29.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/17
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeidshof te Luik (België) op 11 januari 2008 — Mono Car Styling SA, in liquidatie/Dervis Odemis, Marc Bayard, Pietro Dimola, Danielle Marra, Youssef Belkaid, Marie-Christine Henri, Philippe Tistaert, Richard Toussaint, Alexandre Van Rutten, François Cristantielli, Khalid Zari, Isabelle Longaretti, Luigi Deiana, Vincent Hellinx, Christophe Novelli, Domenico Castronovo, Rachid Hitti, Alberto D'Errico, Marco Quaranta, Primo Pecci, Giuseppe Montaperto
(Zaak C-12/08)
(2008/C 79/30)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Arbeidshof te Luik
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Mono Car Styling SA, in liquidatie
Verwerende partijen: Dervis Odemis, Marc Bayard, Pietro Dimola, Danielle Marra, Youssef Belkaid, Marie-Christine Henri, Philippe Tistaert, Richard Toussaint, Alexandre Van Rutten, François Cristantielli, Khalid Zari, Isabelle Longaretti, Luigi Deiana, Vincent Hellinx, Christophe Novelli, Domenico Castronovo, Rachid Hitti, Alberto D'Errico, Marco Quaranta, Primo Pecci, Giuseppe Montaperto
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 6 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (1), dat bepaalt dat:
„De lidstaten dragen er zorg voor dat de vertegenwoordigers van de werknemers en/of de werknemers over administratieve en/of gerechtelijke procedures beschikken om de verplichtingen waarin deze richtlijn voorziet, te doen naleven”,
aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling zoals artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, volgens welke een werknemer de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure niet meer kan betwisten,
—
behalve op de grond dat de werkgever de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, van dezelfde wet niet heeft nageleefd,
—
en voor zover de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers die dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, bij de werkgever bezwaar hebben gemaakt betreffende de naleving van één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66, § 2, tweede lid,
—
en de ontslagen werknemer bij een ter post aangetekende brief aan de werkgever heeft laten weten dat hij de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure betwistte en dat hij dringend verzocht om herstel in zijn functie, en wel binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van zijn ontslag of vanaf de dag waarop de ontslagen het karakter van een collectief ontslag hebben gekregen?
2)
Indien artikel 6 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, aldus kan worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat een nationale bepaling vast te stellen zoals artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, volgens welke een werknemer de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure niet meer kan betwisten dan op de grond dat de werkgever de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, van dezelfde wet niet heeft nageleefd, en voor zover de vertegenwoordigers van het personeel in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers die dienden geïnformeerd en geraadpleegd te worden, bij de werkgever bezwaar hebben gemaakt betreffende de naleving van één of meer van de voorwaarden, bedoeld in artikel 66, § 1, tweede lid, binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van de aanplakking bedoeld in artikel 66, § 2, tweede lid, en de ontslagen werknemer bij een ter post aangetekende brief aan de werkgever heeft laten weten dat hij de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure betwistte en dat hij dringend verzocht om herstel in zijn functie, en wel binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag van zijn ontslag of vanaf de dag waarop de ontslagen het karakter van een collectief ontslag hebben gekregen,
is een dergelijk systeem verenigbaar met de fundamentele rechten van het individu die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan de communautaire rechter de handhaving waarborgt, meer in het bijzonder met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
3)
Kan een nationale rechter bij wie een geding aanhangig is tussen twee particulieren, in casu tussen een werknemer en zijn voormalige werkgever, een bepaling van nationaal recht die in strijd is met de bepalingen van een communautaire richtlijn, zoals artikel 67 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, buiten toepassing laten teneinde andere bepalingen van nationaal recht toe te passen die waarschijnlijk een juiste omzetting vormen van een communautaire richtlijn, zoals de bepalingen in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 24 van 2 oktober 1975, verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 21 januari 1976, maar waarvan de daadwerkelijke toepassing wordt verhinderd door de met een communautaire richtlijn strijdige bepaling van nationaal recht, in casu artikel 67 van de wet van 13 februari 1998?
4)
1)
Moet artikel 2 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998, met name de leden 1, 2 en 3 daarvan, aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling zoals artikel 66, § 1, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, volgens welke de werkgever die wil voldoen aan de aan hem opgelegde verplichtingen in het kader van een collectief ontslag, enkel behoeft aan te tonen dat hij heeft voldaan aan de volgende voorwaarden, te weten dat hij
1.
aan de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, aan de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, aan de werknemers, een schriftelijk verslag heeft voorgelegd waarin hij zijn voornemen te kennen geeft om over te gaan tot een collectief ontslag;
2.
het bewijs kan leveren dat hij omtrent het voornemen om over te gaan tot een collectief ontslag met de ondernemingsraad heeft vergaderd of, bij ontstentenis ervan, dat hij met de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, met de werknemers heeft vergaderd;
3.
de leden die het personeel vertegenwoordigen in de ondernemingsraad of, bij ontstentenis ervan, de leden van de vakbondsafvaardiging of, bij ontstentenis ervan, de werknemers, de mogelijkheid heeft geboden om vragen te stellen in verband met het voorgenomen collectief ontslag en om in dat verband argumenten te formuleren of tegenvoorstellen te doen;
4.
de in 3o bedoelde vragen, argumenten en tegenvoorstellen heeft onderzocht en beantwoord?
2)
Moet ditzelfde artikel aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling zoals artikel 67, tweede alinea, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, volgens welke de ontslagen werknemer de naleving van de informatie- en raadplegingsprocedure enkel kan betwisten op de grond dat de werkgever de voorwaarden van artikel 66, § 1, tweede lid, niet heeft nageleefd, die zijn genoemd in punt 1 hierboven?
(1) PB L 225, blz. 16.
Full & Egal Universal Law Academy