19.7.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 183/10
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hof van beroep te Antwerpen (België) op 18 april 2008 — Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely tegen Belgische Staat
(Zaak C-161/08)
(2008/C 183/19)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van beroep te Antwerpen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Internationaal Verhuis- en Transportbedrijf Jan de Lely
Verweerder: Belgische Staat
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 (1) van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat de in artikel 11, eerste lid, van de TIT-Overeenkomst bepaalde vervaltermijn enkel geldt in het voordeel van de organisatie die zich garant heeft gesteld, doch niet van de houder van het carnet, resp. dat de overschrijding van de termijn van een jaar na de inschrijving van het carnet TIR ten aanzien van de houder van het carnet invloed heeft op de opeisbaarheid van de douaneschuld resp. de accijnzen en bijzondere accijnzen en op zijn aansprakelijkheid en dat de overschrijding van de termijn van één jaar het recht van de bevoegde douaneautoriteiten om tot invordering van die schuld over te gaan in het gedrang brengt?
2)
Moet artikel 2, tweede en derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat de hierin bepaalde termijn enkel geldt voor het leveren van het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer, doch niet voor het leveren van het bewijs van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan?
3)
Moet artikel 2, tweede en derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991, samen gelezen met artikel 11, eerste en tweede lid, van de Overeenkomst van 14 november 1975 inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-Overeenkomst), aldus worden uitgelegd dat, voor zover de hierin bepaalde termijn ook geldt voor het leveren van het bewijs van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid werd begaan, deze termijn geen vervaltermijn is en dat de houder van het carnet dit bewijs vooralsnog na het verstrijken van deze termijn mag leveren?
(1) Verordening (EEG) nr. 1593/91 van de Commissie van 12 juni 1991 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 719/91 van de Raad betreffende de toepassing in de Gemeenschap van carnets TIR en van carnets ATA als doorvoerdocumenten (PB L 148, blz. 11).
Full & Egal Universal Law Academy