Zaak C‑373/08
Hoesch Metals and Alloys GmbH
tegen
Hauptzollamt Aachen
(verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf om een prejudiciële beslissing)
„Communautair douanewetboek – Artikel 24 – Niet-preferentiële oorsprong van goederen – Verwerking of bewerking waardoor product karakter van product van oorsprong verkrijgt – Blokken silicium uit China – Scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken alsmede zeven, sorteren van korrels op grootte en verpakken ervan in India – Dumping – Geldigheid van verordening (EG) nr. 398/2004”
Samenvatting van het arrest
1. Oorsprong van goederen – Bepaling – Ingrijpende bewerking of verwerking – Begrip
(Verordening nr. 2913/92 van de Raad, art. 24)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Beschermende maatregelen tegen dumpingpraktijken – Geldigheid van verordening nr. 398/2004 – Procedure van nieuw onderzoek bij vervallen van maatregelen – Verschil met procedure van eerste onderzoek
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 5 en 11, lid 2)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek – Beschermende maatregelen tegen dumpingpraktijken – Geldigheid van verordening nr. 398/2004 – Procedure van nieuw onderzoek bij vervallen van maatregelen, ingeleid krachtens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 – Mogelijkheid tot handhaving of intrekking van antidumpingmaatregel – Verbod van wijziging van maatregel
(Verordening nr. 384/96 van de Raad, art. 11, leden 2 en 6)
1. Het scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken silicium en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels zijn geen ver- of bewerking waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, aangezien deze verrichtingen de eigenschappen of de samenstelling van het product niet wijzigen.
(cf. punt 55, dictum 1)
2. Er bestaat een objectief verschil tussen de procedure van een eerste onderzoek, waarmee wordt beoogd vast te stellen of er sprake is van een dumpingpraktijk, en de procedure van een nieuw onderzoek van een antidumpingmaatregel waarvan de vervaldatum nadert. Terwijl bij invoer waarvoor een nieuw onderzoek plaatsvindt, reeds definitieve antidumpingmaatregelen zijn ingesteld, en in beginsel voldoende bewijs is geleverd dat het vervallen van die maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden, gaat het daarentegen bij een eerste onderzoek van de invoer juist erom, het bestaan, de mate en het effect van elke gestelde dumping te bepalen.
(cf. punten 65‑66)
3. In het kader van een nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen waarvan de vervaldatum nadert, dat wordt verricht uit hoofde van artikel 11, lid 2, van verordening nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening nr. 461/2004, kunnen de gemeenschapsautoriteiten slechts hetzij die maatregelen handhaven – wanneer het vervallen ervan tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden –, hetzij – in het tegenovergestelde geval –de maatregelen intrekken. Daarentegen kan een uit hoofde van deze bepaling verricht nieuw onderzoek van de maatregelen waarvan de vervaldatum nadert, niet tot wijziging van deze maatregelen leiden. Hieruit volgt dat, aangezien de gemeenschapsautoriteiten na dit nieuwe onderzoek tot de conclusie zijn gekomen dat bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen waarschijnlijk nieuwe schade zal ontstaan, verordening nr. 398/2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op silicium uit de Volksrepubliek China, geldig is voor zover het bestaande antidumpingrecht daarbij wordt gehandhaafd.
(cf. punten 76‑78)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
11 februari 2010 (*)
„Communautair douanewetboek – Artikel 24 – Niet-preferentiële oorsprong van goederen – Ver- of bewerking waardoor product karakter van product van oorsprong verkrijgt – Blokken silicium uit China – Scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken alsmede zeven, sorteren van korrels op grootte en verpakken ervan in India – Dumping – Geldigheid van verordening (EG) nr. 398/2004”
In zaak C–373/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beslissing van 30 juli 2008, ingekomen bij het Hof op 14 augustus 2008, in de procedure
Hoesch Metals and Alloys GmbH
tegen
Hauptzollamt Aachen,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, president van de Tweede kamer, waarnemend voor de president van de Derde kamer, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus (rapporteur) en A. Ó Caoimh, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 juli 2009,
gelet op de opmerkingen van:
– Hoesch Metals and Alloys GmbH, vertegenwoordigd door H. Bleier, Rechtsanwalt,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. M. Berrisch en G. Wolf, Rechtsanwälte,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal, H. van Vliet en B.‑R Killmann als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) en de geldigheid van verordening (EG) nr. 398/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op silicium uit de Volksrepubliek China (PB L 66, blz. 15).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Hoesch Metals and Alloys GmbH (hierna: „Hoesch”) en het Hauptzollamt Aachen (hoofdkantoor van de douane te Aken) over de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van silicium uit China dat in India verschillende behandelingen heeft ondergaan.
Toepasselijke bepalingen
Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels
3 De overeenkomst betreffende de oorsprongsregels (WTO-GATT 1994) die aan de door de Europese Gemeenschap op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende slotakte is gehecht en namens deze is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994 L 336, blz. 144), heeft tot doel de oorsprongsregels te harmoniseren en stelt gedurende een overgangsperiode een werkprogramma voor de harmonisering in.
Communautaire douaneregeling
4 Artikel 24 van het douanewetboek bepaalt:
„Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”
5 De artikelen 35 tot en met 40 van alsmede de bijlagen 10 en 11 bij verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1) bepalen voor een aantal producten door welke ver- of bewerkingen deze het karakter verkrijgen van product van oorsprong in de zin van artikel 24 van het douanewetboek. Siliciummetaal behoort niet tot de in die bepalingen bedoelde producten.
6 Post 2804 van de gecombineerde nomenclatuur die bijlage I vormt bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 (PB L 281, blz. 1; hierna: „GN”), luidt als volgt:
„2804 Waterstof, edelgassen en andere niet-metalen:
[...]
– silicium
2804 61 00 – – bevattende 99,99 of meer gewichtspercenten silicium
2804 69 00 – – andere
[...]”
Gemeenschapsregeling inzake antidumpingmaatregelen
7 De bepalingen inzake de instelling van antidumpingrechten door de Europese Gemeenschap zijn opgenomen in verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (PB L 77, blz. 12; hierna: „basisverordening”).
8 Artikel 3, lid 1, van de basisverordening bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚schade’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd.”
9 Artikel 5 van deze verordening regelt hoe een onderzoeksprocedure wordt geopend naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping die in een klacht aan de orde is gesteld.
10 Artikel 9, lid 4, van deze verordening bepaalt:
„Wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt en daardoor schade wordt veroorzaakt, en het in het belang van de Gemeenschap is om maatregelen in de zin van artikel 21 te nemen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. Wanneer voorlopige rechten van toepassing zijn, wordt ten minste één maand voor het vervallen van deze rechten een voorstel voor definitieve maatregelen ingediend. Het antidumpingrecht mag niet hoger zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.”
11 Artikel 11 van de basisverordening luidt:
„[...]
2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
Een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van een maatregel wordt geopend, wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden. Deze waarschijnlijkheid kan bijvoorbeeld worden aangetoond door het bewijs, dat nog steeds invoer met dumping plaatsvindt en dat daardoor schade ontstaat, dat het verdwijnen van de schade geheel of ten dele aan de bestaande maatregelen is toe te schrijven of dat de omstandigheden van de exporteurs dan wel de marktsituatie van zodanige aard zijn, dat de schadeveroorzakende dumping waarschijnlijk zal voortduren.
[...]
5. De bepalingen van deze verordening betreffende procedures en onderzoeken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op termijnen, zijn van toepassing op alle herzieningsprocedures op grond van de leden 2, 3 en 4 van dit artikel. Herzieningen op grond van de leden 2 en 3 worden versneld ten uitvoer gelegd en moeten normaal gesproken voltooid zijn binnen twaalf maanden na de datum waarop de herzieningsprocedure werd ingeleid. […]
6. [...] Wanneer deze onderzoeken daartoe aanleiding geven, worden de maatregelen overeenkomstig lid 2 ingetrokken of gehandhaafd, dan wel overeenkomstig de leden 3 en 4 ingetrokken, gehandhaafd of gewijzigd door de instelling van de Gemeenschap die ze heeft ingevoerd. [...]
[...]”
12 Bij verordening (EEG) nr. 2200/90 van 27 juli 1990 (PB L 198, blz. 57) heeft de Raad voor het eerst een definitief antidumpingrecht op siliciummetaal uit China ingesteld. Naar aanleiding van een in februari 1995 gepubliceerd bericht dat de bij verordening nr. 2200/90 vastgestelde maatregelen vervielen, is bij de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek ingediend, waarbij bewijs was gevoegd dat het betrokken product werd gedumpt. Dat bewijs werd toereikend geacht om de instelling van een onderzoek te rechtvaardigen. Gelet op de conclusies van dat onderzoek, heeft de Raad verordening (EG) nr. 2496/97 van 11 december 1997 vastgesteld, tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van siliciummetaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 345, blz. 1).
13 Punt 24 van de considerans van verordening nr. 2496/97 luidt:
„[…]
De dumpingmarge uitgedrukt als een percentage van de uitvoerprijs cif grens Gemeenschap bedroeg 68,1 %.”
14 Artikel 1, lid 2, van deze verordening bepaalt:
„Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt 49 %.”
15 Na de bekendmaking in maart 2002 van een bericht van het naderende vervallen van de antidumpingmaatregelen ontving de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Na afloop van dit onderzoek heeft de Raad bij verordening nr. 398/2004 besloten de bij verordening nr. 2496/97 ingestelde maatregelen te handhaven.
16 Punt 27 van de considerans van verordening nr. 398/2004 luidt:
„Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd een vergelijking gemaakt van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijzen, vastgesteld zoals hierboven vermeld, waaruit bleek dat er sprake was van dumping. De dumpingmarge, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, vóór inklaring, was aanzienlijk, namelijk 12,5 %, hoewel duidelijk lager dan de dumpingmarges die bij vorige onderzoeken waren vastgesteld.”
17 Tabel 6 in de considerans van deze verordening betreffende de omvang van de siliciumverkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap laat het volgende zien:
„
1998
1999
2000
2001
Onderzoektijdvak
Verkoop (in ton)
86 718
114 587
133 568
128 219
136 421
Index
100
132
154
148
157
Jaarlijkse ontwikkeling
+32 %
+17 %
- 7 %
+ 6 %
”
18 In punt 51 van de considerans van verordening nr. 398/2004 wordt uiteengezet:
„De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-gelieerde afnemers in de Gemeenschap steeg met 57 % tussen 1998 en het onderzoektijdvak.”
19 Uit tabel 8 in de considerans van deze verordening betreffende het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de siliciummarkt blijkt het volgende:
„
1998
1999
2000
2001
Onderzoektijdvak
Marktaandeel (in %)
29,8 %
35,2 %
34,3 %
34,3 %
36,7 %
Index
100
118
115
115
123
”
20 Punt 54 van de considerans van verordening nr. 398/2004 luidt:
„Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg van 29,8 % in 1998 tot 36,7 % in het onderzoektijdvak, in overeenstemming met de gestegen productie en verkoop als gevolg van het opstarten van een nieuwe productie-installatie in de Gemeenschap. Een aanzienlijke toename vond plaats tussen 1998 en 1999 (een stijging met 5,4 %) als gevolg van de introductie van nieuwe productiefaciliteiten in de EG-markt. Een minder sterke stijging (+ 2,4 procentpunten) vond plaats tussen 2001 en het onderzoektijdvak.”
