27.9.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 247/2
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Thüringer Oberlandesgericht (Duitsland) op 19 mei 2008 — Wasser- und Abwasserzweckverband Gotha und Landkreisgemeinden (WAZV Gotha)/Eurawasser Aufbereitungs- und Entsorgungsgesellschaft mbH
(Zaak C-206/08)
(2008/C 247/02)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Thüringer Oberlandesgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Wasser- und Abwasserzweckverband Gotha und Landkreisgemeinden (WAZV Gotha)
Verwerende partij: Eurawasser Aufbereitungs- und Entsorgungsgesellschaft mbH
Prejudiciële vragen
1)
Moet een overeenkomst inzake het verrichten van diensten (in casu diensten op het gebied van de drinkwatervoorziening en het rioolwaterbeheer) volgens welke de aannemer geen rechtstreekse vergoeding van de aanbestedende dienst ontvangt, maar het recht heeft om op privaatrechtelijke basis vergoedingen van derden te innen, alleen op deze grond te worden gekwalificeerd als concessieovereenkomst voor diensten in de zin van artikel 1, lid 3, sub b, van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (1) (en niet als opdracht voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel in de zin van artikel 1, lid 2, sub a en d, van de richtlijn)?
2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is bij overeenkomsten van de hierboven omschreven aard sprake van een concessieovereenkomst voor diensten indien, op grond van de wijze waarop de dienst publiekrechtelijk is georganiseerd (verplichting tot aansluiting en gebruik, prijscalculatie volgens het kostendekkingsbeginsel), het aan de betrokken dienst verbonden exploitatierisico weliswaar bij voorbaat, dus ook wanneer de aanbestedende dienst de dienst zelf zou verrichten, aanzienlijk is ingeperkt, maar de aannemer dit beperkte risico niettemin geheel of althans vrijwel geheel op zich neemt?
3)
Indien ook de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 1, lid 3, sub b, van de richtlijn dan aldus worden uitgelegd dat het aan het verrichten van de dienst verbonden exploitatierisico, in het bijzonder het afzetrisico, kwalitatief vergelijkbaar moet zijn met het exploitatierisico dat normaliter onder de voorwaarden van een vrije markt met meerdere concurrerende aanbieders bestaat?
(1) PB L 134, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy