Zaak C‑470/08
Kornelis van Dijk
tegen
Gemeente Kampen
(verzoek van het Gerechtshof te Arnhem om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Overdracht van toeslagrechten – Verstrijken van pachtovereenkomst – Verplichtingen van pachter en verpachter”
Samenvatting van het arrest
Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Bedrijfstoeslagregeling
(Verordening nr. 1782/2003 van de Raad, art. 1, tweede streepje, 2, sub a en c, 33, lid 1, sub a, 36, lid 1, 43, lid 1, en 46; verordening nr. 795/2004 van de Commissie)
Geen enkele bepaling van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en van verordening nr. 795/2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij verordening nr. 1782/2003, schrijft voor dat de pachter bij het einde van de pacht de gepachte grond met de daarvoor opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter moet opleveren.
Daarentegen volgt uit zowel de doelstellingen als de systematiek van verordening nr. 1782/2003 dat, nu niet anders is bepaald, de toeslagrechten bij het verstrijken van de pacht bij de pachter verblijven.
Volgens artikel 1, tweede streepje, van verordening nr. 1782/2003 vormt de bedrijfstoeslagregeling immers inkomenssteun voor landbouwers die tot doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Overeenkomstig artikel 43, lid 1, van die verordening worden de landbouwer uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling toeslagrechten toegekend naar rato van het aantal hectaren waarover hij in de referentieperiode beschikte alsmede van de betalingen die hij heeft ontvangen uit hoofde van in de bijlage bij die verordening bedoelde steunregelingen. In deze context bepaalt artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 dat de steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling wordt uitbetaald uit hoofde van de toeslagrechten die gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren. Daarentegen volgt uit dat artikel niet dat de toeslagrechten zijn gekoppeld aan concrete percelen, met name niet aan die waarover de landbouwer in de referentieperiode beschikte.
Artikel 46 van verordening nr. 1762/2003, dat overeenkomstig de in punt 30 van de considerans van die verordening bedoelde doelstelling de mogelijkheid regelt om toeslagrechten over te dragen, bepaalt inzonderheid in lid 2 ervan, dat in geval van pacht of soortgelijke transacties de overdracht van toeslagrechten slechts is toegestaan indien zij gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren. Deze regel beoogt, overeenkomstig de in dat punt 30 van de considerans genoemde doelstelling, speculatieve overdrachten te voorkomen die kunnen leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis. Volgens artikel 33, lid 1, sub a, juncto artikel 2, sub a en c, van verordening nr. 1782/2003, is de bedrijfstoeslagregeling trouwens bedoeld voor landbouwers, dat wil zeggen voor hen die een landbouwactiviteit uitoefenen, die erin bestaat dat landbouwproducten worden geproduceerd, gefokt of geteeld dan wel de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden. De verpachter van de grond is evenwel niet noodzakelijkerwijs een landbouwer in de zin van artikel 2, sub a, van die verordening. Was het de bedoeling van de gemeenschapswetgever geweest dat de toeslagrechten onder alle omstandigheden bij het verstrijken van de pacht aan de verpachter toevielen, dan zou hij derhalve een bepaling in die zin hebben vastgesteld.
Bijgevolg is de pachter op grond van het gemeenschapsrecht niet verplicht, bij het einde van de pacht de gepachte grond met inbegrip van de daarvoor opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter op te leveren of hem een vergoeding te betalen.
(cf. punten 25‑28, 30, 32, 34‑38, 43 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
21 januari 2010 (*)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde steunregelingen – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Overdracht van toeslagrechten – Verstrijken van pachtovereenkomst – Verplichtingen van pachter en verpachter”
In zaak C‑470/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Gerechtshof te Arnhem (Nederland) bij beslissing van 28 oktober 2008, ingekomen bij het Hof op 3 november 2008, in de procedure
Kornelis van Dijk
tegen
Gemeente Kampen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, president van de Eerste kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, A. Borg Barthet (rapporteur) en M. Ilešič, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– K. van Dijk, vertegenwoordigd door J. van Mierlo, advocaat,
– de Gemeente Kampen, vertegenwoordigd door G. M. F. Snijders, advocaat,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en M. de Grave als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma als gemachtigde,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Leftheriotou en A. Vasilopoulou als gemachtigden,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Clotuche-Duvieusart en B. Burggraaf als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1, en rectificatie in PB 2004, L 94, blz. 70), alsmede van verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij verordening nr. 1782/2003 (PB L 141, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K. van Dijk en de Gemeente Kampen over de aard en de omvang van de verplichtingen uit een pachtovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Gemeenschapsregeling
Verordening nr. 1782/2003
3 Bij verordening nr. 1782/2003 wordt onder meer een inkomenssteunregeling voor landbouwers vastgesteld. Deze regeling wordt in artikel 1, tweede streepje, van de verordening aangeduid als „bedrijfstoeslagregeling”.
4 In punt 21 van de considerans van verordening nr. 1782/2003 valt te lezen:
„De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.”
5 In punt 29 van de considerans van deze verordening wordt verklaard:
„Voor de bepaling van het bedrag waarop de landbouwer in het kader van de nieuwe regeling recht dient te hebben, is het dienstig te refereren aan de bedragen die hem in een referentieperiode zijn verleend. Om rekening te kunnen houden met specifieke situaties dient een nationale reserve te worden gevormd. Deze reserve kan ook worden gebruikt om de deelneming aan de regeling door nieuwe landbouwers te vergemakkelijken. De bedrijfstoeslag moet worden vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf.”
6 In punt 30 van de considerans staat onder meer:
„Het totaalbedrag waarop een landbouwbedrijf recht heeft, dient in delen (toeslagrechten) te worden gesplitst en aan een vast te stellen aantal subsidiabele hectaren te worden gekoppeld om overdracht van de premierechten te vergemakkelijken. Ter voorkoming van speculatieve overdrachten die leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis, dient voor het verlenen van de steun te worden gewerkt met een koppeling tussen toeslagrechten en een bepaald aantal subsidiabele hectaren […].”
7 Volgens artikel 2 van die verordening:
„[…] gelden de volgende begripsomschrijvingen:
a) onder ‚landbouwer’ wordt verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen […] die een landbouwactiviteit uitoefent;
[…]
c) onder ‚landbouwactiviteit’ wordt verstaan: landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 5 houden;
[...]”
8 De hoofdstukken 1 tot en met 4 van titel III, „Bedrijfstoeslagregeling”, van verordening nr. 1782/2003 bevatten de basisregels voor dit systeem met van de productie „ontkoppelde” inkomenssteun voor landbouwers. Blijkens de artikelen 33, lid 1, sub a, 37, lid 1, 38 en 41 van deze verordening hebben de landbouwers die in de loop van een referentieperiode die de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 omvat, een betaling hebben ontvangen in het kader van ten minste één van de steunregelingen bedoeld in bijlage VI bij die verordening, recht op steun die wordt berekend op basis van een referentiebedrag dat voor iedere landbouwer wordt vastgesteld aan de hand van het jaarlijkse gemiddelde over deze periode van het totaalbedrag aan op grond van deze regelingen verleende betalingen.
9 Artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 luidt als volgt:
„De steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling wordt uitbetaald uit hoofde van de toeslagrechten als gedefinieerd in hoofdstuk 3 die gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren als gedefinieerd in artikel 44, lid 2.”
10 Hoofdstuk 3 van titel III van verordening nr. 1782/2003 bevat een afdeling 1 met het opschrift „Op oppervlakten gebaseerde toeslagrechten”. Artikel 43, lid 1, van de verordening, dat deel uitmaakt van deze afdeling, bepaalt onder meer:
„Onverminderd artikel 48 ontvangt een landbouwer een toeslagrecht per hectare dat is berekend door het referentiebedrag te delen door het gemiddelde aantal, berekend over drie jaar, van alle hectaren die in de referentieperiode recht hebben gegeven op de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen.
Het totale aantal toeslagrechten moet gelijk zijn aan het bovenvermelde gemiddelde aantal hectaren.
[…]”
11 Artikel 44 van die verordening luidt:
„1. Elk toeslagrecht dat gepaard gaat met een subsidiabele hectare geeft recht op de uitbetaling van het in het kader van het toeslagrecht vastgestelde bedrag.
2. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik was.
3. De landbouwer geeft aan welke percelen overeenstemmen met subsidiabele hectaren die met een toeslagrecht gepaard gaan. Behalve in geval van overmacht of in uitzonderlijke omstandigheden blijven die percelen ter beschikking van de landbouwer gedurende een periode van ten minste 10 maanden, aanvangend op een door de lidstaat vast te stellen datum die ten vroegste valt op 1 september van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag tot deelneming aan de bedrijfstoeslagregeling is ingediend.
4. De lidstaten kunnen, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer machtigen om zijn aangifte te wijzigen, mits de aangifte beperkt blijft tot het totale aantal hectaren waarvoor hem toeslagrechten zijn toegekend en de aangifte beantwoordt aan de voorwaarden voor de verlening van de bedrijfstoeslag voor het betrokken areaal.”
12 Artikel 46 van verordening nr. 1782/2003, met het opschrift „Overdracht van toeslagrechten”, bepaalt:
„1. Toeslagrechten kunnen uitsluitend worden overgedragen aan een andere landbouwer die in dezelfde lidstaat is gevestigd, tenzij in het geval van overdrachten door feitelijke of verwachte vererving.
[…]
2. Toeslagrechten kunnen worden overgedragen door verkoop of elke andere vorm van definitieve overdracht met of zonder grond. Verhuur of soortgelijke transacties zijn daarentegen slechts toegestaan indien de overdracht van de toeslagrechten gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren.
Behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, lid 4, mag een landbouwer zijn toeslagrechten zonder grond alleen overdragen als hij, in de zin van artikel 44, ten minste 80 % van zijn toeslagrechten gedurende ten minste een kalenderjaar heeft gebruikt dan wel nadat hij alle toeslagrechten die hij gedurende het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling niet heeft gebruikt, vrijwillig heeft afgestaan aan de nationale reserve.
3. In geval van verkoop van toeslagrechten, met of zonder land, kunnen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, besluiten dat een deel van de verkochte toeslagrechten vervalt aan de nationale reserve of dat het bedrag per toeslagrecht wordt verlaagd ten behoeve van de nationale reserve, op basis van door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure vast te stellen criteria.”
13 Op grond van de bepalingen van hoofdstuk 5 van titel III („Regionale en facultatieve uitvoering”) van deze verordening kunnen de lidstaten tot uiterlijk 1 augustus 2004 besluiten om de bedrijfstoeslagregeling waarin de hoofdstukken 1 tot en met 4 van titel III voorzien, met name op regionaal niveau of gedeeltelijk toe te passen.
14 Ingevolge de artikelen 58, leden 1 en 3, en 59, leden 1 en 2, van de verordening kan een lidstaat de bedrijftoeslagregeling regionaliseren door zijn nationale maximum niet individueel onder de landbouwers van die staat te verdelen op basis van hun respectieve referentiebedragen, maar tussen de verschillende regio’s waaruit zijn grondgebied bestaat, en door het bedrag van elk aldus vastgesteld regionaal maximum forfaitair te verdelen onder alle landbouwers van de betrokken regio, waarbij iedere landbouwer toeslagrechten ontvangt waarvan het bedrag per toeslagrecht wordt berekend door dit regionale maximum te delen door het op regionaal niveau vastgestelde aantal subsidiabele hectaren.
Verordening (EG) nr. 1234/2007
15 Artikel 74, lid 4, van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1) luidt als volgt:
„Bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de partijen worden in geval van het verstrijken van een pachtovereenkomst die niet op soortgelijke voorwaarden kan worden verlengd, of in situaties met vergelijkbare rechtsgevolgen de individuele quota geheel of ten dele overgedragen aan de producent die ze overneemt, volgens door de lidstaten vastgestelde bepalingen en met inachtneming van de rechtmatige belangen van de partijen.”
Nationale regeling
16 Noch de Regeling GLB – inkomenssteun 2006, die is vastgesteld ter uitvoering van de verordeningen nrs. 1782/2003 en 795/2004, noch titel 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, inzake pacht, bepaalt specifiek aan wie de op de voet van verordening nr. 1782/2003 toegekende toeslagrechten dan wel de waarde van die rechten bij het einde van de pacht toekomen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17 Van Dijk pacht sinds 1982 van de Gemeente Kampen enkele percelen bouwland met een totale oppervlakte van 34 hectare, 2 are en 26 centiare. De pachtovereenkomst bevat geen bedingen ter zake van inkomenssteun of toeslagrechten.
18 Van Dijk heeft gedurende een reeks van jaren op de grondslag van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 181, blz. 12) en verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB L 160, blz. 1) compensatiebedragen ontvangen in het kader van de steunregeling voor producenten, welke steun was gekoppeld aan de productie van bepaalde gewassen. Na de inwerkingtreding van verordening nr. 1782/2003 zijn hem op grond van de artikelen 33, lid 1, 38 en 43, leden 1 en 2, sub a, van deze verordening toeslagrechten toegekend.
19 Tussen Van Dijk en de Gemeente Kampen is een geschil gerezen over de aard en de omvang van de verplichtingen uit hun pachtovereenkomst.
20 Bij vonnis van 25 september 2007 heeft de Rechtbank Zwolle‑Lelystad voor recht verklaard dat Van Dijk gehouden was om de gepachte gronden bij het einde van de pachtovereenkomst aan de Gemeente Kampen op te leveren, inclusief de op die gronden opgebouwde of daarmee samenhangende toeslagrechten, tegen vergoeding van de helft van de waarde van deze rechten, en dat het hem evenmin was toegestaan om die toeslagrechten te vervreemden zonder voorafgaande toestemming van de Gemeente Kampen.
21 Bij exploot van 24 oktober 2007 is Van Dijk van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. Volgens hem volgt uit de verordeningen nrs. 1782/2003 en 795/2004 dat de toeslagrechten bij het verstrijken van de pacht bij de pachter moeten verblijven. Daarbij komt dat toeslagrechten, anders dan melkquota, die in beginsel zijn verbonden aan de grond die de melkveehouder of de akkerbouwer in de referentieperiode in gebruik had, kleven aan de persoon van de landbouwer.
22 De Gemeente Kampen stelt dat noch verordening nr. 1782/2003 noch verordening nr. 795/2004 voorschrijft wat er bij het einde van de pacht met de toeslagrechten dient te gebeuren. Zij leidt hieruit af dat de rechtsbetrekkingen tussen pachter en verpachter door het nationale recht worden beheerst.
23 Van oordeel dat de uitkomst van het bij hem aanhangig gemaakte geding afhangt van de uitlegging van de toepasselijke gemeenschapsregeling, heeft het Gerechtshof te Arnhem de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Is de pachter op grond van verordening 1782/2003 en verordening 795/2004, dan wel op grond van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, bij het ontbreken van nationale regelingen terzake verplicht om bij het einde van de pacht de gepachte grond met inbegrip van de daarop opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter op te leveren?
2) In geval van bevestigende beantwoording van [de eerste] vraag […]: is de verpachter op grond van verordening 1782/2003 en verordening 795/2004, dan wel op grond van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, bij het ontbreken van nationale regelingen ter zake verplicht om de pachter een vergoeding te betalen voor de aan de verpachter opgeleverde toeslagrechten, en zo ja, dient de verpachter de gehele waarde van die rechten te vergoeden of slechts een gedeelte van die waarde, en in het laatste geval, welk gedeelte?
3) In geval van ontkennende beantwoording van [de eerste] vraag […]: is de pachter op grond van verordening 1782/2003 en verordening 795/2004, dan wel op grond van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, in het bijzonder het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, bij het ontbreken van nationale regelingen terzake verplicht om de verpachter een vergoeding te betalen voor de bij de pachter verblijvende toeslagrechten, en zo ja, dient de pachter de gehele waarde van die rechten te vergoeden of slechts een gedeelte van die waarde, en in het laatste geval, welk gedeelte?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
24 Met zijn drie vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de pachter op grond van het gemeenschapsrecht verplicht is, bij het einde van de pacht de gepachte grond met inbegrip van de daarop opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter op te leveren of hem een vergoeding te betalen.
25 Vooraf moet worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van verordening nr. 1782/2003 en verordening nr. 795/2004 voorschrijft dat de pachter bij het einde van de pacht de gepachte grond met de daarop opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter moet opleveren. In dit verband verschilt de bedrijfstoeslagregeling van de melkquotaregeling, waarvoor ingevolge artikel 74, lid 1, van verordening nr. 1234/2007 het beginsel van overdracht van quota met het bedrijf geldt.
26 Daarentegen volgt uit zowel de doelstellingen als de systematiek van verordening nr. 1782/2003 dat, nu niet anders is bepaald, de toeslagrechten bij het verstrijken van de pacht bij de pachter verblijven.
27 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat volgens artikel 1, tweede streepje, van verordening nr. 1782/2003 de bedrijfstoeslagregeling inkomenssteun voor landbouwers vormt, die, aldus punt 21 van de considerans van deze verordening, tot doel heeft de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Op grond van artikel 33, lid 1, van bovengenoemde verordening kunnen van de bedrijfstoeslagregeling onder meer de landbouwers gebruikmaken die in de referentieperiode een betaling hebben ontvangen uit hoofde van ten minste één van de in bijlage VI bij die verordening bedoelde steunregelingen.
28 Overeenkomstig artikel 43, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 worden de landbouwer uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling toeslagrechten toegekend naar rato van het aantal hectaren waarover hij in de referentieperiode beschikte alsmede van de betalingen die hij heeft ontvangen uit hoofde van die steunregelingen.
29 Voorts erkent artikel 44, lid 1, van die verordening het bestaan van een koppeling tussen toeslagrechten en landbouwgronden, in die zin dat elk toeslagrecht voor een subsidiabele hectare recht geeft op de uitbetaling van het in het kader van dit recht vastgestelde bedrag.
30 In deze context bepaalt artikel 36, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 dat de steun op grond van de bedrijfstoeslagregeling wordt uitbetaald uit hoofde van de toeslagrechten die gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren.
31 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, zoals volgt uit punt 30 van de considerans van verordening nr. 1782/2003, met een dergelijke koppeling tussen toeslagrechten en subsidiabele hectaren met name wordt beoogd speculatieve overdrachten te voorkomen die leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis.
32 Daarentegen volgt uit dit artikel 36, lid 1, niet dat de toeslagrechten zijn gekoppeld aan concrete percelen, met name niet aan die waarover de landbouwer in de referentieperiode beschikte.
33 Het gaat er dus uiteindelijk om dat voor de toekenning van de steun tegenover het aantal toeslagrechten waarover een landbouwer beschikt een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren staat, en geen concrete percelen. Artikel 44, lid 4, van verordening nr. 1782/2003 voorziet overigens uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de lidstaten om, in naar behoren gemotiveerde gevallen, een landbouwer te machtigen om zijn aangifte inzake de percelen die overeenstemmen met subsidiabele hectaren die met een toeslagrecht gepaard gaan, te wijzigen, mits de aangifte beperkt blijft tot het totale aantal hectaren waarvoor hem toeslagrechten zijn toegekend en de aangifte beantwoordt aan de voorwaarden voor de verlening van de bedrijfstoeslag voor het betrokken areaal.
34 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat overeenkomstig de in punt 30 van de considerans van verordening nr. 1782/2003 bedoelde doelstelling artikel 46 van die verordening de mogelijkheid regelt om toeslagrechten over te dragen.
35 Inzonderheid bepaalt lid 2 van dit artikel dat toeslagrechten enkel zonder grond kunnen worden overgedragen wanneer er sprake is van definitieve overdracht. In een dergelijk geval doet de landbouwer die tot dan toe toeslagrechten ontving, definitief afstand van zijn aanspraken door verkoop aan een andere landbouwer, die vervolgens die rechten te zijnen bate activeert. Om aanspraak te kunnen maken op uitbetaling van die rechten, moet de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 44, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 beschikken over een voldoende aantal hectaren subsidiabele landbouwgrond, teneinde te waarborgen dat er een toereikende agrarische basis is voor de uitbetaling van de rechten.
36 Daarentegen is in geval van pacht of soortgelijke transacties de overdracht van toeslagrechten slechts toegestaan indien die gepaard gaat met de overdracht van een overeenkomstig aantal subsidiabele hectaren. Deze regel, die is neergelegd in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1782/2003, beoogt overeenkomstig de in punt 30 van de considerans van die verordening genoemde doelstelling speculatieve overdrachten te voorkomen die kunnen leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis.
37 Artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 bepaalt bovendien dat toeslagrechten, behalve in het geval van overdrachten door feitelijke of verwachte vererving, uitsluitend kunnen worden overgedragen aan een andere landbouwer die in dezelfde lidstaat is gevestigd. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat, gelet op artikel 33, lid 1, sub a, juncto artikel 2, sub a en c, van verordening nr. 1782/2003, de bedrijfstoeslagregeling is bedoeld voor landbouwers, dat wil zeggen voor hen die een „landbouwactiviteit” uitoefenen, die erin bestaat dat landbouwproducten worden geproduceerd, gefokt of geteeld dan wel de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden.
38 De verpachter van de grond is evenwel niet noodzakelijkerwijs een landbouwer in de zin van artikel 2, sub a, van verordening nr. 1782/2003. Was het de bedoeling van de gemeenschapswetgever geweest dat de toeslagrechten onder alle omstandigheden bij het verstrijken van de pacht aan de verpachter toevielen, dan zou hij derhalve een bepaling in die zin hebben vastgesteld.
39 Gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden vastgesteld dat de verordeningen nrs. 1782/2003 en 795/2004 geen verplichting behelzen voor de landbouwer die grond heeft gepacht, om zijn toeslagrechten bij het verstrijken van de pacht aan de verpachter over te dragen.
40 Evenmin is er reden om aan te nemen dat de landbouwer uit hoofde van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking verplicht zou zijn om zijn toeslagrechten bij het verstrijken van de pacht aan de verpachter over te dragen of deze een vergoeding te betalen.
41 Overeenkomstig de beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, wordt namelijk voor het recht op vergoeding door de verrijkte verlangd dat een rechtsgrondslag voor de betrokken verrijking ontbreekt (arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie, C‑47/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 44-46 en 49).
42 Er kan niet van worden uitgegaan dat de toeslagrechten die de landbouwer ontvangt, rechtsgrondslag ontberen, aangezien zij hem zijn toegekend overeenkomstig de bepalingen van verordening nr. 1782/2003.
43 Uit een en ander volgt dat de pachter op grond van het gemeenschapsrecht niet verplicht is, bij het einde van de pacht de gepachte grond met inbegrip van de daarop opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter op te leveren of hem een vergoeding te betalen.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
De pachter is op grond van het gemeenschapsrecht niet verplicht, bij het einde van de pacht de gepachte grond met inbegrip van de daarop opgebouwde dan wel daarmee samenhangende toeslagrechten aan de verpachter op te leveren of hem een vergoeding te betalen.
Tizzano
Borg Barthet
Ilešič
Aldus uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 januari 2010.
De griffier
De waarnemend president van de Vijfde kamer
R. Grass
A. Tizzano
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy