29.3.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 79/19
Hogere voorziening ingesteld op 22 januari 2008 door Enercon GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 15 november 2007 in zaak T-71/06, Enercon GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-20/08 P)
(2008/C 79/33)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Enercon GmbH (vertegenwoordigers: R. Böhm en U. Sander, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 15 november 2007 (zaak T-71/06);
—
toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen;
—
subsidiair, terugwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg;
—
verwijzing van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt in de kosten van beide procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes eerste middel in hogere voorziening betreft niet-nakoming van de motiveringsplicht van artikel 73, lid 1, van verordening nr. 40/94. In de beslissing van de kamer van beroep noch in het bestreden arrest van het Gerecht van eerste aanleg wordt vastgesteld of toegelicht welke vormen van waren door het BHIM c.q. het Gerecht van eerste aanleg als gangbaar op de betrokken markt worden beschouwd, en in welk opzicht de aangevraagde vorm voor waren naar hun oordeel afwijkt van de gangbare vormen. Bij gebreke van dergelijke vaststellingen en verklaringen kan niet worden opgemaakt hoe het BHIM c.q. het Gerecht van eerste aanleg tot de conclusie is gekomen dat de aangevraagde vorm voor waren onderscheidend vermogen mist.
In haar tweede middel in hogere voorziening verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 doordat zijn beoordeling van het onderscheidend vermogen, bij gebreke van een uitzetting van de feitelijke grondslag, alleen maar kan zijn gebaseerd op een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde feiten, waardoor zijn beoordeling voor herziening vatbaar is. Anders dan in het bestreden arrest is geoordeeld, bezit de aangevraagde vorm voor waren onderscheidend vermogen, aangezien hij aanzienlijk verschilt van de norm en van de vormen die op de markt gangbaar zijn, en niet slechts een variant van de gebruikelijke vormen is. Het aangevraagde driedimensionale merk kan en wordt door de in casu relevante vakkringen ook los van het gebruik ervan en zonder nader onderzoek of reflectie (worden) opgevat als een aanduiding van herkomst.
Full & Egal Universal Law Academy