15.8.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/23
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 22 mei 2008 — E. Friz GmbH/Carsten von der Heyden
(Zaak C-215/08)
(2008/C 209/33)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: E. Friz GmbH
Verwerende partij: Carsten von der Heyden
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 1, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (1), aldus te worden uitgelegd dat zij van toepassing is op de toetreding van een consument tot een personenvennootschap, een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een vereniging of een coöperatie, wanneer het doel van die toetreding prioritair niet erin bestaat lid van de vennootschap, de vereniging of de coöperatie te worden, maar — hetgeen vooral bij deelname aan een gesloten vastgoedfonds vaak het geval is — de deelname via lidmaatschap slechts een andere vorm is van belegging of het verkrijgen van prestaties die normaliter voorwerp van ruilovereenkomsten zijn?
2)
Dient artikel 5, lid 2, van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, aldus te worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationaal (door rechtspraak vastgelegd) juridisch gevolg in de zin van artikel 7 van de richtlijn, dat inhoudt dat een dergelijke, in een situatie van huis-aan-huisverkoop verklaarde toetreding door een consument in het geval van opzegging van de toetreding tot gevolg heeft dat de opzeggende consument jegens de vennootschap, de vereniging of de coöperatie een op het tijdstip van het van kracht worden van de opzegging berekend recht op het saldo van zijn activa en passiva kan doen gelden, dat wil zeggen dat hij een bedrag ontvangt dat overeenkomt met de waarde van zijn aandeel in de vennootschap, de vereniging of de coöperatie op het tijdstip van opzegging, met het (mogelijke) gevolg dat hij vanwege de economische ontwikkeling van de vennootschap, de vereniging of de coöperatie ofwel minder dan de waarde van zijn inbreng terug ontvangt, ofwel zelfs door de vennootschap, de vereniging of de coöperatie geconfronteerd wordt met betalingsverplichtingen die hoger liggen dan het verlies van het door hem ingebrachte kapitaal omdat het saldo van de activa en passiva negatief is?
(1) PB L 372, blz. 31.
Full & Egal Universal Law Academy