Zaak C‑442/08
Europese Commissie
tegen
Bondsrepubliek Duitsland
„Niet-nakoming – Associatieovereenkomst EEG-Hongarije – Controle achteraf – Niet-naleving van oorsprongsregels – Beslissing van autoriteiten van staat van uitvoer – Beroep in rechte – Controletaak van Commissie – Douanerechten – Navordering – Eigen middelen – Terbeschikkingstelling – Vertragingsrente”
Samenvatting van het arrest
1. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Boeking op credit van rekening van Commissie
(Verordeningen van de Raad nr. 1552/89, art. 2, 6 en 9‑11, en nr. 1150/2000, art. 2, 6 en 9‑11)
2. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen – Vaststelling en terbeschikkingstelling door lidstaten – Boeking op credit van rekening van Commissie
(Verordening nr. 1552/89 van de Raad, art. 11)
1. Vanaf het ogenblik dat de autoriteiten van de staat van invoer op basis van de door autoriteiten van de staat van uitvoer verstrekte inlichtingen in staat zijn de belastingplichtigen aan te wijzen en het bedrag van een douaneschuld te berekenen, kan een te late terbeschikkingstelling van de betrokken douanerechten niet worden gerechtvaardigd door het wachten op aanvullende inlichtingen van de autoriteiten van de staat van uitvoer of een definitieve beslissing in de in die staat aanhangig gemaakte gerechtelijke procedures, en nog minder door het wachten op het eindverslag in het kader van het parallel door de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding van de Commissie verrichte onderzoek. De autoriteiten van de staat van invoer zijn gebonden aan de conclusies die de autoriteiten van de staat van uitvoer trekken uit hun controles achteraf. Bijgevolg kan het feit dat de autoriteiten van de staat van uitvoer tevens hebben gewezen op het bestaan van een beroep tegen de conclusies uit de controles achteraf, niet afdoen aan de verplichting van de autoriteiten van de staat van invoer om de betrokken douaneschuld te boeken en mede te delen en om de daarmee samenhangende eigen middelen vast te stellen.
Een lidstaat komt de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen en krachtens dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000 houdende toepassing van besluit 94/728 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, dus niet na door, ondanks de ontvangst van een mededeling in het kader van de administratieve bijstand, douanevorderingen te hebben laten verjaren en de hiervoor verschuldigde eigen middelen te laat te hebben afgedragen, en te weigeren de toepasselijke vertragingsrente te betalen.
(cf. punten 80, 83, 88, 98 en dictum)
2. Er bestaat een onlosmakelijk verband tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting deze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen, waarbij deze laatste opeisbaar is ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie.
Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 houdende toepassing van besluit 88/376 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat immers tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging. Uit de bewoordingen van genoemd artikel 11 blijkt voorts, dat een te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen niet kan afhangen van een door de Commissie gestelde termijn voor de terbeschikkingstelling van die middelen.
(cf. punten 93‑95)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
1 juli 2010 (*)
„Niet-nakoming – Associatieovereenkomst EEG-Hongarije – Controle achteraf – Niet-naleving van oorsprongsregels – Beslissing van autoriteiten van land van uitvoer – Beroep in rechte – Controlemissie van Commissie – Douanerechten – Navordering – Eigen middelen – Terbeschikkingstelling – Vertragingsrente”
In zaak C‑442/08,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 226 EG, ingesteld op 6 oktober 2008,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Caeiros en B. Conte als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Lumma en B. Klein als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, C. Toader (rapporteur), K. Schiemann, P. Kūris en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: M.‑A. Gaudissart, hoofd van administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 februari 2010,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 maart 2010,
het navolgende
Arrest
1 De Commissie van de Europese Gemeenschappen verzoekt het Hof vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland door, ondanks de ontvangst van een mededeling in het kader van de administratieve bijstand, douanevorderingen te hebben laten verjaren en de hiervoor verschuldigde eigen middelen te laat te hebben afgedragen, en te weigeren de opgelopen vertragingsrente te betalen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), en krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
Toepasselijke bepalingen
Associatieovereenkomst EEG-Hongarije
2 De Europa-Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Hongarije, anderzijds, die te Brussel is ondertekend op 16 december 1991, is namens de Europese Gemeenschappen gesloten bij besluit 93/742/Euratom, EGKS, EG van de Raad en de Commissie van 13 december 1993 (PB L 347, blz. 1; hierna: „Associatieovereenkomst EEG-Hongarije”). Artikel 16, „Algemene voorwaarden”, van protocol nr. 4 bij deze overeenkomst, zoals gewijzigd bij besluit nr. 3/96 van de Associatieraad, Associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en de Republiek Hongarije anderzijds, van 28 december 1996 (PB 1997, L 92, blz. 1; hierna: „protocol nr. 4”), bepaalt het volgende:
„1. Deze overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Hongarije worden ingevoerd, en producten van oorsprong uit Hongarije die in de Gemeenschap worden ingevoerd, op vertoon van:
a) een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage III is opgenomen;
[...]”
3 Artikel 17 van protocol nr. 4, „Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1”, voorziet in zijn leden 1 en 5 in het volgende:
„1. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 (hierna ‚EUR.1-certificaat’ genoemd) wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.
[...]
5. De met de afgifte van EUR.1-certificaten belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de producten inderdaad van oorsprong zijn en of aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de boeken van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Deze douaneautoriteiten zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Zij gaan met name na of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zo is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.”
4 Artikel 31 van genoemd protocol, „Wederzijdse bijstand”, bepaalt in lid 2 het volgende:
„Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de Gemeenschap en Hongarije elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1-certificaten en de factuurverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.”
5 Artikel 32 van protocol nr. 4, „Controle van de oorsprongsbewijzen”, luidt:
„1. De bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en ook wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.
[...]
3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Deze zijn in dit verband gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.
4. Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doen zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.
5. De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten al dan niet echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de Gemeenschap, Hongarije of een van de in artikel 4 genoemde landen beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.
6. Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens in buitengewone omstandigheden.”
6 Luidens artikel 33, eerste alinea, van protocol nr. 4, worden geschillen ten aanzien van de in artikel 32 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden tussen de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol aan het associatiecomité voorgelegd.
Besluit 94/728
7 Uit artikel 2, lid 1, van besluit 94/728/EG, Euratom van de Raad van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 293, blz. 9), volgt dat onder meer de „traditionele” middelen, zoals de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief en de overige door de instellingen van de Gemeenschappen ingevoerde of in te voeren rechten op het handelsverkeer met niet-lidstaten, alsmede de douanerechten op de onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vallende producten, op de begroting van de Gemeenschappen opgevoerde eigen middelen vormen.
8 Artikel 2, lid 3, van besluit 94/728 is als volgt verwoord:
„De lidstaten houden 10 % van de overeenkomstig lid 1, onder a) en b), over te maken bedragen in als inningskosten.”
9 Artikel 8, lid 1, van besluit 94/728 luidt:
„De in artikel 2, lid 1, onder a) en b), bedoelde eigen middelen van de Gemeenschappen worden door de lidstaten geïnd overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, die in voorkomend geval aan de communautaire voorschriften worden aangepast. De Commissie onderzoekt regelmatig de nationale bepalingen waarvan de lidstaten haar in kennis stellen, deelt aan de lidstaten aanpassingen mee die zij noodzakelijk acht om deze bepalingen in overeenstemming te brengen met de communautaire voorschriften, en brengt verslag uit aan de begrotingsautoriteit. De lidstaten stellen de in artikel 2, lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde middelen ter beschikking van de Commissie.”
Verordening nr. 1552/89 en 1150/2000
10 De tweede overweging van de considerans van verordening nr. 1552/89, die vergelijkbaar is met punt 2 van de considerans van verordening nr. 1150/2000, luidt als volgt:
„Overwegende dat de Gemeenschap onder optimale voorwaarden moet kunnen beschikken over de in artikel 2 van besluit 88/376/EG, Euratom [van de Raad van 24 juni 1988 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 185, blz. 24)] bedoelde eigen middelen [...]”.
11 Ervan afgezien dat verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 met name verwijzen naar, wat de eerste betreft, besluit 88/376 en, wat de tweede betreft, besluit 94/728, zijn de artikelen 2, 6, 9 tot en met 11 en 17, lid 1, van deze twee verordeningen in wezen identiek.
12 Artikel 2 van verordening nr. 1552/89 is als volgt verwoord:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, onder a) en b), van besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde middelen als vastgesteld zodra de belastingschuldige door de bevoegde dienst van de lidstaat in kennis wordt gesteld van het verschuldigde bedrag. Deze kennisgeving vindt met inachtneming van alle ter zake toepasselijke communautaire voorschriften plaats zodra de belastingschuldige bekend is en het bedrag van het recht door de bevoegde overheidsorganen kan worden berekend.
2. Lid 1 is eveneens van toepassing wanneer de kennisgeving moet worden gecorrigeerd.”
13 Deze bepaling is per 14 juli 1996 gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996 (PB L 175, blz. 3), en de inhoud ervan is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 1150/2000, dat het volgende bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening geldt een recht van de Gemeenschappen op de in artikel 2, lid 1, onder a) en b), van Besluit 88/376/EEG, Euratom genoemde eigen middelen als vastgesteld zodra is voldaan aan de voorwaarden van de douanevoorschriften voor wat betreft de boeking van het bedrag van het recht en de kennisgeving daarvan aan de belastingschuldige.
1 bis. Het voor de in lid 1 bedoelde vaststelling in aanmerking te nemen tijdstip is het tijdstip van de boeking, bedoeld in de douanevoorschriften.
[...]”
14 Artikel 6, leden 1 en 2, van verordening nr. 1552/89, thans artikel 6, leden 1 en 3, van verordening nr. 1150/2000, luidt als volgt:
„1. Bij de schatkist van iedere lidstaat of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, wordt een boekhouding van de eigen middelen gevoerd, gespecificeerd naar de aard van de middelen.
2. a) De overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten worden, onder voorbehoud van het bepaalde onder b), uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e van de tweede maand die volgt op de maand waarin de vaststelling heeft plaatsgehad, in de boekhouding opgenomen.
b) Vastgestelde rechten die niet in de onder a) bedoelde boekhouding zijn opgenomen omdat zij nog niet zijn geïnd en geen zekerheid is gesteld, worden binnen de onder a) vastgestelde termijn in een specifieke boekhouding opgenomen. De lidstaten kunnen de vastgestelde rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, echter eveneens in een specifieke boekhouding opnemen indien deze rechten worden betwist, waardoor de waarde ervan wijzigingen kan ondergaan als de uitslag van de geschillen bekend is.”
[...]
15 Artikel 9, lid 1, van verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 bepaalt het volgende:
„Op de in artikel 10 aangegeven wijze boekt iedere lidstaat de eigen middelen op het credit van de rekening welke daartoe op naam van de Commissie bij zijn schatkist of bij het orgaan dat de lidstaat aanwijst, is geopend.
[...]”
16 Artikel 10, lid 1, van verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 luidt als volgt:
„Na aftrek van 10 % als inningskosten krachtens artikel 2, lid 3, [van respectievelijk besluit 88/376 en 94/728], geschiedt de boeking van de eigen middelen, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder a) en b), van dat besluit, uiterlijk op de eerste werkdag na de 19e dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin het recht overeenkomstig artikel 2 is vastgesteld.
[...]”
17 Artikel 11 van deze verordeningen luidt:
„Elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, bedoelde rekening verplicht de betrokken lidstaat tot het betalen van rente tegen de op de vervaldag op de geldmarkt van deze lidstaat geldende rentevoet voor kortetermijnfinanciering, vermeerderd met twee punten. Deze rente wordt met 0,25 punt per maand vertraging verhoogd. De aldus verhoogde rente geldt voor de gehele periode van de vertraging.”
18 Artikel 17, lid 1 van deze verordeningen is als volgt verwoord:
„De lidstaten zijn verplicht alle nodige maatregelen te treffen opdat de bedragen van de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde rechten ter beschikking van de Commissie worden gesteld op de in deze verordening vastgestelde wijze.”
Douanewetboek
19 Artikel 78, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: „douanewetboek”) luidt:
„Indien uit de herziening van de aangifte of uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.”
20 Ingevolge artikel 201, lid 1, sub a, van het douanewetboek, ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer goederen die aan rechten bij invoer zijn onderworpen in het vrije verkeer worden gebracht.
21 Artikel 217, lid 1, eerste alinea, van het douanewetboek voorziet in het volgende:
„Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld [...] dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).”
22 Artikel 220, lid 1, van het douanewetboek luidt:
„Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.”
23 Artikel 221 van het douanewetboek is als volgt verwoord:
„1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.
[...]
3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. [...]”
24 Artikel 224 van het douanewetboek bepaalt het volgende:
„Voor zover het bedrag aan rechten betrekking heeft op goederen die zijn aangegeven voor een douaneregeling welke de verplichting tot betaling van dergelijke rechten inhoudt, staan de douaneautoriteiten de belanghebbende, op zijn verzoek, onder de in de artikelen 225, 226 en 227 vastgestelde voorwaarden uitstel van betaling van dat bedrag toe.”
25 Artikel 236 van het douanewetboek luidt:
„1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen.
De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.”
26 Artikel 244 van het douanewetboek is als volgt verwoord:
„Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.
De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden
Indien de aangevochten beschikking tot de toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer leidt, dient ingeval van opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden gesteld. Van die eis kan evenwel worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.”
Verordening (EG) nr. 515/97
27 Titel III van verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane‑ en landbouwvoorschriften (PB L 82, blz. 1), regelt de betrekkingen tussen de douaneautoriteiten van de lidstaten en de Commissie. Artikel 17, lid 2, van deze verordening bepaalt dat de Commissie de bevoegde autoriteiten van iedere lidstaat in kennis stelt van alle gegevens waarmee zij de naleving van de douane‑ en landbouwvoorschriften kunnen verzekeren.
28 Krachtens artikel 20, leden 1 en 3, van genoemde verordening deelt de Commissie, wanneer zij communautaire missies voor administratieve samenwerking en onderzoek in derde landen organiseert, de lidstaten de resultaten van die missies mee.
Voorgeschiedenis van het geding
29 Sinds 1994 worden motorvoertuigen van de merken Suzuki en Subaru uit Hongarije ingevoerd in Duitsland. Deze invoer vindt plaats in het kader van de tariefpreferentie, tegen een nultarief, waarin de associatieovereenkomst EEG-Hongarije voorziet, op basis van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 waarin wordt bevestigd dat de voertuigen van Hongaarse oorsprong zijn.
30 Met een mededeling in het kader van de administratieve bijstand die de Duitse autoriteiten in het Engels op 13 juni 1996 en in het Duits op 28 november 1996 werd betekend, waarschuwde de Eenheid voor coördinatie van de fraudebestrijding van de Commissie (UCLAF) deze autoriteiten dat zij betwijfelde dat deze invoer aan de oorsprongsregels voldeed. UCLAF riep hen op, de Hongaarse autoriteiten te verzoeken de oorsprongsverklaringen achteraf te controleren, een betalingsgarantie of consignatie van de invoerrechten te verlangen en alle juridische maatregelen te nemen om de verjaring te stuiten en de mogelijkheden tot navordering te handhaven. De Commissie voerde voorts zelf verder onderzoek uit, waartoe ook een controlemissie naar Hongarije behoorde.
31 Met een mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 26 juni 1998, heeft UCLAF „de lidstaten geïnformeerd dat de Hongaarse administratie de Commissie in juni 1998 de resultaten heeft toegezonden van de door Hongarije verrichte verificaties van de status van de voertuigen van [Magyar Suzuki rt; hierna: „Magyar Suzuki”], die met gebruikmaking van EUR.1-certificaten naar de Gemeenschap waren uitgevoerd”. Deze administratie had „vastgesteld dat 58 006 voertuigen zonder oorsprong [...] ten onrechte van EUR.1-certificaten hadden geprofiteerd”. Uit de bijlage bij die mededeling volgt dat het wat de invoer in Duitsland betreft om 14 440 voertuigen van het merk Suzuki en 4 683 van het merk Subaru ging, dus een totaal van 19 123 voertuigen die niet aan de oorsprongsregels voldeden.
32 Met diezelfde mededeling preciseerde UCLAF dat zij beschikte over „bewijsstukken die tijdens de communautaire missies van samenwerking waren verzameld” alsook over „het officiële antwoord van het Hongaarse directoraat-generaal voor douane, met aanvullende bewijsstukken (gegevensbestanden en papieren documenten)” en voorts dat de lidstaten „die in het kader van [protocol nr. 4] hadden verzocht om de EUR.1-certificaten achteraf te controleren, de hen betreffende antwoorden rechtstreeks zullen ontvangen”.
33 UCLAF kondigde ook aan dat veertien lidstaten die door deze invoer betroffen waren, mededeling zou worden gedaan van „het verzendbericht van juni 1998 met daarbij de integrale versie van de bijbehorende gegevensbestanden en documenten”, de „vertalingen van de correspondentie met het Hongaarse directoraat voor douane” en „gegevensbestanden met overzichten van de verrichtingen/per land, die door UCLAF op basis van het oorspronkelijke Hongaarse bestand waren uitgewerkt”.
34 Bij brief waarvan de Duitse autoriteiten de Engelse versie op 13 juli 1998 en de Duitse vertaling op 18 augustus 1998 hebben ontvangen, heeft UCLAF deze documenten en gegevensbestanden aan de Duitse autoriteiten toegezonden. Daarbij is onder meer mededeling gedaan van de brief van 26 mei 1998 waarbij de Hongaarse autoriteiten de resultaten van hun verificaties aan UCLAF hadden toegezonden en de documenten en gegevensbestanden waarin de voertuigen werden aangewezen waarbij niet aan de oorsprongsregels was voldaan.
35 Uit de brief van 26 mei 1998 volgt dat de Hongaarse autoriteiten de controle van de oorspong van de door Magyar Suzuki geproduceerde voertuigen en de op de EUR.1-certificaten vermelde gegevens op 15 mei 1998 hadden afgerond. Na afloop van hun controle hadden deze autoriteiten vastgesteld dat de oorsprongsregels voor een deel van de ingevoerde voertuigen niet waren nageleefd. Deze autoriteiten gaven evenwel aan dat Magyar Suzuki gerechtelijke procedures over de toepassing van de oorsprongsregels was gestart. De Hongaarse autoriteiten preciseerden bovendien dat de lidstaten die krachtens protocol nr. 4 hadden verzocht om bepaalde EUR.1-certificaten achteraf te controleren, rechtstreeks op de hoogte zouden worden gebracht van de resultaten van genoemde controle.
36 Na ontvangst van het schrijven van 18 augustus 1998 verzocht de Bondsrepubliek Duitsland herhaaldelijk om toezending van het eindverslag van de controlemissie van de Commissie in Hongarije. Dit verslag heeft zij op 2 maart 1999 ontvangen.
37 Op 15 april 1999 maakten de Duitse autoriteiten een begin met de boeking van de douanerechten voor de motorvoertuigen die volgens de Hongaarse autoriteiten niet aan de oorsprongsregels voldeden. Gezien de termijn van drie jaar voor de kennisgeving aan de belastingschuldige overeenkomstig artikel 221, lid 3, eerste volzin, van het douanewetboek, konden voor de vóór 15 april 1996 ingevoerde voertuigen evenwel geen invoerrechten worden vastgesteld. De op deze periode betrekking hebbende eigen middelen zijn niet in de boekhouding opgenomen en evenmin aan de Commissie ter beschikking gesteld.
38 Met haar mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999 heeft het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF), dat UCLAF per 1 juni 1999 heeft opgevolgd, de lidstaten ervan in kennis gesteld dat de Hongaarse autoriteiten op 23 juli 1999 hun „nieuwe standpunt betreffende het dossier [Magyar Suzuki]” hadden betekend, dat volgde op de beslissing van de bevoegde Hongaarse rechter. Volgens dit nieuwe standpunt kon een deel van de voertuigen ten aanzien waarvan de Hongaarse autoriteiten eerder hadden vastgesteld dat zij niet aan de oorsprongsregels voldeden toch worden beschouwd als van Hongaarse oorsprong.
39 Dienaangaande herinnerde OLAF eraan dat UCLAF in juli 1998 de conclusies van de Hongaarse autoriteiten had toegezonden „die waren bereikt na de gezamenlijke en diepgaande verificatie die in het eerste trimester van 1998 tezamen met de communautaire missie is verricht” en in februari 1999 „zijn algemeen onderzoeksverslag met daarin zijn eigen beoordeling en zijn eigen conclusies op grond van zijn eigen documenten en bewijsstukken, die binnen en buiten Hongarije waren verzameld”, die in overeenstemming waren met de conclusies van de Hongaarse autoriteiten.
40 OLAF stelde zich op het standpunt dat „de beslissingen van de Hongaarse rechterlijke instanties, gegeven in het kader van een geschil tussen de Hongaarse douane en de Hongaarse exporteur, geen enkel direct rechtsgevolg hebben voor de verificatie van de status van de door communautaire marktdeelnemers ingevoerde goederen door de douaneautoriteiten van de lidstaten”.
41 OLAF betwistte „de ontvankelijkheid van nieuwe elementen die jaren na de aanvang van de verificaties en meerdere maanden na de diepgaande controle waren overgelegd”, verwierp het betoog van de Hongaarse producent formeel en bevestigde zijn analyse die bij het onderzoeksverslag van februari 1999 was gevoegd.
42 Bijgevolg riep OLAF de lidstaten uitdrukkelijk op om met de invorderingsprocedures door te gaan en „hun optreden te baseren op de conclusies in het communautaire verslag van februari 1999”.
43 Daarop hebben de Duitse autoriteiten de invoerrechten voor de motorvoertuigen ten aanzien waarvan de autoriteiten van het land van uitvoer hadden bevestigd dat zij na de gerechtelijke beslissingen in dat land nu toch van Hongaarse oorsprong waren, kwijtgescholden c.q. terugbetaald.
Precontentieuze procedure
44 In het kader van een controle van de eigen middelen die in mei 2000 in Duitsland is verricht, hebben de ambtenaren van de Commissie geconstateerd dat de Duitse autoriteiten niet onmiddellijk na de intrekking van de oorsprongsverklaringen betreffende de betrokken motorvoertuigen door de Hongaarse autoriteiten, tot inning van de douanerechten waren overgegaan en dus niet de eigen middelen hadden afgedragen.
45 De Duitse autoriteiten hadden de eerste navorderingsaanslagen namelijk pas toegezonden op 15 april 1999, voor de importen die tussen december 1996 en november 1997 waren verricht, en op 20 april 1999, voor die tussen april en november 1996. Daar de douaneschulden betreffende de importen die vóór 15 april 1996 waren verricht, reeds waren verjaard, zijn de daarmee samenhangende eigen middelen niet vastgesteld.
46 Genoemde autoriteiten hebben bij brief van 14 september 2001 toegelicht dat de douaneschulden die waren verjaard toen de navorderingsprocedure werd ingeleid, niet waren vastgesteld.
47 In het zittingsdocument van 12 juni 2003 en in haar brief van 23 oktober 2003, stelde de Commissie zich op het standpunt dat de betrokken lidstaten, waaronder de Bondsrepubliek Duitsland, uiterlijk op 18 augustus 1998 in staat waren de belastingplichtige en het bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen. Op die datum was de laatste taalversie van de documenten en gegevensbestanden betreffende de mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 26 juni 1998 toegezonden. Bijgevolg moesten de lidstaten die niet binnen drie maanden na die datum tot handelen waren overgegaan, met ingang van 18 november 1998 tot betaling van de bedragen van de verjaarde rechten worden gehouden.
48 De Commissie verzocht de betrokken lidstaten voorts om nadere informatie over de betrokken invoerrechten en kondigde aan, nog een formele aanmaning te zullen sturen. Ten slotte wees zij erop dat een betaling binnen de vastgelegde termijn de berekening van vertragingsrente zou helpen voorkomen.
49 De Bondsrepubliek deelde de Commissie bij brief van 30 maart 2005 mede dat de betrokken invoerrechten 408 735,53 EUR beliepen.
50 De Commissie verzocht deze lidstaat, haar dit bedrag binnen twee maanden ter beschikking te stellen en gaf aan dat de vertragingsrente na de ontvangst van dit bedrag zou worden berekend.
51 De Bondsrepubliek Duitsland heeft de Commissie er bij brief van 8 november 2005 van in kennis gesteld dat de betaling op 31 oktober 2005 was verricht, zij het „onder het voorbehoud dat de rechtsopvatting van de Commissie door het Hof van Justitie zou worden bevestigd”, zulks uitsluitend ter voorkoming van vertragingsrente.
52 De Bondsrepubliek Duitsland heeft bij brief van 13 juni 2006 geweigerd de door de Commissie op 571 011,21 EUR vastgestelde vertragingsrente te betalen. Zij herhaalde daarbij haar betwisting van het ontstaan van een douaneschuld en de verplichting tot invordering.
53 De Commissie heeft bij brief van 18 oktober 2006 de in artikel 226 EG voorziene niet-nakomingsprocedure ingeleid en de Bondsrepubliek Duitsland aangemaand om haar opmerkingen in te dienen.
54 Daar zij zich niet met het op 19 februari 2007 ontvangen antwoord kon verenigen, heeft de Commissie op 29 juni 2007 een met redenen omkleed advies doen uitgaan, waarop deze lidstaat op 24 augustus 2007 heeft geantwoord.
55 Daar zij met dit antwoord geen genoegen kon nemen, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
56 De Commissie verwijt de Bondsrepubliek Duitsland in wezen dat zij heeft verzuimd om de betrokken douaneschulden te innen, dat zij de daarmee samenhangende eigen middelen te laat ter beschikking heeft gesteld en dat zij heeft geweigerd de van toepassing zijnde vertragingsrente te betalen.
57 Aangaande de te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen, herinnert de Commissie eraan dat verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000, alsook het douanewetboek, van de lidstaten vereisen dat zij de wettelijk verschuldigde bedragen aan douaneschulden innen en de daarmee samenhangende eigen middelen vaststellen en overmaken zodra zij over voldoende informatie beschikken om de belastingplichtige en het bedrag van de verschuldigde rechten vast te stellen.
58 In de onderhavige zaak zijn de Duitse autoriteiten bij brief van 18 augustus 1998 in kennis gesteld van de intrekking van bepaalde oorsprongsverklaringen. Deze brief, tezamen met de eerdere mededelingen en documenten, bevatte alle noodzakelijke informatie voor de inning van de betrokken douaneschulden.
59 De Bondsrepubliek Duitsland had bij het verstrijken van de termijn van drie maanden na toezending van deze brief, de wettelijk verschuldigde bedragen moeten vaststellen en aan de belastingplichtigen moeten mededelen, desnoods door, vanwege de in Hongarije aanhangige gerechtelijke procedure, daarna voorlopig van betaling af te zien of door de geïnde bedragen terug te betalen. De eigen middelen hadden uiterlijk op 20 januari 1999 op de rekening van de Gemeenschappen moeten zijn geboekt.
60 Aangaande de vertragingsrente herinnert de Commissie eraan dat krachtens artikel 11 van verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000, de lidstaten tot betaling van moratoire intresten gehouden zijn, zelfs wanneer de eigen middelen, als gevolg van hun stilzitten, niet langer kunnen worden vastgesteld. De Bondsrepubliek Duitsland had dus rente over de periode van 20 januari 1999 tot en met 31 oktober 2005 moeten betalen, zonder dat deze lidstaat zich op het beginsel van de bescherming van gewettigd vertrouwen kan beroepen.
61 De Bondsrepubliek Duitsland betoogt in de eerste plaats dat de bepalingen van artikel 32, leden 1 en 5, van protocol nr. 4 en niet die van verordeningen nrs. 1552/89 en 1150/2000 van toepassing zijn.
62 Anders dan bij dit artikel is voorgeschreven, was in de conclusies van de Hongaarse autoriteiten niet duidelijk aangegeven of de exportdocumenten authentiek waren en of de goederen van oorsprong waren. Bovendien hebben deze autoriteiten melding gemaakt van de door Magyar Suzuki aanhangig gemaakte gerechtelijke procedures en enkel aangekondigd dat zij later de definitieve resultaten van de controle zouden toezenden.
63 De Bondsrepubliek Duitsland herinnert er in de tweede plaats aan dat het onderzoeksverslag van UCLAF het resultaat is van een krachtens verordening nr. 515/97 verrichte missie. Daar de Bondsrepubliek Duitsland niet een van de lidstaten is die aan die missie heeft deelgenomen, mocht zij op het verslag van de missie wachten alvorens de invorderingsprocedures in te leiden, zulks overeenkomstig punt 4.5 van de richtsnoeren voor communautaire missies die krachtens verordening nr. 515/97 van de Commissie worden verricht, volgens welke de lidstaten die niet aan een missie deelnemen het onderzoeksverslag opvragen alvorens actie te ondernemen tegen importeurs. Bovendien had OLAF de lidstaten in zijn mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999 zelf gevraagd om hun optreden op dit onderzoeksverslag te baseren.
64 In de derde plaats betoogt de Bondsrepubliek Duitsland, onder verwijzing naar het arrest van 9 februari 2006, Sfakianakis (C‑23/04–C‑25/04, Jurispr. blz. I‑1265, punt 21), dat zij de douanerechten niet mocht invorderen alvorens de uitkomst van de in Hongarije aanhangige beroepen in rechte te kennen. In sommige gevallen is het derhalve onvermijdelijk dat de verjaring van de douanerechten intreedt.
65 Aangaande de vertragingsrente betoogt de Bondsrepubliek Duitsland dat bij gebreke van een verplichting om de eigen middelen ter beschikking te stellen, er geen grondslag voor deze bijkomende verplichting is.
66 Subsidiair stelt deze lidstaat dat de Commissie een gewettigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat geen vertragingsrente hoefde te worden betaald, door in het document dat tijdens de bijeenkomst van comité inzake eigen middelen van 2 juli 2003 is verstrekt, aan te kondigen dat „een betaling binnen de vastgelegde termijn de berekening van vertragingsrente zou helpen voorkomen”.
67 De Bondsrepubliek Duitsland meent voorts dat bij gebreke van een specifieke bepaling in verordening nr. 1150/2000 dienaangaande, de Commissie de termijn voor de boeking op de rekening vaststelt wanneer de bedragen aan douanerechten niet zijn ingevorderd. De Commissie heeft in de onderhavige zaak pas in het document van 12 juni 2003 een termijn voor terbeschikkingstelling van de eigen middelen vastgesteld. Bijgevolg kan de vertragingsrente pas vanaf het verstrijken van deze termijn worden berekend.
Beoordeling door het Hof
Terbeschikkingstelling van de eigen middelen
68 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat krachtens artikel 16, lid 1, van protocol nr. 4, de producten van oorsprong uit Hongarije een preferentiële behandeling genieten wanneer zij, op vertoon van een bewijs van oorsprong in de vorm van een EUR.1-certificaat, in de Gemeenschap worden ingevoerd.
69 Om ervoor te zorgen dat de bepalingen van genoemd protocol worden uitgevoerd, is voorzien in een systeem van administratieve samenwerking tussen enerzijds de Hongaarse autoriteiten en anderzijds de communautaire autoriteiten en die van de lidstaten.
70 Dit systeem berust zowel op een verdeling van de taken als op een wederzijds vertrouwen tussen de autoriteiten van de betrokken lidstaten en die van de Republiek Hongarije (zie in die zin arrest Sfakianakis, reeds aangehaald, punt 21).
71 In het kader van deze taakverdeling komt de bevoegdheid om te controleren of de uit Hongarije afkomstige producten daar hun oorsprong hebben, aan de Hongaarse autoriteiten toe. Daar zij beter geplaatst zijn om rechtstreeks de feiten die voor de oorsprong van de betrokken goederen bepalend zijn te controleren, zijn deze autoriteiten krachtens de artikelen 17, leden 4 en 5, en 32, lid 3, van protocol nr. 4, verantwoordelijk voor de controle op de naleving van de oorsprongsregels wanneer zij EUR.1-certificaten afgeven, alsook voor de controles achteraf.
72 De goede werking van het systeem voor administratieve samenwerking dat bij protocol nr. 4 is ingevoerd, is echter eerst verzekerd, wanneer de douanediensten van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer wettig uitgebrachte beoordelingen erkennen (zie arrest Sfakianakis, reeds aangehaald, punt 23).
73 In dat verband dienen de autoriteiten van het land van invoer de geldigheid te erkennen van de EUR.1-certificaten waarbij de Hongaarse oorsprong van de producten wordt bevestigd (zie in dat verband arrest Sfakianakis, reeds aangehaald, punt 37). Daarnaast zijn de autoriteiten van het land van invoer gebonden aan de conclusies die de Hongaarse autoriteiten trekken uit hun controles achteraf.
74 Voor zover de Hongaarse autoriteiten dus na een controle achteraf duidelijk overeenkomstig artikel 32, lid 5, van protocol nr. 4 aangeven dat de betrokken voertuigen niet kunnen worden beschouwd als producten die hun oorsprong in Hongarije hebben en de autoriteiten van het land van invoer voldoende inlichtingen verschaffen om ervan uit te gaan dat de betrokken certificaten zijn ingetrokken, dienen deze laatste autoriteiten niet langer het voordeel van de in artikel 16, lid 1, van protocol nr. 4 voorziene preferentiële behandeling aan de betrokken goederen toe te kennen.
75 In dergelijke omstandigheden zijn de autoriteiten van het land van invoer bovendien krachtens verordeningen nrs. 1550/89 en 1150/2000 en het douanewetboek verplicht ervoor te zorgen dat de eigen middelen van de Gemeenschap snel en doeltreffend ter beschikking worden gesteld en zonder dralen tot navordering van de douanerechten over te gaan en de daarmee samenhangende eigen middelen vast te stellen.
76 De lidstaten zijn immers verplicht een recht van de Gemeenschappen op de eigen middelen vast te stellen, zodra hun autoriteiten in staat zijn om het bedrag van de uit een douaneschuld voortvloeiende rechten te berekenen en zij de belastingschuldige kunnen aanwijzen (zie in die zin arrest van 15 november 2005, Commissie/Denemarken, C‑392/02, Jurispr. blz. I‑9811, punt 61). Deze lidstaten zijn derhalve verplicht om die rechten overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 1552/89 in de boekhouding op te nemen (zie arrest van 5 oktober 2006, Commissie/Nederland, C‑312/04, Jurispr. blz. I‑9923, punt 61).
77 Zoals in punt 62 van het onderhavige zaak in herinnering is gebracht, betoogt de Bondsrepubliek Duitsland in casu dat de Hongaarse autoriteiten niet duidelijk hadden aangegeven dat zij hadden vastgesteld dat bij de in Duitsland ingevoerde voertuigen niet aan de oorsprongsregels was voldaan, zodat zij verplicht was om het voordeel van de tariefpreferenties aan de betrokken producten te blijven toekennen.
78 Een dergelijk argument kan niet slagen. Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is vermeld, hebben de Hongaarse autoriteiten na voltooiing van de door sommige lidstaten en de Commissie verzochte controle achteraf, duidelijk in hun brief van 26 mei 1998 aangegeven dat de in Duitsland ingevoerde voertuigen, die in de documenten en bijbehorende gegevensbestanden waren vermeld, niet aan de oorsprongsregels voldeden en dat zij de autoriteiten van het land van invoer dus van voldoende inlichtingen hadden voorzien om ervan uit te gaan dat de betrokken certificaten waren ingetrokken. Volgens diezelfde brief waren deze conclusies definitief.
79 Zoals de advocaat-generaal opmerkt in punt 64 van haar conclusie, moet in casu worden vastgesteld dat de bepalingen van protocol nr. 4 er niet langer aan in de weg stonden dat de Duitse autoriteiten het voordeel van de tariefpreferentie voor de betrokken producten weigerden.
80 Bovendien moet worden vastgesteld dat de Duitse autoriteiten op basis van de door Hongaarse autoriteiten verstrekte inlichtingen, in staat waren de belastingplichtigen aan te wijzen en het bedrag van de douaneschuld te berekenen.
81 Gelet op een en ander, moet worden vastgesteld dat na de ontvangst, op 18 augustus 1998, van het schrijven van de Commissie met daarin de Duitse vertaling van de brief van de Hongaarse autoriteiten van 26 mei 1998, alsmede de daarop betrekking hebben documenten en gegevensbestanden, de Bondsrepubliek Duitsland verplicht was om binnen de door de Commissie vastgestelde termijn van drie maanden, over te gaan tot de boeking achteraf en de mededeling aan de schuldenaar van de wettelijke verschuldigde invoerrechten.
82 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 66 van haar conclusie, doet de omstandigheid dat de Commissie, en niet de Duitse autoriteiten, om de door de Hongaarse autoriteiten verrichte controle had verzocht, niets af aan de verplichting van de autoriteiten van het land van invoer om zich te voegen naar het uiteindelijke resultaat van genoemde controle. Zoals het Hof heeft geoordeeld in punt 31 van het reeds aangehaalde arrest Sfakianakis, kan deze controle niet alleen op verzoek van de autoriteiten van het land van invoer worden verricht, maar ook op verzoek van de diensten van de Commissie, die overeenkomstig artikel 211 EG moet toezien op de juiste toepassing van de associatieovereenkomst EEG-Hongarije en de protocollen daarbij.
83 Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland betoogt, kan in de omstandigheden van de onderhavige zaak een te late terbeschikkingstelling van de betrokken douanerechten bovendien niet worden gerechtvaardigd door het wachten op aanvullende inlichtingen van de Hongaarse autoriteiten of een definitieve beslissing in de door Magyar Suzuki in Hongarije aanhangig gemaakte gerechtelijke procedures, en nog minder door het wachten op het eindverslag in het kader van het parallel door UCLAF verrichte onderzoek.
84 Zoals om te beginnen de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 67 van haar conclusie, staat het immers vast dat, hoewel de Hongaarse autoriteiten in hun brief van 26 mei 1998 hebben aangekondigd dat zij individuele antwoorden zouden sturen aan de lidstaten die krachtens protocol nr. 4 hadden geëist dat de EUR.1-certificaten achteraf werden gecontroleerd, de Duitse autoriteiten niet om een dergelijke controle hadden verzocht en dat zij dus niet kunnen aanvoeren dat zij op een dergelijk antwoord wachtten.
85 Aangaande vervolgens het argument van de Bondsrepubliek Duitsland, ontleend aan het reeds aangehaalde arrest Sfakianakis, dat het haar niet was geoorloofd om de douanerechten in te vorderen zolang het resultaat van de in Hongarije aanhangige gerechtelijke procedures niet bekend was, moet eraan worden herinnerd dat de zaak die tot dat arrest aanleiding heeft gegeven, betrekking had op de navordering door de Griekse autoriteiten van douanerechten die betrekking hadden op importen van voertuigen van het merk Suzuki uit Hongarije die in de loop van 1995 waren verricht. Deze navordering was gebaseerd op de conclusies van de controle achteraf van de EUR.1-certificaten die door de Hongaarse autoriteiten krachtens protocol nr. 4 waren verricht. Deze conclusies waren herzien na de beslissing van de Hongaarse rechterlijke instanties.
86 In die context heeft het Hof in punt 43 van het reeds aangehaalde arrest Sfakianakis vastgesteld dat het nuttig effect van de afschaffing van douanerechten als bedoeld in de associatieovereenkomst EEG-Hongarije zich verzet tegen bestuurlijke beschikkingen tot oplegging van douanerechten die door de douaneautoriteiten van het land van invoer zijn vastgesteld alvorens hun de definitieve uitkomst is meegedeeld van de beroepen die zijn ingesteld tegen de resultaten van de controle achteraf, wanneer de beschikkingen van de autoriteiten van het land van uitvoer die de EUR.1-certificaten oorspronkelijk hebben afgegeven, niet zijn ingetrokken of vernietigd.
87 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 56 en 57 van haar conclusie, werd bij die vaststelling evenwel rekening gehouden met het feit dat in het kader van de zaak die aanleiding had gegeven tot het reeds aangehaalde arrest Sfakianakis, de Griekse douaneautoriteiten niet over voldoende inlichtingen beschikten om ervan uit te gaan dat de betrokken EUR.1-certificaten waren ingetrokken. Zoals namelijk uit punt 41 van dat arrest volgt, hadden de Hongaarse autoriteiten er bij de Griekse douaneautoriteiten uitdrukkelijk op gewezen dat de EUR.1-certificaten betreffende voertuigen waarvan de buitenlandse oorsprong formeel door de fabrikant was erkend, waren ingetrokken. Zij hadden een dergelijke aanwijzing echter niet gegeven betreffende de certificaten die voorwerp van geding waren. Zoals uit punt 11 van genoemd arrest volgt, hadden zij zelfs de bevoegde Griekse autoriteiten gevraagd om geduld te oefenen alvorens de douanerechten te innen.
88 Vastgesteld moet worden dat dit in de onderhavige zaak niet het geval is. De Hongaarse autoriteiten hadden immers duidelijk in hun brief van 26 mei 1998 aangegeven dat de betrokken voertuigen niet konden worden beschouwd als producten van Hongaarse oorsprong en hadden dus aan de autoriteiten van het land van invoer voldoende inlichtingen verschaft om ervan uit te gaan dat de betrokken certificaten waren ingetrokken. Zoals evenwel in punt 73 van het onderhavige arrest is vermeld, zijn de autoriteiten van het land van invoer gebonden aan de conclusies die de autoriteiten van het land van uitvoer trekken uit hun controles achteraf. Anders dan de Bondsrepubliek Duitsland te kennen geeft, kan het feit dat de Hongaarse autoriteiten hebben gewezen op het bestaan van een beroep tegen de conclusies uit de controles achteraf, dus niet afdoen aan de verplichting van de Duitse autoriteiten om de betrokken douaneschuld te boeken en mede te delen en om de daarmee samenhangende eigen middelen vast te stellen.
89 Aangezien de definitieve bevestiging van de Hongaarse autoriteiten dat de oorsprongsregels niet waren nageleefd voor de Duitse autoriteiten een voldoende grondslag vormde om de procedures tot invordering van de betrokken douanerechten in te leiden, kunnen deze autoriteiten zich ten slotte niet, ter rechtvaardiging van de vertraging bij de inning en de terbeschikkingstelling van de daarmee samenhangende eigen middelen, beroepen op het feit dat UCLAF geen standpunt had ingenomen en met name niet op het ontbreken van een definitief onderzoeksverslag in het kader van een controlemissie in Hongarije die UCLAF zelf met betrekking tot diezelfde importen heeft verricht en die direct verband hield met de controle achteraf die door de Hongaarse autoriteiten is verricht.
90 Voorts kan het betoog van de Bondsrepubliek Duitsland dat OLAF met zijn mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999 de lidstaten zelf had opgeroepen om hun optreden te baseren op het onderzoeksverslag van UCLAF, niet slagen. Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in de punten 90 en 91 van haar conclusie, heeft deze lidstaat zich bij de formulering van haar betoog gebaseerd op een restrictieve opvatting van die mededeling, zonder rekening te houden met de context waarin deze moet worden geplaatst.
91 Na de beslissing van de nationale rechterlijke instanties hebben de Hongaarse autoriteiten immers hun standpunt ten aanzien van de niet-naleving van de oorsprongsregels van de uitgevoerde voertuigen herzien. In die context heeft OLAF met zijn mededeling in het kader van de administratieve bijstand van 27 oktober 1999, blijk gegeven van zijn afkeuring van het standpunt van die autoriteiten en de lidstaten opgeroepen om met de inning van de betrokken douanerechten door te gaan. OLAF heeft de conclusies van de door UCLAF verrichte controles slechts ter ondersteuning van zijn standpunt ingeroepen.
92 Bovendien was de inning van de betrokken douanerechten door de Duitse autoriteiten na de ontvangst van de conclusies van de Hongaarse autoriteiten ten aanzien van de niet-naleving van de oorsprongsregels, niet van dien aard dat deze de belangen van de belastingplichtigen onherstelbaar heeft aangetast. De douaneautoriteiten mochten immers krachtens de artikelen 224 tot en met 230 van het douanewetboek, aan de belastingplichtigen betalingsfaciliteiten toekennen. Wanneer vervolgens komt vast te staan dat het bedrag aan douanerechten niet wettelijk verschuldigd is, zijn de douaneautoriteiten daarnaast op grond van artikel 236 van het douanewetboek verplicht om tot terugbetaling over te gaan. Gepreciseerd moet worden dat in casu de Duitse autoriteiten, die tot inning zijn overgegaan vóór de mededeling van de beslissingen van de Hongaarse rechterlijke instanties en het nieuwe standpunt van de autoriteiten van het land van uitvoer, daadwerkelijk zijn overgegaan tot de terugbetaling van de douanerechten die niet wettelijk verschuldigd waren
Vertragingsrente
93 Volgens vaste rechtspraak bestaat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de verplichting de eigen middelen van de Gemeenschap vast te stellen, de verplichting deze binnen de gestelde termijn te boeken op de rekening van de Commissie, en ten slotte de verplichting vertragingsrente te betalen. Deze rente is opeisbaar ongeacht de reden voor de te late boeking op de rekening van de Commissie (zie onder meer arresten van 21 september 1989, Commissie/Griekenland, 68/88, Jurispr. blz. 2965, punt 17; 12 juni 2003, Commissie/Italië, C‑363/00, Jurispr. blz. I‑5767, punten 43 en 44, en 22 januari 2009, Commissie/Portugal, C‑150/07, punt 62).
94 Ingevolge artikel 11 van verordening nr. 1552/89 verplicht elke te late boeking op de in artikel 9, lid 1, van deze verordening bedoelde rekening de betrokken lidstaat tot het betalen van vertragingsrente voor de gehele periode van de vertraging (zie arresten van 14 april 2005, Commissie/Nederland, C‑460/01, Jurispr. blz. I‑2613, punt 91, en 19 maart 2009, Commissie/Italië, C‑275/07, Jurispr. blz. I‑2005, punt 66).
95 Uit de bewoordingen van genoemd artikel 11 blijkt voorts, dat een te late terbeschikkingstelling van de eigen middelen niet kan afhangen van een door de Commissie gestelde termijn voor de terbeschikkingstelling van die middelen, zoals die genoemd in punt 67 van het onderhavige arrest.
96 Ook moet het argument van de Bondsrepubliek Duitsland worden verworpen dat zij gewettigde redenen had om te veronderstellen dat zij geen vertragingsrente hoefde te betalen.
97 Zoals de advocaat-generaal in de punten 112 tot en met 114 van haar conclusie heeft opgemerkt, kon de Bondsrepubliek Duitsland immers, gelet op de heldere en precieze bewoordingen van de artikelen 10 en 11 van verordening nr. 1552/89, de ondubbelzinnige inhoud van het zittingsdocument van 12 juni 2003, het niet-onaanzienlijke bedrag van de rente en de voorgeschiedenis, niet ervan uitgaan dat zij nauwkeurige, onvoorwaardelijke en concordante toezeggingen heeft gekregen die een gewettigde verwachting kunnen doen ontstaan.
98 Uit een en ander volgt dat de Bondsrepubliek Duitsland door, ondanks de ontvangst van een mededeling in het kader van de administratieve bijstand, douanevorderingen te hebben laten verjaren en de hiervoor verschuldigde eigen middelen te laat te hebben afgedragen, en te weigeren de opgelopen vertragingsrente te betalen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening nr. 1552/89 en krachtens dezelfde artikelen van verordening nr. 1150/2000.
Kosten
99 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) Door, ondanks de ontvangst van een mededeling in het kader van de administratieve bijstand, douanevorderingen te hebben laten verjaren en de hiervoor verschuldigde eigen middelen te laat te hebben afgedragen, en te weigeren de opgelopen vertragingsrente te betalen, is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, 6 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, en krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy