29.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/15
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg (Duitsland) op 4 januari 2008 — Michael Mario Karl Kerner/Land Baden-Württemberg
(Zaak C-4/08)
(2008/C 79/28)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Michael Mario Karl Kerner
Verwerende partij: Land Baden-Württemberg
Prejudiciële vragen
1)
Verzet artikel 8, lid 4, van richtlijn 91/439/EEG zich ook dan tegen de toepassing van een nationale bepaling die in geval van een voorafgaande intrekking van het rijbewijs (1) in het binnenland de erkenning van het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs afhankelijk stelt van de voorwaarde dat is aangetoond dat de omstandigheden die aanvankelijk tot de intrekking van het rijbewijs hebben geleid, niet meer bestaan, wanneer
—
de erkenning van dit rijbewijs niet in het belang van de verwezenlijking van het fundamentele recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie noodzakelijk is,
—
het rijbewijs in de andere lidstaat kennelijk in strijd met de bepalingen van deze richtlijn (woonplaatsvereiste) is verleend,
—
de lidstaat van afgifte zich bij de afgifte van het rijbewijs zelf bewust moet zijn geweest van deze kennelijke schending van de richtlijn,
—
de lidstaat van afgifte, naar de woonstaat heeft vernomen, de intrekking van rijbewijzen die in strijd zijn met het gemeenschapsrecht, in het algemeen weigert,
—
het rijbewijs van betrokkene in de andere lidstaat met misbruik van recht is verkregen met het doel de op zich volgens de richtlijn voor de hernieuwde afgifte toepasselijke bepalingen van de woonstaat te omzeilen, en de lidstaat van afgifte op de hoogte moest zijn van dit misbruik van recht,
—
en de medische keuring van de rijgeschiktheid van betrokkene, die met kennis van de redenen van de oorspronkelijke intrekking van het rijbewijs is verricht in de lidstaat van afgifte vóór de afgifte van het rijbewijs, kennelijk niet voldeed aan de vereisten die ter zake moeten worden gesteld gelet op de redenen voor de eerdere intrekking van het rijbewijs, zodat verdere deelneming aan het verkeer door betrokkene een groot gevaar voor het leven en de lichamelijke integriteit van andere weggebruikers oplevert?
Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:
2)
Moet artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439/EEG dan aldus worden uitgelegd dat de woonstaat in de in de eerste vraag beschreven situatie weliswaar gehouden is het in een EU-lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen, met het gevolg dat de houder op het eigen grondgebied in beginsel een voertuig mag besturen, maar dat de woonstaat in het belang van de verkeersveiligheid, om het van deze rijbewijshouder uitgaande aanzienlijke gevaar tegen te gaan, ten minste bevoegd is zijn rijgeschiktheid te toetsen op de omstandigheden die eerder tot de intrekking van het rijbewijs in de woonstaat hebben geleid en die door de latere afgifte van het rijbewijs in een andere lidstaat van de Europese Unie niet als niet meer aan de orde kunnen worden beschouwd?
(1) PB L 237, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy