24.5.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 128/25
Beroep ingesteld op 31 maart 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek
(Zaak C-130/08)
(2008/C 128/46)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. Kontou-Durande)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vast te stellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om in alle gevallen het onderzoek ten gronde te verzekeren van een asielaanvraag van een onderdaan van een derde land die, met toepassing van artikel 16, lid 1, sub d, van verordening (EG) nr. 343/2003, aan Griekenland is overgedragen opdat zijn asielverzoek opnieuw wordt onderzocht, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 343/2003;
—
de Helleense Republiek te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties heeft de aandacht van de Commissie gevestigd op de vraag van de verenigbaarheid van de Griekse wetgeving inzake de procedure tot erkenning van een vreemdeling als vluchteling met de bepalingen van verordening (EG) nr. 343/2003, in het geval waarin een vreemdeling vrijwillig het land heeft verlaten en er een besluit tot onderbreking van de behandeling van zijn asielaanvraag is gegeven.
2.
Dit probleem vloeit voort uit artikel 2, lid 8, van presidentieel decreet 61/99 (gepubliceerd in FEK A'63) van 6 april 1999 betreffende de onderbreking van de procedure tot onderzoek van een asielaanvraag. Dat voorschrift stelt het vertrek zonder aanzegging van de asielaanvrager gelijk met een herroeping die de procedure tot onderzoek van de aanvraag onderbreekt, bij besluit van de secretaris-generaal van het ministerie van Openbare orde dat wordt betekend aan de betrokkene als persoon met onbekende verblijfplaats. Tegen dat besluit kan slechts beroep worden ingesteld wanneer de aanvrager zich opnieuw bij de bevoegde autoriteiten meldt, uiterlijk binnen drie maanden na de betekening van het besluit houdende onderbreking van de procedure tot onderzoek van zijn aanvraag, en nadat hij heeft bewezen dat zijn afwezigheid te wijten was aan overmacht.
3.
Het vertrek zonder aanzegging van een asielaanvrager, uit de lidstaat waar hij een asielaanvraag heeft ingediend naar een andere lidstaat, is een van de klassieke situaties die verordening (EG) nr. 343/2003 beoogt te regelen, met name teneinde te verzekeren dat zijn aanvraag ten gronde zal worden onderzocht door de staat die als verantwoordelijk voor het onderzoek van zijn aanvraag wordt beschouwd krachtens artikel 16, lid 1, van de verordening.
4.
Het geheel van vereisten dat in artikel 2, lid 8, van het presidentieel decreet wordt gesteld, leidt echter in de praktijk tot de onmogelijkheid om een besluit tot onderbreking in rechte te betwisten en zich van een doeltreffende toegang tot de procedure tot toekenning van de vluchtelingenstatus te verzekeren.
5.
De Helleense Republiek heeft erkend dat de Griekse wetgeving tot moeilijkheden in verband met verordening (EG) nr. 343/2003 kan leiden en heeft zich bereid verklaard dienaangaande maatregelen te treffen. Zo heeft zij voorgesteld het probleem op te lossen door vaststelling van een presidentieel decreet dat richtlijn 2005/85/EG van de Raad in nationaal recht zal omzetten en zal preciseren dat de litigieuze bepalingen niet van toepassing zijn in de gevallen waarin verordening (EG) nr. 343/2003 geldt.
6.
Daarnaast heeft zij de verzekering gegeven dat zij elke asielaanvraag van personen die in het kader van verordening (EG) nr. 343/2003 voor heronderzoek worden overgedragen, ten gronde zal onderzoeken en de eventueel genomen besluiten tot onderbreking zal herroepen.
7.
De Commissie houdt rekening met die toezeggingen van de Helleense Republiek. Toch is zij van mening dat die niet volstaan om de rechtszekerheid te waarborgen die noodzakelijk is voor de correcte toepassing, in alle gevallen van asielaanvraag, van alle bepalingen van de verordening en met name van het onderzoek ten gronde van iedere asielaanvraag, zodat een daadwerkelijke toegang tot de toekenningsprocedures is gewaarborgd ten gunste van de vluchteling.
8.
Derhalve is de Commissie van mening dat de Helleense Republiek, door niet de noodzakelijke maatregelen te treffen om het onderzoek ten gronde te verzekeren van een asielaanvraag van een onderdaan van een derde land, ten aanzien van wie een besluit tot onderbreking wegens vrijwillig vertrek is gegeven en die zij met toepassing van artikel 3, lid 1 van verordening (EG) nr. 343/2003 opnieuw heeft opgenomen, de krachtens deze bepaling op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Full & Egal Universal Law Academy