Zaak C‑586/08
Angelo Rubino
tegen
Ministero dell’Università e della Ricerca
(verzoek van het Tribunale amministrativo regionale del Lazio om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 2005/36/EG – Erkenning van diploma’s – Begrip ‚gereglementeerd beroep’ – Selectie van vooraf bepaald aantal personen op basis van vergelijkend onderzoek dat leidt tot toekenning van titel waarvan geldigheid in tijd is beperkt – Nationale wetenschappelijke bekwaamheid – Hoogleraar en universitair hoofddocent”
Samenvatting van het arrest
Vrij verkeer van personen – Vrijheid van vestiging – Werknemers – Erkenning van beroepskwalificaties – Werkingssfeer van richtlijn 2005/36
(Art. 39 EG en 43 EG; richtlijn 2005/36 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1, sub a)
Het feit dat de toegang tot een beroep is voorbehouden aan kandidaten die zijn gekozen volgens een procedure die erop is gericht een vooraf bepaald aantal personen te selecteren op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten, en niet op basis van absolute criteria, en die leidt tot het verkrijgen van een titel waarvan de geldigheid strikt beperkt is in de tijd, heeft niet tot gevolg dat dit beroep een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.
Niettemin gebieden de artikelen 39 EG en 43 EG, die de staatsburgers van de lidstaten de toegang tot werkzaamheden in loondienst en anders dan in loondienst zonder discriminatie op grond van nationaliteit waarborgen, dat in het kader van een dergelijke selectieprocedure de in andere lidstaten verworven kwalificaties op hun juiste waarde worden geschat en dat er naar behoren rekening mee wordt gehouden.
(cf. punten 34‑36 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
17 december 2009 (*)
„Richtlijn 2005/36/EG – Erkenning van diploma’s – Begrip ,gereglementeerd beroep’ – Selectie van vooraf bepaald aantal personen op basis van vergelijkend onderzoek dat leidt tot toekenning van in tijd beperkt geldige titel – Nationale wetenschappelijke bekwaamheid – Hoogleraar en universitair hoofddocent”
In zaak C‑586/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Tribunale amministrativo regionale del Lazio (Italië) bij beslissing van 9 juli 2008, ingekomen bij het Hof op 29 december 2008, in de procedure
Angelo Rubino
tegen
Ministero dell’Università e della Ricerca,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader, kamerpresident, K. Schiemann (rapporteur) en P. Kūris, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– A. Rubino, vertegenwoordigd door F. Brunello, avvocato,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Quadri, avvocato dello Stato,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door E. Skandalou en S. Vodina als gemachtigden,
– de Slovaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,
– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en L. Prete als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, sub c, EG en 47, lid 1, EG alsmede van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A. Rubino en het Ministero dell’Università e della Ricerca (ministerie van Universiteiten en Onderzoek; hierna: „ministerie”) over de afwijzing door dit laatste van het verzoek van Rubino om inschrijving op de door het ministerie bijgehouden lijst van personen die de nationale wetenschappelijke bekwaamheid (hierna: „NWB”) bezitten.
Toepasselijke bepalingen
Richtlijn 2005/36
3 Richtlijn 2005/36 reorganiseert en stroomlijnt de bepalingen van eerdere richtlijnen en vervangt onder meer de richtlijnen 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16), en 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van richtlijn 89/48 (PB L 209, blz. 25). Volgens punt 14 van de considerans van richtlijn 2005/36 laat de daarbij doorgevoerde omwerking de wijze van erkenning die bij de richtlijnen 89/48 en 92/51 is vastgesteld, onverlet.
4 Uit artikel 2, lid 1, van richtlijn 2005/36 volgt dat deze van toepassing is op alle onderdanen van een lidstaat die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven, een „gereglementeerd beroep” willen uitoefenen.
5 Artikel 3, lid 1, sub a en b, van richtlijn 2005/36 bevat de volgende definities:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) ,gereglementeerd beroep’: een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening. [...]
b) ,beroepskwalificaties’: kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest zoals bedoeld in artikel 11, [...] sub a‑i, en/of beroepservaring.”
6 Artikel 11 van richtlijn 2005/36 draagt de titel „Kwalificatieniveaus”. In dit artikel 11 is sub a‑i bepaald:
„Voor de toepassing van artikel 13 worden de beroepskwalificaties in de volgende niveaus ingedeeld:
a) een bekwaamheidsattest dat is afgegeven door een overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aangewezen bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong, nadat men:
i) [...] een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding heeft afgelegd [...]”
7 Artikel 13 van richtlijn 2005/36, „Voorwaarden inzake erkenning”, voorziet het volgende in lid 1 ervan:
„Wanneer in een ontvangende lidstaat de toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, staat de bevoegde autoriteit van deze lidstaat de toegang tot en uitoefening van dit beroep onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden, toe aan aanvragers die in het bezit zijn van het bekwaamheidsattest dat of de opleidingstitel die in een andere lidstaat verplicht wordt gesteld voor de toegang tot of uitoefening van dat beroep op zijn grondgebied.
De bekwaamheidsattesten of opleidingstitels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
[...]
b) zij moeten blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk voorafgaand aan het door de ontvangende lidstaat vereiste niveau, zoals omschreven in artikel 11.”
Nationale regeling
8 Op 6 november 2007 is vastgesteld wetsdecreet nr. 206 ter uitvoering van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en van richtlijn 2006/100/EG tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (decreto legislativo n. 206 – Attuazione della direttiva 2005/36/CE relativa al riconoscimento delle qualifiche professionali, nonché della direttiva 2006/100/CE che adegua determinate direttive sulla libera circolazione delle persone a seguito dell’adesione di Bulgaria e Romania) (gewone bijlage bij GURI nr. 261 van 9 november 2007; hierna: „wetsdecreet nr. 206/2007”).
9 Volgens de door de verwijzende rechter daaraan gegeven uitlegging is dit wetsdecreet echter niet van toepassing op het beroep van hoogleraar of universitair hoofddocent.
10 In Italië is voor de toegang tot deze beroepen geen opleidingstitel of beroepservaring nodig.
11 Het verloop van de selectie van hoogleraren en universitaire hoofddocenten is geregeld in wet nr. 230 betreffende nieuwe bepalingen inzake hoogleraren, universitaire hoofddocenten en onderzoekers en delegatie aan de regering voor de hervorming van de aanwerving van hoogleraren en universitaire hoofddocenten (legge n. 230 – Nuove disposizioni concernenti i professori e i ricercatori universitari e delega al Governo per il riordino del reclutamento dei professori universitari) van 4 november 2005 (GURI nr. 258 van 5 november 2005; hierna: „wet nr. 230/2005”), en in wetsdecreet nr. 164 betreffende de hervorming van de regelgeving inzake de aanwerving van hoogleraren en universitaire hoofddocenten, overeenkomstig artikel 1, lid 5, van wet nr. 230 van 4 november 2005 (decreto legislativo n. 164 – Riordino della disciplina del reclutamento dei professori universitari, a norma dell’articolo 1, comma 5 della legge 4 novembre 2005, n° 230) van 6 april 2006 (GURI nr. 101 van 3 mei 2006; hierna: „wetsdecreet nr. 164/2006”).
12 Artikel 1, leden 5 tot en met 9, van wet nr. 230/2005 houdt de volgende regeling in:
„5. Met het oog op de hervorming van de regelgeving inzake de aanwerving van hoogleraren en universitaire hoofddocenten wordt, om te waarborgen dat de selectie aan het niveau van de te vervullen functies beantwoordt, aan de regering de bevoegdheid gedelegeerd om binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige wet, onder eerbiediging van de autonomie van de universitaire instellingen een of meerdere wetsdecreten vast te stellen waarbij de volgende richtinggevende beginselen en criteria in acht worden genomen:
a) vóór 30 juni van elk jaar leidt de minister van Onderwijs, Universiteiten en Onderzoek bij decreet per wetenschappelijke sector en per vakgebied procedures in voor de toekenning van de [NWB], waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de klassen gewone hoogleraren en universitaire hoofddocenten, door vaststelling van met name:
1) de modaliteiten om, aan de hand van de door de universiteiten aangegeven behoefte, vermeerderd met een coëfficiënt van ten hoogste 40 %, per klasse en per vakgebied het maximumaantal personen te definiëren waaraan de [NWB] kan worden toegekend, waarbij de financiële dekking wordt gewaarborgd en afhankelijk wordt gesteld van het feit dat de [NWB] geen recht op toegang tot het docentschap geeft, alsook de procedures en termijnen voor oproepen tot, de uitvoering van en de afronding van proeven van bekwaamheid die op de universiteiten worden afgenomen, waarbij de openbaarheid van de door jury’s verrichte handelingen en genomen beslissingen wordt gewaarborgd; voor elk vakgebied wordt gewaarborgd dat de houders van de [NWB] ten minste eenmaal per vijf jaar per klasse een functie wordt aangeboden;
[...]
6. [...] De geschikt bevonden kandidaten die niet voor het vervolg van de reeds georganiseerde procedures worden uitgenodigd, of waarvan de dossiers zijn goedgekeurd, behouden het voordeel van de [NWB] voor een periode van vijf jaar vanaf de toekenning ervan. De invulling van de functies van gewoon hoogleraar en universitair hoofddocent door de verschillende universiteiten, door oproeping van de geschikt bevonden docenten, [...] geschiedt in elk geval met inachtneming van de procedures [...]
[...]
8. De universiteiten voorzien in de invulling van de functies van gewoon hoogleraar en universitair hoofddocent volgens procedures waarvoor een eigen reglement is vastgesteld, die verzekeren dat de kandidaten aan een vergelijkend onderzoek worden onderworpen en dat de handelingen openbaar zijn, en die zijn voorbehouden aan de houders van [de NWB] bedoeld in lid 5, sub a, [...]
9. De universiteiten [...] kunnen ten hoogste 10 % van de functies van gewoon hoogleraar of universitair hoofddocent bezetten door de rechtstreekse benoeming van gespecialiseerde buitenlandse of in het buitenland werkzame Italiaanse wetenschappers die in het buitenland een titel van onderwijsbekwaamheid van gelijk niveau hebben verkregen [...]”
13 Artikel 3 van wetsdecreet nr. 164/2006, met de titel „Nationale wetenschappelijke bekwaamheid”, luidt:
„1. De titel van [NWB] wordt verkregen na een procedure die bij decreet door de minister voor elk vakgebied en afzonderlijk voor de klassen gewone hoogleraren en universitaire hoofddocenten wordt ingeleid.
2. De titel van [NWB] wordt toegekend binnen de grenzen van de aantallen die zijn vermeld in de oproep aan de kandidaten die de „piena maturità scientifica” voor de klasse gewone hoogleraren en „maturità scientifica” voor universitaire hoofddocenten bezitten.
3. Het bezit van de titel van [NWB] is een noodzakelijke voorwaarde voor deelname aan de in artikel 1, lid 8, van de wet bedoelde procedure en omvat niet het recht op toegang tot het beroep van hoogleraar of universitair hoofddocent.
4. De [NWB] is met het oog op de deelname aan de aanwervingsprocedures vier jaar vanaf de verwerving ervan geldig.”
14 Artikel 9 van wetsdecreet nr. 164/2006, „Werkzaamheden van de beoordelingscommissies”, luidt:
„1. De commissies, die zetelen in de universiteiten waarin de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen, verkiezen hun voorzitter en stellen de hoofdcriteria en de procedure voor het vergelijkend onderzoek van de kandidaten vast en nemen daarbij zo veel mogelijk de op nationaal en internationaal niveau erkende parameters in acht.
[...]
3. Bij de beoordeling van het wetenschappelijk werk, de overige wetenschappelijke titels en het algemene curriculum, waaronder dat betreffende de onderwijswerkzaamheden en de beroeps‑ en organisatorische ervaring, neemt de commissie de volgende criteria in acht:
a) de oorspronkelijkheid en innovatie van het wetenschappelijk werk, waaronder innoverende publicaties, octrooien en projecten, alsook de methodologische betrouwbaarheid;
b) de op analytische wijze bepaalde persoonlijke bijdrage van de kandidaat aan gemeenschappelijke werken, voor zover individualiseerbaar;
c) het bestuur en de coördinatie van onderzoeksgroepen;
d) de mate waarin de werkzaamheid van de kandidaat is afgestemd op de vakgebieden in de sector waarvoor de procedure is ingeleid, althans op de vakgebiedoverschrijdende thema’s die daarin aan de orde zijn;
e) het wetenschappelijke belang van de lijst van publicaties en de verspreiding ervan binnen de wetenschappelijke gemeenschap;
f) de continuïteit van het wetenschappelijk werk in de tijd, mede in het licht van de voorschrijdende inzichten in de specifieke sector;
g) de omvang en kenmerken van de verbintenissen op het gebied van het onderwijs, gestaafd door de betrokken instellingen;
h) de omvang en kenmerken van de werkzaamheden op klinisch en therapeutisch gebied en op elk ander beroeps‑ of arbeidsgerelateerd gebied waarvoor de daarmee samenhangende ervaring en bekwaamheid uitdrukkelijk vereist zijn, althans het feit dat deze laatste onderdeel zijn van het profiel van de kandidaat.
4. Het oordeel van de commissie over het wetenschappelijk werk, de titels en de algemene merite van de kandidaat wordt onder specifieke verwijzing naar de in de leden 1 en 3 genoemde criteria geredigeerd.
5. Na onderzoek van het wetenschappelijk werk en de titels in het kader van de proeven van bekwaamheid voor de klasse van de universitaire hoofddocenten, leggen de kandidaten een onderwijskundige proef af en debatteren zij over het overgelegde wetenschappelijk werk. De oproep tot aanmelding kan erin voorzien dat de proeven worden afgelegd in de vreemde taal waarop het vergelijkend onderzoek betrekking heeft. In het kader van de proeven voor de klasse van de gewone hoogleraren, debatteren de kandidaten over hun wetenschappelijk werk en leggen zij, voor zover zij geen universitair hoofddocent zijn, een onderwijskundige proef af die meeweegt bij de algemene beoordeling.
[...]
9. Aan het einde van haar werkzaamheden geeft de commissie aan, na een vergelijkend onderzoek en bij een bij gewone meerderheid van haar leden genomen besluit, welke kandidaten de titel van [NWB] dient te worden toegekend, zulks binnen de grenzen van de aantallen die in de oproep tot aanmelding zijn vastgesteld.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
15 Na vanaf 1991 academisch werkzaam te zijn geweest, heeft Rubino, een Italiaans staatsburger, in 2005 de „Habilitation” (facultas legendi) voor het vakgebied oceanografie en de „Lehrbefugnis” (venia legendi) aan de faculteit der geofysische wetenschappen van de Universität Hamburg (Duitsland) verworven. Deze titels getuigen van zijn bekwaamheid om als gewoon hoogleraar („Ordinarius”) in het Duitse hogere onderwijsstelsel te doceren.
16 Rubino werkt thans als oceanografisch fysicus aan de Università Ca’ Foscari te Venetië (Italië) en is sinds 1999 ingeschreven in het Italiaanse register van universitaire onderzoekers.
17 Rubino heeft sinds 14 september 2007 bij meerdere gelegenheden om erkenning van zijn in Duitse verworven kwalificaties in Italië verzocht, zodat hij kan worden ingeschreven op de lijst van houders van de NWB.
18 Het ministerie heeft deze verschillende verzoeken echter bij besluit van 23 januari 2008 afgewezen. Het betwist dat de in Duitsland verleende „Lehrbefugnis” gelijkwaardig is aan de NWB in het Italiaanse universitaire systeem. Het stelt zich op het standpunt dat wetsdecreet nr. 206/2007 niet van toepassing is nu het beroep van hoogleraar of universitair hoofddocent in Italië geen gereglementeerd beroep is, aangezien het personeel betreft dat wordt aangeworven op basis van een selectieprocedure waaraan kan worden deelgenomen zonder dat een bepaald diploma vereist is.
19 Rubino heeft bij het Tribunale amministrativo regionale del Lazio tegen dit besluit van het ministerie beroep ingesteld, waarin hij te kennen geeft dat het in strijd is met het gemeenschapsrecht, meer bepaald richtlijn 2005/36.
20 Van oordeel dat er twijfel kon bestaan over de verenigbaarheid van de Italiaanse regelgeving met het gemeenschapsrecht, heeft het Tribunale amministrativo regionale del Lazio de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Staan de communautaire beginselen betreffende de afschaffing tussen de lidstaten van de [Europese] Gemeenschap van hinderpalen voor het vrije verkeer van personen en diensten, en betreffende de wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels, zoals deze voortvloeien uit de artikelen 3, lid 1, sub c, [EG] en 47, lid 1, [EG], alsmede de bepalingen van richtlijn 2005/36 [...], in de weg aan een nationale regeling als [...] wetsdecreet nr. 206/2007, waarbij de hoogleraren en universitaire hoofddocenten niet worden gerekend tot de gereglementeerde beroepen in verband met de erkenning van beroepskwalificaties?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21 Volgens de verwijzende rechter is geen opleidingstitel of beroepservaring nodig om in Italië toegang te hebben tot het beroep van hoogleraar of universitair hoofddocent of om dit uit te oefenen.
22 Bijgevolg moet de gestelde vraag aldus worden opgevat dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of het feit dat de toegang tot dit beroep is voorbehouden aan kandidaten die zijn gekozen volgens een selectieprocedure zoals die welke tot de NWB leidt, tot gevolg heeft dat dit beroep een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36.
23 In dit verband moet worden opgemerkt dat de definitie van het begrip „gereglementeerd beroep” in de zin van richtlijn 2005/36 door het gemeenschapsrecht wordt beheerst (zie naar analogie met betrekking tot richtlijn 89/48, arresten van 8 juli 1999, Fernández de Bobadilla, C‑234/97, Jurispr. blz. I‑4773, punt 14, en 9 september 2003, Burbaud, C‑285/01, Jurispr. blz. I‑8219, punt 43).
24 Blijkens artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36 wordt onder gereglementeerd beroep verstaan, een beroepswerkzaamheid waartoe de toegang of waarvan de uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties.
25 Krachtens de artikelen 3, lid 1, sub b, en 11, sub a‑i, van richtlijn 2005/36 kunnen de betreffende beroepskwalificaties onder meer bestaan in kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel of een bekwaamheidsattest dat is afgegeven nadat de betrokkene een specifiek examen zonder voorafgaande opleiding heeft afgelegd.
26 Rubino geeft te kennen dat de NWB een bekwaamheidsattest is dat wordt afgegeven op basis van een dergelijk specifiek examen zonder voorafgaande opleiding in de zin van artikel 11, sub a‑i, van richtlijn 2005/36. Hij leidt hieruit af dat het om een beroepskwalificatie in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van die richtlijn gaat en dat derhalve het beroep van hoogleraar of universitair hoofddocent in Italië een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van die richtlijn. Rubino concludeert hieruit dat krachtens artikel 13, lid 1, van de richtlijn de in Duitsland verkregen kwalificaties hem het recht geven op de lijst van houders van de NWB te worden ingeschreven.
27 Opgemerkt moet evenwel worden dat volgens de rechtspraak de bij de richtlijnen 89/48 en 92/51 ingestelde algemene stelsels voor de erkenning van diploma’s geen betrekking hebben op de keuze van de selectie- en aanwervingsprocedures om in vacatures te voorzien en dat aan die stelsels geen recht op aanwerving kan worden ontleend. Deze stelsels schrijven immers enkel voor dat de in een lidstaat verworven kwalificaties worden erkend, zodat de houder ervan in een andere lidstaat naar een functie kan solliciteren, met inachtneming van de aldaar geldende selectie- en aanwervingsprocedures voor gereglementeerde beroepen (zie in die zin met betrekking tot richtlijn 89/48, arrest Burbaud, reeds aangehaald, punt 91). Deze beginselen zijn onveranderd gebleven na de reorganisatie en stroomlijning als gevolg van de vaststelling van richtlijn 2005/36.
28 Derhalve kan een aanvrager zich niet op richtlijn 2005/36 beroepen om vrijgesteld te worden van een gedeelte van een selectie‑ en aanwervingsprocedure.
29 Uit het aan het Hof overgelegde dossier en de door de verwijzende rechter aangehaalde Italiaanse regelgeving volgt dat het verkrijgen van de NWB een selectiestap in de aanwervingsprocedure voor hoogleraren en universitaire hoofddocenten is.
30 Deze procedure bestaat immers uit twee stappen, waarvan de eerste het verkrijgen van de NWB is. De houders van die titel worden ingeschreven op een lijst van houders van de NWB en kunnen vervolgens, in de tweede stap van de selectieprocedure, solliciteren naar een specifieke functie bij een universiteit en dus worden aangeworven op grond van criteria die van universiteit tot universiteit verschillen.
31 Aangaande meer bepaald de selectieprocedure die leidt tot het verkrijgen van de NWB, voorzien artikel 1, lid 5, sub a, punt 1, van wet nr. 230/2005 alsook de artikelen 3, lid 2, en 9, lid 9, van wetsdecreet nr. 164/2006 erin dat vooraf voor elk vakgebied het aantal personen dat deze titel kan verkrijgen wordt gemaximeerd op basis van de door de universiteiten aangegeven behoeften. Bovendien volgt uit artikel 1, lid 8, van wet nr. 230/2005 en artikel 9 van wetsdecreet nr. 164/2006 dat de selectie plaatsvindt op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten die zich hebben aangemeld, en niet door toepassing van absolute criteria. Daarenboven is krachtens artikel 1, lid 6, van wet nr. 230/2005 en artikel 3, lid 4, van wetsdecreet nr. 164/2006, de NWB beperkt in de tijd geldig.
32 Vastgesteld moet worden dat het feit te zijn gekozen volgens een procedure die erop is gericht een vooraf bepaald aantal personen te selecteren op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten, en niet op basis van absolute criteria, en die leidt tot het verkrijgen van een titel waarvan de geldigheid strikt beperkt is in de tijd, niet kan worden beschouwd als een beroepskwalificatie in de zin van artikel 3, lid 1, sub b, van richtlijn 2005/36.
33 In die context is de door Rubino ingeroepen omstandigheid dat artikel 1, lid 9, van wet nr. 230/2005 de universiteiten de mogelijkheid biedt om in afwijking van de normaliter toepasselijke regels in 10 % van de functies van hoogleraar of universitair hoofddocent te voorzien door de rechtstreekse benoeming van gespecialiseerde buitenlandse of in het buitenland werkzame Italiaanse wetenschappers die in het buitenland een aan de NWB gelijkwaardige titel hebben verkregen, op zich niet relevant voor het antwoord op de met betrekking tot richtlijn 2005/36 gestelde vraag. Overigens staat vast dat Rubino deze uitzonderingsbepaling in het hoofdgeding niet heeft ingeroepen, maar heeft verzocht te worden opgenomen op de lijst van houders van de NWB zonder zich te hoeven aan te melden voor de selectieprocedure die in de toepasselijke nationale regelgeving is voorzien.
34 Voor zover in de voorgelegde vraag wordt verwezen naar de bepalingen van het EG-Verdrag betreffende de fundamentele vrijheden, moet er niettemin aan worden herinnerd dat de artikelen 39 EG en 43 EG de onderdanen van de lidstaten de toegang tot werkzaamheden in loondienst en anders dan in loondienst zonder discriminatie op grond van nationaliteit waarborgen. Het staat bijgevolg aan de nationale autoriteiten erop toe te zien dat in het kader van een selectieprocedure zoals die welke leidt tot inschrijving op de lijst van houders van de NWB, de in andere lidstaten verworven kwalificaties op hun juiste waarde worden geschat en dat er naar behoren rekening mee wordt gehouden (zie naar analogie arrest Burbaud, reeds aangehaald, punten 99 en 100).
35 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het feit dat de toegang tot een beroep is voorbehouden aan kandidaten die zijn gekozen volgens een procedure die erop is gericht een vooraf bepaald aantal personen te selecteren op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten, en niet op basis van absolute criteria, en die leidt tot het verkrijgen van een titel waarvan de geldigheid strikt beperkt is in de tijd, niet tot gevolg heeft dat dit beroep een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36.
36 Niettemin moeten ingevolge de artikelen 39 EG en 43 EG de in andere lidstaten verworven kwalificaties op hun juiste waarde worden geschat en in het kader van een dergelijke procedure naar behoren in aanmerking worden genomen.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Het feit dat de toegang tot een beroep is voorbehouden aan kandidaten die zijn gekozen volgens een procedure die erop is gericht een vooraf bepaald aantal personen te selecteren op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten, en niet op basis van absolute criteria, en die leidt tot het verkrijgen van een titel waarvan de geldigheid strikt beperkt is in de tijd, heeft niet tot gevolg dat dit beroep een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.
Niettemin moeten ingevolge de artikelen 39 EG en 43 EG de in andere lidstaten verworven kwalificaties op hun juiste waarde worden geschat en in het kader van een dergelijke procedure naar behoren in aanmerking worden genomen.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy