27.9.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 247/8
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Civil Division) (England and Wales) (Verenigd Koninkrijk) op 11 juli 2008 — London Borough of Harrow/Nimco Hassan Ibrahim and Secretary of State for the Home Department
(Zaak C-310/08)
(2008/C 247/13)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (Civil Division) (England and Wales)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: London Borough of Harrow
Verwerende partij: Nimco Hassan Ibrahim and Secretary of State for the Home Department
Prejudiciële vragen
Onder omstandigheden waar: (i) een echtgenote die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit en haar kinderen die deze wel bezitten, een persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie naar het Verenigd Koninkrijk hebben begeleid, (ii) deze persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie als werknemer in het Verenigd Koninkrijk verbleef, (iii) de persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie vervolgens ophield arbeid te verrichten en daarna het Verenigd Koninkrijk verliet, (iv) de persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie, de echtgenote die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit en de kinderen niet over voldoende eigen bestaansmiddelen beschikken en afhankelijk zijn van sociale bijstand in het Verenigd Koninkrijk, (v) korte tijd na hun aankomst in het Verenigd Koninkrijk, tijdens het werknemerschap van de persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie, de kinderen lager onderwijs zijn gaan volgen:
1)
Hebben de echtgenote en de kinderen alleen dan het recht om in het Verenigd Koninkrijk te verblijven indien zij voldoen aan de voorwaarden die zijn neergelegd in richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (1) betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden,
of
2)
(i)
hebben zij een verblijfsrecht als uitvloeisel van artikel 12 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 (2) betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, zonder dat zij hoeven te voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38/EG,
en
(ii)
zo ja, moeten zij dan over voldoende middelen beschikken om tijdens hun voorgenomen verblijfsperiode niet ten laste te komen van het sociale bijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt?
3)
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, maakt het dan verschil of, zoals in het onderhavige geval, de kinderen aanvingen lager onderwijs te volgen en de persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie ophield met werken voor de datum waarop richtlijn 2004/38/EG door de lidstaten te uitvoer diende te zijn gelegd?
(1) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).
(2) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
Full & Egal Universal Law Academy