21 In de punten 71 tot en met 74 van de considerans van deze verordening wordt uiteengezet:
„(71) Zoals hierboven aangetoond, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap in de periode 1998-2000 profiteren van een groei van de markt met 34 % en een aanmerkelijke stijging van verkoop en marktaandeel. Hierna stagneerden verkoop en marktaandeel en verslechterde de financiële situatie (prijzen, winstgevendheid en kasstroom).
(72) De belangrijkste positieve ontwikkelingen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap vonden plaats in de periode 1998-2000. Vanaf 2000 was er van echte verbeteringen geen sprake meer.
(73) De verbeteringen in de periode 1998-2000 zijn het rechtstreekse gevolg van het besluit van de bedrijfstak van de Gemeenschap in 1998 om te investeren in extra productiefaciliteiten. Van 1998 tot in 2000 steeg de productiecapaciteit in de Gemeenschap met 26 %, namelijk van 125 000 ton tot 158 000 ton. Dit besluit werd genomen naar aanleiding van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van silicium uit China waarvan de geldigheid, zoals in [punt 1 van de considerans] vermeld, in 1997 was verlengd. […] De bedrijfstak van de Gemeenschap kon dus profiteren van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van silicium uit China. Van 2000 tot in het onderzoektijdvak verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, met name ten gevolge van de prijzen die met 46 EUR/ton daalden, de winstgevendheid die met 7,1 procentpunten daalde, de kasstroom die met 59 % daalde en de investeringen die met 55 % daalden. Tijdens het onderzoektijdvak boekte de bedrijfstak van de Gemeenschap verliezen. Om deze redenen wordt geoordeeld dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak zeer kwetsbaar was.
[…]
(74) De invoer met dumping uit China is in de beoordelingsperiode sterk gestegen en indien de maatregelen vervallen, is het waarschijnlijk dat nog veel grotere hoeveelheden van het betrokken product tegen zeer lage prijzen, die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderbieden, naar de Gemeenschap zullen worden uitgevoerd. Gezien de hoogte van het geldende antidumpingrecht zou het prijsverschil tussen het ingevoerde silicium en het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde silicium meer dan 35 % kunnen bedragen indien de maatregelen vervallen.”
22 Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 398/2004 bepaalt:
„1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op silicium, ingedeeld onder GN-[postonderverdeling] 2804 69 00, van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Het definitieve antidumpingrecht, van toepassing op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt 49 %.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23 Op 15 juni en 12 augustus 2004 heeft Hoesch bij het Hauptzollamt Duisburg (hoofdkantoor van de douane te Duisburg) siliciummetaal van postonderverdeling 2804 69 00 GN voor het vrije verkeer aangegeven. Verzoekster had dit product uit India ingevoerd en dat land als land van oorsprong aangegeven.
24 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt evenwel dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde siliciummetaal uit China kwam en dat het in blokken van twee op drie meter aan de in India gevestigde onderneming Metplast was geleverd. Daar ondergingen deze blokken verschillende behandelingen; zij werden er namelijk gescheiden, kleingemaakt en gereinigd. De door het kleinmaken verkregen korrels werden gezeefd, daarna op grootte gesorteerd en ten slotte verpakt. De reiniging van het silicium gebeurde door ten dele handmatige en ten dele machinale verwijdering van de ongewenste slakken in de na het kleinmaken van de blokken verkregen siliciumkorrels. Daarna werd met een magneet het aanwezige vrije ijzer uit het silicium verwijderd. Na volledige behandeling door deze onderneming bedroeg de zuiverheidsgraad van het siliciummetaal meer dan 98,5 %, wat volgens Hoesch noodzakelijk was om het voor de productie van aluminiumlegeringen te kunnen gebruiken. Volgens de verwijzende rechter was echter niet bekend wat de zuiverheidsgraad van het silicium was voordat het uit China werd ingevoerd.
25 Ten vervolge op onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) heeft het Hauptzollamt Aachen geoordeeld dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde siliciummetaal in India geen ingrijpende ver- of bewerking had ondergaan waardoor het het karakter van een product van oorsprong uit India had verkregen. Het heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat dit product als een product van oorsprong uit China moest worden beschouwd. Bij twee aanslagen van 6 juni 2007 heeft dit Hauptzollamt op grond van artikel 1 van verordening nr. 398/2004 van Hoesch een bedrag van 99 974,74 EUR aan antidumpingrechten nagevorderd.
26 Bij een bij het Finanzgericht Düsseldorf ingesteld beroep heeft Hoesch verzocht om nietigverklaring van die aanslagen, waarbij zij betoogde dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde silicium in India een ingrijpende ver- of bewerking had ondergaan waardoor het het karakter van product van oorsprong uit dat land heeft verkregen. Volgens haar zijn de blokken silicium door het kleinmaken verwerkt tot korrels en kon door reiniging – waarvoor veel arbeid moest worden ingezet – een hogere zuiverheidsgraad van het silicium worden bereikt. Bovendien beroept Hoesch zich op de ongeldigheid van verordening nr. 398/2004.
27 Volgens de verwijzende rechter hangt de uitkomst van het beroep af van het antwoord op de vraag of de in India verrichte behandeling een ver- of bewerking vormt waardoor het siliciummetaal het karakter van product van oorsprong in de zin van artikel 24 van het douanewetboek heeft verkregen, in welk geval over de invoer ervan geen antidumpingrechten worden geheven. Zo niet, vraagt hij zich af of verordening nr. 398/2004 geldig is.
28 De verwijzende rechter is van oordeel dat het niet van belang is welke betekenis toekomt aan de zogenoemde „list rules” die door de Commissie ter verduidelijking van de in artikel 24 van het douanewetboek vervatte begrippen werden opgesteld en op haar website kunnen worden ingezien.
29 Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet artikel 24 van [het douanewetboek] aldus worden uitgelegd dat het scheiden, reinigen en kleinmaken van blokken siliciummetaal en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels een be- of verwerking zijn waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt?
2) Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is verordening [nr. 398/2004] geldig?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
30 Hoesch is om te beginnen van mening dat de niet-preferentiële oorsprong van het siliciummetaal uitsluitend op de grondslag van artikel 24 van het douanewetboek moet worden bepaald en dat in het hoofdgeding aan alle voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan, zodat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichting een ingrijpende ver- of bewerking is waardoor dat product het karakter van product van niet-preferentiële oorsprong heeft verkregen.
31 Volgens deze onderneming moeten de behandelingen die het uit China ingevoerde silicium in India heeft ondergaan, worden beschouwd als een ingrijpende verwerking daarvan, aangezien het begrip ingrijpende verwerking in casu kan worden omschreven als een zodanige wijziging van de voorlopermaterialen dat deze andere kenmerken verkrijgen. Door het kleinmaken hebben de blokken silicium namelijk hun oorspronkelijke vorm verloren. Hoesch beroept zich verder op de rechtspraak van het Hof dat de laatste verwerking van een product slechts „ingrijpend” is in de zin van artikel 24 van het douanewetboek, wanneer het aldus voortgebrachte product specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling vertoont, die het vóór die verwerking niet bezat (zie in die zin arrest van 26 januari 1977, Gesellschaft für Überseehandel, 49/76, Jurispr. blz. 41, punt 6). In het hoofdgeding zijn door reiniging de vuildeeltjes uit de blokken silicium verwijderd, is de bestemming van het silicium gewijzigd en gebruik ervan in een aluminiumlegering mogelijk geworden.
32 De in de list rules gestelde vereiste van verandering van postonderverdeling is, anders dan vele regels van oorsprong van goederen, niet opgenomen bij de in artikel 24 van het douanewetboek voorziene voorwaarden. De verandering van tariefpost is dus geen voorwaarde voor toepassing van dat artikel 24. Voorts zijn de list rules en de aantekeningen bij hoofdstuk 28 daarvan (hierna: „aantekeningen”) niet in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en zijn zij enkel op het internet en in het Engels beschikbaar, zodat zij niet bindend zijn. Zou er toch aanleiding zijn om de aantekeningen in de redenering te betrekken, dan zou de niet-preferentiële oorsprong van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde product daardoor worden bevestigd. Uit die aantekeningen blijkt immers dat het reinigen en het kleinmaken van silicium onder bepaalde voorwaarden een ingrijpende ver- of bewerking kunnen vormen die het silicium het karakter van een product van oorsprong verleent. Aan deze voorwaarden is in het hoofdgeding voldaan.
33 De Commissie suggereert daarentegen dat de list rules en de aantekeningen in aanmerking moeten worden genomen om met name te verzekeren dat het douanerecht uniform en in overeenstemming met de door de Gemeenschap in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) aangegane verbintenissen wordt toegepast. Die regels houden namelijk rekening met de voorlopige resultaten van de onderhandelingen in het kader van de harmonisatie-inspanning van het bij de overeenkomst betreffende de oorsprongsregels voorziene comité voor de oorsprongsregels.
34 Voorts is het gebruik in de list rules van het criterium van verandering van postonderverdeling, volgens hetwelk de betrokken goederen slechts worden geacht hun laatste ingrijpende ver- of bewerking te hebben ondergaan wanneer hun postonderverdeling verandert, uit technisch oogpunt gerechtvaardigd, voor zover dit criterium – wat het hoofdgeding betreft – rekening houdt met de voor de productie van siliciummetaal noodzakelijke verrichtingen alsmede met de productiedoelstellingen voor dat metaal. De indeling van silicium onder GN-postonderverdeling 2804 61 dan wel GN-postonderverdeling 2804 69 berust immers op de zuiverheidsgraad ervan, die voor eerstgenoemde postonderverdeling ten minste 99,9 % en voor laatstgenoemde minder dan 99,9 % moet bedragen, en weerspiegelt dus niet alleen het gebruik dat ervan wordt gemaakt, maar ook de arbeid die nodig is om dat product te fabriceren. Bovendien kan in het hoofdgeding geen objectief en reëel onderscheid worden gemaakt tussen het basisproduct, namelijk het silicium in de vorm van blokken metaal, en de door het scheiden en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken verkregen siliciummetaalkorrels, aangezien deze verrichtingen niets hebben veranderd aan de eigenschappen of de samenstelling van het siliciummetaal, dat metallurgisch silicium blijft, dat enkel voor de productie van aluminiumlegeringen wordt gebruikt.
35 Uitgaande van de aantekeningen nrs. 3 en 4, is de Commissie evenwel van mening dat het reinigen en het kleinmaken van silicium in een aantal omstandigheden ook zonder verandering van tariefpost een ingrijpende ver- of bewerking kunnen vormen waardoor het product het karakter van een product van oorsprong verkrijgt, op voorwaarde dat het reinigen een fabricagestadium uitmaakt waarin ten minste 80 % van de aanwezige vuildeeltjes wordt verwijderd of na dit reinigen een dusdanige zuiverheidsgraad wordt bereikt dat het bestaande product voor een specifiek gebruik kan worden ingezet, dan wel dat het bij het kleinmaken gaat om een doelbewust, tot een bepaald resultaat leidend reduceren van het silicium. Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter is evenwel niet bewezen dat ten minste 80 % van de vuildeeltjes is verwijderd. Voorts werden de aldus verkregen siliciumkorrels gezeefd, wat betekent dat zij vóór het zeven van verschillende grootte waren. Er heeft dus geen doelbewust en gecontroleerd reduceren van de blokken silicium plaatsgevonden.
Antwoord van het Hof
36 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het scheiden, kleinmaken en reinigen van de blokken silicium en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels een ver- of bewerking zijn waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van het douanewetboek.
37 Uit artikel 24 van het douanewetboek blijkt dat wanneer meerdere landen betrokken zijn geweest bij de vervaardiging van goederen, deze worden geacht van oorsprong te zijn uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.
38 Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat uit artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148, blz. 1) – welke bepaling aan artikel 24 van het douanewetboek voorafging, maar in dezelfde bewoordingen is geformuleerd – blijkt dat de laatste ingrijpende ver- of bewerking het doorslaggevende criterium is (arresten van 13 december 1989, Brother International, C‑26/88, Jurispr. blz. 4253, punt 15, en 13 december 2007, Asda Stores, C‑372/06, Jurispr. blz. I‑11223, punt 32).
39 Wat de toepasbaarheid van de list rules betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 10 december 2009, HEKO Industrieerzeugnisse (C‑260/08, Jurispr. blz. I‑00000, punten 20 en 21), heeft geoordeeld dat hoewel de door de Commissie vastgestelde list rules ertoe bijdragen, de niet-preferentiële oorsprong van goederen te bepalen, zij rechtens niet bindend zijn. De inhoud van deze regels moet derhalve in overeenstemming zijn met de oorsprongsregels, zoals die welke in artikel 24 van het douanewetboek is vervat, en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Deze beoordeling geldt ook voor de aantekeningen.
40 Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat hoewel de relevante handelingen van afgeleid recht moeten worden uitgelegd in het licht van de WTO-akkoorden, de overeenkomst betreffende de oorsprongsregels thans alleen voorziet in een harmoniseringswerkprogramma gedurende een overgangsperiode. Daar deze overeenkomst geen volledige harmonisatie tot stand brengt, beschikken de WTO-leden over een beoordelingsmarge inzake de aanpassing van hun oorsprongsregels (arrest HEKO Industrieerzeugnisse, reeds aangehaald, punt 22).
41 Uit deze overwegingen blijkt dat de rechterlijke instanties van de lidstaten zowel de aantekeningen als de list rules mogen toepassen bij de uitlegging van artikel 24 van het douanewetboek, voor zover dat niet leidt tot wijziging van dat artikel (zie arrest HEKO Industrieerzeugnisse, reeds aangehaald, punt 23).
42 Wat de vraag betreft naar de relevantie van het uit de list rules voortvloeiende criterium van verandering van postonderverdeling voor de vaststelling of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichtingen een ver- of bewerking opleveren waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van het douanewetboek, heeft het Hof reeds geoordeeld dat er niet mee kan worden volstaan, de criteria ter bepaling van de oorsprong van de goederen te zoeken in de tariefindeling van de verwerkte producten, aangezien het gemeenschappelijk douanetarief een geheel eigen functie heeft, die geen verband houdt met de bepaling van de oorsprong van producten (zie arrest Gesellschaft für Überseehandel, reeds aangehaald, punt 5; arrest van 23 maart 1983, Cousin e.a., 162/82, Jurispr. blz. 1101, punt 16, en arrest HEKO Industrieerzeugnisse, reeds aangehaald, punt 29).
43 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat hoewel de verandering van de tariefpost van een product naar aanleiding van de verwerking ervan een aanwijzing vormt dat de ver- of bewerking ingrijpend is geweest, er ook zonder een dergelijke verandering van tariefpost sprake kan zijn van een ingrijpende ver- of bewerking (arrest HEKO Industrieerzeugnisse, reeds aangehaald, punt 35). Deze beoordeling kan ook worden getransponeerd naar het criterium van verandering van postonderverdeling.
44 Om uit te maken of het product, gelet op de voorwaarden van artikel 24 van het douanewetboek, door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verrichtingen het karakter van product van oorsprong verkrijgt, moet bijgevolg met andere criteria rekening worden gehouden dan met dat van de verandering van postonderverdeling.
45 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de oorsprong van goederen moet worden bepaald op basis van een objectief en reëel onderscheid tussen basisproduct en verwerkt product, dat voornamelijk verband houdt met de specifieke materiële eigenschappen van beide producten (zie reeds aangehaalde arresten Gesellschaft für Überseehandel, punt 5; Cousin e.a., punt 16, en HEKO Industrieerzeugnisse, punt 29).
46 Er zij tevens op gewezen dat de laatste ver- of bewerking slechts „ingrijpend” is in de zin van artikel 24 van het douanewetboek, wanneer het aldus voortgebrachte product eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoont die het vóór die ver- of bewerking niet bezat. Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van een product beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan, zonder evenwel tot een aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappen ervan te leiden, kunnen de oorsprong van dat product niet bepalen (zie arrest Gesellschaft für Überseehandel, reeds aangehaald, punt 6; arrest van 23 februari 1984, Zentrag, 93/83, Jurispr. blz. 1095, punt 13, en arrest HEKO Industrieerzeugnisse, reeds aangehaald, punt 28).
47 Voorts heeft het Hof nader uiteengezet dat de verwerking van een product die niet leidt tot een wezenlijke verandering van de eigenschappen en de samenstelling ervan, omdat zij alleen bestaat in een verdeling van het product en een wijziging van de uiterlijke verschijningsvorm, daarentegen een onvoldoende kenmerkende kwalitatieve verandering vormt om de opvatting te kunnen rechtvaardigen dat zij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw product of een belangrijke fabricagefase voor dat product uitmaakt (zie in die zin arrest Zentrag, reeds aangehaald, punt 14).
48 Met betrekking tot het hoofdgeding zij opgemerkt dat de keuze om het silicium in te delen onder GN-postonderverdeling 2804 61 dan wel GN-postonderverdeling 2804 69, berust op de zuiverheidsgraad van het silicium, die voor eerstgenoemde postonderverdeling ten minste 99,9 % en voor laatstgenoemde postonderverdeling minder dan 99,9 % moet bedragen. Zoals de Commissie terecht stelt, weerspiegelt een dergelijke verschillende indeling zowel het gebruik dat van het silicium wordt gemaakt als de arbeid die voor de productie ervan noodzakelijk is.
49 In casu omvat de in India verrichte verwerking van het silicium het scheiden, kleinmaken, reinigen, zeven, sorteren en verpakken ervan. Wat in de eerste plaats het scheiden, zeven, sorteren en verpakken van het silicium betreft, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze verrichtingen de eigenschappen of de samenstelling ervan niet hebben gewijzigd, omdat het daarna nog altijd om metallurgisch silicium gaat dat volgens de onweersproken gegevens in dat dossier voor de productie van aluminiumlegeringen wordt gebruikt.
50 Het Hof heeft namelijk reeds geoordeeld dat het tot verschillende graden van fijnheid vermalen van een basisproduct niet kan worden beschouwd als een ingrijpende ver- of bewerking, wanneer dit procedé uitsluitend leidt tot een andere consistentie en verschijningsvorm met het oog op verder gebruik, maar niet tot een belangrijke kwalitatieve wijziging van het basisproduct. Voorts dienen de kwaliteitscontrole en het sorteren alsmede het verpakken van het gemalen product enkel het in de handel brengen ervan en beïnvloeden zij zijn wezenlijke eigenschappen niet (zie met betrekking tot de bepaling van oorsprong van caseïne, arrest Gesellschaft für Überseehandel, reeds aangehaald, punt 7).
51 Het scheiden van de blokken siliciummetaal alsmede het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken van het silicium verkregen siliciumkorrels blijken dus niet te kunnen worden aangemerkt als verrichtingen waardoor het siliciummetaal het karakter van product van oorsprong verkrijgt.
52 Wat in de tweede plaats het reinigen en kleinmaken van een product betreft, blijkt uit de aantekeningen dat deze twee verrichtingen dat product het karakter van product van oorsprong kunnen verlenen ook zonder dat de postonderverdeling daarvan verandert. Dit is volgens aantekening nr. 3 bij reiniging het geval wanneer deze plaatsvindt tijdens een fabricagestadium van het product waarin ten minste 80 % van de aanwezige vuildeeltjes wordt weggenomen. Overeenkomstig aantekening nr. 4 geldt dit ook voor het kleinmaken wanneer daarbij het product doelbewust en op gecontroleerde wijze, anders dan door loutere vergruizing, wordt gereduceerd tot deeltjes die andere fysische of chemische kenmerken hebben dan de voorlopermaterialen.
53 Dienaangaande zij vastgesteld dat de uit de aantekeningen nrs. 3 en 4 voortvloeiende criteria het mogelijk maken, rekening te houden met de aanzienlijke kwalitatieve wijziging van de eigenschappen van het silicium, het objectieve en reële onderscheid tussen basisproduct en verwerkt product alsmede met de bestemming van het silicium. Zij zijn bijgevolg in overeenstemming met de in de punten 45 tot en met 47 van onderhavig arrest weergegeven rechtspraak. Aangezien die criteria niet de strekking van artikel 24 van het douanewetboek wijzigen, is in de omstandigheden van het hoofdgeding het gebruik daarvan gerechtvaardigd.
54 De verwijzende rechter wijst evenwel erop dat in het hoofdgeding niet aan de criteria van de aantekeningen nrs. 3 en 4 is voldaan, nu noch is bewezen dat door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde reiniging 80 % van de aanwezige vuildeeltjes is verwijderd, noch kan worden vastgesteld dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde kleinmaken inhoudt dat de blokken silicium doelbewust en op gecontroleerde wijze tot deeltjes worden gereduceerd. In die omstandigheden zijn het reinigen en het kleinmaken van het silicium, zoals dat in India heeft plaatsgevonden, geen ingrijpende ver- of bewerking in de zin van artikel 24 van het douanewetboek waardoor het verkregen product kan worden beschouwd als een product van oorsprong uit de staat waar die verrichtingen hebben plaatsgevonden.
55 Gelet op het voorgaande, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat het scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken silicium en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels, zoals deze verrichtingen in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, geen ver- of bewerking zijn waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van het douanewetboek.
Tweede vraag
56 Voor het geval dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde siliciummetaal als een product van oorsprong uit China wordt beschouwd, stelt de verwijzende rechter zijn tweede vraag of verordening nr. 398/2004 geldig is. Meer bepaald wenst hij te vernemen of de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door bij de vaststelling van het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap uit te gaan van een verkeerde premisse, en verder of het in overeenstemming is met artikel 9, lid 4, van de basisverordening dat in verordening nr. 398/2004 het antidumpingrecht van 49 % wordt gehandhaafd.
Inleidende opmerkingen
57 In de eerste plaats zij opgemerkt dat de verwijzende rechter het met zijn vraag enkel nodig heeft geacht, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, het Hof te verzoeken om toetsing van de geldigheid van verordening nr. 398/2004 wat het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en de handhaving in deze verordening van het bestaande antidumpingrecht betreft.
58 Hoesch is van mening dat verordening nr. 398/2004 ongeldig is op grond dat bij de vaststelling van het causaal verband tussen de invoer uit China en de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt, en voorts omdat bij het nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen de duur van de procedure is overschreden.
59 Volgens vaste rechtspraak berust de procedure van artikel 267 VWEU op een duidelijke scheiding van taken tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, zodat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie in die zin arrest van 26 juni 2007, Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a., C‑305/05, Jurispr. blz. I‑5305, punt 18).
60 Dit betekent dat de geldigheid van verordening nr. 398/2004 niet hoeft te worden getoetst aan gronden die de verwijzende rechter niet heeft genoemd (zie naar analogie arrest Orde van Franstalige en Duitstalige balies e.a., reeds aangehaald, punten 17‑19).
61 Er zij in de tweede plaats op gewezen dat de gemeenschapsinstellingen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C‑351/04, Jurispr. blz. I‑7723, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Voorts is het vaste rechtspraak dat voor de vaststelling van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, en dat bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dan ook enkel dient te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest Ikea Wholesale, reeds aangehaald, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 28 februari 2008, AGST Draht- und Biegetechnik, C‑398/05, Jurispr. blz. I‑1057, punt 34).
63 De geldigheid van verordening nr. 398/2004 moet aan de hand van voorgaande overwegingen worden getoetst.
Vaststelling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap
64 De verwijzende rechter merkt in de eerste plaats op dat zijn twijfel over de geldigheid van verordening nr. 398/2004 is gebaseerd op het arrest van het Gerecht van 14 maart 2007, Aluminium Silicon Mill Products/Raad (T‑107/04, Jurispr. blz. II‑669), waarbij artikel 1 van verordening (EG) nr. 2229/2003 van de Raad van 22 december 2003 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op de invoer van silicium van oorsprong uit Rusland (PB L 339, blz. 3), met name nietig is verklaard op grond dat de Raad kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de vaststelling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. De verwijzende rechter benadrukt dat de bij dat arrest nietig verklaarde verordening hetzelfde onderzoektijdvak en dezelfde beoordelingsperiode betrof als die in verordening nr. 398/2004 en dat de economische evolutie van de gemeenschapsmarkt voor silicium voor deze twee verordeningen dezelfde is, zodat verordening nr. 398/2004 op dezelfde gronden nietig moet worden verklaard.
65 In dit verband zij vastgesteld dat deze twee verordeningen op een wezenlijk punt van elkaar verschillen. Verordening nr. 2229/2003 heeft voor het eerst antidumpingrechten op de invoer van siliciummetaal uit Rusland ingesteld en is vastgesteld na een eerste onderzoek dat werd gevoerd uit hoofde van artikel 5 van de basisverordening. De Raad was bijgevolg gehouden, het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als gevolg van die invoer vast te stellen. Verordening nr. 398/2004 handhaaft daarentegen antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van silicium uit China die sinds 1990 van kracht zijn, en is dus vastgesteld na een nieuw onderzoek dat werd verricht uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een procedure voor een nieuw onderzoek in beginsel objectief verschilt van een procedure voor een eerste onderzoek, waarop andere bepalingen van dezelfde verordening van toepassing zijn [arrest van 27 januari 2005, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, C‑422/02 P, Jurispr. blz. I‑791, punt 49].
66 Het objectieve verschil tussen deze twee procedures houdt namelijk in dat bij invoer waarvoor een nieuw onderzoek plaatsvindt, reeds definitieve antidumpingmaatregelen zijn ingesteld, en in beginsel voldoende bewijs is geleverd dat het vervallen van die maatregelen waarschijnlijk tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden. Bij een eerste onderzoek van de invoer gaat het er daarentegen juist om het bestaan, de mate en het effect van elke gestelde dumping te bepalen, ook al kan een dergelijk onderzoek slechts worden geopend indien er voldoende bewijs is dat de inleiding van een dergelijke procedure gerechtvaardigd is [arrest Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, reeds aangehaald, punt 50].
67 Uit artikel 11, lid 2, van de basisverordening blijkt immers dat antidumpingmaatregelen slechts kunnen worden gehandhaafd na de datum waarop zij normaal gesproken vervallen, wanneer bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen „waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden”. Bijgevolg zijn de vaststellingen van het Gerecht in het voormelde arrest Aluminium Silicon Mill Products/Raad met betrekking tot het bestaan van schade in het kader van het onderzoek van de geldigheid van verordening nr. 2229/2003 als zodanig irrelevant om de geldigheid van verordening nr. 398/2004 te beoordelen.
68 In de tweede plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat de tweede zin van punt 71 van de considerans van verordening nr. 398/2004, waarin het heet dat de verkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap na 2000 „stagneerden”, in tegenspraak is met de gegevens over de omvang van de verkoop en over het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de tabellen 6 en 8 in de considerans van die verordening.
69 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat uit de genoemde tabel 6 blijkt dat tussen 1998 en 2000 de verkoop van silicium van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 54 % is gestegen, terwijl hij tussen 2000 en het onderzoektijdvak met ongeveer 2,1 % is toegenomen. Verder laat tabel 8 van die verordening zien dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 1998 en 2000 van 29,8 % tot 34,3 % is gestegen, en tussen 2000 en het onderzoektijdvak van 34,3 % tot 36,7 %.
70 Hoewel de siliciumverkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak inderdaad zijn gestegen, is de bedrijfstak van de Gemeenschap – gelet op de aanzienlijke toename van de omvang van de verkoop tussen 1998 en 2000, namelijk met 54 % – sinds 2000 bijgevolg niet meer gegroeid en stagneert hij dus. Derhalve is er geen tegenstrijdigheid tussen tabellen 6 en 8 in de considerans van verordening nr. 398/2004 en punt 71 van de considerans van die verordening.
71 Voorts blijkt uit punt 72 van de considerans van verordening nr. 398/2004, waarvan de inhoud niet wordt betwist, dat vanaf 2000 van echte verbeteringen in de ontwikkeling van de bedrijfstak van de Gemeenschap geen sprake meer was. Evenzo heet het in – het eveneens onbetwiste – punt 73 van de considerans van deze verordening dat van 2000 tot in het onderzoektijdvak de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verslechterde en in het onderzoektijdvak zeer kwetsbaar is geworden.
72 Ten slotte bedroeg krachtens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2496/97 het definitieve antidumpingrecht op de invoer van siliciummetaal uit China vóór inklaring 49 %. Derhalve is het aannemelijk dat het marktaandeel van de invoer van silicium uit China minder groot was dan wanneer geen antidumpingrecht zou zijn geheven. In deze samenhang is de Raad, nu uit punt 74 van de considerans van verordening nr. 398/2004, waarvan de inhoud niet wordt betwist, voortvloeit dat de invoer met dumping uit China in de periode tussen 1 januari 1998 en het einde van het onderzoektijdvak sterk was gestegen en het waarschijnlijk was dat indien de toentertijd geldende maatregelen vervielen, nog veel grotere hoeveelheden van het betrokken product tegen zeer lage prijzen, die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderboden, naar de Gemeenschap zouden worden uitgevoerd, terecht tot de conclusie gekomen dat er voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een groot risico bestond wanneer Chinees silicium vrij van antidumpingrechten zou worden ingevoerd.
73 In die omstandigheden heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt, waar hij tot de bevinding is gekomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap opnieuw schade zou lijden, wanneer de antidumpingmaatregelen zouden worden ingetrokken.
Handhaving van het bestaande antidumpingrecht
74 De verwijzende rechter wenst te vernemen of de handhaving, in artikel 1, lid 2, van verordening nr. 398/2004, van een antidumpingrecht van 49 % verenigbaar is met artikel 9, lid 4, laatste zin, van de basisverordening, nu de dumpingmarge, die volgens punt 24 van de considerans van verordening nr. 2496/97 68,1 % bedroeg, naar luid van punt 27 van de considerans van verordening nr. 398/2004 tot 12,5 % was gedaald.
75 Hoesch heeft dienaangaande betoogd dat volgens artikel 9, lid 4, van de basisverordening, dat ingevolge artikel 11, lid 5, daarvan ook van toepassing is op nieuwe onderzoeken, geen douanetarief mag worden vastgesteld dat hoger is dan de dumpingmarge.
76 Zoals in de punten 66 en 67 van het onderhavige arrest is uiteengezet, moeten de gemeenschapsautoriteiten in het kader van een uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening verricht nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen waarvan de vervaldatum nadert, alleen vaststellen of het vervallen van die maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping en schade zou leiden, in welk geval die maatregelen worden gehandhaafd. Is dat niet zo, dan worden de antidumpingmaatregelen ingetrokken. Deze uiteenzetting wordt bevestigd door artikel 11, lid 6, van deze verordening, waarin het heet dat wanneer deze onderzoeken daartoe aanleiding geven, de maatregelen overeenkomstig lid 2 van dat artikel worden ingetrokken of gehandhaafd, terwijl uit datzelfde lid 6 tevens blijkt dat de maatregelen niet alleen kunnen worden ingetrokken of gehandhaafd, maar ook overeenkomstig de leden 3 en 4 kunnen worden gewijzigd. Bijgevolg kan een nieuw onderzoek van de maatregelen waarvan de vervaldatum nadert, niet ertoe leiden dat de geldende maatregelen worden gewijzigd.
77 Voorts mag ingevolge artikel 9, lid 4, laatste volzin, van de basisverordening het antidumpingrecht „niet hoger […] zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en moet [het] lager zijn dan deze marge als dat toereikend is om een einde te maken aan de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap”. Gelet op de algemene structuur en de doelstellingen van de regeling waarvan het deel uitmaakt, is dit artikel niet bedoeld om te worden toegepast op de procedure van artikel 11, lid 2, van die verordening. Bovendien kunnen de gemeenschapsautoriteiten, zoals uiteengezet in het vorige punt van onderhavig arrest, in het kader van een uit hoofde van artikel 11, lid 2, van de basisverordening verricht nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen, deze alleen handhaven of intrekken.
78 In casu zijn de gemeenschapsautoriteiten na dit nieuwe onderzoek tot de conclusie gekomen dat wanneer de antidumpingmaatregelen zouden vervallen, dat waarschijnlijk tot nieuwe schade zou leiden. De Raad heeft bijgevolg terecht conform artikel 11, leden 2 en 6, van de basisverordening besloten, het antidumpingrecht van 49 % te handhaven.
79 Gelet op het voorgaande, moet op de tweede vraag worden geantwoord dat uit het onderzoek van deze vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 398/2004 kunnen aantasten.
Kosten
80 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Het scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken silicium en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels, zoals deze verrichtingen in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, zijn geen ver- of bewerking waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.
2) Uit het onderzoek van de tweede vraag van de verwijzende rechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 398/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op silicium uit de Volksrepubliek China.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy