Zaak C‑375/08
Strafzaak tegen
tegen
Luigi Pontini e.a.
(verzoek van het Tribunale di Treviso om een prejudiciële beslissing)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Rundvlees – Verordening (EG) nr. 1254/1999 – Communautaire financiële bijstand in vorm van speciale premies voor mannelijke runderen en extensiveringsbedragen – Voorwaarden voor toekenning – Berekening van veebezettingsgetal van bedrijf – Begrip ‚beschikbaar voederareaal’ – Verordeningen (EEG) nr. 3887/92 en (EG) nr. 2419/2001 – Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen – Nationale regeling die toekenning van communautaire financiële bijstand afhankelijk stelt van overlegging van geldige rechtstitel voor gebruik van geëxploiteerd voederareaal”
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Rundvlees – Speciale premie voor mannelijke runderen – Extensiveringsbedrag
(Verordening nr. 1254/1999 van de Raad)
Het gemeenschapsrecht, en met name verordening nr. 1254/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, stelt voor de inaanmerkingneming van een aanvraag voor speciale premies voor mannelijke runderen en voor extensiveringsbedragen niet als voorwaarde dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop deze aanvraag betrekking heeft. Het gemeenschapsrecht staat er evenwel niet aan in de weg dat de lidstaten in hun nationale regelgeving een verplichting opnemen om een dergelijke titel over te leggen, mits de doelstellingen van de communautaire regelgeving en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, in acht worden genomen.
(cf. punt 90 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
24 juni 2010 (*)
„Landbouw – Gemeenschappelijke ordening van markten – Rundvlees – Verordening (EG) nr. 1254/1999 – Communautaire financiële bijstand in de vorm van speciale premies voor mannelijke runderen en extensiveringsbedragen – Voorwaarden voor toekenning – Berekening van veebezettingsgetal van bedrijf – Begrip ‚beschikbaar voederareaal’ – Verordeningen (EEG) nr. 3887/92 en (EG) nr. 2419/2001 – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen – Nationale regeling die toekenning van communautaire financiële bijstand afhankelijk stelt van overlegging van geldige rechtstitel voor gebruik van geëxploiteerde voederareaal”
In zaak C‑375/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale di Treviso (Italië) bij beslissing van 6 mei 2008, ingekomen bij het Hof op 18 augustus 2008, in de strafzaak tegen
Luigi Pontini e.a.,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, P. Lindh, A. Rosas, A. Ó Caoimh (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 januari 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– Emanuele Rech, Giovanni Forato en Laura Forato, vertegenwoordigd door B. Nascimbene en F. Rossi dal Pozzo, avvocati,
– Adele Adami e.a., vertegenwoordigd door W. Viscardini, avvocato,
– Ivo Colomberotto, vertegenwoordigd door A. Mascotto en O. Bigolin, avvocati,
– Agrirocca di Rech Emanuele en Asolat di Rech Emanuele & C., vertegenwoordigd door G. Donà, avvocato,
– de Agenzia Veneta per i Pagamenti in Agricoltura – AVEPA, vertegenwoordigd door A. dal Ferro en A. Cevese, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. Bruni als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door A. Vassilopoulou en E. Leftheriotou als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en N. Rasmussen als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de communautaire regelgeving op het gebied van de steunaanvragen voor dieren, en met name van verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21, met rectificaties in PB 1999, L 282, blz. 16, en PB 2000, L 263, blz. 34).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen Luigi Pontini, Emanuele Rech, Giovanni Forato, Dino Bonora, Ivo Colomberotto, Laura Forato en Adele Adami. Hun wordt ten laste gelegd, dat zij ten nadele van de Europese Gemeenschap diverse strafrechtelijke inbreuken hebben begaan, die verband houden met de – volgens de vervolgende partij ongerechtvaardigde – ontvangst van communautaire financiële bijstand in de vorm van speciale premies voor mannelijke runderen en extensiveringsbedragen in de periode van 2000 tot en met 2004.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Verordening (EEG) nr. 3508/92
3 Artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1), bepaalt dat elke lidstaat een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem (hierna: „GBCS”) invoert, dat van toepassing is op verschillende communautaire steunregelingen in de sectoren plantaardige productie en dierlijke productie.
4 Volgens artikel 2 van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1593/2000 van de Raad van 17 juli 2000 (PB L 182, blz. 4), omvat het GBCS een databank, een systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond, een systeem voor de identificatie en de registratie van de dieren, steunaanvragen, en een geïntegreerd controlesysteem.
5 Artikel 6 van verordening nr. 3508/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1593/2000, luidt als volgt:
„1. Om in aanmerking te komen voor de toepassing van één of meer communautaire regelingen die onder deze verordening vallen, moet elk bedrijfshoofd voor elk jaar een steunaanvraag ‚oppervlakten’ indienen, waarin worden vermeld:
– de percelen landbouwgrond, voederarealen inbegrepen, de percelen landbouwgrond waarvoor een maatregel voor het uit productie nemen van bouwland wordt toegepast, en de percelen landbouwgrond die braak gelegd zijn;
– in voorkomend geval, alle andere noodzakelijke gegevens, hetzij uit hoofde van de verordeningen inzake communautaire regelingen, hetzij op verzoek van de betrokken lidstaat.
[...]
6. Voor elk in de aanvraag vermeld perceel landbouwgrond geeft het bedrijfshoofd de oppervlakte en de ligging aan, aan de hand waarvan het perceel moet kunnen worden geïdentificeerd in het kader van het systeem voor identificatie van de percelen landbouwgrond.
[...]”
Verordening (EEG) nr. 3887/92
6 In de zevende en de negende overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 391, blz. 36), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1678/98 van de Commissie van 29 juli 1998 (PB L 212, blz. 23; hierna: „verordening nr. 3887/92”), heet het dat:
„[...] op doeltreffende wijze moet worden gecontroleerd of de bepalingen inzake communautaire steunverlening worden nageleefd; [...]
[...]
[...] in het licht van de opgedane ervaring en met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en van de bijzondere problemen die door overmacht en door natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt, [dienen] bepalingen voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude te worden vastgesteld; [...]”
7 Artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 3887/92 bepaalt dat wanneer een voederareaal gezamenlijk wordt gebruikt, de bevoegde instantie dit areaal verdeelt over de belanghebbende bedrijfshoofden in verhouding tot het gebruik dat zij van dit areaal maken of hun recht tot gebruik van dit areaal.
8 Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3887/92 luidt als volgt:
„Onverminderd de eisen die in de sectoriële verordeningen worden gesteld, moet een steunaanvraag ‚oppervlakten’ alle nodige gegevens bevatten, en met name:
– de identificatie van het bedrijfshoofd,
– de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf vereiste gegevens, de oppervlakte van deze percelen [...], hun ligging, het gebruik ervan, eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling,
– een verklaring van de producent dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden voor toekenning van de betrokken steun.
Onder ‚gebruik’ wordt verstaan het gewas‑ of vegetatietype of het ontbreken van een gewas.
[...]”
Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95
9 Artikel 4, lid 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1), bepaalt:
„Wanneer vaststaat dat handelingen tot doel hebben om, door kunstmatig de voorwaarden te scheppen die voor het verkrijgen ervan nodig zijn, een voordeel te verkrijgen dat in strijd is met de doelstellingen van het ter zake toepasselijke gemeenschapsrecht, wordt, naar gelang van het geval, dit voordeel niet toegekend of wordt het ontnomen.”
10 Artikel 8 van die verordening luidt als volgt:
„1. De lidstaten nemen overeenkomstig hun nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maatregelen om zich te vergewissen van de regelmatigheid en het bestaan van de verrichtingen die de financiële belangen van de Gemeenschappen raken.
2. De controlemaatregelen zijn aangepast aan het specifieke karakter van elke sector en zijn evenredig aan het nagestreefde doel. [...]
[...]”
Verordening nr. 1254/1999
11 In punt 13 van de considerans van verordening nr. 1254/1999 staat te lezen dat, „gelet op de tendens tot intensivering van de rundveehouderij, de premies voor vee moeten worden beperkt rekening houdend met de voedercapaciteit van elk bedrijf in verhouding tot het aantal en de categorieën dieren die er worden gehouden; dat, om te voorkomen dat te intensief wordt geproduceerd, dergelijke premies slechts mogen worden toegekend als op het bedrijf een maximale veebezetting in acht wordt genomen; [...]”.
12 Wat de noodzaak betreft om een flexibel kader te scheppen voor extra communautaire betalingen, luidt het in punt 15 van de considerans van die verordening dat „het [...] van essentieel belang is de lidstaten ertoe te verplichten hun discretionaire bevoegdheden uitsluitend op basis van objectieve criteria te gebruiken, het beginsel van gelijke behandeling volledig in acht te nemen en markt‑ en concurrentiedistorsies te voorkomen”.
13 Het begrip „bedrijf” wordt in artikel 3, sub b, van verordening nr. 1254/1999 gedefinieerd als „het geheel van door de producent beheerde productie-eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat”.
14 Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening kan aan rundvleesproducenten die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, op hun verzoek een speciale premie worden verleend.
15 Artikel 12 van die verordening, met als opschrift „Veebezetting”, luidt als volgt:
„1. Het totale aantal dieren waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kan worden verkregen, wordt begrensd door de toepassing van een veebezettingsgetal van twee grootvee-eenheden (GVE) per hectare per kalenderjaar. Het veebezettingsgetal geeft de verhouding weer tussen het aantal GVE en het areaal van het bedrijf dat voor de voedering van de dieren van hetzelfde bedrijf wordt gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal, niet groter is dan 15 GVE.
2. Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van:
a) de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien en vaarzen, schapen en/of geiten waarvoor premieaanvragen zijn ingediend, en het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de aan de producent toegekende totale referentiehoeveelheid melk. Voor de omrekening van het aldus verkregen aantal dieren in GVE wordt gebruikgemaakt van de omrekeningstabel in bijlage III;
b) het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor de runderveehouderij en de schapen‑ en/of geitenhouderij beschikbaar is. Bij de berekening van dat areaal wordt geen rekening gehouden met de oppervlakte van:
– gebouwen, bossen, vijvers en wegen,
– percelen die worden gebruikt voor andere gewassen waarvoor een communautaire steunregeling geldt, of voor meerjarige teelten of tuinbouw, behalve percelen blijvend grasland waarvoor areaaluitkeringen worden toegekend overeenkomstig artikel 17 van deze verordening en artikel 19 van [verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (PB L 160, blz. 48)],
– percelen waarvoor de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen geldt, percelen die in aanmerking komen voor de steunregeling voor gedroogde voedergewassen, of die onder een nationaal of communautair braakleggingsprogramma vallen.
Het voederareaal omvat ook gezamenlijk gebruikt voederareaal en percelen die voor gemengde teelten worden gebruikt.
3. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 43 de uitvoeringsbepalingen voor dit artikel vast. Hierbij gaat het met name om bepalingen:
– met betrekking tot gezamenlijk gebruikt areaal en percelen die voor gemengde teelten worden gebruikt;
– waarmee beoogd wordt te verhinderen dat de toepassing van het veebezettingsgetal wordt omzeild.”
16 Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1254/1999 is gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1512/2001 van de Raad van 23 juli 2001 (PB L 201, blz. 1), door de vervanging van de eerste zin van die bepaling door de volgende twee zinnen:
„Het totale aantal dieren waarvoor speciale premies of zoogkoeienpremies kunnen worden verkregen, wordt begrensd door toepassing van een veebezettingsgetal van 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare en per kalenderjaar. Vanaf 1 januari 2002 geldt een veebezettingsgetal van 1,9 GVE en, vanaf 1 januari 2003, van 1,8 GVE.”
17 Artikel 13 van verordening nr. 1254/1999, met als opschrift „Extensiveringsbedrag”, bepaalt in lid 1:
„Producenten die de speciale premie en/of de zoogkoeienpremie ontvangen, komen in aanmerking voor een extensiveringsbedrag.”
18 Artikel 45 van verordening nr. 1254/1999 bepaalt dat verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 103), en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen van toepassing zijn op de in artikel 1 van verordening nr. 1254/1999 genoemde producten.
Verordening nr. 1258/1999
19 Volgens artikel 1 van verordening nr. 1258/1999 omvat het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) een afdeling Garantie, die onder meer de interventies ter regulering van de landbouwmarkten financiert.
20 Artikel 8, lid 1, van die verordening bepaalt:
„De lidstaten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om:
a) zich ervan te vergewissen dat de door het [EOGFL] gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd,
b) onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen,
c) de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen.
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name van de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures.”
Verordening (EG) nr. 1259/1999
21 Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 160, blz. 113), geldt volgens artikel 1 ervan voor de betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegekend op grond van de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: „GLB”) die volledig of gedeeltelijk door de afdeling Garantie van het EOGFL worden gefinancierd, met uitzondering van de betalingen waarin verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en [intrekking] van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80) voorziet.
22 Artikel 7 van verordening nr. 1259/1999 bepaalt dat onverminderd de bijzondere bepalingen in individuele steunregelingen, geen steun wordt uitbetaald aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor die steunverlening kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat onverenigbaar is met de doelstellingen van die steunregeling.
Verordening (EG) nr. 2419/2001
23 Artikel 4 van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11, en rectificatie PB 2002, L 7, blz. 48), met als opschrift „Identificatie en minimumomvang van de percelen landbouwgrond”, bepaalt in lid 1:
„Het in artikel 4 van verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde identificatiesysteem wordt zo opgezet dat het betrekking heeft op de percelen landbouwgrond. De lidstaten kunnen besluiten te werken met een andere eenheid dan een perceel landbouwgrond, zoals een kadastraal omschreven perceel of een blok cultuurgrond. In dat geval dragen de lidstaten er zorg voor dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd, waartoe zij meer in het bijzonder verlangen dat de steunaanvragen ‚oppervlakten’ vergezeld gaan van de door de bevoegde instanties voorgeschreven gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten.”
24 Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2419/2001 bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende:
[...]
b) Wanneer een voederareaal gezamenlijk wordt gebruikt, verdeelt de bevoegde instantie dit areaal denkbeeldig over de betrokken bedrijfshoofden in verhouding tot de mate waarin zij van dit areaal gebruik maken of in verhouding tot hun recht om dit areaal te gebruiken;
c) Elk voederareaal moet voor het houden van dieren beschikbaar zijn gedurende een periode van ten minste zeven maanden die ingaat op een door de lidstaten vast te stellen datum tussen 1 januari en 31 maart.”
25 Artikel 10 van verordening nr. 2419/2001, met als opschrift „Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen ‚dieren’”, luidt als volgt:
„1. Een steunaanvraag ‚dieren’ moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op steun aanspraak kan worden gemaakt, en met name:
a) de identiteit van het bedrijfshoofd;
b) een verwijzing naar de steunaanvraag ‚oppervlakten’ indien deze reeds is ingediend;
c) het aantal en de soort dieren waarvoor steun wordt aangevraagd en, wat runderen betreft, hun identificatiecode;
d) in voorkomend geval de verbintenis van het bedrijfshoofd om de [sub c] bedoelde dieren gedurende de voorgeschreven periode op zijn bedrijf aan te houden, alsmede de plaatsen waar deze dieren zullen worden gehouden en hoe lang zij daar zullen worden gehouden;
e) in voorkomend geval het individuele maximum voor de betrokken dieren;
[...]
g) een verklaring van het bedrijfshoofd dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden in verband met de betrokken steun.
Indien een dier gedurende de aanhoudperiode naar een andere plaats wordt overgebracht, moet het bedrijfshoofd de bevoegde instantie daarvan vooraf schriftelijk in kennis stellen.
2. De lidstaat verleent iedere veehouder het recht met redelijke tussenpozen en binnen een niet al te lange termijn zonder enige beperking informatie te verkrijgen over de hem en zijn dieren betreffende gegevens die in het gecomputeriseerde gegevensbestand zijn opgeslagen. Bij de indiening van de steunaanvraag verklaart het bedrijfshoofd dat de betrokken gegevens juist en volledig zijn; anders corrigeert hij deze gegevens of vult hij deze aan.
[...]”
26 Overeenkomstig artikel 15 van verordening nr. 2419/2001 worden de administratieve controles en de controles ter plaatse zo uitgevoerd dat op betrouwbare wijze kan worden geverifieerd of aan de voorwaarden voor toekenning van steunbedragen is voldaan.
27 Artikel 22 van die verordening, met als opschrift „Bepaling van de oppervlakten”, bepaalt:
„1. De oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt bepaald met behulp van ieder door de bevoegde instantie omschreven geschikt middel dat een meetnauwkeurigheid garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële metingen is vereist. [...]
2. De totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond kan in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat het volgens de gebruikelijke normen van de betrokken lidstaat of regio een volledig gebruikt perceel betreft. Is dit niet het geval, dan wordt de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking genomen.
[...]
3. Of de percelen landbouwgrond voor steun in aanmerking komen, wordt nagegaan met behulp van ieder geschikt middel. Zo nodig worden daarbij aanvullende bewijzen verlangd.”
28 Artikel 53, lid 1, van verordening nr. 2419/2001 heeft verordening nr. 3887/92 ingetrokken, maar preciseerde dat zij evenwel van toepassing bleef op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die begonnen vóór 1 januari 2002.
29 Verordening nr. 2419/2001 is overeenkomstig artikel 54, lid 2, ervan van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die op of na 1 januari 2002 ingaan.
Verordening (EG) nr. 1782/2003
30 Artikel 153, lid 1, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 94, blz. 70), heeft verordening nr. 3508/92 ingetrokken, maar bepaalde dat zij van toepassing bleef voor de rechtstreekse betalingen in verband met de kalenderjaren vóór 2005.
31 Verordening nr. 1782/2003 heeft tevens, met ingang van 1 januari 2005 een aantal bepalingen van verordening nr. 1254/1999 ingetrokken.
Nationale regeling
32 Het presidentieel decreet nr. 503 van 1 december 1999 tot invoering van het Handvest van de landbouwer en de visser, en van het register van landbouwbedrijven (GURI nr. 305 van 30 december 1999; hierna: „decreet nr. 503/1999”), bepaalt welke informatie wordt opgenomen in het register van landbouwbedrijven en in het dossier van het bedrijf of van de producent.
33 Overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub f, van dat decreet dient voormeld register voor elk bedrijf onder meer de volgende gegevens te bevatten: de oppervlakte, de bezitstitel, en, zo deze bestaan, de kadastrale gegevens van de onroerende zaken, met inbegrip van de luchtfotografische, de cartografische en de via teledetectie verkregen gegevens waarover de overheid beschikt.
34 Volgens de verwijzingsbeslissing bepaalt de relevante nationale regeling, te weten decreet nr. 503/1999 en de decreten van de minister voor Land‑ en Bosbouwbeleid van 4 april 2000, 10 augustus 2001 en 17 april 2003, aangaande de verplichtingen in verband met het dossier van de producent, dat de steunaanvrager, ingeval hij het areaal van het bedrijf niet in eigendom heeft, als bijlage bij zijn aanvraag de documenten dient te voegen waaruit blijkt op welke grond hij dat areaal gebruikt.
35 De Agenzia Veneta per i Pagamenti in Agricoltura – AVEPA (hierna: „AVEPA”), betaalorgaan voor de regio Venezia, verwijst naar de uitvoering van decreet nr. 503/1999 door een reeks rondzendbrieven van de Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura, waaronder rondzendbrief nr. 35 van 24 april 2001, waarin het volgende staat te lezen:
„B) Specifieke vereisten voor de aanvragen [in het kader van het GLB; hierna: ‚GLB-aanvragen’] betreffende akkerbouwgewassen:
Met het oog op een beter beheer van de fase voor de indiening van de GLB-aanvraag betreffende akkerbouwgewassen wordt de betrokken producent verzocht om voor alle in de aanvraag vermelde gronden een kopie van de bijgewerkte kadastrale uittreksels over te leggen.
Wanneer de producent die de aanvraag indient niet degene is die in de in de eerste alinea bedoelde kadastrale uittreksels als eigenaar wordt vermeld, dient de producent het bestaan van een gebruikstitel voor de bewuste terreinen aan te tonen (bijvoorbeeld in het geval van pacht, bruikleen, vruchtgebruik, erfpacht) door overlegging van een afschrift van de overeenkomstig de geldende regelgeving rechtsgeldig geregistreerde titel.
[...] Wanneer de producent die de aanvraag indient niet in staat is betreffende die gebruikstitels schriftelijke stukken over te leggen, en/of in het geval van een mondelinge overeenkomst, dient de producent [zelf een verklaring op te stellen betreffende] het bestaan van de contractuele verhouding waarop bedoelde aanvraag is gebaseerd, en zich ertoe te verbinden de uit wet nr. 448 van 23 december 1998 voortvloeiende verplichtingen in acht te nemen; [deze persoonlijke verklaring] dient te bevestigen dat de producent de rechtmatige gebruiker van de gronden is en moet een uittreksel uit de burgerlijke stand van de eigenaar bevatten, de begin‑ en einddatum van de overeenkomst, met vermelding – onder zijn eigen verantwoordelijkheid – van de gebruikstitel en de redenen waarom het noodzakelijk is van [bedoelde verklaring] gebruik te maken.”
Voorgeschiedenis van het geding en prejudiciële vraag
36 Naar aanleiding van onderzoeken die in 2004 op verzoek van de Procura della Repubblica di Treviso werden ingesteld, worden Pontini e.a. op basis van de relevante bepalingen van het Italiaanse strafwetboek voor het Tribunale di Treviso vervolgd wegens bendevorming en ernstige en voortgezette oplichting ten nadele van de Europese Gemeenschap. De vervolgende partij legt hun ten laste dat zij in de jaren 2000 tot en met 2004 ten onrechte communautaire financiële bijstand hebben ontvangen, te weten speciale premies voor mannelijke runderen en extensiveringsbedragen als bedoeld in artikel 4, lid 1, respectievelijk artikel 13 van verordening nr. 1254/1999.
37 Blijkens de verwijzingsbeslissing is de vervolgende partij van mening dat de verdachten gebruik hebben gemaakt van kunstgrepen of frauduleuze handelingen om de bevoegde nationale autoriteiten te misleiden teneinde voor zichzelf of voor anderen een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen. De strafvervolging gaat uit van de stelling dat de speciale premies voor mannelijke runderen en de extensiveringsbedragen frauduleus zijn ontvangen door middel van de indiening, als bijlage bij de aanvragen, van bruikleenovereenkomsten betreffende voederareaal dat was bestemd voor de landbouwbedrijven van de steunaanvragers, welke overeenkomsten buiten weten van de eigenaars van de betrokken gronden waren opgesteld.
38 Volgens de verwijzende rechter bepaalt de toepasselijke nationale regeling dat de steunaanvrager bij zijn aanvraag de documenten dient te voegen waaruit blijkt op welke grond hij het areaal dat de voedercapaciteit van zijn landbouwbedrijf vormt, mag gebruiken. Wanneer de steunaanvrager niet de eigenaar is van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, dient hij bij zijn aanvraag de ondersteunende documenten te voegen betreffende het gebruik ervan. Volgens die rechter dient de toepasselijke nationale regeling in die zin te worden uitgelegd, dat de steunaanvrager voor die gronden een geldige gebruikstitel dient over te leggen, en dat het, anders dan de verdachten betogen, niet voldoende is dat hij daadwerkelijk gebruik maakt van het voederareaal, ongeacht de termen waarop hij dit areaal bezit of gebruikt.
39 Voor de verwijzende rechter hebben de verdachten betoogd dat de toekenning van communautaire financiële bijstand als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in bepaalde lidstaten slechts afhankelijk is van de daadwerkelijke beschikbaarheid en het daadwerkelijke gebruik van het nodige voederareaal, zonder dat daarbij de rechtstitel voor het gebruik van de betrokken gronden van belang is.
40 De verwijzende rechter vraagt zich af, of verordening nr. 1254/1999 met betrekking tot de toekenningsvoorwaarden voor communautaire financiële bijstand als welke in het hoofdgeding aan de orde is, strikte eisen stelt, waarvan de lidstaten niet mogen afwijken, dan wel een algemeen referentiekader verstrekt en het aan de bevoegde nationale instanties overlaat, hieraan de vereiste nadere uitvoering en invulling te geven.
41 Van oordeel dat de uitlegging van verordening nr. 1254/1999, met name wat het in artikel 12 ervan vermelde begrip „beschikbaar voederareaal” betreft, van groot belang is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, heeft het Tribunale di Treviso de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Aan welke voorwaarden moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de premie voor mannelijke runderen en voor het extensiveringsbedrag[? Volstaat] met name het vereiste van het gebruik van voederareaal, ongeacht het bestaan van een geldige rechtstitel voor dat gebruik?”
42 Van oordeel dat deze vraag een dringend antwoord van het Hof vereist, gelet op het feit dat de tegen de verdachten ingestelde strafvervolging sinds 2004 bij hem aanhangig is, en dat de bevoegde nationale autoriteit sindsdien de toekenning van elke communautaire bijstand aan hen heeft opgeschort, heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure, op grond van artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
43 De Derde kamer van het Hof heeft dat verzoek bij beschikking van 21 augustus 2008 afgewezen op grond dat het verzoek om een prejudiciële beslissing geen materie betreft die wordt bestreken door de spoedprocedure waarin is voorzien bij artikel 23 bis van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 104 ter van zijn Reglement voor de procesvoering, en dat het verzoek hoe dan ook de spoedeisendheid ontbeert die vereist is voor de toepassing van deze procedure.
44 De verwijzende rechter heeft het Hof subsidiair en om dezelfde redenen verzocht om de prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de versnelde procedure, op grond van artikel 104 bis, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering.
45 Bij beschikking van 29 september 2008 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 104 bis, eerste alinea.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
46 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uit de relevante bepalingen van de communautaire regelgeving betreffende de steunaanvragen „dieren”, en met name uit verordening nr. 1254/1999, dwingend volgt dat een aanvraag voor speciale premies voor mannelijke runderen of voor extensiveringsbedragen vergezeld moet gaan van een geldige rechtstitel waaruit blijkt dat de steunaanvrager gerechtigd is het voederareaal waarop deze aanvraag betrekking heeft, te gebruiken.
47 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de partijen het grondig oneens zijn over de voorgeschiedenis van het hoofdgeding, zoals bij de behandeling ter terechtzitting van het Hof is gebleken. Hun twistpunten hebben met name betrekking op de vraag, of de verdachten of een aantal onder hen bruikleenovereenkomsten hebben vervalst en overgelegd om communautaire premies te ontvangen, en of het grootste deel van de gronden waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde steunaanvragen betrekking hebben, kan worden aangemerkt als beschikbaar voederareaal in de zin van verordening nr. 1254/1999.
48 In het kader van artikel 234 EG, dat op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is het Hof evenwel uitsluitend bevoegd zich op basis van de door de nationale rechterlijke instantie vermelde feiten uit te spreken over de uitlegging of rechtsgeldigheid van een gemeenschapshandeling (zie in die zin met name arrest van 19 februari 2009, Schwarz, C‑321/07, Jurispr. blz. I‑1113, punt 49).
49 Het staat dus aan de nationale rechter, de aan het geding ten gronde liggende feiten vast te stellen en daaruit de conclusies voor de door hem te geven beslissing te trekken (zie met name arrest van 16 september 1999, WWF e.a., C‑435/97, Jurispr. blz. I‑5613, punt 32).
50 De verdachten betwisten tevens de relevantie van de in punt 34 van het onderhavige arrest vermelde decreten die door de verwijzende rechter zijn voorgesteld als zijnde de toepasselijke nationale regelgeving, en van de in punt 35 van het onderhavige arrest bedoelde, door AVEPA aangehaalde omzendbrieven, die volgens hen niet van toepassing waren ten tijde van de feiten of slechts een administratieve, niet-bindende waarde hadden.
51 In het kader van een prejudiciële verwijzing staat het echter aan de nationale rechter om het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding te omschrijven (zie beschikking van 28 juni 2000, Laguillaumie, C‑116/00, Jurispr. blz. I‑4979, punt 23). Het staat niet aan het Hof om vast te stellen welke nationale voorschriften relevant zijn in het kader van het geding, om zich uit te spreken over de uitlegging van die bepalingen en om te beoordelen of de verwijzende rechter deze correct uitlegt (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Angelidaki e.a., C‑378/07–C‑380/07, Jurispr. blz. I‑3071, punt 48).
52 Het hoofdgeding betreft met name de uitlegging van de communautaire regelgeving op het gebied van de steunaanvragen voor dieren, de in die regelgeving neergelegde voorwaarden voor de toekenning van de speciale premies voor mannelijke runderen en extensiveringsbedragen als bedoeld in de artikelen 4 en 13 van verordening nr. 1254/1999, en de wijze waarop de betrokken nationale autoriteiten de communautaire regelgeving toepassen.
53 De verdachten betogen dat een uitlegging van de relevante communautaire regelgeving in die zin dat veehouderij slechts mogelijk is op voederareaal dat de producent in eigendom heeft of waarvoor hij een welbepaalde bezitstitel kan overleggen, zou indruisen tegen de geest van die regelgeving, die refereert aan het areaal dat de producent gebruikt of bezit, ongeacht de titel waarop dit gebruik of bezit is gebaseerd. Volgens de verdachten blijkt de bedoeling van de gemeenschapswetgever om de betalingen afhankelijk te stellen van het loutere gebruik of van de beschikbaarheid van voederareaal, onder meer uit de artikelen 3, 12 en 17 van verordening nr. 1254/1999, uit artikel 1, lid 4, van verordening nr. 3508/92 en uit de artikelen 5, 6 en 22 van verordening nr. 2419/2001.
54 De communautaire regelgeving tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van de speciale premies voor mannelijke runderen en van de extensiveringsbedragen verwijst volgens de verdachten nergens naar de bezitstitel voor het voederareaal. Van belang is enkel het daadwerkelijke gebruik van het weideareaal. Verordening nr. 1254/1999 voorziet in een reeks strikte voorwaarden die moeten verzekeren dat de veehouder in zijn bedrijf een voldoende groot aantal runderen houdt om voor de premie in aanmerking te kunnen komen. Cruciaal daarbij is het bestaan van de aangemelde aantallen dieren.
55 AVEPA alsook de Italiaanse en de Griekse regering zijn daarentegen van mening dat een nationale regeling op grond waarvan de steunaanvrager verplicht is een geldige rechtstitel over te leggen, waaruit blijkt dat hij het areaal waarop zijn aanvraag voor de speciale premie voor mannelijke runderen en voor het extensiveringsbedrag betrekking heeft, ter beschikking heeft, niet indruist tegen de desbetreffende communautaire regelgeving. Het staat aan de lidstaten om in het kader van het GBCS een stelsel van controle en toezicht op te zetten om op doeltreffende wijze te controleren of de bepalingen inzake communautaire steunverlening zijn nageleefd, en om bepalingen voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude vast te stellen.
56 AVEPA en de Italiaanse regering betogen in het bijzonder dat de verplichte overlegging van een geldige rechtstitel het mogelijk maakt de overeenstemming van de gegevens uit de steunaanvragen te controleren, het dubbel tellen van de voedercapaciteit van het betrokken areaal helpt te voorkomen, en verhindert dat de veehouders misbruik kunnen maken van de gronden van derden met het duidelijke doel om de regelgeving inzake steunmaatregelen te omzeilen.
57 Zoals de Commissie terecht opmerkt, moet worden onderzocht of de communautaire regelgeving, met name verordening nr. 1254/1999, als voorwaarde om in aanmerking te komen voor de toekenning van speciale premies voor mannelijke runderen en van extensiveringsbedragen, stelt dat een geldige rechtstitel moet worden overgelegd betreffende het gebruik van het voederareaal waarop de steunaanvraag betrekking heeft, en, indien dat niet het geval is, of de communautaire regelgeving eraan in de weg staat dat de lidstaten in hun nationale regelgeving een dergelijke verplichting opnemen.
58 Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van gemeenschapsrechtelijke bepalingen niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen daarvan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaken, nastreeft (arresten van 1 maart 2007, Schouten, C‑34/05, Jurispr. blz. I‑1687, punt 25, en 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, Jurispr. blz. I‑3997, punt 30).
59 Wat om te beginnen de bewoordingen van de betrokken communautaire bepalingen betreft, definieert artikel 3, sub b, van verordening nr. 1254/1999 het bedrijf als het geheel van door de producent beheerde productie-eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat.
60 Artikel 12, lid 1, van die verordening bepaalt dat het totale aantal dieren waarvoor de speciale premie als bedoeld in artikel 4, lid 1, kan worden verkregen, wordt begrensd door de toepassing van een veebezettingsgetal dat in de loop van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde jaren schommelde tussen 2 en 1,8 GVE per hectare per referentiekalenderjaar.
61 Zoals blijkt uit artikel 12, lid 2, sub a en b, van die verordening komt dat bezettingsgetal overeen met een breuk met als teller het aantal dieren waarvoor premieaanvragen zijn ingediend, en met als noemer het voederareaal van het bedrijf dat gedurende het hele kalenderjaar voor de rundveehouderij en de schapen‑ en/of geitenhouderij beschikbaar is. Naarmate het voederareaal dat tijdens het jaar voor de runderveehouderij wordt gebruikt groter is, stijgt dus het aantal dieren waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op de speciale premie.
62 Uit de in artikel 3, sub b, van verordening nr. 1254/1999 opgenomen definitie van het bedrijf en uit de verwijzing naar „de oppervlakte van het bedrijf die [...] beschikbaar is” in artikel 12, lid 2, sub b, van deze verordening kan niet worden afgeleid dat een producent bij de indiening van zijn steunaanvraag, op grond van die verordening en om de betrokken premies te kunnen verkrijgen, een geldig rechtsinstrument dient over te leggen waaruit blijkt dat hij eigenaar is van de betrokken oppervlakte dan wel dat hij op een andere grond gerechtigd is die oppervlakte te gebruiken.
63 Zoals de Commissie betoogt, sluiten die bepalingen niet uit dat er louter door het daadwerkelijke gebruik van een voederareaal gedurende het hele referentiekalenderjaar sprake kan zijn van een areaal dat beschikbaar is in de zin van verordening nr. 1254/1999.
64 Zowel uit artikel 12, lid 2, laatste alinea, van verordening nr. 1254/1999 als uit artikel 2, lid 1, sub b, van verordening nr. 3887/92 blijkt dat een voederareaal waarvoor steun wordt aangevraagd, gezamenlijk kan worden gebruikt. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, sub b, van verordening nr. 2419/2001, dat van toepassing is op steunaanvragen die zijn ingediend voor verkoopseizoenen of premieperioden die op of na 1 januari 2002 ingaan, kunnen de bevoegde instanties, wanneer een voederareaal gezamenlijk wordt gebruikt, dit areaal denkbeeldig verdelen over de betrokken bedrijfshoofden in verhouding tot de mate waarin zij van dit areaal gebruik maken of in verhouding tot hun recht om dit areaal te gebruiken.
65 Artikel 22 van verordening nr. 2419/2001, met als opschrift „Bepaling van de oppervlakten”, bepaalt dat de oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt bepaald met behulp van ieder geschikt middel, en dat indien de totale oppervlakte van een perceel landbouwgrond niet in aanmerking wordt genomen omdat dat perceel niet in zijn geheel is gebruikt, de werkelijk gebruikte oppervlakte in aanmerking wordt genomen.
66 Uit de hierboven vermelde bepalingen volgt dat bij de toekenning van de betrokken premies wordt uitgegaan van, enerzijds, het daadwerkelijk gebruikte voederareaal, en anderzijds, het aantal dieren dat gedurende het lopende kalenderjaar op dat areaal wordt gehouden, en niet van de overlegging van een geldige rechtstitel voor het gebruik van dat areaal.
67 Wat voorts de doelstellingen van verordening nr. 1254/1999 betreft, blijkt uit de punten 4 en 13 van de considerans ervan, dat een van de doelstellingen van deze verordening bestaat in het tegengaan van de tendens tot intensivering van de rundveehouderij; de producenten houden immers een steeds groter aantal runderen op hun bedrijf zonder dat de oppervlakte toeneemt en zodoende volstaat voor de voedering van deze dieren (arrest Schouten, reeds aangehaald, punt 28).
68 Met het in artikel 12 van voornoemde verordening vastgestelde veebezettingsgetal wordt dus beoogd slechts een premie te verlenen voor dieren die worden gehouden op een bedrijf waarvan de oppervlakte voldoende bijdraagt aan het voederen daarvan. Zoals de Commissie terecht betoogt, betreft de berekening van het veebezettingsgetal op basis van het beschikbare voederareaal dus de daadwerkelijke voedercapaciteit van het bedrijf en het toezicht op het daadwerkelijke gebruik van die capaciteit, en niet de voedercapaciteit van dat areaal die formeel of juridisch ter beschikking staat maar niet daadwerkelijk wordt gebruikt.
69 Zoals de verdachten betogen, verlangt de verwezenlijking van die doelstelling van verordening nr. 1254/1999 niet, als voorwaarde voor de toekenning van de betrokken premies, dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd voor het gebruik van het voederareaal waarop de steunaanvraag betrekking heeft, en volstaat in dat verband het bewijs van het effectieve gebruik van dat areaal.
70 Uit een en ander volgt dat artikel 12 van verordening nr. 1254/1999 niet als voorwaarde stelt, opdat een steunaanvraag in aanmerking kan worden genomen, dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop deze aanvraag betrekking heeft. Uit de relevante bepalingen van verordening nr. 1254/1999, de context van deze bepalingen alsook de doelstellingen van met name deze verordening blijkt dat het daadwerkelijke gebruik van het voederareaal een van de voorwaarden is om in aanmerking te komen voor de toekenning van de betrokken premies.
71 Ofschoon een dergelijke voorwaarde niet in de communautaire regelgeving is neergelegd, dient evenwel te worden onderzocht, zoals blijkt uit punt 57 van het onderhavige arrest, of die regelgeving eraan in de weg staat dat de lidstaten in hun nationale regelgeving een verplichting opnemen om een geldige rechtstitel over te leggen waaruit blijkt dat de steunaanvrager gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop zijn aanvraag betrekking heeft.
72 Dienaangaande moeten de aard en de doelstellingen van het GBCS, dat is ingesteld door de gemeenschapswetgeving betreffende de communautaire steunregelingen, worden onderzocht en moet worden vastgesteld over welke beoordelingsmarge de lidstaten beschikken bij het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de toekenning van steun in het kader van het GBCS.
73 Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 3508/92 voert elke lidstaat een GBCS in, dat een databank, een systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond, een systeem voor de identificatie en de registratie van de dieren, steunaanvragen, en een geïntegreerd controlesysteem omvat.
74 Het GBCS heeft volgens de zevende en de negende overweging van de considerans van verordening nr. 3887/92 tot doel, op doeltreffende wijze te controleren of de bepalingen inzake communautaire steunverlening worden nageleefd en bepalingen voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude vast te stellen (zie in die zin arresten van 17 juli 1997, National Farmers’ Union e.a., C‑354/95, Jurispr. blz. I‑4559, punt 51; 16 mei 2002, Schilling en Nehring, C‑63/00, Jurispr. blz. I‑4483, punt 25, en 1 juli 2004, Gerken, C‑295/02, Jurispr. blz. I‑6369, punt 41).
75 Uit de communautaire regelingen betreffende het GBCS, de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen, en de financiering van het GLB blijkt duidelijk dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de voor de goede uitvoering van het GBCS nodige maatregelen worden genomen, en dat zij met name de nodige maatregelen moeten treffen om zich te vergewissen dat de maatregelen die door de Gemeenschappen in het algemeen en het EOGFL in het bijzonder zijn gefinancierd, daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd, alsook om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen.
76 Bij onderzoek van de relevante bepalingen van de communautaire regelgeving inzake communautaire steunregelingen en het GBCS blijkt tevens dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken bij de uitvoering van die regelingen en bij de keuze van de nationale maatregelen die zij noodzakelijk achten voor een doeltreffende preventie en bestraffing van onregelmatigheden en fraude.
77 Zo bepaalt artikel 6, lid 1, van verordening nr. 3508/92 dat elk bedrijfshoofd, om in aanmerking te komen voor de communautaire steunregelingen die onder die verordening vallen, voor elk jaar een steunaanvraag „oppervlakten” moet indienen die melding maakt van de percelen landbouwgrond, voederarealen inbegrepen, en in voorkomend geval van „alle andere noodzakelijke gegevens, hetzij uit hoofde van de verordeningen inzake [die] communautaire [steun]regelingen, hetzij op verzoek van de betrokken lidstaat”.
78 Evenzo bepaalt artikel 4, lid 1, van verordening nr. 3887/92 dat een steunaanvraag „oppervlakten” alle nodige gegevens moet bevatten, en met name de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, hun ligging, en het gebruik ervan.
79 De beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de controle van de steunaanvragen blijkt tevens uit verordening nr. 2419/2001. Uit punt 48 van de considerans van deze verordening blijkt dat de lidstaten alle nodige aanvullende maatregelen moeten treffen om deze verordening naar behoren te kunnen toepassen. Volgens artikel 4 van die verordening dienen de lidstaten er zorg voor te dragen dat de percelen landbouwgrond op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd, en dienen zij meer in het bijzonder te verlangen dat de steunaanvragen „oppervlakten” vergezeld gaan van de door de bevoegde instanties voorgeschreven gegevens of documenten die het mogelijk maken elk perceel landbouwgrond te lokaliseren en te meten. Overeenkomstig artikel 22, lid 3, van die verordening wordt met behulp van ieder geschikt middel nagegaan of de percelen landbouwgrond voor steun in aanmerking komen, en kunnen daartoe zonodig aanvullende bewijzen worden verlangd.
80 Daarnaast bepaalt artikel 7 van verordening nr. 1259/1999 dat geen steun uit hoofde van de in deze verordening bedoelde steunregelingen wordt uitbetaald aan begunstigden van wie vaststaat dat zij de voorwaarden voor die steunverlening kunstmatig hebben gecreëerd om een voordeel te verkrijgen dat onverenigbaar is met de doelstellingen van die steunregeling.
81 Bovendien dienen de in punt 75 van het onderhavige arrest bedoelde maatregelen die de lidstaten moeten treffen om zich ervan te vergewissen dat de door de Gemeenschappen gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze werden uitgevoerd, zoals blijkt uit artikel 8, lid 1, van verordening nr. 2988/95 en uit artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1258/1999, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te worden getroffen.
82 Uit al de hierboven vermelde bepalingen van de communautaire regelgeving inzake steunregelingen en inzake de wijze waarop het GBCS in de praktijk wordt gebracht, blijkt duidelijk dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken met betrekking tot de door een steunaanvrager over te leggen ondersteunende documenten en bewijzen betreffende het voederareaal waarop zijn aanvraag betrekking heeft. Gelet op deze beoordelingsmarge kunnen de lidstaten de tot staving van een steunaanvraag over te leggen bewijzen nader vaststellen onder verwijzing naar met name de op hun grondgebied in de landbouwsector gebruikelijke praktijken met betrekking tot het bezit en het gebruik van voederareaal, en naar de betreffende dat gebruik over te leggen titels.
83 Evenwel zij eraan herinnerd dat die beoordelingsmarge aan bepaalde beperkingen is onderworpen.
84 Zo zijn de lidstaten verplicht, zoals blijkt uit punt 15 van de considerans van verordening nr. 1254/1999, hun discretionaire bevoegdheden uitsluitend op basis van objectieve criteria te gebruiken, het beginsel van gelijke behandeling volledig in acht te nemen en markt‑ en concurrentiedistorsies te voorkomen. Hoewel de verplichting om een geldige rechtstitel over te leggen in beginsel een dergelijk objectief criterium vormt, staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of die verplichting geldt voor alle aanvragers van de betrokken steun die zich in vergelijkbare situaties bevinden.
85 Evenzo blijkt uit artikel 8, leden 1 en 2, van verordening nr. 2988/95 dat de controlemaatregelen die de lidstaten vaststellen om zich te vergewissen van de regelmatigheid en het bestaan van de verrichtingen die de financiële belangen van de Gemeenschappen raken, zoals de door het EOGFL gefinancierde verrichtingen, aangepast moeten zijn aan het specifieke karakter van elke sector en evenredig moeten zijn aan de nagestreefde doelstellingen.
86 Hieruit volgt dat de lidstaten bij de gebruikmaking van hun beoordelingsmarge aangaande de tot staving van een steunaanvraag over te leggen bewijzen, met name met betrekking tot de mogelijkheid om een steunaanvrager te verplichten om een geldige rechtstitel over te leggen waaruit blijkt dat hij gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop zijn aanvraag betrekking heeft, de doelstellingen van de betrokken communautaire regelgeving en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, in acht moeten nemen.
87 Zoals het Hof heeft geoordeeld, moet dat laatste beginsel, dat vereist dat de middelen waarmee een bepaling de nagestreefde doelstelling beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is, zowel door de gemeenschapswetgever als door de nationale wetgevers en rechterlijke instanties die het gemeenschapsrecht toepassen in acht worden genomen (zie in die zin arrest van 17 januari 2008, Viamex Agrar Handel en ZVK, C‑37/06 en C‑58/06, Jurispr. blz. I‑69, punt 33). Dat beginsel moet dus in acht worden genomen door de nationale autoriteiten die bevoegd zijn in het kader van de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1254/1999 en van de bepalingen betreffende het GBCS.
88 Zoals blijkt uit punt 75 van het onderhavige arrest, verlangen de communautaire regelingen inzake het GBCS, de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen, en de financiering van het GLB, dat nationale maatregelen worden vastgesteld die kunnen verzekeren dat het GBCS goed wordt uitgevoerd en dat de door de Gemeenschap gefinancierde steunregelingen daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd. Een regeling zoals in het hoofdgeding, die, zoals blijkt uit punt 56 van het onderhavige arrest, met name tot doel heeft te verhinderen dat de veehouders misbruik kunnen maken van de gronden van derden om de communautaire regelgeving inzake die steunregelingen te omzeilen, beoogt die doelstellingen in acht te nemen. De in een dergelijke regeling opgenomen verplichting tot overlegging van een geldige rechtstitel lijkt de vereisten van het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen.
89 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat beginsel in de omstandigheden van het hoofdgeding in acht is genomen.
90 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het gemeenschapsrecht, en met name verordening nr. 1254/1999, niet als voorwaarde stelt, opdat een aanvraag voor speciale premies voor mannelijke runderen en voor extensiveringsbedragen in aanmerking kan worden genomen, dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop deze aanvraag betrekking heeft. Het gemeenschapsrecht staat er evenwel niet aan in de weg dat de lidstaten in hun nationale regelgeving een verplichting opnemen om een dergelijke titel over te leggen, mits de doelstellingen van de communautaire regelgeving en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, in acht worden genomen.
Kosten
91 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht, en met name verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, stelt niet als voorwaarde, opdat een aanvraag voor speciale premies voor mannelijke runderen en voor extensiveringsbedragen in aanmerking kan worden genomen, dat een geldige rechtstitel wordt overgelegd waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is tot gebruik van het voederareaal waarop deze aanvraag betrekking heeft. Het gemeenschapsrecht staat er evenwel niet aan in de weg dat de lidstaten in hun nationale regelgeving een verplichting opnemen om een dergelijke titel over te leggen, mits de doelstellingen van de communautaire regelgeving en de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel, in acht worden genomen.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy