Zaak C‑423/08
Europese Commissie
tegen
Italiaanse Republiek
„Niet-nakoming – Eigen middelen – Procedures tot inning van rechten bij in‑ of uitvoer – Niet-naleving van termijnen voor boeking van eigen middelen – Tardieve storting van uit deze rechten voortvloeiende eigen middelen”
Samenvatting van het arrest
Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, art. 2, 6 en 9 tot en met 11, nr. 2913/92, art. 220, lid 1, en nr. 1150/2000, art. 2, 6 en 9 tot en met 11)
Ingevolge artikel 2, lid 1, van verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 houdende toepassing van respectievelijk besluit 88/376 en besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, moeten de lidstaten een recht op de eigen middelen vaststellen zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
Uit artikel 220, lid 1, van verordening nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek volgt dat de voorwaarden inzake boeking achteraf van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan douanerechten vervuld zijn wanneer de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld, het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en de schuldenaar kunnen aanwijzen.
In deze samenhang zijn de douaneautoriteiten, wanneer zij een administratief besluit – ongeacht de benaming daarvan – ter kennis van de belastingschuldige brengen, waarin zij vaststellen dat de douaneschulden geheel of gedeeltelijk niet zijn betaald en het bedrag aan douanerechten opgeven dat zij wettelijk verschuldigd achten, bij die gelegenheid in staat om het uit een douaneschuld voortvloeiend bedrag aan rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.
Bijgevolg moet de boeking achteraf van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten op grond van artikel 220, lid 1, van het douanewetboek in beginsel plaatsvinden binnen een termijn van twee dagen vanaf de mededeling aan de belastingschuldige van het proces-verbaal dat aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden voldoet.
Wat de vertragingsrente betreft, bestaat er een onlosmakelijk verband tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen, de verplichting die middelen binnen de gestelde termijn op de rekening van de Commissie te boeken en, ten slotte, de verplichting vertragingsrente te betalen, welke rente verschuldigd is ongeacht om welke reden de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied.
Bijgevolg komt een lidstaat die de termijnen voor de boeking van de eigen middelen van de Gemeenschappen in geval van navordering niet in acht neemt en deze middelen te laat stort, de verplichtingen niet na die op hem rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89, dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000 en artikel 220 van verordening nr. 2913/92.
(cf. punten 37‑38, 41‑42, 49, 51 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
17 juni 2010 (*)
„Niet-nakoming – Eigen middelen – Procedures tot inning van rechten bij in‑ of uitvoer – Niet-naleving van termijnen voor boeking van eigen middelen – Tardieve storting van uit deze rechten voortvloeiende eigen middelen”
In zaak C‑423/08,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 24 september 2008,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Aresu en A. Caeiros als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door I. Bruni als gemachtigde, bijgestaan door G. Albenzio en F. Arena, avvocati dello Stato,
verweerster,
ondersteund door:
Republiek Finland, vertegenwoordigd door J. Heliskoski als gemachtigde,
interveniënte,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), K. Schiemann, P. Kūris en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 maart 2010,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door zich niet te hebben gehouden aan de termijnen die gelden voor de boeking van de eigen middelen van de Gemeenschappen in geval van navordering en door die middelen te laat te hebben gestort, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1), en artikel 220 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”).
Unieregeling
Besluiten 94/728/EG, Euratom en 2000/597/EG, Euratom
2 In de periode waarin de feiten van deze zaak hebben plaatsgevonden, waren achtereenvolgens twee besluiten betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen van toepassing, namelijk besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 (PB L 293, blz. 9), en vanaf 1 januari 2002, besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 (PB L 253, blz. 42).
3 Naar luid van artikel 2, lid 1, sub b, van elk van deze besluiten worden de op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen gevormd door de ontvangsten uit met name de „rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten”.
4 Artikel 8, lid 1, van die besluiten bepaalt onder meer dat de in artikel 2, lid 1, sub a en b, daarvan bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen door de lidstaten worden geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die waar nodig aan de voorschriften van de Unie worden aangepast, en verder dat de lidstaten die middelen ter beschikking van de Commissie stellen.
Verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000
5 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3), die op 14 juli 1996 in werking is getreden, luidt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, sub a en b, van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld, zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
1 bis. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.
[…]
2. Lid 1 is van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”
6 Verordening nr. 1552/89 is ingetrokken bij artikel 22, eerste alinea, van verordening nr. 1150/2000, die op 31 mei 2000 in werking is getreden. Artikel 2, leden 1 en 2, eerste alinea, van laatstgenoemde verordening is in wezen in dezelfde bewoordingen geformuleerd als het in het vorige punt weergegeven artikel.
7 Artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1552/89, thans artikel 6, lid 3, sub a en b, van verordening nr. 1150/2000, bepaalt dat de overeenkomstig artikel 2 van die verordening vastgestelde rechten uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding worden opgenomen. Vastgestelde rechten die niet in de boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen dezelfde termijn in een specifieke boekhouding opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.
8 Artikel 8 van verordening nr. 1552/89, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 8 van verordening nr. 1150/2000, bepaalt:
„Het totaalbedrag van de vastgestelde rechten wordt krachtens de in artikel 2, lid 2, bedoelde correcties verhoogd of verlaagd. Deze correcties worden naargelang van de datum waarop zij zijn aangebracht in de in artikel 6, lid 2, sub a en b, genoemde boekhoudingen alsmede in de in artikel 6, lid 3, genoemde overzichten opgenomen.
Zij vormen het voorwerp van een bijzondere vermelding wanneer zij betrekking hebben op fraudes en onregelmatigheden waarvan de Commissie reeds in kennis is gesteld.”
9 Artikel 9, lid 1, van zowel verordening nr. 1552/89 als verordening nr. 1150/2000 luidt:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.
Deze rekening wordt zonder kosten bijgehouden.”
10 Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1552/89, waarvan de inhoud is overgenomen in artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1150/2000, bepaalt:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, van besluit 88/376/EEG, Euratom, geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a en b, van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 van deze verordening is vastgesteld.”
11 Volgens artikel 11 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 geldt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
Douanewetboek
12 Artikel 220, lid 1, van het douanewetboek bepaalt:
„Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.”
13 Artikel 221, lid 1, van het douanewetboek luidt:
„Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.”
Nationale regeling
14 Artikel 11 („Herziening van de vaststelling, taken en bevoegdheden van de kantoren”), leden 1 en 5 tot en met 8, van wetgevend decreet nr. 374 van 8 november 1990 houdende reorganisatie van de douane-instellingen en herziening van de procedures voor vaststelling en controle in het kader van de uitvoering van de richtlijnen 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 en 82/57/EEG van de Commissie van 17 december 1981 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen, alsook van de richtlijnen 81/177/EEG van de Raad van 24 februari 1981 en 82/347/EEG van de Commissie van 23 april 1982 betreffende de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen (gewoon supplement bij GURI nr. 291 van 14 december 1990) bepaalt:
„1. Het douanekantoor kan tot herziening van de definitief geworden vaststelling overgaan, ook wanneer de handelaar vrij over de desbetreffende goederen mocht beschikken of deze het douanegebied al hebben verlaten. De herziening wordt ambtshalve dan wel op verzoek van de betrokken handelaar verricht. Dit verzoek moet op straffe van verval worden ingediend binnen drie jaar na het tijdstip waarop de vaststelling definitief is geworden.
[…]
5. Zo de ambtshalve dan wel op verzoek van een partij verrichte herziening onjuistheden, omissies of vergissingen aan het licht brengt met betrekking tot de gegevens waarop de vaststelling is gebaseerd, gaat het kantoor over tot de correctie daarvan en deelt het de betrokken handelaar dat mee bij het daarvoor voorziene bericht. Wordt tot correctie overgegaan na een ambtshalve verrichte herziening, dan moet het bericht op straffe van verval worden meegedeeld binnen drie jaar na het tijdstip waarop de vaststelling definitief is geworden.
6. Het door de handelaar ingediende verzoek om herziening wordt geacht te zijn afgewezen wanneer binnen 90 dagen na de indiening geen kennisgeving van een bericht van correctie volgt. Tegen de stilzwijgende of uitdrukkelijke afwijzing van het verzoek kan binnen een termijn van 30 dagen worden opgekomen bij de regionaal directeur, die in laatste aanleg beslist.
7. De correctie kan door de handelaar worden aangevochten binnen 30 dagen nadat van het bericht kennis is gegeven. Op het ogenblik van de aanvechting wordt een proces-verbaal opgemaakt met het oog op de eventuele inleiding van de administratieve procedures tot beslechting van de geschillen bedoeld in de artikelen 66 en volgende van de gecoördineerde tekst van de wettelijke bepalingen op douanegebied, die is goedgekeurd bij decreet nr. 43 van de president van de Republiek van 23 januari 1973.
8. Zodra de correctie definitief is geworden, gaat het kantoor over tot invordering van de door de handelaar aanvullend verschuldigde rechten of leidt het ambtshalve de procedure voor teruggaaf van het te veel ontvangen bedrag in. In voorkomend geval wordt bij de correctie van de vaststelling ook mededeling gedaan van de inbreuken wegens valse verklaringen of van eventueel geconstateerde zwaardere inbreuken.”
15 Ingeval voor de herziening van de vaststelling een huiszoeking nodig is, bepaalt wet nr. 212/2000 van 27 juli 2000 houdende bepalingen inzake de rechtspositie van de belastingplichtige (GURI nr. 177 van 31 juli 2000) dat, behalve de dagelijkse processen-verbaal waarin de uitgevoerde verrichtingen worden beschreven, aan het einde van de huiszoeking een proces-verbaal van beëindiging van de verrichtingen moet worden opgemaakt door de ambtenaren die met de huiszoeking waren belast. Een afschrift van dat proces-verbaal wordt bezorgd aan de belastingplichtige en een tweede afschrift wordt gestuurd aan de procedureverantwoordelijke van het bevoegde douanekantoor die overgaat tot het onderzoek daarvan en van de eventueel door de belastingplichtige krachtens artikel 12, lid 7, van deze wet ingediende opmerkingen of verzoeken, en die in volledige onafhankelijkheid het besluit tot sluiting van de procedure dan wel het bericht van vaststelling uitvaardigt.
16 Dienaangaande bepaalt artikel 12 („Rechten en waarborgen van de aan een belastingcontrole onderworpen belastingplichtige”), lid 7, van wet nr. 212/2000:
„Conform het beginsel van samenwerking tussen de fiscus en de belastingplichtige kan deze laatste, na ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal van beëindiging van de verrichtingen door de controleorganen, binnen een termijn van 60 dagen zijn opmerkingen en verzoeken indienen, die door de belastingkantoren worden beoordeeld. Behoudens in geval van bijzondere en gemotiveerde urgentie, mag het bericht van vaststelling niet voor het verstrijken van deze termijn worden bekendgemaakt.”
Precontentieuze procedure
17 Tijdens een van 6 tot en met 10 november 2000 in Italië uitgevoerde missie inzake controle van de eigen middelen van de Gemeenschappen, die betrekking had op de periode tussen 1 januari 1998 en de datum van de controle, ontdekten functionarissen van de Commissie onregelmatigheden in de vaststelling van de eigen middelen van de Gemeenschappen, die ertoe konden leiden dat deze in strijd met de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 te laat ter beschikking van de Gemeenschappen werden gesteld.
18 Naar aanleiding van een briefwisseling met de Italiaanse autoriteiten stelde de Commissie vast dat de Italiaanse administratieve procedure voor controle achteraf voorziet in de voorafgaande mededeling aan de belastingplichtige van een proces-verbaal van beëindiging van de controleverrichtingen en deze een termijn van 60 dagen toekent om zijn opmerkingen in te dienen en nadere preciseringen te vragen. Pas bij het verstrijken van deze termijn wordt de douaneschuld via een bericht van vaststelling aan de belastingplichtige meegedeeld.
19 De Commissie was van mening dat de gevolgen van de toepassing van een dergelijke procedure door de Italiaanse Republiek onverenigbaar zijn met de relevante gemeenschapsbepalingen doordat zij de terbeschikkingstelling van de eigen middelen vertragen. De in artikel 220 van het douanewetboek voorziene termijn voor boeking van de eigen middelen zou dan ook moeten ingaan op de dag waarop het proces-verbaal betreffende die verrichtingen wordt meegedeeld.
20 De Italiaanse autoriteiten stelden in wezen dat het proces-verbaal van beëindiging van die verrichtingen geen definitief besluit, maar slechts een voorbereidende handeling zonder autonome juridische waarde is. Voorts vinden de argumenten van de Commissie geen rechtsgrondslag in de het douanewetboek, aangezien de boeking en de mededeling aan de schuldenaar verrichtingen zijn die na de vaststelling van een definitief besluit komen.
21 Na deze briefwisseling besloot de Commissie de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 226 EG een aanmaning te sturen, waarvan kennisgeving werd gedaan bij brief van 13 juli 2005 en waarbij deze lidstaat werd verzocht zijn opmerkingen in te dienen binnen twee maanden na ontvangst van die brief.
22 De Italiaanse regering antwoordde bij brief van 12 september 2005, waarin zij de al eerder gegeven antwoorden in wezen herhaalde.
23 Bij brief van 28 juni 2006 attendeerde de Commissie de Italiaanse autoriteiten op het arrest van het Hof van 23 februari 2006 in de zaak Commissie/Spanje (C‑546/03) en verzocht zij hun, vóór 1 september 2006 hun standpunt kenbaar te maken.
24 Daar zij in het ongewisse bleef over het standpunt van de Italiaanse Republiek dienaangaande, besloot de Commissie deze lidstaat overeenkomstig artikel 226 EG een met redenen omkleed advies te sturen, dat was gebaseerd op de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 alsook op artikel 220 van het douanewetboek, waarvan op 15 december 2006 kennis werd gegeven en waarbij zij hem verzocht binnen een termijn van twee maanden na ontvangst ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dat advies te voldoen.
25 De Italiaanse regering antwoordde bij brief van 12 februari 2007, waarin zij haar standpunt handhaafde.
26 Omdat zij van mening was dat de Italiaanse Republiek geen einde had gemaakt aan de haar verweten inbreuk, heeft de Commissie het onderhavige beroep bij het Hof ingesteld.
27 Bij beschikking van de president van het Hof van 12 maart 2009 is de Republiek Finland toegelaten tot interventie aan de zijde van de Italiaanse Republiek.
Het beroep
Argumenten van partijen
28 De Commissie verwijt de Italiaanse autoriteiten in wezen dat zij de eigen middelen van de Gemeenschappen stelselmatig te laat ter beschikking stellen, doordat zij een administratieve procedure toepassen in het kader waarvan die eigen middelen pas worden vastgesteld nadat de belastingplichtige een bepaalde termijn heeft gekregen om het proces-verbaal van die verrichtingen in te zien en opmerkingen in te dienen. Zij verzoekt het Hof bijgevolg vast te stellen dat de Italiaanse Republiek niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 alsook uit hoofde van artikel 220 van het douanewetboek.
29 Volgens de Commissie zijn de voorwaarden voor de vaststelling van de rechten van de Gemeenschappen op de eigen middelen met name vervuld zodra de nationale autoriteiten de belastingplichtige het proces-verbaal van beëindiging van de verrichtingen doen toekomen, waarin zowel de naam van de schuldenaar als het bedrag van de in te vorderen rechten wordt vermeld.
30 De Italiaanse Republiek betoogt dat de aan de belastingplichtige geboden mogelijkheid om opmerkingen in te dienen alvorens het bericht van vaststelling wordt uitgevaardigd, een toepassing is van de fundamentele beginselen van bescherming van de rechten van de verdediging en van behoorlijk bestuur. Een dergelijke regeling, die overigens onder de procedurele autonomie van de lidstaten valt, kan niet tegen de bepalingen van het douanewetboek indruisen.
31 De Italiaanse regering, ondersteund door de Finse regering, meent verder dat de in artikel 220, lid 1, van het douanewetboek gestelde voorwaarden niet zijn vervuld op de datum waarop het proces-verbaal van controle aan de belastingplichtige wordt meegedeeld. Op die datum is namelijk alleen zeker wie de schuldenaar is. Of er sprake is van een onregelmatigheid en welk bedrag aan invoer‑ of uitvoerrechten wettelijk is verschuldigd, staat daarentegen nog niet definitief vast. Hoewel de betrokken wettelijke bepalingen niet de inhoud van het proces-verbaal van controle regelen, heeft de Italiaanse regering in haar verweerschrift en in dupliek alsook ter pleitzitting erkend dat het in beginsel mogelijk is om het bedrag van de schuld op dat ogenblik te bepalen, zoals in de praktijk overigens vaak gebeurt.
32 Gelet op de juridische gevolgen van de boeking van de douaneschuld, is de Finse regering van mening dat daarvoor een definitief administratief besluit nodig is, zoals blijkt uit artikel 220, lid 1, van het douanewetboek en met name uit de woorden „hebben vastgesteld” in dat artikel.
33 Voorts biedt artikel 2, lid 3, van verordening nr. 1150/2000 juncto artikel 2, lid 1, daarvan de douaneautoriteiten de mogelijkheid om de belastingplichtige voorlopige berekeningen mee te delen alvorens een definitief besluit vast te stellen.
34 Bovendien kan volgens de Finse regering het voormelde arrest Commissie/Spanje wegens de diversiteit van de nationale procedures niet als richtsnoer dienen om uit te maken of de verschillende nationale stelsels in overeenstemming zijn met het recht van de Unie.
35 Anders dan de Spaanse regeling aan de orde in het voormelde arrest Commissie/Spanje, definiëren de in de onderhavige zaak in geding zijnde bepalingen immers niet de inhoud van het proces-verbaal van die verrichtingen en verlangen zij met name niet de mededeling van het bedrag van de douaneschuld. Die mededeling is slechts het gevolg van een administratieve praktijk.
36 Daarenboven vereist de betrokken Italiaanse regeling hoe dan ook dat een definitief besluit in de vorm van een bericht van vaststelling wordt genomen, terwijl het in de Spaanse wettelijke regeling voorziene betalingsvoorstel na 30 dagen automatisch definitief werd indien het door de belastingplichtige werd aanvaard en het bestuur geen correctie aanbracht.
Beoordeling door het Hof
37 Met betrekking tot de verweten niet-nakoming zij eraan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 preciseert dat de lidstaten een recht op de eigen middelen moeten vaststellen „zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige”.
38 Voorts volgt uit artikel 220, lid 1, van het douanewetboek dat de voorwaarden inzake boeking achteraf van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan douanerechten vervuld zijn wanneer de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld, het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en de schuldenaar kunnen aanwijzen (arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 27).
39 In dit verband zij tevens eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de lidstaten verplicht zijn om de eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen. Artikel 2, lid 1, van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 moet namelijk aldus worden uitgelegd, dat de lidstaten zich er niet van mogen onthouden schuldvorderingen vast te stellen, zelfs niet indien zij deze betwisten, om te voorkomen dat het financiële evenwicht van de Gemeenschappen ook maar tijdelijk wordt verstoord door het gedrag van een lidstaat (zie arresten van 16 mei 1991, Commissie/Nederland, C‑96/89, Jurispr. blz. I‑2461, punt 37; 15 juni 2000, Commissie/Duitsland, C‑348/97, Jurispr. blz. I‑4429, punt 64, en 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811, punt 60, en reeds aangehaald arrest Commissie/Spanje, punt 28).
40 De lidstaten dienen een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen zodra de douaneautoriteiten over de noodzakelijke gegevens beschikken en dus in staat zijn om het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen (reeds aangehaalde arresten Commissie/Denemarken, punt 59, en Commissie/Spanje, punt 29).
41 In deze samenhang moet ervan worden uitgegaan dat de douaneautoriteiten, wanneer zij een administratief besluit – ongeacht de benaming daarvan – ter kennis van de belastingschuldige brengen, waarin zij vaststellen dat de douaneschulden geheel of gedeeltelijk niet zijn betaald en het bedrag aan douanerechten opgeven dat zij wettelijk verschuldigd achten, bij die gelegenheid in staat zijn om het uit een douaneschuld voortvloeiend bedrag aan rechten te berekenen en de schuldenaar aan te wijzen.
42 Bijgevolge moet de boeking achteraf van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten op grond van artikel 220, lid 1, van het douanewetboek in beginsel plaatsvinden binnen een termijn van twee dagen na de mededeling aan de belastingschuldige van het proces-verbaal dat aan de in het vorige punt genoemde voorwaarden voldoet (arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 32).
43 De Italiaanse en de Finse regering hebben zowel in hun memories als ter pleitzitting betoogd dat de mededeling van het proces-verbaal van beëindiging van de verrichtingen de schuldenaar de mogelijkheid biedt om zijn opmerkingen in te dienen vooraleer een besluit jegens hem wordt genomen en dus bijdraagt tot de bescherming van de rechten van de verdediging. Bijgevolg zou de toepassing van een dergelijke procedure geen niet-nakoming van de krachtens de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 en het douanewetboek op de lidstaten rustende verplichtingen opleveren.
44 In dit verband zij geconstateerd dat, zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 18 december 2008, Sopropé (C‑349/07, Jurispr. blz. I‑10369, punt 36), de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat van toepassing is wanneer het bestuur voornemens is een bezwarend besluit jegens een bepaalde persoon vast te stellen.
45 Ofschoon het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging met name in een navorderingsprocedure van toepassing is in de betrekkingen tussen een belastingplichtige en een lidstaat, kan het in de betrekkingen tussen de lidstaten en de Gemeenschappen niet tot gevolg hebben dat het een lidstaat is toegestaan voorbij te gaan aan zijn verplichting om binnen de in de gemeenschapsregeling gestelde termijnen het recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen (arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punt 33).
46 Voorts zij eraan herinnerd dat de boeking en de mededeling van de verschuldigde douanerechten alsook de boeking van de eigen middelen de schuldenaar niet belet om op grond van de artikelen 243 en volgende van het douanewetboek de hem opgelegde verplichting met alle mogelijke argumenten te betwisten.
47 Bovendien kunnen de nationale autoriteiten ingevolge artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1152/89 en artikel 6, lid 3, van verordening nr. 1150/2000 eigen middelen die worden betwist en waarvan de waarde als gevolg van geschillen wijzigingen kan ondergaan, in een specifieke boekhouding opnemen.
48 Verder kunnen de nationale autoriteiten, voor het geval dat zij de vastgestelde rechten al in de boekhouding hebben opgenomen voordat deze worden betwist, ingevolge de artikelen 2 en 8 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 de mededelingen corrigeren en het totaalbedrag van de vastgestelde rechten op grond van deze correcties verlagen wanneer nadien blijkt dat de betwistingen terecht waren.
49 Wat de vertragingsrente betreft, blijkt uit vaste rechtspraak dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschappen vast te stellen, de verplichting ze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen. Deze rente is verschuldigd ongeacht om welke reden de boeking op de rekening van de Commissie met vertraging is geschied (zie met name arresten van 21 september 1989, Commissie/Griekenland, 68/88, Jurispr. blz. 2965, punt 17; 12 juni 2003, Commissie/Italië, C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punten 43 en 44, en 22 januari 2009, Commissie/Portugal, C‑150/07, punt 62).
50 Ingevolge artikel 11 van de verordeningen nr. 1552/89 en nr. 1150/2000 verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van diezelfde verordeningen bedoelde rekening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging (zie arrest Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 91, en arrest van 19 maart 2009, Commissie/Italië, C‑275/07, Jurispr. blz. I‑2005, punt 66).
51 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Italiaanse Republiek, door zich niet te hebben gehouden aan de termijnen die gelden voor de boeking van de eigen middelen van de Gemeenschappen in geval van navordering en door die middelen te laat te hebben gestort, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89, dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000, en artikel 220 van het douanewetboek.
Kosten
52 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
53 Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van dat Reglement draagt de Republiek Finland, die in het geding is tussengekomen, haar eigen kosten.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) Door zich niet te hebben gehouden aan de termijnen die gelden voor de boeking van de eigen middelen van de Gemeenschappen in geval van navordering en door die middelen te laat te hebben gestort, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, en artikel 220 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
3) De Republiek Finland draagt haar eigen kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy