29.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/18
Hogere voorziening ingesteld op 17 januari 2008 door MPDV Mikrolab GmbH, Mikroprozessordatenverarbeitung und Mikroprozessorlabor tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 8 november 2007 in zaak T-459/05, MPDV Mikrolab GmbH, Mikroprozessordatenverarbeitung und Mikroprozessorlabor/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-17/08 P)
(2008/C 79/31)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: MPDV Mikrolab GmbH, Mikroprozessordatenverarbeitung und Mikroprozessorlabor (vertegenwoordiger: W. Göpfert, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij het beroep is verworpen overeenkomstig de conclusies van de partijen voor het Gerecht;
—
vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van 19 oktober 2005 in zaak R 1059/2004-2; en
—
verwijzing van verweerder in de kosten van de hogere voorziening.
Middelen en voornaamste argumenten
In hogere voorziening stelt rekwirante dat het Gerecht in het bestreden arrest artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk onjuist heeft uitgelegd.
Deze onjuiste uitlegging is er de oorzaak van dat de gemeenschapsmerkaanvraag voor het woord „manufacturing score card” ten onrechte is afgewezen. Het Gerecht heeft met name niet alleen blijk gegeven van een onjuiste inhoudelijke beoordeling, maar bovendien een ernstige fout gemaakt bij de uitlegging van de door het Hof van Justitie gestelde voorwaarden inzake het onderscheidend vermogen van een merk en van de vrijhoudingsbehoefte met betrekking tot de gemeenschapsmerkaanvraag en het relevante publiek.
Het Gerecht heeft de in de aanvraag opgegeven woordcombinatie ten onrechte uit elkaar gehaald en op basis daarvan communautaire bescherming geweigerd. Een dergelijke decompositie stemt echter niet overeen met de wijze waarop het „normale” publiek het merk beoordeelt en waarneemt wanneer het met het merk in zijn geheel wordt geconfronteerd. Bovendien heeft het Gerecht het ontbreken van onderscheidend vermogen en het bestaan van een vrijhoudingsbehoefte ten onrechte gebaseerd op het feit dat de woordcombinatie bestaat uit elementen die in het handelsverkeer gewoonlijk worden gebruikt tot aanduiding van het doel en de functie van de opgegeven diensten. Dat publiek ziet echter geen dergelijke, onmiddellijk duidelijke betekenis in de uit een combinatie van drie Engelse woorden bestaande gemeenschapsmerkaanvraag „manufacturing score card”. Bijgevolg bezit het aangevraagde merk het vereiste minimum aan onderscheidend vermogen overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 en beschrijft het ook geen kenmerken van de waren of diensten in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94.
Full & Egal Universal Law Academy