Zaak C‑550/08
British American Tobacco (Germany) GmbH
tegen
Hauptzollamt Schweinfurt
(verzoek van het Finanzgericht München om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 92/12/EEG – Accijnsproducten – Invoer van niet-accijnsplichtige ruwe tabak in kader van regeling actieve veredeling – Verwerking tot versneden tabak – Verkeer tussen lidstaten – Geleidedocument”
Samenvatting van het arrest
Fiscale bepalingen – Harmonisatie van wetgevingen – Accijns – Richtlijn 92/12 – Tabaksfabrikaten – Producten vervaardigd uit niet-accijnsplichtige goederen die in kader van regeling actieve veredeling in Gemeenschap zijn ingevoerd
(Richtlijn 92/12 van de Raad, art. 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, en 18, lid 1)
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, moet aldus worden uitgelegd dat accijnsproducten (zoals tabaksfabrikaten), vervaardigd uit niet-accijnsplichtige goederen (zoals ruwe tabak) die in het kader van de regeling actieve veredeling in de Gemeenschap zijn ingevoerd, ook dan worden geacht zich in de zin van die bepaling onder schorsing van accijns te bevinden, wanneer zij pas door hun verwerking op het grondgebied van de Gemeenschap accijnsproducten zijn geworden, zodat zij tussen lidstaten kunnen worden vervoerd zonder dat de administratie het in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn bedoelde administratieve of commerciële document kan verlangen.
(cf. punten 36‑46 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
17 juni 2010 (*)
„Richtlijn 92/12/EEG – Accijnsproducten – Invoer van niet-accijnsplichtige ruwe tabak in kader van regeling actieve veredeling – Verwerking tot versneden tabak – Verkeer tussen lidstaten – Geleidedocument”
In zaak C‑550/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Finanzgericht München (Duitsland) bij beslissing van 13 november 2008, ingekomen bij het Hof op 11 december 2008, in de procedure
British American Tobacco (Germany) GmbH
tegen
Hauptzollamt Schweinfurt,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot (rapporteur), kamerpresident, C. Toader, K. Schiemann, P. Kūris en L. Bay Larsen, rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: B. Fülöp, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 januari 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– British American Tobacco (Germany) GmbH, vertegenwoordigd door T. Englert en H.‑M. Pott, Rechtsanwälte,
– het Hauptzollamt Schweinfurt, vertegenwoordigd door J. Muhlert als gemachtigde,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door W. Mölls en A. Sauka als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, en 15, lid 4, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1), in haar op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „richtlijn 92/12”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen British American Tobacco (Germany) GmbH (hierna: „BAT”) en het Hauptzollamt Schweinfurt over twee besluiten waarbij het Hauptzollamt de betaling van accijns wegens de verzending van partijen versneden tabak van Duitsland naar Frankrijk heeft gevorderd.
Rechtskader
Richtlijn 92/12
3 De tiende en de vijftiende overweging van de considerans van richtlijn 92/12 luiden als volgt:
„Overwegende dat het overbrengen van het grondgebied van een lidstaat naar dat van een andere niet mag leiden tot een controle die het intracommunautaire vrije verkeer kan belemmeren; dat om redenen van verschuldigdheid niettemin het verkeer van aan accijns onderworpen producten bekend moet zijn; dat derhalve moet worden voorzien in een geleidedocument voor deze producten;
[...]
Overwegende bovendien dat het geleidedocument niet dient te worden gebruikt wanneer de accijnsproducten zich onder een andere communautaire douaneregeling bevinden dan het in het vrije verkeer brengen [...]”.
4 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 92/12 bepaalt:
„Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende producten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:
[...]
– tabaksfabrikaten.”
5 Artikel 4, sub c, van deze richtlijn definieert het begrip „schorsingsregeling” als volgt:
„schorsingsregeling: belastingregeling die geldt voor de productie, de verwerking, het voorhanden hebben en het verkeer van producten onder schorsing van accijns”.
