Zaak C‑583/08 P
Christos Gogos
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Intern vergelijkend onderzoek voor overgang naar andere categorie – Aanstelling – Indeling in rang – Artikel 31, lid 2, van Statuut – Volledige rechtsmacht – Geschil van geldelijke aard – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Verzoek om billijke vergoeding”
Samenvatting van het arrest
1. Hogere voorziening – Middelen – Middel voor het eerst aangevoerd in hogere voorziening – Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 2 eerste alinea, 113, lid 2, en 118)
2. Hogere voorziening – Middelen – Ontoereikende motivering
(Art. 256 VWEU; Statuut van het Hof van Justitie, art. 36 en 53; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 81)
3. Hogere voorziening – Middelen – Verplichting voor Gerecht om ambtshalve geldelijke vergoeding toe te kennen – Rechtsvraag – Ontvankelijkheid
4. Ambtenaren – Beroep – Volledige rechtsmacht – Geschillen van geldelijke aard in zin van artikel 91, lid 1, van Statuut – Begrip
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)
5. Ambtenaren – Beroep – Volledige rechtsmacht – Mogelijkheid om verwerende instelling ambtshalve tot betaling van vergoeding te veroordelen
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)
6. Procedure – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Beoordelingscriteria – Gevolgen
(Art. 268 VWEU en 340 VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, art. 113, lid 1)
1. De bepalingen van de artikelen 42, lid 2, eerste alinea, juncto 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, op grond waarvan het verboden is om in het stadium van de hogere voorziening nieuwe middelen aan te voeren, beogen overeenkomstig het voorschrift in artikel 113, lid 2, van dat reglement voor de procesvoering te vermijden, dat in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht wordt gewijzigd.
(cf. punten 23‑24)
2. De motiveringsplicht houdt niet in dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die één voor één alle argumenten van de partijen in het geding uitputtend behandelt, en de motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen, en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen.
(cf. punt 30)
3. De vraag of het Gerecht een rekwirant ambtshalve een financiële vergoeding moest toekennen, is een rechtsvraag die het voorwerp van een hogere voorziening kan vormen en waarvan de ontvankelijkheid niet kan afhangen van de voorwaarde dat rekwirant in eerste aanleg een verzoek om vergoeding heeft ingediend. Een dergelijke bewering, die in feite het verwijt inhoudt dat het Gerecht de omvang van zijn bevoegdheden heeft miskend, kan door de aard ervan immers niet in eerste aanleg worden aangevoerd.
(cf. punten 41‑42)
4. Ingevolge artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Statuut heeft het Gerecht in geschillen van geldelijke aard volledige rechtsmacht, in het kader waarvan het bevoegd is om zo nodig de verwerende partij ambtshalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar onrechtmatige daad veroorzaakte schade en om in een dergelijk geval, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, de geleden schade ex aequo et bono vast te stellen.
Als „geschillen van geldelijke aard” in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut gelden niet alleen aansprakelijkheidsvorderingen van personeelsleden tegen een instelling, maar eveneens alle vorderingen die strekken tot betaling door een instelling aan een personeelslid van een bedrag waarvan dit personeelslid meent dat het hem toekomt op grond van het Statuut of van een andere handeling die hun arbeidsverhouding regelt.
Het beroep waarmee een ambtenaar nietigverklaring beoogt te verkrijgen van een besluit dat van invloed is op zijn statutaire positie, kan eveneens een geschil van geldelijke aard in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut vormen.
Het beroep waarbij een ambtenaar de rechter vraagt om zich uit te spreken over de wettigheid van zijn indeling, vormt een geschil van geldelijke aard, aangezien het door het tot aanstelling bevoegd gezag genomen indelingsbesluit niet alleen gevolgen heeft voor de loopbaan van de betrokkene en voor zijn positie binnen de hiërarchie, maar eveneens rechtstreekse gevolgen heeft voor zijn geldelijke rechten, met name voor het bedrag van de krachtens het Statuut verschuldigde bezoldiging.
(cf. punten 44‑47)
5. Op grond van de volledige rechtsmacht die de rechter van de Unie aan artikel 91 van het Statuut ontleent, dient deze de bij hem aanhangige gedingen volledig te beslechten. Deze bevoegdheid stelt de rechterlijke instanties van de Unie met name in staat om het praktisch nut te garanderen van de arresten houdende nietigverklaring die zij in ambtenarenzaken uitspreken, zodat de rechter van de Unie, indien de nietigverklaring van een rechtens onjuist besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag niet volstaat om de rechten van de betrokken ambtenaar te doen gelden of zijn belangen op doeltreffende wijze veilig te stellen, hem ambtshalve een vergoeding kan toekennen.
De volledige rechtsmacht biedt de rechterlijke instanties van de Unie eveneens de mogelijkheid om, zelfs in gevallen waarin zij het bestreden besluit niet nietig verklaren, de verwerende partij ambtshalve te veroordelen tot vergoeding van de door haar dienstfout veroorzaakte schade.
(cf. punten 49‑51)
6. Ook al kan het feit dat het Gerecht geen redelijke termijn voor uitspraak in acht heeft genomen, ervan uitgaande dat dit het geval is, aanleiding zijn voor een schadevordering door middel van een beroep dat een rekwirant krachtens de artikelen 268 VWEU en 340, tweede alinea, VWEU tegen de Europese Unie instelt, artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat in het kader van een hogere voorziening de vorderingen van de rekwirant moeten strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde.
Bijgevolg kan het middel dat de procedure voor het Gerecht een redelijke termijn heeft overschreden, in beginsel niet tot vernietiging van het arrest van het Gerecht leiden indien er geen enkele aanwijzing is dat de duur van de procedure de uitkomst van het geding heeft beïnvloed, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
(cf. punten 56‑57)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
20 mei 2010 (*)
„Hogere voorziening – Ambtenaren – Intern vergelijkend onderzoek voor overgang van ene naar andere categorie – Aanstelling – Indeling in rang – Artikel 31, lid 2, van Statuut – Volledige rechtsmacht – Geschil van geldelijke aard – Duur van procedure voor Gerecht – Redelijke termijn – Verzoek om billijke vergoeding”
In zaak C‑583/08 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie, ingesteld op 22 december 2008,
Christos Gogos, ambtenaar van de Europese Commissie, wonende te Waterloo (België), vertegenwoordigd door N. Korogiannakis en P. Katsimani, dikigoroi,
rekwirant,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde, bijgestaan door P. I. Anestis, dikigoros, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, E. Levits, A. Borg Barthet (rapporteur), J.‑J. Kasel en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 28 januari 2010,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 maart 2010,
het navolgende
Arrest
1 C. Gogos verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2008, Gogos/Commissie (T‑66/04, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „bestreden arrest”), waarbij dat Gerecht heeft verworpen zijn beroep strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen houdende vaststelling van zijn indeling in de rang A 7, salaristrap 3 (hierna: „indelingsbesluit”), en van het besluit van 24 november 2003 houdende afwijzing van de klacht die hij bij het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) had ingediend tegen het indelingsbesluit (hierna: „op de klacht genomen besluit”).
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 31 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, in de versie die van toepassing was op de datum van de feiten die tot het onderhavige geding hebben geleid, luidde:
„1. De [...] gekozen kandidaten worden aangesteld:
– in de aanvangsrang van hun categorie [...] indien het ambtenaren betreft van de categorie A [...]
2. Het [TABG] kan echter van bovenstaande [in lid 1 bedoelde] bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
[...]
b) voor de overige rangen [niet zijnde de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3]:
– voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
– voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
[...]”
3 Artikel 32, eerste en tweede alinea, van het Statuut bepaalde:
„De aangestelde ambtenaar wordt ingedeeld in de laagste salaristrap van zijn rang.
Het [TABG] kan echter, teneinde rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring van de betrokkene, hem een salarisanciënniteit toekennen die overeenkomt met een bepaalde diensttijd in deze rang; deze mag in de rangen A 1 tot en met A 4, LA 3 en LA 4 72 maanden en in de andere rangen 48 maanden niet te boven gaan.”
4 Artikel 45, lid 2, van het Statuut luidde:
„De overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie kan alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek.”
5 Artikel 46, eerste alinea, van het Statuut bepaalde:
„De in een hogere rang aangestelde ambtenaar geniet in zijn nieuwe rang een salarisanciënniteit, overeenkomende met een theoretische salaristrap die gelijk is aan of onmiddellijk hoger ligt dan de in zijn oude rang bereikte theoretische salaristrap, vermeerderd met het bedrag van de tweejaarlijkse salarisverhoging in zijn nieuwe rang.”
6 Artikel 91, lid 1, van het Statuut luidde:
„Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is bevoegd uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschappen en een van de in dit statuut bedoelde personen, dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2. Bij geschillen van geldelijke aard heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.”
Voorgeschiedenis van het geding
7 De aan het geding ten grondslag liggende feiten worden in het bestreden arrest uiteengezet als volgt:
„4 Verzoeker, Christos Gogos, die sinds 1981 in dienst is van de Europese Gemeenschappen, is op 1 oktober 1986 door de Commissie aangeworven als ambtenaar van de categorie B, rang 5, salaristrap 1.
5 In 1997 heeft verzoeker deelgenomen aan intern vergelijkend onderzoek COM/A/17/96 voor de overgang van categorie B naar A voor ambten van de loopbaan A 7/A 6. In de rubriek „Voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek” werd aangegeven dat ambtenaren en tijdelijk functionarissen die waren ingedeeld in één van de rangen van de categorie B en die in die categorie een diensttijd van ten minste zeven jaar hadden, konden deelnemen aan het vergelijkend onderzoek. In de rubriek „Voorwaarden voor aanwerving” werd gepreciseerd dat aanstelling in beginsel zou plaatsvinden in de basisrang van de loopbaan.
6 Bij brief van 15 december 1997 heeft de voorzitter van de jury van het vergelijkend onderzoek verzoeker op de hoogte gesteld van het besluit om hem niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, daar hij voor het mondelinge examen 24 van de 50 punten had behaald, terwijl minimaal 25 punten waren vereist.
7 In het door verzoeker ingestelde beroep heeft het Gerecht bij arrest van 23 maart 2000, Gogos/Commissie (T‑95/98, JurAmbt. blz. I‑A‑51 en II‑219), dat besluit van de jury nietig verklaard, met name omdat [laatstgenoemde] gedurende het mondelinge examen van het betrokken vergelijkend onderzoek niet in staat was geweest om de gelijke behandeling van alle kandidaten te verzekeren.
8 Bijgevolg heeft de Commissie verzoeker opgeroepen voor een nieuw mondeling examen op 25 september 2000. Nadat verzoeker voor dat examen was gezakt, heeft hij bij het Gerecht opnieuw beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T‑97/01. Na een minnelijke regeling tussen partijen heeft de Commissie zich ertoe verplicht om bij wijze van uitzondering en alleen voor verzoeker de selectieprocedure COM/A/17/96 te verlengen (zie beschikking Gerecht van 21 oktober 2002, Gogos/Commissie, T‑97/01, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Daarop heeft verzoeker op 8 november 2002 voor de derde keer een mondeling examen afgelegd.
9 Bij brief van 15 november 2002 heeft de Commissie verzoeker meegedeeld dat hij voor dat examen was geslaagd en dat zijn naam op de lijst van geschikte kandidaten van vergelijkend onderzoek COM/A/17/96 was geplaatst.
10 Vervolgens is verzoeker met ingang van 1 april 2003 als ambtenaar aangesteld en tewerkgesteld bij het directoraat-generaal regionaal beleid, dat wil zeggen bij het directoraat-generaal waar hij sinds zijn aanwerving als ambtenaar van de categorie B in 1986 werkzaam was geweest.
11 Op 31 maart 2003 is verzoeker op de hoogte gesteld van het besluit van het [...] TABG om hem met ingang van 1 april 2003 in te delen in de rang A 7, salaristrap 3 [...]
12 Op 30 juni 2003 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het [indelings]besluit. Ter onderbouwing van zijn klacht heeft hij zich beroepen op schending van de artikelen 31 en 45 van het Statuut, van artikel 233 EG, van het beginsel van gelijke behandeling en van de minnelijke regeling die in zaak T‑97/01 tussen partijen was getroffen. Hij heeft betoogd dat hij op het moment van het eerste mondelinge examen, dat wil zeggen op 15 december 1997, moest worden geacht te zijn geslaagd voor het betrokken vergelijkend onderzoek, aangezien de procedure van het vergelijkend onderzoek voor hem was heropend. Ten slotte heeft hij gesteld dat hij, gelet op zijn relevante beroepservaring en het nogal moeilijk te vinden profiel, had moeten worden ingedeeld in de rang A 6, en wel met ingang van 1 januari 2002, omdat de eerste bevorderingen van geslaagde kandidaten van het intern vergelijkend onderzoek COM/A/17/96 tot de rang A 6 reeds hadden plaatsgevonden op 1 januari 2001 en het overgrote deel van hen die rang had bereikt in 2003.
13 Die klacht is afgewezen bij besluit van het TABG van 24 november 2003 [...] Volgens dat besluit is artikel 31, lid 2, van het Statuut in casu niet van toepassing, aangezien het uitsluitend betrekking heeft op nieuwe ambtenaren. Het kan daarom niet worden toegepast op verzoeker, die reeds ambtenaar van de categorie B was. In elk geval bevat zijn dossier geen enkele uitzonderlijkheid met betrekking tot de vijf indelingscriteria die worden gebruikt bij de indiensttreding van elke ambtenaar, namelijk het universitaire profiel, de duur en de kwaliteit van de beroepservaring, de relevantie van de beroepservaring voor het vervulde ambt en de bijzonderheid van het beroepsprofiel op de arbeidsmarkt. Het TABG heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat de berekening van verzoekers rang en salaristrap krachtens artikel 46 van het Statuut correct was uitgevoerd.”
Procedure voor het Gerecht en bestreden arrest
8 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 18 februari 2004, heeft Gogos verzocht om nietigverklaring van het indelingsbesluit en van het op de klacht genomen besluit alsmede om verwijzing van de Commissie in de kosten dan wel, bij gebreke daarvan, om verwijzing van elke partij in haar eigen kosten.
9 Tot staving van zijn beroep beriep rekwirant zich primair op schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut. Bovendien betoogde hij dat het TABG door zijn weigering om die bepaling op hem toe te passen eveneens artikel 233 EG had geschonden alsmede de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en recht op ontwikkeling van loopbaan.
10 Het Gerecht heeft allereerst in punt 30 van het bestreden arrest opgemerkt dat een letterlijke uitlegging van de artikelen 45, lid 2, en 31, leden 1 en 2, weliswaar niet verbiedt dat een ambtenaar krachtens artikel 31, lid 2, in een hogere rang van de loopbaan wordt aangesteld wanneer hij slaagt voor een intern vergelijkend onderzoek voor de overgang naar een hogere categorie, doch dat de opbouw en het doel van die bepalingen zich daartegen verzetten. In punt 35 van het arrest heeft het Gerecht hieruit afgeleid dat laatstgenoemde bepaling niet van toepassing was op rekwirants situatie.
11 Vervolgens heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest overwogen dat zelfs al zou die bepaling in casu van toepassing zijn, zij rekwirant geen recht gaf om te worden ingedeeld in de rang A 6. In punt 41 van het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat de Commissie in het bij artikel 31 van het Statuut vastgestelde kader over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, zowel om te onderzoeken of het te vervullen ambt de aanwerving van een bijzonder gekwalificeerd persoon verlangt dan wel of laatstgenoemde over uitzonderlijke bekwaamheden beschikt alsook om de gevolgen van die vaststellingen te onderzoeken. In punt 42 van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieruit afgeleid dat het zijn oordeel niet in de plaats van dat van het TABG kon stellen en dat het dus slechts diende na te gaan of er geen sprake was geweest van schending van wezenlijke vormvoorschriften, het TABG zijn besluit niet had gebaseerd op inhoudelijk onjuiste of onvolledige feiten dan wel of het besluit niet gebrekkig was wegens misbruik van bevoegdheid, een kennelijke beoordelingsfout of een ontoereikende motivering.
12 Na te hebben opgemerkt dat rekwirant geen enkel element had aangevoerd op grond waarvan kon worden vastgesteld dat dit het geval was, heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest geoordeeld dat de onregelmatigheden waaraan de Commissie zich volgens rekwirant bij haar aanwervingsbeleid schuldig had gemaakt, of het nu ging om schending van artikel 233 EG of van de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en recht op ontwikkeling van loopbaan, geen invloed konden hebben op de wettigheid van het door rekwirant betwiste indelingsbesluit.
13 Bovendien heeft het Gerecht in punt 45 van het bestreden arrest geoordeeld dat aangezien het uitzonderlijke karakter van de kwalificaties van een nieuw aangeworven ambtenaar niet abstract, maar aan de hand van de post waarvoor hij is aangeworven moet worden beoordeeld, het om een beoordeling van geval tot geval gaat die zich ertegen verzet dat rekwirant zich met succes op schending van het beginsel van gelijke behandeling kon beroepen.
14 Ten slotte heeft het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest geoordeeld dat de organisatie van een nieuw mondeling examen voor rekwirant weliswaar tot gevolg kan hebben gehad dat hij op een later tijdstip tot de categorie A heeft kunnen overgaan en dat hij op een later tijdstip de minimumdiensttijd van twee jaar in de rang A 7 heeft gekregen om in aanmerking te komen voor bevordering tot de rang A 6 in de zin van artikel 45 van het Statuut, zodat hem eventueel een kans is ontnomen om op een eerder tijdstip te worden aangeworven in de categorie A en om in aanmerking te worden genomen in achtereenvolgende bevorderingsronden, doch dat rekwirant bij het Gerecht geen verzoek om een financiële vergoeding daarvoor had ingediend.
15 Na te hebben vastgesteld dat het geschil mede was ontstaan door de gedraging van de Commissie, waardoor het nodig was geweest om drie mondelinge examens voor rekwirant te organiseren, heeft het Gerecht de Commissie op basis van artikel 87, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van rekwirant.
Conclusies van partijen
16 Rekwirant concludeert dat het het Hof behage:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– het indelingsbesluit en het op de klacht genomen besluit nietig te verklaren;
– zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen en hem een bedrag toe te kennen van 538 121,79 EUR voor de door de onrechtmatige gedraging van de Commissie, zoals deze volgt uit het indelingsbesluit, veroorzaakte schade, waarvan de gevolgen voor de volledige duur van rekwirants leven zijn versterkt door de hervorming van het Statuut;
– hem een vergoeding van 50 000 EUR toe te kennen voor de vertraging waarmee de rechter in eerste aanleg zich heeft uitgesproken;
– de Commissie te verwijzen in de kosten die hij in de procedure in eerste aanleg en in de hogere voorziening heeft gemaakt.
17 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en van de op de buitensporig lange duur van de procedure gebaseerde schadevordering van rekwirant alsmede tot verwijzing van rekwirant in de kosten.
Hogere voorziening
18 Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan een ontoereikende motivering van het bestreden arrest, het tweede aan het feit dat het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan, door geen gebruik te maken van zijn volledige rechtsmacht en hem ambtshalve een vergoeding toe te kennen voor zijn loopbaanschade. Bovendien vordert hij een vergoeding voor de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht.
Eerste middel
Argumenten van partijen
19 Met zijn eerste middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het heeft nagelaten om vijf van de zes middelen tot nietigverklaring te onderzoeken die hij voor dat Gerecht had aangevoerd en dat het de verwerping van zijn beroep tegen het indelingsbesluit en tegen het op de klacht genomen besluit dus ontoereikend heeft gemotiveerd.
20 Hij verwijt het Gerecht met name dat het de middelen tot nietigverklaring ontleend aan schending van artikel 233 EG respectievelijk van het beginsel van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van loopbaan, zonder motivering en op basis van een totaal willekeurige redenering heeft afgewezen.
21 Rekwirant stelt voorts dat het Gerecht het middel ontleend aan miskenning van het beginsel van gelijke behandeling als zodanig had moeten onderzoeken, zonder dit onderzoek afhankelijk te stellen van de verificatie van de voorwaarden genoemd in artikel 31, lid 2, van het Statuut.
22 Volgens de Commissie is dit middel niet-ontvankelijk. Rekwirant heeft in eerste aanleg slechts één middel tot nietigverklaring aangevoerd, dat uitsluitend was ontleend aan schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut, en de andere bepalingen en beginselen waren slechts aanvullend aangevoerd. Met zijn poging om deze aanvullende argumenten in het stadium van de hogere voorziening te verheffen tot autonome middelen tot nietigverklaring, voert rekwirant in feite nieuwe middelen aan.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
23 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het volgens de bepalingen van de artikelen 42, lid 2, eerste alinea, juncto 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verboden is om in het stadium van de hogere voorziening nieuwe middelen aan te voeren.
24 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van haar conclusie echter heeft opgemerkt, beogen die bepalingen overeenkomstig het voorschrift in artikel 113, lid 2, van dat Reglement voor de procesvoering te vermijden, dat in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht wordt gewijzigd (zie in die zin arresten van 1 juni 1994, Commissie/Brazzelli Lualdi e.a., C‑136/92 P, Jurispr. blz. I‑1981, punten 57‑59; 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 165; 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 66, en 2 april 2009, France Télécom/Commissie, C‑202/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 60).
25 In casu moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 34 van haar conclusie heeft opgemerkt, rekwirant een belangrijk deel van zijn verzoekschrift voor het Gerecht heeft gewijd aan artikel 233 EG en aan de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en het recht op ontwikkeling van loopbaan.
26 In hogere voorziening stelt hij dat het bestreden arrest onvoldoende rekening heeft gehouden met essentiële onderdelen van zijn betoog in eerste aanleg en vraagt hij het Hof om na te gaan of het Gerecht de hem uiteengezette elementen heeft onderzocht op een manier die in overeenstemming is met de juridische eisen waaraan de motivering van een arrest moet voldoen.
27 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het eerste middel van de hogere voorziening niet tot gevolg heeft dat bij het Hof een geschil aanhangig wordt gemaakt met een ruimere strekking dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen.
28 Derhalve moet dit middel ontvankelijk worden verklaard.
– Ten gronde
29 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het middel ontleend aan het ontbreken van antwoord van het Gerecht op een in eerste aanleg aangevoerd middel in feite neerkomt op een beroep op schending van de motiveringsplicht voortvloeiende uit artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op grond van artikel 53, eerste alinea, van dat Statuut van toepassing is op het Gerecht van de Europese Unie, en uit artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (zie in die zin arresten van 1 oktober 1991, Vidrányi/Commissie, C‑283/90 P, Jurispr. blz. I‑4339, punt 29, en 11 september 2003, België/Commissie, C‑197/99 P, Jurispr. blz. I‑8461, punt 80 gelezen in samenhang met punt 83).
30 Volgens vaste rechtspraak houdt de motiveringsplicht niet in dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en kan de motivering van het Gerecht dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (zie met name arresten van 9 oktober 2008, Chetcuti/Commissie, C‑16/07 P, Jurispr. blz. I‑7469, punt 87, en 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric, C‑440/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 135).
31 In casu volgt uit de redenering van het bestreden arrest duidelijk dat het Gerecht heeft geantwoord op rekwirants betoog dat de Commissie, door artikel 31, lid 2, van het Statuut niet op hem toe te passen, artikel 233 EG en de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en recht op ontwikkeling van loopbaan had geschonden.
32 Na afwijzing van de grief ontleend aan schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut heeft het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest immers opgemerkt dat dientengevolge „de onregelmatigheden waaraan de Commissie zich volgens verzoeker bij haar aanwervingsbeleid schuldig had gemaakt, of het nu ging om schending van artikel 233 EG of van de beginselen van gelijke behandeling, billijkheid, behoorlijk bestuur en recht op ontwikkeling van loopbaan, geen invloed kunnen hebben op de wettigheid van het door verzoeker betwiste indelingsbesluit”.
33 Er moet dus worden vastgesteld dat uit de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht de betrokken grieven om dezelfde redenen heeft afgewezen als die waarop het zich had gebaseerd ter afwijzing van het middel ontleend aan schending van artikel 31, lid 2, van het Statuut.
34 Met betrekking tot rekwirants betoog dat het Gerecht het beginsel van gelijke behandeling autonoom had moeten onderzoeken, moet worden opgemerkt dat in de punten 45 en 46 van het bestreden arrest duidelijk wordt uiteengezet waarom dat gerecht heeft geoordeeld dat rekwirant op grond van dat beginsel niet in de hogere rang van de loopbaan kon worden ingedeeld.
35 Dat het Gerecht ten gronde tot een andere conclusie is gekomen dan rekwirant, betekent op zich niet dat het bestreden arrest een motiveringsgebrek vertoont (arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 80).
36 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat uit de motivering van het bestreden arrest rechtens genoegzaam de redenen kunnen worden afgeleid waarom het Gerecht de door rekwirant in eerste aanleg aangevoerde grieven heeft afgewezen.
37 Mitsdien moet het eerste middel dat rekwirant ter onderbouwing van zijn hogere voorziening heeft aangevoerd worden afgewezen.
Tweede middel
Argumenten van partijen
38 Met zijn tweede middel verwijt rekwirant het Gerecht dat het geen gebruik heeft gemaakt van de volledige rechtsmacht waarover het in geschillen van geldelijke aard beschikt om hem ambtshalve een vergoeding toe te kennen.
39 Rekwirant betwist met name punt 47 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht, kort samengevat, heeft geoordeeld dat de organisatie van een nieuw mondeling examen weliswaar tot gevolg kan hebben gehad dat hem een kans is ontnomen om eerder in de categorie A te worden aangesteld en derhalve om eerder in die categorie te worden bevorderd, doch dat hij bij het Gerecht geen verzoek heeft ingediend om een financiële vergoeding daarvoor te verkrijgen.
40 De Commissie is van mening dat dit middel niet-ontvankelijk is, daar het voor het eerst in het kader van de hogere voorziening is aangevoerd. Er bestond in casu hoe dan ook geen enkele reden om rekwirant een vergoeding te geven, zodat het Gerecht geen enkele basis had om zijn volledige rechtsmacht op financieel gebied te kunnen uitoefenen.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
41 Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft opgemerkt, vormt de vraag of het Gerecht rekwirant ambtshalve een financiële vergoeding had moeten toekennen een rechtsvraag die het voorwerp van een hogere voorziening kan vormen en waarvan de ontvankelijkheid niet kan afhangen van de voorwaarde dat rekwirant in eerste aanleg een verzoek om vergoeding heeft ingediend.
42 Een dergelijk argument, dat in feite het verwijt inhoudt dat het Gerecht de omvang van zijn bevoegdheden heeft miskend, kan door haar aard immers niet in eerste aanleg worden aangevoerd, zodat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden afgewezen.
43 Het tweede middel dat rekwirant ter onderbouwing van zijn hogere voorziening aanvoert, moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.
– Ten gronde
44 Volgens vaste rechtspraak heeft het Gerecht ingevolge artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Statuut in geschillen van geldelijke aard volledige rechtsmacht, in het kader waarvan het bevoegd is om zo nodig de verwerende partij ambtshalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar onrechtmatige daad veroorzaakte schade en om in een dergelijk geval, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, de geleden schade ex aequo et bono vast te stellen (zie met name arresten van 5 juni 1980, Oberthür/Commissie, 24/79, Jurispr. blz. 1743, punt 14; 27 oktober 1987, Houyoux en Guery/Commissie, 176/86 en 177/86, Jurispr. blz. 4333, punt 16; 17 april 1997, de Compte/Parlement, C‑90/95 P, Jurispr. blz. I‑1999, punt 45, en 21 februari 2008, Commissie/Girardot, C‑348/06 P, Jurispr. blz. I‑833, punt 58).
45 Als „geschillen van geldelijke aard” in de zin van deze bepaling gelden met name aansprakelijkheidsvorderingen van personeelsleden tegen een instelling alsmede alle vorderingen die strekken tot betaling door een instelling aan een personeelslid van een bedrag waarvan laatstgenoemde meent dat het hem op grond van het Statuut of van een andere handeling die hun arbeidsverhouding regelt, toekomt (zie arrest van 18 december 2007, Weißenfels/Parlement, C‑135/06 P, Jurispr. blz. I‑12041, punt 65).
46 Volgens de rechtspraak van het Hof kan het beroep waarmee een ambtenaar nietigverklaring beoogt te verkrijgen van een besluit dat van invloed is op zijn statutaire positie, eveneens een geschil van geldelijke aard in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut vormen (zie reeds aangehaalde arresten Oberthür/Commissie, punt 14, en Houyoux en Guery/Commissie, punt 16 gelezen in samenhang met punt 1).
47 Het Hof heeft met name reeds geoordeeld dat het beroep waarbij een ambtenaar de rechter vraagt om zich uit te spreken over de wettigheid van zijn indeling, een geschil van geldelijke aard vormt (arrest van 8 juli 1965, Krawczynski/Commissie, 83/63, Jurispr. blz. 806, 819). Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van haar conclusie heeft opgemerkt, is deze vaststelling gebaseerd op het uitgangspunt dat het door het TABG genomen indelingsbesluit niet alleen gevolgen heeft voor de loopbaan van de betrokkene en voor zijn positie binnen de hiërarchie, maar dat het eveneens rechtstreekse gevolgen heeft voor zijn financiële rechten, met name voor het bedrag van de krachtens het Statuut verschuldigde bezoldiging.
48 Hieruit volgt dat het door rekwirant in eerste aanleg ingestelde beroep geldelijk van aard was in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut, zodat het Gerecht in casu over volledige rechtsmacht beschikte.
49 Op grond van de volledige rechtsmacht die de rechter van de Unie aan artikel 91, lid 1, van het Statuut ontleent, dient hij bij hem aanhangige gedingen volledig te beslechten (arrest Weißenfels/Parlement, reeds aangehaald, punt 67, en arrest van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA, C‑197/09 RX‑II, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 56).
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van haar conclusie heeft opgemerkt, stelt deze bevoegdheid de rechterlijke instanties van de Unie met name in staat om het praktisch nut te garanderen van de arresten houdende nietigverklaring die zij in ambtenarenzaken uitspreken, zodat de rechter van de Unie, indien de nietigverklaring van een rechtens onjuist besluit van het TABG niet volstaat om de rechten van de betrokken ambtenaar te doen gelden of zijn belangen op doeltreffende wijze veilig te stellen, hem ambtshalve een vergoeding kan toekennen.
51 Ofschoon het Gerecht in casu heeft geconcludeerd dat het indelingsbesluit en het op de klacht genomen besluit rechtens niet onjuist zijn, moet eraan worden herinnerd dat, zoals in punt 44 van dit arrest is aangegeven, de volledige rechtsmacht de rechterlijke instanties van de Unie eveneens de mogelijkheid biedt om, zelfs in gevallen waarin zij het bestreden besluit niet nietig verklaren, de verwerende partij ambtshalve te veroordelen tot vergoeding van de door haar dienstfout veroorzaakte schade.
52 Vastgesteld zij echter dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 68 en 75 van haar conclusie heeft opgemerkt, de schade die rekwirant op het gebied van zijn bezoldiging en loopbaan heeft geleden in casu niet is veroorzaakt door het indelingsbesluit en het op de klacht genomen besluit, maar door de juridische fouten die de Commissie in het kader van de procedure van vergelijkend onderzoek heeft gemaakt en die rekwirant in het kader van de onderhavige procedure niet aan de orde heeft gesteld.
53 In deze omstandigheden heeft het Gerecht terecht geen gebruik gemaakt van zijn volledige rechtsmacht, zodat het tweede middel dat rekwirant ter onderbouwing van zijn hogere voorziening heeft aangevoerd eveneens moet worden afgewezen.
Vordering tot vergoeding wegens de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht
Argumenten van partijen
54 Rekwirant vraag het Hof om hem een vergoeding van 50 000 EUR toe te kennen wegens de buitensporig lange duur van de procedure voor het Gerecht.
55 Volgens de Commissie betreft het hier een nieuwe vordering die voor het eerst in het stadium van de hogere voorziening is aangevoerd, zodat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard. In elk geval is de vordering kennelijk ongegrond.
Beoordeling door het Hof
56 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, ook al kan het feit dat het Gerecht geen redelijke procestermijn in acht heeft genomen, ervan uitgaande dat dit het geval is, aanleiding zijn voor een schadevordering door middel van een beroep dat de verzoeker krachtens de artikelen 268 VWEU en 340, tweede alinea, VWEU tegen de Europese Unie instelt (arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie, C‑385/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 195), artikel 113, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bepaalt dat in het kader van een hogere voorziening de vorderingen van de rekwirant moeten strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het Gerecht en, in voorkomend geval, tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde (arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr. blz. I‑6513, punt 205).
57 Bijgevolg kan het middel dat de procedure voor het Gerecht een redelijke termijn heeft overschreden, in beginsel niet tot vernietiging van het arrest van het Gerecht leiden indien er geen enkele aanwijzing is dat de duur van de procedure de uitkomst van het geschil heeft beïnvloed, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard (arrest FIAMM e.a./Raad en Commissie, reeds aangehaald, punten 203 en 211).
58 Gogos heeft evenwel op geen enkele wijze gesteld dat de beweerdelijk buitensporig lange duur van de procedure van invloed is geweest op de uitkomst van het geschil voor het Gerecht noch gevraagd om het bestreden arrest om die reden te vernietigen.
59 In deze omstandigheden moet de schadevordering die rekwirant in het kader van de hogere voorziening heeft ingediend niet-ontvankelijk worden verklaard.
60 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Kosten
61 Volgens artikel 69, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 118 van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, indien dit is gevorderd.
62 Overeenkomstig artikel 122, tweede alinea, tweede streepje, van dat Reglement kan het Hof echter, in geval van hogere voorziening ingesteld door een ambtenaar of ander personeelslid van een instelling, beslissen om de kosten over de partijen te verdelen indien de billijkheid dit vergt.
63 In de omstandigheden van de onderhavige zaak moet deze bepaling worden toegepast en worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) C. Gogos en de Europese Commissie zullen elk hun eigen kosten dragen.
ondertekeningen
* Procestaal: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy