7.6.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 142/10
Hogere voorziening ingesteld op 28 februari 2008 door K & L Ruppert Stiftung & Co. Handels-KG tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 12 december 2007 in zaak T-86/05, K & L Ruppert Stiftung & Co. Handels-KG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-90/08 P)
(2008/C 142/16)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: K & L Ruppert Stiftung & Co. Handels-KG (vertegenwoordiger: D. Spohn, Rechtsanwältin)
Andere partijen in de procedure: 1. Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), 2. Natália Cristina Lopes de Almeida Cunha, 3. Cláudia Couto Simões, 4. Marly Lima Jatobá
Conclusies
—
volledige vernietiging van punt 1 van het dictum van de bestreden beslissing van het Gerecht van eerste aanleg van 12 december 2007 in zaak T-86/05 en vernietiging van punt 2 van het dictum van die beslissing in die zin dat het BHIM wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van rekwirante;
—
verwijzing van het BHIM in de proceskosten die nog zullen opkomen;
bij wege van toewijzing van de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen:
—
volledige vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 7 december 2004 in zaak R 0328/2004-1;
—
verwijzing van het BHIM in de proceskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht van eerste aanleg heeft het beroep van rekwirante tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM verworpen op grond dat de oppositieafdeling van het BHIM regel 71, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 2868/95 correct heeft toegepast bij haar afwijzing van het verzoek van rekwirante om verlenging van de termijn voor overlegging van het bewijs van gebruik van de oudere merken in het kader van de oppositieprocedure, en op grond dat het BHIM in het concrete geval geen discretionaire bevoegdheid had om rekening te houden met de bewijzen die rekwirante te laat had overgelegd.
De hogere voorziening berust op de volgende schendingen van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
1)
Het Gerecht van eerste aanleg heeft regel 71, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 2868/95 geschonden doordat het deze bepaling onjuist heeft uitgelegd. Het Gerecht van eerste aanleg is in het bijzonder voorbijgegaan aan het feit dat verordening nr. 40/94 geen regeling over mogelijke gronden voor verlenging van de termijn bevat. Het is eveneens eraan voorbijgegaan dat op het relevante tijdstip regel 71, lid 1, van verordening nr. 2868/95 niet door richtsnoeren of andere instructies van het BHIM over de oppositie was geconcretiseerd, zodat er geen ruimte was voor uitlegging van de gronden voor aanvaarding van verlenging van de termijn. Het Gerecht heeft aldus niet alle feiten in aanmerking genomen of regel 71, lid 1, tweede zin, van verordening nr. 2868/95 onjuist uitgelegd.
2)
Het Gerecht van eerste aanleg is zijn motiveringsplicht niet nagekomen doordat het niet nader is ingegaan op de door rekwirante aangevoerde omstandigheid dat er op het tijdstip van het verzoek om verlenging van de termijn geen regeling en ook geen referentiekader voor het opstellen van verzoeken om verlenging van de termijn bestond. Aangezien het verzoek om verlenging van de termijn met redenen was omkleed, had het Gerecht moeten aangeven, op welke juridische gronden de motivering van dat verzoek als ontoereikend moest worden aangemerkt.
3)
Het Gerecht van eerste aanleg heeft artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 geschonden doordat het deze bepaling onjuist heeft uitgelegd, namelijk aldus dat het BHIM geen discretionaire bevoegdheid heeft om rekening te houden met bewijzen die in de oppositieprocedure te laat zijn overgelegd. Het is eraan voorbijgegaan dat de kamers van beroep wel degelijk discretionaire bevoegdheid hebben en dat artikel 43 van verordening nr. 40/94 en regel 22, lid 2, tweede zin, van verordening nr. 2868/95 deze bevoegdheid niet uitsluiten.
Full & Egal Universal Law Academy