Zaak C‑462/08
Ümit Bekleyen
tegen
Land Berlin
(verzoek van het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg om een prejudiciële beslissing)
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Recht van kind van Turkse werknemer om te reageren op elk arbeidsaanbod in gastlidstaat waar het beroepsopleiding heeft voltooid – Begin van beroepsopleiding na definitief vertrek van ouders uit deze lidstaat”
Samenvatting van het arrest
Internationale overeenkomsten – Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Associatieraad ingesteld bij associatieovereenkomst EEG-Turkije – Besluit nr. 1/80 – Toegang tot arbeid van kinderen van Turkse werknemers – Gezinsleden van Turkse werknemer die tot legale arbeidsmarkt van lidstaat heeft behoord
(Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije, art. 7, tweede alinea)
Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije moet aldus worden uitgelegd dat een kind van een Turkse werknemer die gedurende meer dan drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, zich, na voltooiing van zijn beroepsopleiding in deze lidstaat, daar kan beroepen op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en op het daarmee samenhangende recht van verblijf, ook als het, nadat het met zijn ouders naar de staat van herkomst is teruggekeerd, alleen naar deze lidstaat is teruggekeerd om er zijn opleiding te beginnen.
Die bepaling, die niet tot doel heeft, gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst te scheppen, maar de toegang van kinderen van Turkse werknemers tot de arbeidsmarkt beoogt te bevorderen, vereist voor de rechten die zij die kinderen verleent, immers niet dat een van de ouders nog steeds de hoedanigheid van werknemer bezit of nog in de lidstaat van ontvangst woont op het tijdstip dat het kind daar zijn beroepsopleiding begint. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, te weten dat het kind van de betrokken werknemer in de betrokken lidstaat een beroepsopleiding heeft afgerond en dat één van zijn ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in deze staat heeft gewerkt, verleent deze bepaling het kind in de lidstaat van ontvangst een eigen recht op toegang tot de arbeidsmarkt en daarmee samenhangend een verblijfsrecht.
Het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van het kind van een Turkse werknemer vindt zeker zijn oorsprong in de arbeid die deze laatste in het verleden in de lidstaat van ontvangst heeft verricht. Het vereiste dat een van de ouders gedurende ten minste drie jaar in deze staat heeft gewerkt, mag evenwel niet aldus worden opgevat dat deze ouder op het tijdstip waarop het kind zijn beroepsopleiding begint, nog steeds de status van werknemer heeft. Dit vereiste heeft, samen met de beroepsopleiding van het kind, enkel tot doel, te bepalen welke mate van integratie van het kind in de lidstaat van ontvangst voldoende is om het in aanmerking te doen komen voor de in deze bepaling voorziene bijzondere behandeling.
Die uitlegging heeft niet tot gevolg dat een kind van een Turkse werknemer zich in een gunstiger situatie bevindt dan een kind van een onderdaan van een lidstaat.
(cf. punten 18, 27‑31, 44‑45 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 januari 2010 (*)
„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Recht van kind van Turkse werknemer om te reageren op elk arbeidsaanbod in lidstaat van ontvangst waar het beroepsopleiding heeft voltooid – Begin van beroepsopleiding na definitief vertrek van ouders uit deze lidstaat”
In zaak C‑462/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg (Duitsland) bij beslissing van 6 oktober 2008, ingekomen bij het Hof op 27 oktober 2008, in de procedure
Ümit Bekleyen
tegen
Land Berlin,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), kamerpresident, P. Lindh, A. Rosas, U. Lõhmus en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Ü. Bekleyen, vertegenwoordigd door C. Rosenkranz, Rechtsanwalt,
– de Deense regering, vertegenwoordigd door J. Bering Liisberg en R. Holdgaard als gemachtigden,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. M. Wissels als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en G. Rozet als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 oktober 2009,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”). De Associatieraad is ingesteld bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Ü. Bekleyen, van Turkse nationaliteit, en het Land Berlin over de weigering door dit Land om een vergunning voor verblijf in Duitsland te verlenen.
Toepasselijke bepalingen
Associatie EEG-Turkije
3 Artikel 59 van het Aanvullend Protocol, dat op 23 november 1970 te Brussel is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1), luidt:
„Op de onder dit protocol vallende gebieden, mag de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.”
4 Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 luidt:
„Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:
– na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;
– na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;
– na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.”
5 Artikel 7 van besluit nr. 1/80 luidt:
„Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:
– hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;
– hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.
Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.”
Richtlijn 2004/38/EG
6 Artikel 7 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77, rectificaties PB 2004, L 229, blz. 35, en PB 2007, L 204, blz. 28), bepaalt:
„1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
[...]
c) – indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en
– indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze –, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7 Bekleyen is in 1975 geboren te Berlijn en woonde tot haar veertiende met haar familie in Duitsland. Haar ouders, die Turkse staatsburgers zijn, waren beiden sinds 1971 in loondienst werkzaam in Duitsland. In 1989 keerde Bekleyen met haar hele familie terug naar Turkije, waar zij haar schoolopleiding beëindigde en een opleiding landschapsarchitectuur afrondde.
8 In januari 1999 kwam Bekleyen zonder haar familie met toestemming van het Land Berlin terug naar Duitsland om er haar opleiding voort te zetten. In maart 1999 kreeg zij een verblijfstitel, die meerdere malen werd verlengd, laatstelijk als verblijfsvergunning tot en met 31 december 2005. In de zomer van 2005 rondde Bekleyen haar opleiding aan de Technische Universiteit van Berlijn af en verkreeg zij de titel van ingenieur landschapsarchitectuur.
9 Op 19 december 2005 vroeg Bekleyen onder verwijzing naar haar in Duitsland voltooide academische opleiding een verblijfsvergunning aan op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80. Bij besluit van 21 september 2006 wees het Land Berlin die aanvraag af omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht krachtens de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije. Artikel 7, tweede alinea, eist volgens het Land Berlin een temporeel verband tussen het verblijf van de ouders en dat van het kind, en dit was in casu niet aanwezig. De letter en het doel van die bepaling veronderstellen voor de verkrijging van het recht op toegang tot arbeid en verblijf, dat ten minste één van de twee ouders nog in de lidstaat van ontvangst woont wanneer het kind aan zijn beroepsopleiding begint.
10 In mei 2007 kreeg Bekleyen, omdat zij werkte voor een Duitse vennootschap, op grond van artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. l/80 een verblijfsvergunning tot 13 mei 2009.
11 Met een in juli 2006 ingesteld beroep tegen het uitblijven van een beslissing, dat vervolgens is omgezet in een beroep tegen het besluit van 21 september 2006, vorderde Bekleyen bevestiging van haar verblijfsrecht op grond van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
12 Het Verwaltungsgericht Berlin verwierp dat beroep bij vonnis van 9 augustus 2007. Het beroep was stellig ontvankelijk, daar Bekleyen ondanks het haar krachtens artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 verleende verblijfrecht procesbelang had. Indien zij zich op artikel 7, tweede alinea, van dat besluit zou kunnen beroepen, zou zij in Duitsland namelijk vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben. Het beroep was echter ongegrond, omdat Bekleyens langdurige verblijf in Turkije tot gevolg had dat zij niet langer aanspraak kon maken op de gunstregeling van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80.
13 Daarop heeft Bekleyen hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
14 Van mening dat de beslechting van het geschil in die omstandigheden uitlegging van besluit nr. 1/80 vereiste, heeft het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 [...] aldus worden uitgelegd dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het daarmee samenhangende recht van verblijf na voltooiing van een beroepsopleiding in het gastland, ook ontstaat wanneer het in het gastland geboren kind, nadat het met zijn familie naar de gezamenlijke staat van herkomst is teruggekeerd, als meerderjarige voor het volgen van een beroepsopleiding alleen naar de betrokken lidstaat terugkeert op een tijdstip dat zijn in het verleden in loondienst werkzame ouders met de Turkse nationaliteit de lidstaat reeds tien jaar voordien voorgoed hadden verlaten?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
15 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het kind van een Turkse werknemer die gedurende meer dan drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, zich, na voltooiing van zijn beroepsopleiding in deze lidstaat, daar kan beroepen op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en op het daarmee samenhangende recht van verblijf, ook als het, nadat het met zijn ouders naar de staat van herkomst is teruggekeerd, alleen naar deze lidstaat is teruggekeerd om er deze opleiding te beginnen.
16 Volgens vaste rechtspraak heeft artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 in de lidstaten rechtstreekse werking, zodat Turkse staatsburgers die de erin gestelde voorwaarden vervullen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten die het hun verleent (arresten van 5 oktober 1994, Eroglu, C‑355/93, Jurispr. blz. I‑5113, punt 17, en 16 februari 2006, Torun, C‑502/04, Jurispr. blz. I‑1563, punt 19).
17 De rechten die artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 het kind van een Turkse werknemer op het gebied van arbeid in de lidstaat van ontvangst verleent, brengen voor de belanghebbende noodzakelijkerwijs een recht van verblijf met zich, aangezien anders het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het recht om daadwerkelijk arbeid in loondienst te verrichten van hun inhoud zouden worden beroofd (reeds aangehaalde arresten Eroglu, punten 20 en 23, en Torun, punt 20).
18 Het Hof heeft ook geoordeeld dat uit de bewoordingen zelf van artikel 7, tweede alinea, blijkt dat het voor het aan het kind van een Turkse werknemer verleende recht om in de lidstaat van ontvangst op elk arbeidsaanbod te reageren, twee voorwaarden stelt, namelijk dat het kind van de betrokken werknemer in deze lidstaat een beroepsopleiding heeft afgerond en dat één van zijn ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in deze staat heeft gewerkt (arrest van 19 november 1998, Akman, C‑210/97, Jurispr. blz. I‑7519, punt 25).
19 Bovendien is het vaste rechtspraak van het Hof dat het op het moment waarop het kind zijn opleiding heeft voltooid en het recht op toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst verkrijgt en daarmee ook het recht op een verblijfstitel met dat doel, niet noodzakelijk is dat de ouder van dit kind nog steeds de hoedanigheid van werknemer bezit, noch dat hij nog op het grondgebied van deze staat woont, mits hij in het verleden gedurende ten minste drie jaar legaal daar in loondienst werkzaam is geweest (zie in die zin arrest Akman, reeds aangehaald, punt 51, en arrest van 16 maart 2000, Ergat, C‑329/97, Jurispr. blz. I‑1487, punt 44).
20 In casu heeft Bekleyen een beroepsopleiding in Duitsland afgerond en zijn haar ouders daar gedurende meer dan drie jaar in loondienst werkzaam geweest.
21 De Deense en de Nederlandse regering betogen echter dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 voor het recht op toegang tot de arbeidsmarkt van een kind van een Turkse werknemer vereist dat de arbeid of op zijn minst het verblijf van een van de ouders in de lidstaat van ontvangst en het begin van de beroepsopleiding van het kind samenvallen. Aangezien er in het hoofdgeding geen dergelijk temporeel verband is, kan Bekleyen zich niet op de door artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 verleende rechten beroepen.
22 Deze stelling kan niet worden aanvaard.
23 Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat een dergelijke voorwaarde niet uitdrukkelijk in artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 staat en dat deze bepaling, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, niet restrictief mag worden uitgelegd (arrest Akman, reeds aangehaald, punt 39).
24 Besluit nr. 1/80 strekt tot bevordering van de geleidelijke integratie in de lidstaat van ontvangst van de Turkse staatsburgers die aan de in een bepaling van dit besluit gestelde voorwaarden voldoen en rechten aan dit besluit ontlenen (arrest van 18 december 2008, Altun, C‑337/07, Jurispr. blz. I‑00000, punt 29).
25 Volgens vaste rechtspraak vormt artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 ten opzichte van de eerste alinea van dit artikel een gunstiger bepaling, die de kinderen van Turkse werknemers een bijzondere behandeling heeft willen voorbehouden – waarop de andere gezinsleden geen aanspraak kunnen maken – door hun de toegang tot de arbeidsmarkt na voltooiing van een beroepsopleiding te vergemakkelijken, teneinde het vrije verkeer van werknemers overeenkomstig de doelstelling van dit besluit geleidelijk te verwezenlijken (reeds aangehaalde arresten Akman, punt 38, en Torun, punt 23).
26 Anders dan artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80, op basis waarvan de gezinsleden van een Turkse werknemer gedurende een bepaalde periode ononderbroken bij hem moeten wonen (arrest Altun, reeds aangehaald, punt 30), stelt artikel 7, tweede alinea, niet de voorwaarde dat werkelijk in gezinsverband met de werknemer wordt samengewoond.
27 Dit is het geval omdat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 niet tot doel heeft, gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst te scheppen (arrest Akman, reeds aangehaald, punt 43), maar beoogt de toegang van kinderen van Turkse werknemers tot de arbeidsmarkt te bevorderen.
28 Deze constatering pleit voor een uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 volgens welke deze bepaling voor de rechten die zij kinderen van Turkse werknemers verleent, niet vereist dat een van de ouders nog steeds de hoedanigheid van werknemer bezit of nog in de lidstaat van ontvangst woont op het tijdstip dat het kind daar zijn beroepsopleiding begint.
29 Wanneer aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 is voldaan, verleent deze bepaling het kind van een Turkse werknemer in de lidstaat van ontvangst een eigen recht op toegang tot de arbeidsmarkt en daarmee samenhangend een verblijfsrecht.
30 Stellig vindt het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt van het kind van een Turkse werknemer zijn oorsprong in de arbeid die deze laatste in het verleden in de lidstaat van ontvangst heeft verricht.
31 Zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie heeft vermeld, betekent de eigen functie van artikel 7, tweede alinea, bij de integratie van kinderen van Turkse werknemers in de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst evenwel dat het vereiste dat een van de ouders gedurende ten minste drie jaar in deze staat moet hebben gewerkt, niet aldus mag worden opgevat dat deze ouder op het tijdstip waarop het kind zijn beroepsopleiding begint, nog steeds de status van werknemer heeft. Dit vereiste heeft enkel, samen met de beroepsopleiding van het kind, tot doel, te bepalen welke mate van integratie van het kind in de lidstaat van ontvangst voldoende is om het in aanmerking te doen komen voor de in deze bepaling voorziene bijzondere behandeling.
32 Het vereiste dat de ouder de status van werknemer moet hebben behouden, alsmede het vereiste dat er een temporeel verband moet bestaan tussen het verblijf van de ouders in de lidstaat van ontvangst en het verblijf van het kind wanneer de beroepsopleiding begint, zouden moeilijk kunnen worden verzoend met het doel van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, dat, zoals in punt 27 van het onderhavige arrest is opgemerkt, niet tot doel heeft, gunstige voorwaarden voor de gezinshereniging in deze lidstaat te scheppen.
33 De verwijzende rechter vraagt zich bovendien af of een dergelijke uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 er niet toe zou leiden dat kinderen van Turkse werknemers in strijd met artikel 59 van het op 23 november 1970 ondertekende Aanvullend Protocol gunstiger worden behandeld dan kinderen van onderdanen van de lidstaten op basis van het recht van de Unie worden behandeld.
34 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het hoofdgeding enkel betrekking heeft op de vraag of het verblijfsrecht dat Bekleyen in Duitsland aanvraagt nadat zij daar haar beroepsopleiding heeft afgerond en de arbeidsmarkt heeft betreden, moet worden gebaseerd op artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, zoals zij betoogt, of op artikel 6, lid 1, eerste streepje, van dit besluit, zoals volgt uit de verblijfsvergunning die haar tot 13 mei 2009 is verleend. De twijfel van de nationale rechter lijkt echter voort te vloeien uit het feit dat hij van oordeel is dat een kind van een onderdaan van een lidstaat op basis van het gemeenschapsrecht geen zelfstandig recht van verblijf heeft wanneer zijn ouders de lidstaat van ontvangst hebben verlaten en dit kind alleen naar deze staat terugkeert om er een beroepsopleiding te beginnen.
35 Besluit nr. 1/80 doet niet af aan de bevoegdheid van de lidstaten om zowel de toegang van Turkse staatsburgers tot hun grondgebied als de voorwaarden voor hun eerste tewerkstelling te reglementeren (arrest van 16 december 1992, Kus, C‑237/91, Jurispr. blz. I‑6781, punt 25, en arrest Altun, reeds aangehaald, punt 48).
36 De lidstaten hebben ook de bevoegdheid behouden om regels te stellen voor de toegang van een gezinslid van een Turkse werknemer tot hun grondgebied en om voorwaarden vast te leggen voor zijn verblijf gedurende de eerste drie jaar, voordat het recht wordt verkregen om op elk arbeidsaanbod in te gaan (arrest Ergat, reeds aangehaald, punt 42).
37 Voorts hebben Turkse staatsburgers, anders dan werknemers uit de lidstaten, niet het recht om zich vrij binnen de Europese Unie te verplaatsen, maar genieten zij slechts bepaalde rechten en dat alleen in de lidstaat van ontvangst (arrest van 18 juli 2007, Derin, C‑325/05, Jurispr. blz. I‑6495, punt 66).
38 Wat meer bepaald de voorwaarden voor toegang tot de arbeidsmarkt in de lidstaat van ontvangst betreft, moet worden opgemerkt dat Bekleyen aan de voorwaarden van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 moet voldoen, terwijl het kind van een werknemer die onderdaan van een lidstaat is, dit recht rechtstreeks ontleent aan artikel 39, lid 1, EG, dat het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie beoogt te waarborgen.
39 Wat bovendien de voorwaarden voor de toegang tot en het verblijf in de lidstaat van ontvangst betreft, zijn de terugkeer van Bekleyen naar Duitsland om daar haar studies voort te zetten en de verblijfstitel die haar daartoe is verleend, gebaseerd op beslissingen van de nationale autoriteiten die niet op basis van besluit nr. 1/80, maar alleen op basis van het nationale recht zijn genomen.
40 In een situatie als die van Bekleyen zouden daarentegen de terugkeer naar en het verblijf in de lidstaat van ontvangst van het kind van een onderdaan van een andere lidstaat die in het verleden in loondienst werkzaam is geweest in de eerste staat, binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie vallen.
41 In dat geval zou het kind van een werknemer die onderdaan van een lidstaat is, het recht hebben om in de lidstaat van ontvangst te gaan wonen om daar zijn opleiding voort te zetten op basis van artikel 18, lid 1, EG, dat iedere burger van de Unie het recht verleent om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
42 Aan de uitoefening van dit verblijfsrecht zouden enkel de voorwaarden zijn verbonden van artikel 7, lid 1, sub c, van richtlijn 2004/38, volgens welke een burger van de Unie met name moet beschikken over een verzekering die de ziektekosten in de lidstaat van ontvangst volledig dekt, en over voldoende middelen om te voorkomen dat hij ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van deze staat.
43 Bovendien noemt de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de voorwaarden waaronder de aan artikel 7 van besluit nr. 1/80 ontleende rechten kunnen worden beperkt, naast de uitzondering op grond van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid, die op gelijke wijze van toepassing is op Turkse staatsburgers en op onderdanen van de lidstaten, een tweede grond voor verval van deze rechten, die uitsluitend geldt voor Turkse migranten, te weten het feit dat zij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaten (arrest Derin, reeds aangehaald, punt 67).
44 Er kan dus niet worden verdedigd dat de uitlegging van artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80, zoals deze uit de punten 23 tot en met 32 van het onderhavige arrest blijkt, tot gevolg heeft dat een kind van een Turkse werknemer zich in een gunstiger situatie bevindt dan een kind van een onderdaan van een lidstaat.
45 Gelet op het voorgaande dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een kind van een Turkse werknemer die gedurende meer dan drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, zich, na voltooiing van zijn beroepsopleiding in deze lidstaat, daar kan beroepen op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en op het daarmee samenhangende recht van verblijf, ook als het, nadat het met zijn ouders naar de staat van herkomst is teruggekeerd, alleen naar deze lidstaat is teruggekeerd om er deze opleiding te beginnen.
Kosten
46 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7, tweede alinea, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de bij de associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije ingestelde Associatieraad, moet aldus worden uitgelegd dat een kind van een Turkse werknemer die gedurende meer dan drie jaar legale arbeid heeft verricht in de lidstaat van ontvangst, zich, na voltooiing van zijn beroepsopleiding in deze lidstaat, daar kan beroepen op het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en op het daarmee samenhangende recht van verblijf, ook als het, nadat het met zijn ouders naar de staat van herkomst is teruggekeerd, alleen naar deze lidstaat is teruggekeerd om er deze opleiding te beginnen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy