21.6.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 158/11
Hogere voorziening ingesteld op 7 april 2008 door Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zesde kamer) van 29 januari 2008 in zaak T-206/07, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-141/08 P)
(2008/C 158/16)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware Co. Ltd (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis, avocat, G. Vallera, barrister)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie, Commissie van de Europese Gemeenschappen, Vale Mill (Rochdale) Ltd, Pirola SpA, Colombo New Scal SpA, Italiaanse Republiek
Conclusies
—
het bestreden arrest te vernietigen;
—
de in het kader van de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-206/07 geformuleerde vordering, te weten nietigverklaring van verordening (EG) nr. 452/2007 (1), toe te wijzen voor zover deze verordening rekwirante raakt;
—
de Raad te verwijzen in de voor het Gerecht en het Hof gemaakte kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante twee middelen aan.
Met haar eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet is ingegaan op het eerste door haar aangevoerde middel tot nietigverklaring, en dit middel heeft afgewezen op basis van een duidelijk met de stukken van het dossier strijdige vaststelling, te weten dat de discussie over de uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening (2) en van punt 44 van het arrest van het Gerecht van 14 november 2006, Nanjing Metalink/Raad (T-138/02, Jurispr. blz. II-4347) niet ter zake dienend is. Immers, zoals de Raad zelf in zijn verweerschrift heeft opgemerkt, is het juist doordat de Commissie van mening was dat de voorwaarden die noodzakelijk waren om de aanvankelijk gegeven oplossing te wijzigen, zoals uiteengezet in het voormelde arrest, niet waren vervuld, dat zij tot haar definitieve vaststelling is gekomen, waarbij aan rekwirante de status van marktgericht bedrijf is verleend. Bijgevolg heeft het Gerecht zijn argumentatie niet alleen gebaseerd op onjuiste vaststellingen, maar heeft het ook nagelaten om zich uit te spreken over de uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening, en over de vraag of de Commissie wel of niet op basis van dit artikel in de loop van de procedure kan terugkomen van haar aanvankelijke standpunt met betrekking tot het al dan niet toekennen van de status van marktgericht bedrijf.
Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de schending van haar recht van verweer, hoewel het Gerecht had erkend en vastgesteld dat daarvan sprake was, niet kon leiden tot nietigverklaring van de bestreden verordening, op grond dat de administratieve procedure onmogelijk tot een ander resultaat had kunnen leiden. De discussie over de uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening en van punt 44 van het reeds aangehaalde arrest Nanjing Metalink heeft namelijk een doorslaggevende rol gespeeld in de administratieve procedure, en indien de Commissie zou hebben voldaan aan de procedurele vereisten van artikel 20, lid 5, van de basisverordening, had rekwirante zich met succes op haar eigen uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening kunnen beroepen.
(1) Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad van 23 april 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne (PB L 109, blz. 12).
(2) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy