Zaak C‑434/08
Arnold und Johann Harms als Gesellschaft bürgerlichen Rechts
tegen
Freerk Heidinga
(verzoek van het Oberlandesgericht Oldenburg om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Overdracht van toeslagrechten – Definitieve overdracht”
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Bedrijfstoeslagregeling – Overdracht van toeslagrechten
(Verordening nr. 1782/2003 van de Raad, art. 46, lid 2)
Verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een contractueel beding waarmee toeslagrechten definitief worden overgedragen en op grond waarvan de cessionaris, in zijn hoedanigheid van rechthebbende op de toeslagrechten, zonder beperking in de tijd verplicht is die rechten te activeren en de bedragen die hem op grond daarvan worden uitbetaald geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de cedent, mits een dergelijk beding niet tot doel heeft de cedent in staat te stellen een gedeelte van de door hem formeel overgedragen toeslagrechten te behouden, maar ertoe strekt, aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de overeengekomen prijs voor de overdracht van alle toeslagrechten te bepalen.
(cf. punt 50 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
20 mei 2010 (*)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Overdracht van toeslagrechten – Definitieve overdracht”
In zaak C‑434/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberlandesgericht Oldenburg (Duitsland) bij beslissing van 11 september 2008, ingekomen bij het Hof op 1 oktober 2008, in de procedure
Arnold und Johann Harms als Gesellschaft bürgerlichen Rechts
tegen
Freerk Heidinga,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet (rapporteur), J.‑J. Kasel en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 december 2009,
gelet op de opmerkingen van:
– Arnold und Johann Harms als Gesellschaft bürgerlichen Rechts, vertegenwoordigd door F. Schulze, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en N. Graf Vitzthum als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en F. Clotuche-Duvieusart als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 februari 2010,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1, en rectificatie in PB 2004, L 94, blz. 70).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Arnold und Johann Harms als Gesellschaft bürgerlichen Rechts en Freerk Heidinga (hierna: „koper”) betreffende de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst over de koop van een landbouwbedrijf.
Toepasselijke bepalingen
Unieregeling
Verordening nr. 1782/2003
3 Bij verordening nr. 1782/2003 wordt onder meer een inkomenssteunregeling voor landbouwers vastgesteld. Deze regeling wordt in artikel 1, tweede streepje, van die verordening aangeduid als „bedrijfstoeslagregeling”.
4 In punt 2 van de considerans van verordening nr. 1782/2003 valt te lezen:
„De volledige betaling van de rechtstreekse steun dient te zijn gekoppeld aan de naleving van regels met betrekking tot de landbouwgrond en de landbouwproductie en ‑activiteit. Die regels dienen erop te zijn gericht basisnormen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en goede landbouw‑ en milieuconditie op te nemen in de gemeenschappelijke marktordeningen. Worden deze basisnormen niet nageleefd, dan moeten de lidstaten de rechtstreekse steun volledig of gedeeltelijk intrekken op basis van criteria die proportioneel, objectief en gradueel zijn. Een dergelijke intrekking moet de sancties die nu of in de toekomst gelden op grond van andere bepalingen van communautair of nationaal recht, onverlet laten.”
5 In punt 3 van de considerans van die verordening staat onder meer:
„Om te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw‑ en milieuconditie wordt gehouden, moeten normen worden vastgesteld, die al dan niet op bepalingen van de lidstaten kunnen berusten. [...]”
6 In punt 21 van de considerans van verordening nr. 1782/2003 valt te lezen:
„De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.”
7 In punt 24 van de considerans van die verordening wordt verklaard:
„Het concurrerender maken van de communautaire landbouw en het bevorderen van de toepassing van voedselkwaliteit‑ en milieunormen gaan noodzakelijkerwijs gepaard met een verlaging van de institutionele prijzen voor landbouwproducten en een stijging van de productiekosten voor de communautaire landbouwbedrijven. Voor het bereiken van deze doelstellingen en het bevorderen van een marktgerichtere en duurzame landbouw moet de verschuiving van productiesteun naar steun aan de producent worden voltooid door de invoering van een systeem met ontkoppelde inkomenssteun voor elk bedrijf. Terwijl de ontkoppeling de feitelijk aan de landbouwers betaalde bedragen ongewijzigd zal laten, zal dankzij de ontkoppeling sprake zijn van een veel doeltreffender inkomenssteun. Het is daarom dienstig de ene bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw‑ en milieuconditie.”
8 In punt 30 van de considerans van die verordening staat onder meer:
„Het totaalbedrag waarop een landbouwbedrijf recht heeft, dient in delen (toeslagrechten) te worden gesplitst en aan een vast te stellen aantal subsidiabele hectaren te worden gekoppeld om overdracht van de premierechten te vergemakkelijken. Ter voorkoming van speculatieve overdrachten die leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis, dient voor het verlenen van de steun te worden gewerkt met een koppeling tussen toeslagrechten en een bepaald aantal subsidiabele hectaren en dient ook te worden voorzien in de mogelijkheid om de overdracht van toeslagrechten tot een bepaalde regio te beperken. [...]”
9 Volgens artikel 2 van die verordening:
„[...] gelden de volgende begripsomschrijvingen:
a) onder ‚landbouwer’ wordt verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen [...] die een landbouwactiviteit uitoefent;
[...]
c) onder ‚landbouwactiviteit’ wordt verstaan: landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw‑ en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 5 houden;
[...]”
10 Titel II van verordening nr. 1782/2003 bevat een hoofdstuk 1, met als opschrift „Randvoorwaarden”, dat de artikelen 3 tot en met 9 omvat. Artikel 3 van die verordening, met als opschrift „Belangrijkste eisen”, bepaalt:
„1. Een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, moet de in bijlage III bedoelde uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen volgens het in die bijlage bepaalde tijdschema, en de op grond van artikel 5 vastgestelde eisen inzake goede landbouw‑ en milieuconditie in acht nemen.
2. De bevoegde nationale autoriteit bezorgt de landbouwer de lijst van de in acht te nemen uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en eisen inzake goede landbouw‑ en milieuconditie.”
11 De hoofdstukken 1 tot en met 4 van titel III, „Bedrijfstoeslagregeling”, van verordening nr. 1782/2003 bevatten de basisregels voor dit systeem met van de productie „ontkoppelde” inkomenssteun voor landbouwers.
12 In artikel 33, lid 1, van die verordening heet het:
„De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:
a) zij in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode een betaling hebben ontvangen uit hoofde van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen, of
b) zij het bedrijf of een gedeelte van het bedrijf door feitelijke of verwachte vererving hebben verkregen van een landbouwer die aan de voorwaarden [sub a] voldeed, of
c) zij een toeslagrecht uit de nationale reserve of via overdracht hebben verkregen.”
13 Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 luidt als volgt:
„De steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling wordt uitbetaald uit hoofde van de toeslagrechten als gedefinieerd in hoofdstuk 3 die gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren als gedefinieerd in artikel 44, lid 2.”
14 Artikel 44 van die verordening, met als opschrift „Gebruik van de toeslagrechten” luidt:
„1. Elk toeslagrecht dat gepaard gaat met een subsidiabele hectare geeft recht op de uitbetaling van het in het kader van het toeslagrecht vastgestelde bedrag.
2. Onder ‚subsidiabele hectare’ wordt verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik [is].
[...]”
15 Artikel 46 van verordening nr. 1782/2003, met het opschrift „Overdracht van toeslagrechten”, bepaalt:
„1. Toeslagrechten kunnen uitsluitend worden overgedragen aan een andere landbouwer die in dezelfde lidstaat is gevestigd, tenzij in het geval van overdrachten door feitelijke of verwachte vererving.
[...]
2. Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht met of zonder grond. Verhuur of soortgelijke transacties zijn daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, mag een landbouwer zijn toeslagrechten zonder grond alleen overdragen als hij, in de zin van artikel 44, ten minste 80 % van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft gebruikt dan wel nadat hij alle toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling niet heeft gebruikt, vrijwillig heeft afgestaan aan de nationale reserve.
[...]”
16 Op grond van afdeling 1 van hoofdstuk 5 van die verordening, met als opschrift „Regionale uitvoering”, kunnen de lidstaten de bedrijfstoeslagregeling op regionaal niveau toepassen.
17 Het in die afdeling opgenomen artikel 59, leden 1 en 3, van die verordening bepaalt:
„1. In naar behoren gemotiveerde gevallen en op basis van objectieve criteria kunnen de lidstaten het totale bedrag van het krachtens artikel 58 vastgestelde regionale maximum of een gedeelte daarvan verdelen onder alle landbouwers wier bedrijf in de betrokken regio is gelegen, met inbegrip van de landbouwers die niet voldoen aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 33.
[...]
3. In geval van gedeeltelijke verdeling van het totale bedrag van het regionale maximum, ontvangen de landbouwers toeslagrechten waarvan het bedrag per toeslagrecht wordt berekend door het overeenkomstige deel van het krachtens artikel 58 vastgestelde maximum te delen door het aantal subsidiabele hectaren, in de zin van artikel 44, lid 2, zoals dat op regionaal niveau is vastgesteld.
Indien de landbouwer ook recht heeft op toeslagrechten die worden berekend op het resterende deel van het regionale maximum, wordt het regionale bedrag van al zijn toeslagrechten, met uitzondering van braakleggingstoeslagrechten, verhoogd met een bedrag dat overeenkomt met het referentiebedrag gedeeld door het volgens lid 4 vastgestelde aantal rechten.
[...]”
18 Op grond van artikel 62 van verordening nr. 1782/2003 kunnen de lidstaten besluiten dat de bedragen uit melkpremies en extra betalingen, waarin wordt voorzien in de artikelen 95 en 96 van die verordening, geheel of gedeeltelijk worden opgenomen in de bedrijftoeslagregeling vanaf 2005.
Nationale regeling
19 Volgens § 2, lid 1, van het Betriebsprämiendurchführungsgesetz (Duitse wet tot uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling; hierna: „BetrPrämDurchfG”), wordt de bedrijfstoeslag vanaf 1 januari 2005 op regionaal niveau toegekend overeenkomstig het bepaalde in die wet en in de ter uitvoering ervan vastgestelde voorschriften.
20 § 5, lid 1, BetrPrämDurchfG bepaalt dat het referentiebedrag van de bedrijfstoeslag ingevolge de gecombineerde bepalingen van artikel 59, leden 1 en 3, van verordening nr. 1782/2003, voor iedere landbouwer bestaat uit een bedrijfsspecifiek bedrag en uit een oppervlaktegerelateerd bedrag.
21 Het bedrijfsspecifieke bedrag wordt berekend op basis van de in § 5, lid 2, punt 1, BetrPrämDurchfG opgesomde vroegere rechtstreekse betalingen, waaraan de melkpremie en de premietoeslagen voor melkproducten moeten worden toegevoegd. Het oppervlaktegerelateerde bedrag wordt berekend door het resterende deel van het regionale maximum te delen door het aantal subsidiabele hectaren.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
22 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Amkeline Gertha Harms en Johann Harms (hierna: „verkopers”) bij notariële akte van 8 november 2005 agrarische onroerende zaken alsook voervoorraden en referentiehoeveelheden melk aan de koper hebben verkocht. Naast de verkoop van 9,6 ha eigen landbouwgrond voorzag de verkoopovereenkomst tevens in de mogelijkheid voor de koper om, door de sluiting van overeenkomsten met de eigenaren of rechthebbenden, circa 100 ha grond over te nemen waarover de verkopers op grond van pacht‑ en gebruiksovereenkomsten beschikten.
23 De partijen bij de verkoopovereenkomst zijn tevens overeengekomen dat de verkopers aan de koper om niet alle toeslagrechten overdragen die uit hoofde van de bij deze overeenkomst verkochte landbouwgronden, alsmede van de bijgepachte respectievelijk in gebruik gegeven en door de koper overgenomen landbouwgronden aan hen zullen worden uitgekeerd.
24 Artikel 9 van de verkoopovereenkomst bevatte onder meer het volgende beding:
„Na de definitieve vaststelling en verdeling van de toeslagrechten delen verkopers (zodra zij hiervan op de hoogte zijn) de waarde ervan binnen twee weken, maar uiterlijk op 15 januari 2006, mee aan koper.
Partijen verbinden zich om [...] uiterlijk op 15 februari 2006 de concrete toeslagrechten bij akte te cederen met vermelding van de desbetreffende identificatiekenmerken en de waarde.
Binnen een maand na sluiting van voornoemde overeenkomst delen partijen de cessie mee aan de bevoegde deelstaatautoriteit respectievelijk de aangekondigde procedure aan de [centrale databank van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem].
Partijen komen onderling overeen dat aan koper 40 toeslagrechten voor akkerbouwgrond en 40 toeslagrechten voor grasland toekomen, alsmede enkel die individuele toeslagrechten (top-ups) die worden betaald voor de bij de bedrijfsoverdracht onder een pachtovereenkomst naar koper overgegane referentiehoeveelheid melk (ongeveer 622 000 kg).
Koper verbindt zich om het meerdere dat hem toekomt uit hoofde van areaalbetalingen en individuele toeslagen (ongeveer 15 toeslagrechten voor akkerbouwgrond, ongeveer 15 toeslagrechten voor grasland en compensatiebetalingen voor een referentiehoeveelheid melk van ongeveer 1 000 000 kg ...) na de jaarlijkse uitbetaling aan verkopers uit te keren [...]”
25 De verkoopovereenkomst is uitgevoerd en de verkochte landbouwgrond werd aan de koper overgedragen. Op 1 april 2006 verkreeg hij tevens 111,79 toeslagrechten.
26 De uit de verkoopovereenkomst voortvloeiende rechten zijn door de verkopers bij akte van 29 januari 2007 aan verzoekster in het hoofdgeding gecedeerd.
27 Verzoekster in het hoofdgeding heeft op grond van voornoemde verkoopovereenkomst en de daaruit voortvloeiende overeenkomst van 6 januari 2006, van de koper voor het jaar 2006 betaling gevorderd van in totaal 40 823,05 EUR uit hoofde van volgens onderlinge afspraak tussen de partijen aan de verkopers toekomende toeslagrechten.
28 Toen die eis door het Landgericht Aurich was afgewezen, heeft verzoekster in het hoofdgeding hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Oldenburg.
29 De verwijzende rechter is van oordeel dat de beslechting van het bij hem aanhangige geschil afhangt van de vraag, of de clausule in artikel 9 van de verkoopovereenkomst geldig is, gelet op met name de in artikel 46 van verordening nr. 1782/2003 vastgestelde beperkingen inzake de overdracht van toeslagrechten en op de doelstellingen van de bedrijfstoeslagregeling.
30 Daarop heeft het Oberlandesgericht Oldenburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 46, lid 2, van [verordening nr. 1782/2003] aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling in de weg staat aan contractuele bedingen – die bijgevolg ongeldig zijn – volgens welke toeslagrechten formeel weliswaar volledig en definitief worden overgedragen, maar ingevolge een onderlinge afspraak tussen partijen nog steeds economisch aan de vervreemder toekomen, waarbij de verkrijger echter als formele rechthebbende de toeslagrechten door bebouwing van het desbetreffende areaal dient te activeren en de aan hem betaalde bedrijfstoeslagen volledig aan de vervreemder dient af te dragen, of bedingen volgens welke areaalbetalingen aan de verkrijger worden overgedragen in dier voege dat hij in elk geval na de activering en de uitbetaling van bedrijfstoeslagen een deel (de individuele toeslag) telkens aan de vervreemder dient af te dragen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Ontvankelijkheid
31 Verzoekster in het hoofdgeding betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat de gestelde vraag niet beantwoordt aan de feitelijke achtergrond van het hoofdgeding.
32 In dit verband is het in het kader van de in artikel 234 EG neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het aan hem voorgelegde geval, de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen (zie met name arrest van 15 oktober 2009, Hochtief en Linde-Kca-Dresden, C‑138/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In het kader van de bevoegdheidsverdeling tussen de rechterlijke instanties van de Unie en de nationale rechterlijke instanties moet het Hof bovendien acht slaan op de in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke en juridische context waarin de prejudiciële vraag dient te worden geplaatst (arrest van 13 november 2003, Neri, C‑153/02, Jurispr. blz. I‑13555, punt 35).
34 Bijgevolg moet het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden geacht en worden onderzocht uitgaande van het door het Oberlandesgericht Oldenburg in de verwijzingsbeslissing omschreven feitelijke kader.
Ten gronde
35 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 aldus moet worden uitgelegd, dat deze bepaling in de weg staat aan een contractueel beding als dat in het hoofdgeding, volgens hetwelk toeslagrechten definitief worden overgedragen en op grond waarvan de cessionaris, in zijn hoedanigheid van rechthebbende op de toeslagrechten, verplicht is die rechten te activeren en de bedragen die hem op die grond worden uitbetaald geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de cedent.
36 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat ofschoon een overeenkomst wordt gekenmerkt door het beginsel van de wilsautonomie, volgens hetwelk partijen met name vrij zijn om wederzijds verplichtingen aan te gaan, niettemin beperkingen van die contractvrijheid kunnen voortvloeien uit het toepasselijke Unierecht (zie in die zin arrest van 5 oktober 1999, Spanje/Commissie, C‑240/97, Jurispr. blz. I‑6571, punt 99).
37 Met name geeft de contractvrijheid waarover de houder van de toeslagrechten beschikt, hem niet het recht om verbintenissen aan te gaan die indruisen tegen de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003.
38 In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 1, tweede streepje, van verordening nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling inkomenssteun voor landbouwers vormt. Zoals in punt 21 van de considerans van voornoemde verordening staat te lezen, hangt het doel, de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Dat is overigens de reden waarom in punt 24 van de considerans van die verordening wordt verklaard dat het dienstig is de bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw‑ en milieuconditie. De wetgever heeft overigens de betaling van de steun afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de landbouwer over een aantal subsidiabele hectaren beschikt dat overeenkomt met het aantal toeslagrechten (zie in die zin arrest van 21 januari 2010, van Dijk, C‑470/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 33).
39 Hieruit volgt dat een landbouwer niet meer in aanmerking komt voor de bij verordening nr. 1782/2003 ingestelde steunregeling indien hij niet langer voldoet aan de voorwaarden van die verordening. In het tegenovergestelde geval zou hij immers een voordeel verkrijgen dat indruist tegen de doelstellingen van de bedrijfstoeslagregeling.
40 Wat de in verordening nr. 1782/2003 vastgestelde voorschriften betreffende de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht van toeslagrechten betreft, zij opgemerkt dat artikel 46, lid 2, van die verordening met name bepaalt dat toeslagrechten kunnen worden overgedragen door definitieve overdracht alsook door verhuur of soortgelijke transacties.
41 In het kader van een definitieve overdracht, zoals in het hoofdgeding het geval is, doet de landbouwer die tot dan toe toeslagrechten ontving, definitief afstand van zijn aanspraken door cessie aan een andere landbouwer, die vervolgens die rechten te zijnen bate activeert (zie in die zin arrest van Dijk, reeds aangehaald, punt 35).
42 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de verkopers aan de koper alle toeslagrechten hebben overgedragen die hun waren toegekend. De verkoopovereenkomst bepaalde met name dat de partijen de definitieve overdracht van de toeslagrechten aan de centrale databank van het systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten dienden mee te delen.
43 Onderling zijn de partijen bij de verkoopovereenkomst evenwel overeengekomen, de koper in een beding in artikel 9 van die overeenkomst een bepaald aantal toeslagrechten toe te wijzen, waarbij de koper zich ertoe verbindt aan de verkopers de bedragen uit te keren die hij jaarlijks op grond van de resterende toeslagrechten na de activering ervan ontvangt.
44 Uit de bewoordingen van dat beding, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat niet alle toeslagrechten die aan de koper worden overgedragen hem toekomen, doch slechts een deel ervan, lijkt voort te vloeien dat de partijen in hun onderlinge betrekkingen een gedeelte van de overgedragen toeslagrechten hebben willen toekennen aan de verkopers, wat in strijd is met de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003. A contrario volgt immers noodzakelijkerwijs uit dat beding dat de resterende toeslagrechten aan de verkopers toekomen. Een dergelijke vaststelling klemt te meer daar, zoals blijkt uit de aan het Hof voorgelegde gegevens, de partijen niet hebben voorzien in enige beperking in de tijd van de op de concessionaris rustende verplichting om een gedeelte van de bedragen die hij uit hoofde van de hierboven bedoelde toeslagrechten ontvangt, aan de cedent uit te keren.
45 Een dergelijk beding, op grond waarvan de cessionaris van de toeslagrechten in zijn betrekkingen met de andere contractpartij slechts recht heeft op een deel van de toeslagrechten die hem formeel zijn overgedragen, kan niet worden geacht in overeenstemming te zijn met de doelstellingen van verordening nr. 1782/2003, zoals die in punt 38 van het onderhavige arrest zijn weergegeven, voor zover het ertoe strekt de cedent in staat te stellen aanspraak te kunnen blijven maken op de bij verordening nr. 1782/2003 ingestelde steunregeling zonder zelf te hoeven voldoen aan de in hoofdstuk 1 van titel II van die verordening bedoelde verplichtingen alsook aan de subsidiabiliteitscriteria van artikel 33 van die verordening.
46 Verzoekster in het hoofdgeding heeft ter terechtzitting evenwel betoogd dat bij de sluiting van de verkoopovereenkomst de toeslagrechten in de Bondsrepubliek Duitsland en in het bijzonder in Niedersachsen nog niet waren toegekend. Bijgevolg heeft bedoeld, ongelukkig geformuleerd beding niet tot doel een deel van de aan de cessionarissen overgedragen toeslagrechten naar haar te doen terugvloeien, maar strekt het ertoe, aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de overeengekomen prijs voor de overdracht van alle toeslagrechten te bepalen.
47 In dat verband moet worden vastgesteld dat het de partijen bij ontbreken van een andersluidende bepaling in verordening nr. 1782/2003 in beginsel vrij staat het bedrag van de financiële tegenprestatie voor de overdracht van de toeslagrechten te bepalen.
48 In die omstandigheden is de beslissende vraag, of aan het litigieuze beding de wil van de partijen ten grondslag ligt om in hun onderlinge betrekkingen een deel van de toeslagrechten die formeel zijn overgedragen toe te kennen aan de cedent, wat in strijd is met het bepaalde in verordening nr. 1782/2003, dan wel om aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de voor de overdracht van alle toeslagrechten overeengekomen prijs te bepalen.
49 Het staat aan de verwijzende rechter om op basis van de feiten, die alleen hij kan beoordelen, vast te stellen wat het werkelijke oogmerk van de partijen was.
50 Uit een en ander volgt dat verordening nr. 1782/2003 aldus moet worden uitgelegd, dat zij niet in de weg staat aan een contractueel beding als dat in het hoofdgeding, waarmee toeslagrechten definitief worden overgedragen en op grond waarvan de cessionaris, in zijn hoedanigheid van rechthebbende op de toeslagrechten, zonder beperking in de tijd verplicht is die rechten te activeren en de bedragen die hem op die grond worden uitbetaald geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de cedent, mits een dergelijk beding niet tot doel heeft de cedent in staat te stellen een gedeelte van de door hem formeel overgedragen toeslagrechten te behouden, maar ertoe strekt, aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de overeengekomen prijs voor de overdracht van alle toeslagrechten te bepalen.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een contractueel beding als dat in het hoofdgeding, waarmee toeslagrechten definitief worden overgedragen en op grond waarvan de cessionaris, in zijn hoedanigheid van rechthebbende op de toeslagrechten, zonder beperking in de tijd verplicht is die rechten te activeren en de bedragen die hem op die grond worden uitbetaald geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de cedent, mits een dergelijk beding niet tot doel heeft de cedent in staat te stellen een gedeelte van de door hem formeel overgedragen toeslagrechten te behouden, maar ertoe strekt, aan de hand van de waarde van dat gedeelte van de toeslagrechten de overeengekomen prijs voor de overdracht van alle toeslagrechten te bepalen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy