid 1 bedoelde percentage op haar quotumproductie voor het betrokken verkoopseizoen.
De in een verkoopseizoen aan de markt onttrokken hoeveelheden suiker worden behandeld als de eerste hoeveelheden die worden geproduceerd binnen het quotum voor het volgende verkoopseizoen. Met inachtneming van de verwachte tendensen op de suikermarkt kan evenwel volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde procedure worden besloten om alle aan de markt onttrokken suiker […] dan wel een deel daarvan voor het lopende en/of het volgende verkoopseizoen te beschouwen als:
– hetzij overtollige suiker […] die beschikbaar is om industriële suiker […] te worden,
– hetzij tijdelijke quotumproductie, waarvan een deel voor de uitvoer kan worden gereserveerd met inachtneming van de verbintenissen van de Gemeenschap uit hoofde van op grond van artikel 300 van het Verdrag gesloten overeenkomsten.
[…]”
Verordening (EG) nr. 290/2007
10 Punt 8 van de considerans van verordening (EG) nr. 290/2007 van de Commissie van 16 maart 2007 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 2007/2008, van het in artikel 19 van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad bedoelde percentage (PB L 78, blz. 20), luidt als volgt:
„In hetzelfde verband moet rekening worden gehouden met het feit dat de eisen die verbonden zijn aan de preventieve maatregel, ernstige economische gevolgen kunnen hebben voor de ondernemingen in de lidstaten die zich bijzondere inspanningen hebben getroost in het kader van de bij verordening (EG) nr. 320/2006 ingestelde herstructureringsregeling. Een dergelijk effect zou namelijk indruisen tegen de doelstelling van deze regeling en van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, namelijk de levensvatbaarheid en het concurrentievermogen van de sector garanderen. Derhalve moet worden voorzien in een vrijstelling van de toepassing van het onttrekkingspercentage voor bepaalde lidstaten, naar evenredigheid van het percentage van het nationale quotum waarvan afstand is gedaan in het kader van bovengenoemde herstructureringsregeling.”
11 Artikel 1 van verordening nr. 290/2007 bepaalt:
„1. Voor het verkoopseizoen 2007/2008 wordt het in artikel 19, lid 1, van verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde percentage vastgesteld op 13,5 %.
2. In afwijking van lid 1:
a) is het in dat lid genoemde percentage niet van toepassing op ondernemingen die een productie hebben die lager is dan 86,5 % van hun quotum voor het verkoopseizoen 2007/2008;
b) worden voor de ondernemingen die een hoeveelheid produceren van 86,5 % of meer van hun quotum voor het verkoopseizoen 2007/2008, de hoeveelheden boven die 86,5 % aan de markt onttrokken;
c) is het in dat lid genoemde percentage niet van toepassing op hoeveelheden die zijn geproduceerd in lidstaten die met ingang van 1 juli 2006 afstand hebben gedaan van ten minste 50 % van het nationale suikerquotum op grond van artikel 3 van verordening (EG) nr. 320/2006.
In de lidstaten die met ingang van 1 juli 2006 afstand hebben gedaan van minder dan 50 % van het nationale quotum op grond van artikel 3 van verordening (EG) nr. 320/2006, wordt het in lid 1 bedoelde onttrekkingspercentage verlaagd naar rato van het quotum waarvan afstand is gedaan.
Het op grond van dit punt toe te passen percentage wordt vastgesteld in de bijlage.
[…]
4. De overeenkomstig lid 2, sub b, en lid 3, aan de markt onttrokken hoeveelheden worden als overtollige suiker […] van het verkoopseizoen 2007/2008 beschouwd die industriële suiker […] kunnen worden.
[…]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 In 2006 heeft het bevoegde bestuursorgaan Agrana Zucker voor de productie van suiker in de verkoopseizoenen 2006/2007 tot en met 2014/2015 een quotum toegekend van 405 812,4 ton. Voor het verkoopseizoen 2007/2008 heeft dezelfde instantie uit hoofde van artikel 1, leden 1 en 2, sub b, van verordening nr. 290/2007 de drempel voor de quotumproductie in het verkoopseizoen 2007/2008 voor Agrana Zucker bepaald op 86,5 % van haar suikerquotum, derhalve op 351 027,73 ton, zodat deze onderneming verplicht was 13,5 % van haar quotum, dus 54 784,67 ton suiker, aan de markt te onttrekken.
13 Bij besluit van 28 januari 2008, heeft Agrarmarkt Austria (overheidsinstantie belast met de afwikkeling van steun) de door Agrana Zucker verschuldigde productieheffing voor het verkoopseizoen 2007/2008 vastgesteld op 4 869 748,80 EUR en laatstgenoemde verzocht dit bedrag te betalen.
14 Agrana Zucker was het er niet mee eens dat de productieheffing was berekend op de grondslag van het haar toegekende quotum, en dus met inaanmerkingneming in die grondslag van de 54 784,67 ton aan de markt onttrokken suiker die zij niet kon verkopen als binnen het quotum geproduceerde hoeveelheid suiker, en heeft daarom bij de Bundesminister für Land‑ und Forstwirtschaft, Umwelt und Wasserwirtschaft bezwaar gemaakt tegen het besluit van Agrarmarkt Austria. Bedoelde minister heeft het bezwaar afgewezen bij besluit van 25 maart 2008, dat het voorwerp vormt van de procedure voor de verwijzende rechter.
15 Blijkens de verwijzingsbeslissing betoogt Agrana Zucker in het hoofdgeding dat de inaanmerkingneming, bij de berekening van de productieheffing, van de hoeveelheid suiker die aan de markt is onttrokken, een schending vormt van het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel, zoals dat is geformuleerd in artikel 34, lid 2, EG. Deze schending had volgens haar kunnen worden voorkomen indien artikel 16 van verordening nr. 318/2006 zou zijn uitgelegd overeenkomstig het primaire recht.
16 De verwijzende rechter merkt in wezen op dat, gelet op de rechtsopvattingen van partijen, op het arrest van het Hof van 8 mei 2008, Zuckerfabrik Jülich e.a. (C‑5/06 en C‑23/06–C‑36/06, Jurispr. blz. I‑3231), en op de door verzoekster in het hoofdgeding geuite bedenkingen met betrekking tot de geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006, het in het kader van het Unierecht gerezen probleem niet gemakkelijk is op te lossen en in de rechtspraak van het Hof niet wordt beantwoord.
17 In die omstandigheden heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 16 van verordening […] nr. 318/2006 […] aldus worden uitgelegd dat ook een suikerquotum dat als gevolg van een preventieve onttrekking aan de markt krachtens artikel 1 van verordening […] nr. 290/2007 […] niet kan worden gebruikt, in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de productieheffing?
2) Voor het geval dat vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
Is artikel 16 van verordening [...] nr. 318/2006 [...] verenigbaar met het primaire recht en in het bijzonder met het evenredigheidsbeginsel en het uit artikel 34 EG voortvloeiende discriminatieverbod?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
18 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16 van verordening nr. 318/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de hoeveelheid quotumsuiker die krachtens artikel 19 van die verordening en artikel 1 van verordening nr. 290/2007 aan de markt is onttrokken, is opgenomen in de berekeningsgrondslag van de productieheffing.
19 Verzoekster in het hoofdgeding alsmede de Spaanse en de Litouwse regering zijn van mening dat de productieheffing is verschuldigd over de hoeveelheid quotumsuiker die daadwerkelijk wordt geproduceerd en als zodanig kan worden afgezet, en niet over het quotum zelf. Hieruit volgt dat de hoeveelheid suiker die aan de markt is onttrokken, buiten beschouwing moet worden gelaten voor het bepalen van de berekeningsgrondslag van deze heffing.
20 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 318/2006 bepaalt dat met ingang van het verkoopseizoen 2007/2008 een productieheffing wordt gelegd op het suikerquotum dat in het bezit is van ondernemingen die suiker produceren. Deze bepaling geeft dus duidelijk aan dat genoemd quotum de berekeningsgrondslag voor de productieheffing vormt. Hieruit volgt dat de berekeningsgrondslag van de door een suikerproducerende onderneming te betalen heffing bestaat uit het suikerquotum dat voor het betrokken verkoopseizoen aan deze onderneming is toegekend.
21 Het is juist dat de term „productieheffing”, die wordt gehanteerd in punt 19 van de considerans van verordening nr. 318/2006, tot verwarring kan leiden over de vraag hoe de berekeningsgrondslag van deze heffing moet worden gedefinieerd, aangezien deze term niet lijkt te duiden op een heffing die wordt toegepast op een quotum, maar op een heffing die wordt toegepast op voedingsmiddelen die daadwerkelijk zijn geproduceerd. Dit geldt ook voor de tekst van artikel 16, lid 2, van deze verordening, krachtens welke de „productieheffing […] [12 EUR] per ton suikerquotum [bedraagt]”, aangezien „quotumsuiker” in artikel 2, punt 5, van deze verordening is gedefinieerd als elke hoeveelheid suiker die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen het quotum van de betrokken onderneming wordt geproduceerd.
22 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 46 tot en met 51 van haar conclusie, volgt evenwel uit de inhoud en de systematiek van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 dat de Uniewetgever, in het kader van de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, een nieuwe heffing heeft willen invoeren waarvan de berekeningsgrondslag niet wordt gevormd door de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid suiker, maar door het toegekende suikerquotum. Terwijl in lid 1 van dit artikel het beginsel is vervat dat een heffing wordt gelegd op het suikerquotum dat in het bezit is van ondernemingen die suiker produceren, heeft lid 2 ervan immers enkel tot doel, de hoogte van deze heffing te bepalen.
23 Deze analyse wordt bevestigd door artikel 16, lid 3, van verordening nr. 318/2006, waarin de praktische modaliteiten van de productieheffing worden gepreciseerd. Enerzijds wordt immers in de eerste alinea ervan bepaald dat „[h]et totaalbedrag van de overeenkomstig lid 1 te betalen productieheffing […] door de lidstaat aan de ondernemingen op zijn grondgebied in rekening [wordt] gebracht op basis van het quotum dat de onderneming in het betrokken verkoopseizoen in haar bezit heeft”. Anderzijds wordt in de tweede alinea van artikel 16, lid 3, vereist dat de ondernemingen deze heffing uiterlijk eind februari van het betrokken verkoopseizoen betalen. Op dat tijdstip is de voor dat verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheid echter nog niet bekend, aangezien, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die verordening, een verkoopseizoen begint op 1 oktober en eindigt op 30 september van het daaropvolgende jaar.
24 Verder blijkt noch uit verordening nr. 318/2006, noch uit enig ander gegeven, dat de Uniewetgever de overeenkomstig artikel 19 van die verordening aan de markt onttrokken hoeveelheid quotumsuiker van de berekeningsgrondslag van de productieheffing heeft willen aftrekken. Voor de stelling dat deze heffing slechts moet worden toegepast op de hoeveelheid suiker die overeenkomt met het verschil tussen het toegekende suikerquotum en de hoeveelheid quotumsuiker die aan de markt is onttrokken, is met name geen enkele steun te vinden in het in de punten 20 tot en met 23 van het onderhavige arrest onderzochte artikel 16 van voornoemde verordening.
25 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 16 van verordening nr. 318/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de hoeveelheid quotumsuiker die krachtens artikel 19 van die verordening en artikel 1 van verordening nr. 290/2007 aan de markt is onttrokken, is opgenomen in de berekeningsgrondslag van de productieheffing.
Tweede vraag
26 De tweede vraag betreft de geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006. Indien het antwoord op zijn eerste vraag bevestigend luidt, wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of deze bepaling geldig is uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel.
Geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel
27 Verzoekster in het hoofdgeding betoogt in wezen dat de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien zij tot gevolg heeft dat een heffing moet worden betaald over een hoeveelheid suiker die niet is geproduceerd en dus niet bestaat, ofwel dat een heffing moet worden betaald over een hoeveelheid suiker die daadwerkelijk is geproduceerd maar die wordt aangemerkt als overtollige suiker, die hetzij industriële suiker kan worden, die wordt verkocht voor de helft van de prijs van quotumsuiker, hetzij als quotumsuiker kan worden overgeboekt naar het volgende verkoopseizoen, waarin deze suiker opnieuw wordt onderworpen aan de productieheffing. De aldus op de ondernemingen die suiker produceren gelegde lasten zijn niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel, zoals omschreven in punt 19 van de considerans van verordening nr. 318/2006, aangezien de opbrengst van de productieheffing hoger is dan de uitgaven in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker.
28 Dit standpunt wordt gedeeld door de Spaanse, de Litouwse en de Poolse regering, die eveneens van mening zijn dat de inning van de productieheffing over de hoeveelheid quotumsuiker die aan de markt is onttrokken, betekent dat aan de betrokken ondernemingen een onevenredige financiële last wordt opgelegd. De Litouwse regering, die evenals verzoekster in het hoofdgeding verwijst naar het reeds aangehaalde arrest Zuckerfabrik Jülich e.a., beklemtoont met name dat, niettegenstaande de ruime beoordelingsvrijheid waarover de instellingen op dit gebied beschikken, de producenten niet meer mogen worden belast dan voor het verwezenlijken van het door de heffing nagestreefde doel noodzakelijk is. De Poolse regering, die er voorts op wijst dat de aan de markt onttrokken suiker niet leidt tot extra uitgaven in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker, is van mening dat de instellingen op dit gebied geen ruime discretionaire bevoegdheid hebben, zulks vanwege het technische karakter van de betrokken bepaling.
29 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat handelingen van instellingen van de Unie volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, niet buiten de grenzen mogen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de rechtmatige doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (arrest van 11 juni 2009, Agrana Zucker, C‑33/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Wat de rechterlijke toetsing van de wijze van uitvoering van een dergelijk beginsel betreft, is het vaste rechtspraak dat, gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de Uniewetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid beschikt, aan de wettigheid van een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts kan worden afgedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zie reeds aangehaald arrest Agrana Zucker, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 De vraag is dus niet, of de door de wetgever vastgestelde maatregel de enig mogelijke of de best mogelijke maatregel was, doch of hij kennelijk ongeschikt was (arrest Agrana Zucker, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 In casu blijkt uit punt 19 van de considerans van verordening nr. 318/2006 dat de productieheffing is ingevoerd als bijdrage in de financiering van de met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker gemoeide uitgaven.
33 Daar voor deze heffing het aan de ondernemingen toegekende quotum als berekeningsgrondslag wordt gehanteerd, kan het budget van de Europese Unie worden voorzien van gegarandeerde inkomsten, doordat deze niet afhankelijk zijn van de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheden of eventuele onttrekkingen aan de markt. Bovendien kunnen, wanneer de berekeningsgrondslag van deze heffing aldus wordt vastgesteld, deze inkomsten worden geïnd tijdens het verkoopseizoen, zoals wordt bepaald in artikel 16, lid 3, van verordening nr. 318/2006.
34 Aangaande de met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker gemoeide uitgaven, bedoeld in punt 19 van de considerans van genoemde verordening, kan niet worden gesteld dat het hierbij enkel gaat om restituties bij uitvoer van suiker en isoglucose, productierestituties voor gebruik van suiker in de chemische industrie en uitgaven die verband houden met opslagmaatregelen, zoals verzoekster in het hoofdgeding betoogt.
35 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 38 tot en met 40 en 81 tot en met 84 van haar conclusie, geeft de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker uitdrukking aan de wens van de wetgever om in het kader van het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid, het beleid van prijs‑ en productiesteun geleidelijk los te laten ten gunste van een beleid van van de productie ontkoppelde inkomenssteun voor de landbouwers. Een verlaging van de marktsteun in de sector suiker werd gedeeltelijk gecompenseerd door een inkomenssteun voor landbouwondernemingen, in de vorm van rechtstreekse steun, de zogenoemde „ontkoppelde” steun. De kosten van de nieuwe maatregelen, waarvan de ontkoppelde, rechtstreekse steun het belangrijkste bestanddeel vormde, moesten, volgens punt 5 van het voorstel voor een verordening van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker [COM(2005) 263 def.], hoofdzakelijk worden gecompenseerd door de besparingen die worden gerealiseerd dankzij een aanzienlijke daling van de uitgaven voor uitvoerrestituties en de afschaffing van de raffinagesteun, aangezien de hervorming de status quo van de kosten moet eerbiedigen, zoals is voorzien in de voorstellen tot hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die in januari 2003 zijn ingediend.
36 In deze context dient de in punt 19 van de considerans van verordening nr. 318/2006 genoemde doelstelling aldus te worden begrepen dat de productieheffing bijdraagt tot de financiering van de verschillende maatregelen in de suikersector, met inbegrip van de rechtstreekse ontkoppelde steun, die de hoogste uitgavenpost vormt.
37 Vaststaat dat de opbrengst van de productieheffing voor elk verkoopseizoen veel geringer is dan het totaal van deze uitgaven.
38 Derhalve moet worden vastgesteld dat de productieheffing zich onderscheidt van de maatregel die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Zuckerfabrik Jülich e.a., waarin het Hof heeft geoordeeld dat de in de punten 57 tot en met 60 van dat arrest onderzochte berekeningswijze van de bijdragen verder ging dan noodzakelijk was voor de verwezenlijking van de doelstelling van verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad van 19 juni 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 178, blz. 1), die erin was gelegen de producenten, in overeenstemming met het zelffinancieringsbeginsel, op een rechtvaardige en doelmatige wijze de volledige kosten te laten dragen die voortvloeien uit de afzet van de overschotten die de Gemeenschap produceert.
39 Met betrekking tot de financiële lasten die de heffingsplichtige ondernemingen dragen als gevolg van de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing, moet worden vastgesteld dat deze gedeeltelijk worden gecompenseerd door het voordeel dat deze ondernemingen halen uit onttrekking aan de markt, die, zoals blijkt uit punt 22 van de considerans en artikel 19, lid 1, van verordening nr. 318/2006, ertoe strekt het structurele evenwicht op de markt te behouden op een prijsniveau dat dicht bij de referentieprijs ligt, zolang dit voor het herstel van het marktevenwicht nodig is. Bovendien zij opgemerkt dat, krachtens artikel 16, lid 4, van diezelfde verordening, deze ondernemingen van de telers van suikerbieten of suikerriet of de leveranciers van cichorei kunnen verlangen dat deze tot 50 % van de betrokken productieheffing voor hun rekening nemen.
40 Uit het voorgaande volgt dat de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing, niet kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel, zodat zij niet kan worden geacht in te druisen tegen het evenredigheidsbeginsel.
Geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 uit het oogpunt van het non-discriminatiebeginsel
41 Verzoekster in het hoofdgeding en de Litouwse regering betogen dat de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing eveneens leidt tot discriminatie op grond van nationaliteit. Aangezien immers de onttrekkingen aan de markt, overeenkomstig artikel 1, lid 2, van verordening nr. 290/2007, niet zijn verricht door toepassing van een uniform tarief, maar op basis van coëfficiënten die per lidstaat verschillen, wordt aan bepaalde ondernemingen een heffing opgelegd die, in verhouding tot de daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid suiker, veel hoger is dan die waaraan andere ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, maar in een andere lidstaat zijn gevestigd, zijn onderworpen.
42 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 34, lid 2, tweede alinea, EG, dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid discriminatie verbiedt, volgens vaste rechtspraak slechts de specifieke uitdrukking is van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (reeds aangehaald arrest Agrana Zucker, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 In casu is bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 290/2007 voor het verkoopseizoen 2007/2008 het in artikel 19, lid 1, van verordening nr. 318/2006 bedoelde, voor alle lidstaten gemeenschappelijke, percentage aan de markt onttrokken quotumsuiker vastgesteld op 13,5 %. In afwijking van deze bepaling wordt in artikel 1, lid 2, sub c, van verordening nr. 290/2007 bepaald, ten eerste, dat dit percentage niet van toepassing is op hoeveelheden die zijn geproduceerd in lidstaten die met ingang van 1 juli 2006 afstand hebben gedaan van ten minste 50 % van het nationale suikerquotum op grond van artikel 3 van verordening (EG) nr. 320/2006 van de Raad van 20 februari 2006 tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 58, blz. 42), en, ten tweede, dat dit percentage wordt verlaagd naar rato van het quotum waarvan afstand is gedaan in de lidstaten die op grond van deze bepaling met ingang van 1 juli 2006 afstand hebben gedaan van minder dan 50 % van het nationale quotum.
44 Hieruit volgt dat de omvang van de voor dat verkoopseizoen aan de ondernemingen opgelegde onttrekking aan de markt onder meer verschilt naargelang van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd. Bijgevolg is ook het deel van de door hen te betalen productieheffing dat overeenstemt met de hoeveelheid quotumsuiker die aan de markt is onttrokken, verschillend naargelang van de lidstaat waarin zij zijn gevestigd.
45 Mitsdien kan de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing er, vanwege de wijze waarop deze onttrekking wordt vastgesteld, toe leiden dat ondernemingen die zich in een eventueel vergelijkbare situatie bevinden, maar die in verschillende lidstaten zijn gevestigd, anders worden behandeld.
46 Een dergelijke behandeling van de ondernemingen blijkt evenwel objectief gerechtvaardigd te zijn. Aangezien de verdeling van de quota onder de ondernemingen en het beheer van die quota een zaak blijft van de lidstaten, wordt immers ook de afstand van quota door iedere lidstaat georganiseerd en verschilt hij van lidstaat tot lidstaat. Binnen deze context heeft de Commissie, zoals in punt 8 van de considerans van verordening nr. 290/2007 is uiteengezet, het noodzakelijk gevonden rekening te houden met het feit dat de eisen die verbonden zijn aan de onttrekkingsmaatregel, ernstige economische gevolgen kunnen hebben voor de ondernemingen in de lidstaten die zich bijzondere inspanningen hebben getroost in het kader van de bij verordening (EG) nr. 320/2006 ingestelde herstructureringsregeling, en dat een dergelijk effect zou indruisen tegen de doelstelling van deze regeling en van de gemeenschappelijke ordening der markten, namelijk de levensvatbaarheid en het concurrentievermogen van de sector garanderen. Derhalve heeft de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van toepassing van het onttrekkingspercentage dat aan de lidstaten gemeenschappelijk is, tot doel rekening te houden met hun inspanningen betreffende de definitieve afstand van quota (zie naar analogie reeds aangehaald arrest Agrana Zucker, punt 51).
47 Hieruit volgt dat de opneming van de hoeveelheid aan de markt onttrokken quotumsuiker in de berekeningsgrondslag van de productieheffing niet kan worden geacht in te druisen tegen het non-discriminatiebeginsel.
48 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat bij het onderzoek ervan niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 kunnen aantasten.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 16 van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad van 20 februari 2006 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, moet aldus worden uitgelegd dat de hoeveelheid quotumsuiker die aan de markt is onttrokken krachtens artikel 19 van die verordening en artikel 1 van verordening (EG) nr. 290/2007 van de Commissie van 16 maart 2007 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 2007/2008, van het in artikel 19 van verordening (EG) nr. 318/2006 bedoelde percentage, is opgenomen in de berekeningsgrondslag van de productieheffing.
2) Bij onderzoek van de tweede prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 16 van verordening nr. 318/2006 kunnen aantasten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy