11.10.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 260/5
Hogere voorziening ingesteld op 27 juni 2008 door de Landtag Schleswig-Holstein tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 3 april 2008 in zaak T-236/06, Landtag Schleswig-Holstein/Commissie van de Europese Gemeenschappen
(Zaak C-281/08 P)
(2008/C 260/06)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Landtag Schleswig-Holstein (vertegenwoordigers: S. Laskowski, Privatdozentin en J. Caspar, Professor)
Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
Rekwirant verzoekt
—
de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond te verklaren;
—
de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 3 april 2008 te vernietigen;
—
de vorderingen van rekwirant in eerste aanleg toe te wijzen en het beroep in zaak T-236/06 ontvankelijk en gegrond te verklaren;
—
subsidiair, de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg terug te verwijzen opdat dit het aanvankelijke beroep ontvankelijk acht en de tot dan toe gevoerde procedure voortzet;
—
over de kosten te beslissen en de Commissie in alle kosten van de onderhavige procedure te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht van eerste aanleg heeft het door rekwirant tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard, omdat rekwirant geen rechtspersoon in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG is. Het beroep tot nietigverklaring was gericht tegen de beschikkingen van de Commissie van 10 maart en 23 juni 2006 houdende weigering om rekwirant toegang te verlenen tot document SEC(2005) 420, dat een juridische analyse bevat van het ter bespreking in de Raad voorliggende ontwerpkaderbesluit over de bewaring van gegevens met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, daaronder begrepen terrorisme.
Rekwirant roept ter ondersteuning van zijn hogere voorziening tegen de bestreden beschikking van het Gerecht van eerste aanleg twee middelen in
In de eerste plaats heeft het Gerecht het beginsel om in rechte te worden gehoord geschonden. Dit beginsel, dat een uitdrukking van de waarborg van een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming is, is er onder meer op gericht te verhinderen dat de gerechtelijke beslissing mogelijk wordt beïnvloed door een stelling die partijen niet hebben kunnen bespreken. Hierdoor moeten verrassingsbeslissingen worden voorkomen. Ter vermijding van een verrassingsoordeel had het Gerecht rekwirant in de gelegenheid moeten stellen een misverstand uit de weg te ruimen.
In de tweede plaats heeft het Gerecht het gemeenschapsrecht geschonden, doordat het het feitelijke kenmerk „rechtspersoon” van artikel 230, vierde alinea, EG onjuist heeft uitgelegd en rekwirant ten onrechte niet als rechtspersoon en dientengevolge als procesbevoegd heeft beschouwd.
Het Gerecht heeft in overweging genomen dat de president van de Landtag Schleswig-Holstein in het kader van zijn bevoegdheid tot procesvertegenwoordiging, niet rekwirant, maar „rechtstreeks het Land” vertegenwoordigt, zodat rekwirant geen rechtsbevoegdheid bezit en daardoor bij de gemeenschapsrechter ook geen procesbevoegdheid bezit. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het Gerecht het beroep ontvankelijk zou hebben geacht als het verzoekschrift niet rekwirant, maar het „Land Schleswig Holstein” zou hebben vermeld. Dit oordeel is niet alleen in strijd met het recht, omdat het niet met de grondwet van het Land Schleswig Holstein in overeenstemming is, maar levert voor rekwirant ook een verrassingsbeslissing op, waarmee deze geen rekening hoefde te houden. De beschikking van het Gerecht is in de eerste plaats in strijd met het recht omdat het niet heeft erkend dat de Landtag op grond van de grondwet van Land Schleswig Holstein „het door het volk gekozen hoogste orgaan van politieke wilsvorming” is, en in de tweede plaats omdat het Gerecht niet heeft opgemerkt dat de president van de Landtag in het kader van grondwettelijke geschillen die deze betreffen, de Landtag in zijn geheel vertegenwoordigt. Het begrip „Land” wordt in het recht generiek en niet specifiek gebruikt en kan — afhankelijk van het regelgevende kader — zowel op de regering als op het parlement van het Land betrekking hebben.
Full & Egal Universal Law Academy