15.8.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/20
Hogere voorziening ingesteld op 16 mei 2008 door American Clothing Associates SA tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 28 februari 2008 in zaak T-215/06, American Clothing Associates SA/BHIM
(Zaak C-202/08 P)
(2008/C 209/29)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: American Clothing Associates SA (vertegenwoordigers: P. Maeyaert, N. Clarembeaux en C. De Keersmaeker, avocats)
Andere partij in de procedure: Bureau voor Harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen, voor zover daarbij is geoordeeld dat de eerste kamer van beroep van het BHIM artikel 7, lid 1, sub h, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (1) niet heeft geschonden bij het geven van haar beslissing van 4 mei 2006 (zaak R 1463/2005-1), voor zover deze betrekking heeft op de inschrijving van het merk dat is aangevraagd voor de waren van klasse 18 „Leder en kunstleder en hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; dierenhuiden; reiskoffers en koffers; paraplu's, parasols en wandelstokken; zwepen en zadelmakerswaren” en 25 „Kledingstukken, schoeisel, hoofddeksels”,
—
het BHIM te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster beroept zich op één middel ter onderbouwing van haar hogere voorziening, inzake schending van artikel 7, lid 1, sub h, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk en van artikel 6 ter, lid 1, sub a, van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, zoals herzien en gewijzigd (2). Dit middel berust in wezen op vier argumenten.
Met haar eerste argument betoogt verzoekster dat het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de relevantie van de wezenlijke functie van een staatsembleem om de omvang van de bescherming van een embleem te beoordelen. Een staatsembleem verwijst immers naar symbolen van de identiteit en de soevereiniteit van een staat, die zijn ontworpen volgens artistieke taal en zeer precieze wetenschap, betreffende de wapens. De inschrijving van eender welk embleem als merk of bestanddeel van een merk kan dus slechts worden geweigerd indien het de identiteit of de soevereiniteit van een staat kan aantasten. Daarentegen tast het gewone overnemen van een teken dat vergelijkbaar is met een staatsembleem en weinig of geen heraldieke kenmerken heeft, de wezenlijke functie van dat embleem niet aan.
Met haar tweede argument verwijt verzoekster het Gerecht te zijn voorbijgegaan aan de relevantie van de heraldieke kenmerken van een staatsembleem door te oordelen dat op basis van dezelfde heraldieke beschrijving verschillende artistieke interpretaties van eenzelfde embleem mogelijk zijn. Volgens verzoekster hebben artikel 6 ter, lid 1, sub a, van het Verdrag van Parijs en het begrip „nabootsing, bezien uit heraldiek oogpunt” immers niet tot doel het symbool als zodanig te beschermen, maar strekken zij tot bescherming van een zeer specifieke artistieke interpretatie of een specifiek grafisch werk, dat het gevolg is van de toepassing van de regels inzake de heraldieke kunst en wetenschap.
Met haar derde argument betoogt verzoekster dat het bestreden arrest is voorbijgegaan aan het begrip „heraldieke nabootsing” en daardoor de verordening inzake het gemeenschapsmerk en het Verdrag van Parijs aldus heeft uitgelegd dat de betrokken lidstaten een vrijwel absoluut alleenrecht hebben op tekens die geen heraldieke kenmerken of geen zeer uitgesproken heraldieke kenmerken hebben ter zake van hun inschrijving of gebruik als bestanddeel van een merk.
Met haar vierde argument verwijt verzoekster het Gerecht tot slot dat het vanaf het begin bepaalde aan de zaak eigen omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten omdat het deze irrelevant achtte, zoals de aard van de heraldieke kenmerken waarvan de bescherming wordt ingeroepen, de totaalindruk opgeroepen door een merk dat als bestanddeel een staatsembleem of een nabootsing daarvan bevat, de aard van de in het land van oorsprong van het betrokken staatsembleem geboden bescherming of de voorwaarden waaronder het betrokken merk kan worden gebruikt.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1).
(2) Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11847, blz. 108.
Full & Egal Universal Law Academy