6 Artikel 5 van genoemde richtlijn bepaalt:
„1. De in artikel 3, lid 1, genoemde producten worden aan accijns onderworpen bij de productie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.
Als ‚invoer van een accijnsproduct’ wordt beschouwd, de binnenkomst van dat product in de Gemeenschap [...]
Wanneer dat product bij binnenkomst in de Gemeenschap onder een communautaire douaneregeling wordt geplaatst, wordt de invoer van dat product evenwel geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het aan de communautaire douaneregeling wordt onttrokken.
2. Onverminderd de nationale en communautaire bepalingen inzake douaneregelingen worden accijnsproducten:
– van herkomst uit of met als bestemming derde landen [...], wanneer zij onder een van de douaneschorsingsregelingen worden geplaatst die zijn genoemd in artikel 84, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 [van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), hierna: „communautair douanewetboek”] [...]
[...]
geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden.
[...]”
7 Artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12 bepaalt de voorwaarden voor de verschuldigdheid van de accijns:
„De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel [14], lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen.
Als uitslag tot verbruik van accijnsproducten wordt beschouwd:
a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;
b) iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze producten buiten een schorsingsregeling;
c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze producten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.”
8 Artikel 15, lid 4, van richtlijn 92/12 luidt:
„[...] de verantwoordelijkheid van de erkend entrepothouder van verzending en, in voorkomend geval, die van de vervoerder [kan] pas vervallen door middel van het bewijs dat de geadresseerde de producten overneemt, met name middels het in artikel 18 genoemde geleidedocument onder de voorwaarden van artikel 19.”
9 Artikel 18 van richtlijn 92/12 bepaalt:
„1. Niettegenstaande het eventuele gebruik van geautomatiseerde procedures gaat elk accijnsproduct dat zich onder de schorsingsregeling in het verkeer tussen de lidstaten [...] bevindt, vergezeld van een door de afzender opgesteld document. Dit document kan een administratief of een commercieel document zijn. Vorm en inhoud daarvan, alsmede de procedure die gevolgd moet worden als het gebruik van het document feitelijk niet passend is, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24.
[...]
4. Lid 1 is niet van toepassing wanneer de accijnsproducten zich onder dekking van een in artikel 5, lid 2, bedoelde regeling in het verkeer bevinden.
[...]”
10 Artikel 19 van richtlijn 92/12 luidt:
„1. De belastingautoriteiten van de lidstaten worden door de bedrijven door middel van het document of van een verwijzing naar het document, bedoeld in artikel 18, op de hoogte gesteld van de partijen die zijn verzonden en ontvangen. Dit document wordt in vier exemplaren opgesteld [...]
[...]
De lidstaat van bestemming kan bepalen dat het exemplaar dat voor zuivering naar de afzender wordt teruggezonden door zijn eigen autoriteiten wordt gecertificeerd of geviseerd. De lidstaten die deze bepaling toepassen moeten de Commissie hiervan in kennis stellen, die op haar beurt de overige lidstaten informeert.
[...]
2. Indien de accijnsproducten onder de schorsingsregeling in het verkeer zijn met als bestemming een erkend entrepothouder, een geregistreerd of een niet-geregistreerd bedrijf, wordt een exemplaar van het administratieve geleidedocument of een kopie van het commerciële document, naar behoren van aantekeningen voorzien, door de geadresseerde voor zuivering naar de afzender teruggezonden, en wel uiterlijk binnen twee weken na de maand waarin de goederen door de geadresseerde zijn ontvangen.
[...]
3. De schorsingsregeling als omschreven in artikel 4, sub c, wordt gezuiverd door het plaatsen van de accijnsproducten overeenkomstig artikel 5, lid 2, in een van de in artikel 5, lid 2, bedoelde situaties, met als gevolg schorsing van de accijns, zulks na ontvangst door de afzender van het terug te zenden exemplaar van het administratieve geleidedocument of van een afschrift van het commerciële document, waarop naar behoren aantekening is gemaakt van die plaatsing.
[...]”
Het communautair douanewetboek
11 Het communautair douanewetboek bepaalt in artikel 59, lid 1, dat voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling moet worden gedaan.
12 Artikel 64, lid 1, van dit wetboek bepaalt:
„Behoudens artikel 5 kan de douaneaangifte worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor deze goederen zijn aangegeven.”
13 Artikel 84, lid 1, van het communautair douanewetboek luidt:
„Indien in de artikelen 85 tot en met 90
a) de term ‚schorsingsregeling’ wordt gebruikt, heeft deze in het geval van niet-communautaire goederen betrekking op de volgende regelingen:
[...]
– actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing,
[...]
b) de term ‚economische douaneregeling’ wordt gebruikt, heeft deze betrekking op de volgende regelingen:
[...]
– actieve veredeling,
[...]”
14 Artikel 85 van het communautair douanewetboek bepaalt dat voor het gebruik van iedere economische douaneregeling een door de douaneautoriteiten afgegeven vergunning is vereist. Artikel 86 van dit wetboek preciseert in de volgende bewoordingen de voorwaarden waaronder deze vergunning kan worden afgegeven:
„Onverminderd de in het kader van de betrokken regeling vastgestelde bijzondere voorwaarden, worden de in artikel 85 [...] bedoelde vergunningen slechts afgegeven:
– aan personen die alle noodzakelijke waarborgen bieden voor het goede verloop van de handelingen;
– indien de douaneautoriteiten het toezicht en de controle op de regeling kunnen uitoefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.”
15 Artikel 87 van het communautair douanewetboek luidt als volgt:
„1. De voorwaarden waaronder de betrokken regeling wordt gebruikt, worden in de vergunning vastgesteld.
2. De houder van de vergunning dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.”
16 Artikel 88 van dit wetboek bepaalt:
„De douaneautoriteiten kunnen aan de plaatsing van de goederen onder een schorsingsregeling de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die ten aanzien van deze goederen kan ontstaan.
[...]”
17 Artikel 114 van het voormelde wetboek luidt:
„1. Onverminderd artikel 115, kunnen in het douanegebied van de Gemeenschap onder de regeling actieve veredeling de volgende goederen een of meer veredelingshandelingen ondergaan:
a) niet-communautaire goederen die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen onderworpen zijn;
[...]
2. Er wordt verstaan onder:
a) systeem inzake schorsing: de regeling actieve veredeling in de in lid 1, sub a, bedoelde vorm;
[...]
c) veredelingshandelingen:
[...]
– de verwerking van goederen,
[...]
d) veredelingsproducten: alle producten die het resultaat zijn van veredelingshandelingen;
[...]”
Nationaal recht
18 § 18, lid 3, van het Tabaksteuergesetz (Bundesgesetzblatt 1992 I, blz. 2150) bepaalt dat, wanneer tabaksfabrikaten in het kader van het communautair douanevervoer van een belastingentrepot binnen het douanegebied naar een belastingentrepot, een toegelaten geadresseerde of een douanekantoor van uitgang in een andere lidstaat zijn verzonden en de afzender niet binnen een termijn van vier maanden vanaf het begin van de verzending het bewijs levert dat de tabaksfabrikaten de plaats van bestemming hebben bereikt, zij worden geacht in het douanegebied aan de schorsingsregeling te zijn onttrokken.
19 Volgens § 21, eerste alinea, punt 1, van deze wet zijn, voor onder een douaneregeling geplaatste tabaksfabrikaten, de douanevoorschriften naar analogie van toepassing op het ontstaan en het verval van de belastingschuld.
20 § 23, lid 2, van de Verordnung zur Duchführung des Tabaksteuergesetzes (Bundesgesetzblatt 1993 I, blz. 1738) preciseert dat voormelde § 21 niet van toepassing is op de regeling actieve veredeling met schorsing van rechten met het oog op de vervaardiging van tabaksfabrikaten.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21 BAT voert, in het kader van de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing, in Duitsland ruwe tabak uit derde landen in, die zij tot versneden tabak verwerkt.
22 Voor deze ruwe tabak, een product dat niet aan accijns onderworpen is, hebben de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk BAT met ingang van 1 juli 2002 één enkele, voor alle lidstaten geldende vergunning voor toegang tot de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing verleend. Deze vergunning staat haar toe, voor de verzending van partijen versneden tabak uit Duitsland naar andere lidstaten, haar leveringsbonnen („IPR-Delivery Document”) te gebruiken in plaats van het administratieve geleidedocument dat krachtens artikel 18, lid 1, van richtlijn 92/12 in beginsel is vereist in het kader van het verkeer tussen lidstaten van accijnsproducten onder schorsing van rechten.
23 In januari en april 2003 heeft BAT vanuit haar fabriek in Duitsland partijen versneden tabak verzonden naar een belastingentrepot van een in Frankrijk gevestigde vennootschap. Deze heeft de ontvangst bevestigd op de genoemde leveringsbonnen, die de vermelding droegen dat zij ook als geleidedocument werden gebruikt.
24 Bij besluiten van 27 mei en 20 augustus 2003 heeft de Duitse administratie BAT verzocht, voor die partijen tabak accijnzen voor een totaalbedrag 144 550 EUR te betalen, op grond dat BAT geen door de Franse douaneautoriteiten gecertificeerd geleidedocument had overgelegd en dus niet had aangetoond dat die tabak in het belastingentrepot in Frankrijk was aangekomen.
25 Nadat haar bezwaren waren afgewezen, heeft BAT bij het Finanzgericht München beroep ingesteld tegen die besluiten.
26 De verwijzende rechter is van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding in eerste instantie moet worden nagegaan of de betrokken producten zich onder dekking van een in artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 bedoelde regeling in het verkeer bevinden, aangezien artikel 18, lid 4, van de richtlijn voor dit geval bij wijze van uitzondering toestaat dat zij zonder geleidedocument tussen lidstaten worden vervoerd. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of accijnsproducten als die in het hoofdgeding, die in het kader van de regeling actieve veredeling in een lidstaat zijn vervaardigd uit goederen die bij hun invoer in de Gemeenschap in het kader van die douaneregeling niet-accijnsplichtig waren, kunnen worden beschouwd als accijnsproducten van herkomst uit derde landen in de zin van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12.
27 De verwijzende rechter vraagt zich ook af of, ingeval het Hof zou oordelen dat de in artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 bedoelde voorwaarden niet zijn vervuld, artikel 15, lid 4, van deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het bewijs dat de geadresseerde de accijnsproducten heeft overgenomen, met andere middelen dan het geleidedocument kan worden geleverd.
28 In die omstandigheden heeft het Finanzgericht München de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vragen gesteld:
„1) Moet artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12[...] aldus worden uitgelegd dat niet-communautaire accijnsproducten die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst in de zin van artikel 84, lid 1, sub a, van [het communautair douanewetboek], ook worden geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden wanneer zij pas na de invoer van niet-accijnsplichtige goederen in het kader van de regeling actieve veredeling uit deze goederen zijn vervaardigd, zodat volgens de vijftiende overweging van de considerans van richtlijn 92/12[...] bij het vervoer ervan geen geleidedocument in de zin van artikel 18, lid 1, van richtlijn 92/12[...] dient te worden gebruikt?
2) In geval van ontkennend antwoord op de eerste vraag:
Moet artikel 15, lid 4, van richtlijn 92/12[...] aldus worden uitgelegd dat het bewijs dat de geadresseerde de accijnsproducten heeft overgenomen, ook met andere middelen kan worden geleverd dan met het in artikel 18 van richtlijn 92/12[...] genoemde geleidedocument?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
29 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 aldus moet worden uitgelegd dat accijnsproducten (zoals tabaksfabrikaten), vervaardigd uit niet-accijnsplichtige goederen (zoals ruwe tabak) die onder de regeling actieve veredeling in de Gemeenschap zijn ingevoerd, ook dan worden geacht zich in de zin van die bepaling onder schorsing van accijns te bevinden, wanneer zij slechts door hun verwerking op het grondgebied van de Gemeenschap accijnsproducten zijn geworden, zodat zij tussen lidstaten zouden kunnen worden vervoerd zonder dat de administratie het in artikel 18, lid 1, van richtlijn 92/12 bedoelde administratieve of commerciële document kan verlangen.
30 Er zij aan herinnerd dat artikel 18, lid 1, van richtlijn 92/12 bepaalt dat elk accijnsproduct dat zich onder de schorsingsregeling in het verkeer tussen de grondgebieden van verschillende lidstaten bevindt, vergezeld moet gaan van een geleidedocument.
31 Volgens artikel 18, lid 4, bestaat die verplichting echter niet wanneer het product zich onder dekking van een in artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van de richtlijn bedoelde regeling in het verkeer bevindt.
32 Artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 ziet met name op het geval waarin accijnsproducten van herkomst uit of met als bestemming derde landen onder een van de in artikel 84, lid 1, sub a, van het communautair douanewetboek genoemde schorsingsregelingen worden geplaatst. In dit geval preciseert artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, dat de producten worden geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden.
33 In het hoofdgeding wordt enerzijds niet betwist dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten tabaksfabrikaten zijn, waarop krachtens artikel 3 van richtlijn 92/12 accijns verschuldigd is, en anderzijds dat zij zich in het verkeer bevinden in het kader van de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing, bedoeld in artikel 84, lid 1, sub a, derde streepje, van het communautair douanewetboek.
34 Daarentegen moet in het kader van de eerste vraag van de verwijzende rechter worden beoordeeld of producten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, moeten worden beschouwd als accijnsproducten van herkomst uit of met als bestemming een derde land in de zin van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12, wanneer zij slechts door hun verwerking in een lidstaat tot de categorie van de accijnsproducten zijn gaan behoren.
35 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet enkel rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie onder meer arrest van 29 januari 2009, Petrosian e.a., C‑19/08, Jurispr. blz. I‑495, punt 34).
36 In de onderhavige zaak geven de bewoordingen van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 geen nuttige aanwijzing voor de beantwoording van de gestelde vraag, zodat die bepaling moet worden uitgelegd aan de hand van haar context en de doelstellingen van die richtlijn, inzonderheid artikel 18, lid 4, volgens hetwelk de verplichting betreffende het geleidedocument vervalt wanneer aan de in artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, gestelde voorwaarden is voldaan.
37 In dit verband preciseert de tiende overweging van de considerans van richtlijn 92/12 dat deze laatste weliswaar tot doel heeft te voorkomen dat het overbrengen van een product van een lidstaat naar een andere leidt tot een controle die het intracommunautaire vrije verkeer kan belemmeren, maar dat om redenen van verschuldigdheid niettemin het verkeer van aan accijns onderworpen producten bekend moet zijn, hetgeen het vereiste van een geleidedocument voor deze producten rechtvaardigt. Volgens de vijftiende overweging van de considerans is een dergelijk vereiste echter niet meer gerechtvaardigd wanneer de producten zich onder een communautaire douaneregeling zoals de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing bevinden.
38 Richtlijn 92/12 wil dus het vereiste betreffende het geleidedocument beperken tot de gevallen waarin die formaliteit echt noodzakelijk is om de controle op het verkeer van accijnsproducten en de inachtneming van de regels van verschuldigdheid hiervan te verzekeren.
39 Bijgevolg heeft richtlijn 92/12, door de verwijzing in artikel 18, lid 4, naar de bepalingen van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, de afzender vrijgesteld van het vereiste betreffende het geleidedocument wanneer de accijnsgoederen zich onder een communautaire douaneregeling bevinden, aangezien een dergelijke regeling, door de daarvoor geldende voorschriften, een controle op het verkeer van de betrokken producten mogelijk maakt die gelijkwaardig is aan die op grond van een geleidedocument, en dus geschikt is om de inachtneming van de voorschriften betreffende de inning van de accijns te waarborgen.
40 Teneinde te bepalen of producten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, binnen de werkingssfeer van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 vallen en dus zonder het geleidedocument voor accijnsproducten kunnen worden vervoerd, moet bijgevolg worden nagegaan of de juridische regeling voor niet-communautaire goederen die niet-accijnsplichtig zijn en in het kader van de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing in de Gemeenschap zijn ingevoerd, wat het verkeer ervan betreft, een controle verzekert die gelijkwaardig is aan die welke voortvloeit uit het vereiste betreffende het geleidedocument, wanneer die goederen door de op het grondgebied van de Gemeenschap ondergane veredelingshandeling tot de categorie van de accijnsproducten zijn gaan behoren.
41 In dit verband moet worden opgemerkt dat de verplichtingen in verband met de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing, bedoeld om de controle op de aan deze douaneregeling onderworpen producten te verzekeren, zowel gelden wanneer de betrokken producten reeds bij hun invoer in de Gemeenschap in het kader van die regeling aan accijns onderworpen waren, als wanneer zij pas tot de werkingssfeer van deze belasting zijn gaan behoren na de vervaardiging ervan in de Gemeenschap uit niet-accijnsplichtige goederen die in het kader van die regeling in de Gemeenschap waren ingevoerd.
42 Dat geldt met name voor de verplichtingen bedoeld in de artikelen 59 en 64 van het communautair douanewetboek, volgens welke met het oog op de plaatsing van goederen onder een douaneregeling een aangifte is vereist, waarvan de aanvaarding het douanetoezicht in werking doet treden.
43 Hetzelfde geldt voor de verplichtingen bedoeld in de artikelen 85 tot en met 88 van dat wetboek, volgens welke voor het gebruik van een economische douaneregeling een vergunning is vereist, en de bevoegde autoriteiten in deze vergunning alle relevante voorwaarden voor een correcte toepassing van die regeling kunnen vastleggen, met name wat het „goede verloop van de handelingen”, het toezicht en de controle op de regeling en het stellen van zekerheden betreft.
44 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 niet alleen van toepassing is op accijnsproducten van herkomst uit een derde land, maar ook op producten als in het hoofdgeding aan de orde, die zijn vervaardigd uit niet-communautaire goederen die niet accijnsplichtig zijn en in de Gemeenschap zijn ingevoerd in het kader van de regeling actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing.
45 In die omstandigheden behoeft niet te worden nagegaan of dergelijke producten ook moeten worden beschouwd als producten met als bestemming derde landen in de zin van artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12.
46 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12 aldus moet worden uitgelegd dat accijnsproducten (zoals tabaksfabrikaten), vervaardigd uit niet-accijnsplichtige goederen (zoals ruwe tabak) die in het kader van de regeling actieve veredeling in de Gemeenschap zijn ingevoerd, ook dan worden geacht zich in de zin van die bepaling onder schorsing van accijns te bevinden, wanneer zij pas door hun verwerking op het grondgebied van de Gemeenschap accijnsproducten zijn geworden, zodat zij tussen lidstaten kunnen worden vervoerd zonder dat de administratie het in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn bedoelde administratieve of commerciële document kan verlangen.
Tweede vraag
47 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, moet aldus worden uitgelegd dat accijnsproducten (zoals tabaksfabrikaten), vervaardigd uit niet-accijnsplichtige goederen (zoals ruwe tabak) die in het kader van de regeling actieve veredeling in de Gemeenschap zijn ingevoerd, ook dan worden geacht zich in de zin van die bepaling onder schorsing van accijns te bevinden, wanneer zij pas door hun verwerking op het grondgebied van de Gemeenschap accijnsproducten zijn geworden, zodat zij tussen lidstaten kunnen worden vervoerd zonder dat de administratie het in artikel 18, lid 1, van deze richtlijn bedoelde administratieve of commerciële document kan verlangen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy