21.6.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 158/10
Hogere voorziening ingesteld op 1 april 2008 door Dorel Juvenile Group, Inc. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 24 januari 2008 in zaak T-88/06, Dorel Juvenile Group, Inc./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
(Zaak C-131/08 P)
(2008/C 158/14)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Dorel Juvenile Group, Inc. (vertegenwoordiger: G. Simon, Rechtsanwältin)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 24 januari 2008 in zaak T-88/06;
—
vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van 11 januari 2006 in zaak R 616/2004-2 en
—
verwijzing van de verwerende partij in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante stelt dat het Gerecht van eerste aanleg de voorwaarden voor inschrijving van een merk te restrictief heeft opgevat. Volgens rekwirante heeft het Gerecht de aard van term „SAFETY 1st” beoordeeld door het bestanddeel „1st” afzonderlijk te analyseren en heeft het zijn oordeel gebaseerd op het vermoeden dat het bestanddeel „1st”, dat op zichzelf onderscheidend vermogen mist, geen onderscheidend vermogen kan krijgen in combinatie met het bestanddeel „SAFETY”. Volgens rekwirante had het Gerecht bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het merk moeten uitgaan van de globale perceptie van de term „SAFETY 1st” door de gemiddelde consument. Wanneer het Gerecht het merk „SAFETY 1st” in zijn samenstellende delen ontleedt, geeft het blijk van een andere perceptie en benadering dan die van de consument.
In het bestreden arrest wordt ervan uitgegaan dat de uitdrukking safety first wordt gebruikt tot „aanduiding van de kwaliteit of kenmerken van de waren” waarop het aangevraagde merk betrekking heeft. Rekwirante voert aan dat dit relevant is in het kader van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94, doch niet de toetsingsmaatstaf van artikel 7, lid 1, sub b, van deze verordening is. Bijgevolg heeft het Gerecht zijn oordeel dat het betrokken teken onder artikel 7, lid 1, sub b, valt, gebaseerd op het feit dat het niet voldoet aan de voorwaarden voor bescherming op grond van artikel 7, lid 1, sub c.
Ten slotte betoogt rekwirante dat het Gerecht eveneens is voorbijgegaan aan het feit dat artikel 12, sub b, van verordening nr. 40/94 (1) een milderende invloed heeft op de uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy