12.4.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 92/20
Beroep ingesteld op 18 februari 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek
(Zaak C-61/08)
(2008/C 92/38)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Zavvos en H. Støvlbæk)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vast te stellen dat de Helleense Republiek, door de vaststelling en handhaving van artikel 19, lid 1, van het Notarieel Wetboek (wet 2830/2000), de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens het EG-Verdrag, met name de artikelen 43 EG en 45 EG en richtlijn 89/48/EEG (1) betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten;
—
de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
De Griekse autoriteiten stellen dat de werkzaamheden van notarissen niet onder artikel 43 EG vallen omdat zij vallen binnen de werkingssfeer van artikel 45 EG. Zij wijzen op de hoedanigheid van de notaris als openbaar ambtenaar, welke aan notariële akten een grotere bewijskracht en uitvoerbare kracht verleent, die vergelijkbaar zijn met die van een rechterlijke uitspraak, door het gebruik van het zegel van de staat, op de hoedanigheid van de notaris als orgaan van de rechtsbedeling, op zijn rol als juridische raadgever, en op een aantal andere werkzaamheden. Zij verwijzen ook naar het territorialiteitsbeginsel, dat een Grieks notaris verbiedt zich te vestigen in een ander ambtsgebied.
2.
De Commissie meent dat artikel 43 EG een van de fundamentele bepalingen van de Gemeenschap is, die sinds het einde van de overgangsperiode rechtstreeks van toepassing is in de lidstaten. Het strekt ertoe het voordeel van de nationale behandeling te garanderen aan elke burger van een lidstaat die zich voor de uitoefening van een vrije activiteit in een lidstaat vestigt, zelfs met een secundair verblijf, en verbiedt elke discriminatie op grond van nationaliteit die het gevolg is van nationale wettelijke regelingen.
3.
De uitzondering op de vrijheid van vestiging waarin artikel 45, eerste alinea, EG voorziet, moet worden beperkt tot werkzaamheden die een „rechtstreekse en specifieke deelname aan de uitoefening van openbaar gezag opleveren”. Volgens de Commissie levert geen enkele van de door de Griekse autoriteiten aangevoerde hoedanigheden of werkzaamheden een rechtstreekse en specifieke deelname aan de uitoefening van openbaar gezag op, zoals vereist in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen; als zodanig kunnen zij dus geen rechtvaardiging vormen voor de verboden discriminatie.
4.
Het Hof van Justitie is van oordeel dat het criterium „rechtstreekse en specifieke deelname” niet van toepassing is op de uitoefening van accessoire en voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de taken van de overheid, die de eindbeslissing neemt. Verder heeft het Hof bij het onderzoek van het regime van beveiligingsbedrijven en -personeel geoordeeld dat, opdat sprake zou zijn van rechtstreekse en specifieke deelname aan de uitoefening van openbaar gezag, de betrokkenen de bevoegdheid moet zijn verleend „dwang uit te oefenen” (2), wat hier uiteraard niet het geval is.
5.
Uit onderzoek van de rechtspraak van het Hof blijkt dat de uitoefening van openbaar gezag niet mag worden verward met een eenvoudige handeling die wordt verricht in het openbaar belang. Het enkele feit dat een particulier of een onderneming in zekere mate moet optreden in het openbaar belang, volstaat niet om die handeling als een uitoefening van openbaar gezag aan te merken.
6.
Volgens de Commissie is richtlijn 89/48 van toepassing op het beroep van notaris, zowel voor zover het een bij wet geregeld beroep betreft als wat de vereiste kwalificaties betreft, en de toepassing van die richtlijn kan niet worden omzeild met een beroep op de toewijzing van soevereine rechten die de notarissen uitoefenen, om de volgende redenen:
a)
die toewijzing leidt niet tot een rechtstreekse en specifieke deelname aan de uitoefening van openbaar gezag, die de discriminatie zou rechtvaardigen, en
b)
zelfs als mocht worden aangenomen dat notarissen kunnen worden beschouwd als gewone overheidsambtenaren — quod non — ontbreekt de verhouding van ondergeschiktheid en de bezoldiging als ambtenaar; opnieuw vallen zij niet buiten de werkingssfeer van de richtlijn, aangezien deze in beginsel ook van toepassing is op de overheidsdienst.
(1) PB L 19 van 24.1.1989, blz. 16.
(2) Arrest van 29 oktober 1998, Commissie/Spanje (C-114/97, Jurispr. blz. I-6717, punt 37).
Full & Egal Universal Law Academy