5.7.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 171/15
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeitsgericht Hamburg (Duitsland) op 10 april 2008 — Jürgen Römer/Freie und Hansestadt Hamburg
(Zaak C-147/08)
(2008/C 171/26)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Arbeitsgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Jürgen Römer
Verwerende partij: Freie und Hansestadt Hamburg
Prejudiciële vragen
1.
Gaat het bij het krachtens het 1. Ruhegeldgesetz van de Freie und Hansestadt Hamburg (hierna: „1. RGG”) geregelde aanvullend pensioen voor voormalige arbeidscontractanten en andere werknemers van de Freie und Hansestadt Hamburg alsmede hun nabestaanden, om „uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming” in de zin van artikel 3, lid 3, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1), met als gevolg dat het 1. RGG buiten de werkingssfeer van de voornoemde richtlijn valt?
2.
Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord:
2.1.
Zijn de regelingen van het 1. RGG, die wat de berekening van de hoogte van het pensioen betreft in die zin onderscheid maken tussen gehuwde pensioenontvangers enerzijds en alle overige pensioenontvangers anderzijds, dat gehuwde pensioenontvangers worden bevoordeeld, in het bijzonder ten opzichte van personen die met iemand van hetzelfde geslacht een partnerschap zijn aangegaan overeenkomstig het Duitse Lebenspartnerschaftsgesetz, „wetgevingen inzake burgerlijke staat en de daaraan verbonden voordelen” in de zin van de tweeëntwintigste overweging van de considerans van de richtlijn?
2.2.
Indien de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord:
Leidt dit ertoe dat de richtlijn met betrekking tot de genoemde regelingen van het 1. RGG niet van toepassing is, hoewel de richtlijn zelf geen met de tweeëntwintigste overweging van de considerans overeenkomende beperking van haar werkingssfeer bevat?
3.
Indien de tweede vraag, sub 1, of de tweede vraag, sub 2, ontkennend wordt beantwoord:
Is § 10, lid 6, van het 1. RGG, volgens hetwelk het pensioen van niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvangers wordt berekend op de fictieve basis van de (voor belastingplichtigen voordeligere) belastinggroep III/0, het pensioen van alle overige pensioenontvangers daarentegen op de fictieve basis van de (voor belastingplichtigen nadeligere) belastinggroep I, in strijd met artikel 1 junctis de artikelen 2 en 3, lid 1, sub c van de richtlijn wat betreft een pensioenontvanger die partner is van een persoon van hetzelfde geslacht en niet duurzaam gescheiden van deze leeft?
4.
Indien de eerste vraag of de tweede vraag, sub 2, bevestigend of de derde vraag, sub 3, ontkennend wordt beantwoord:
Is § 10, lid 6, van het 1. RGG op grond van de in de derde vraag weergegeven regeling respectievelijk rechtsgevolgen in strijd met artikel 41 EG of met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht?
5.
Indien de derde of de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Heeft dit tot gevolg dat, zolang § 10, lid 6, van het 1. RGG niet in de zin van de opheffing van de gelaakte ongelijke behandeling is gewijzigd, de niet duurzaam gescheiden levende pensioenontvanger die een partnerschap is aangegaan, kan eisen dat hij voor de berekening van het pensioen wordt behandeld als een niet duurzaam gescheiden levende gehuwde pensioenontvanger? Zo ja, geldt dit — wanneer de richtlijn van toepassing is en de derde vraag bevestigend wordt beantwoord — ook reeds voor het einde van de omzettingstermijn van artikel 18, lid 1, van de richtlijn?
6.
Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord:
Is dan de in de motivering van het arrest van het Hof in zaak C-262/88 (Barber) aangegeven beperking toepasselijk, dat de gelijke behandeling bij de berekening van het pensioen enkel moet plaatsvinden voor dat deel van het pensioen waarvoor de pensioenontvanger vanaf 17 mei 1990 tijdvakken van arbeid heeft vervuld?
(1) PB L 303, blz. 16.
Full & Egal Universal Law Academy