8.11.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 285/23
Beroep ingesteld op 12 augustus 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-369/08)
(2008/C 285/37)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Traversa en P. Dejmek, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
vaststellen dat punt 2.1 van bijlage VIIIb bij de StZVO in strijd is met artikel 43 EG juncto artikel 48 EG;
—
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ingevolge artikel 43, eerste alinea, EG zijn alle regelingen verboden die de vrije vestiging van burgers van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat beperken. Uit artikel 48 EG volgt dat de verdragsbepalingen inzake de vrije vestiging van vennootschappen die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Gemeenschap hebben, dezelfde zijn als de bepalingen die gelden voor de natuurlijke personen die burger zijn van de lidstaten. De bepalingen inzake gelijke behandeling verbieden niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit of, wat vennootschappen betreft, op grond van de plaats van de zetel, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria feitelijk tot hetzelfde resultaat zouden leiden.
Op grond van punt 2.1 van bijlage VIIIb bij de Duitse Straßenverkehrszulassungsordnung (regeling inzake de toelating van motorvoertuigen tot het wegverkeer, StVZO) kan een organisatie voor de uitvoering van technische controles respectievelijk veiligheidskeuringen en inspecties van motorvoertuigen in Duitsland alleen worden erkend indien zij uitsluitend bestaat uit en in bedrijf wordt gehouden door ten minste 60 zelfstandige en in hoofdberoep werkzame motorvoertuigexperts, waarbij er in het gebied waarvoor de erkenning geldt, ten minste zoveel controletechnici van deze organisatie gevestigd moeten zijn dat er altijd één controletechnicus is, maar maximaal 30, voor elke 100 000 daar toegelaten motorvoertuigen en aanhangers.
Volgens de Commissie vormt dit vereiste een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van vestiging die onverenigbaar is met artikel 43 EG en in ieder geval met artikel 43 EG juncto artikel 48 EG. Het vereiste dat de organisatie uitsluitend uit een minimumaantal zelfstandige en in hoofdberoep werkzame experts bestaat, vormt een kwalitatieve beperking, aangezien een bepaalde structuur wordt opgelegd aan ondernemingen die de betrokken activiteit willen uitoefenen. Dit vereiste betekent in het bijzonder de uitsluiting van onzelfstandige werknemers die zich niet kunnen aansluiten bij een dergelijke controleorganisatie. De litigieuze bepaling vormt bovendien een kwantitatieve beperking, omdat zij deze controleorganisaties een minimumaantal leden voorschrijft. Deze vereisten voor erkenning maken het elke marktdeelnemer die in een andere lidstaat rechtmatig is gevestigd en die een andere rechtsvorm of interne structuur heeft, onmogelijk om in Duitsland technische-controlediensten aan te bieden. Tot slot vormt het vereiste dat er in het gebied waarvoor de erkenning geldt, zoveel controletechnici moeten zijn gevestigd dat er altijd één controletechnicus is voor elke 100 000 daar toegelaten motorvoertuigen en aanhangers, een met artikel 43 EG (juncto artikel 48 EG) strijdige beperking, omdat dit criterium vooral rechtspersonen benadeelt die reeds in andere lidstaten zijn gevestigd en waarvan de controletechnici niet noodzakelijkerwijs zijn gevestigd in het gebied waarvoor de erkenning geldt.
In het onderhavige geval is artikel 45 EG noch artikel 46 EG van toepassing.
Volgens artikel 45 EG zijn de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging niet van toepassing op werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in een lidstaat, zelfs indien zij slechts bij gelegenheid plaatsvinden. De uit de vaste rechtspraak voortvloeiende criteria voor een rechtstreekse en specifieke uitoefening van het openbaar gezag bij werkzaamheden van controleorganisaties, in het bijzonder bij de uitvoering van technische controles, zijn echter niet vervuld. Noch het feit dat de controleorganisatie moet beslissen over de afgifte respectievelijk de inname van technische-keuringsvignetten, noch het toezicht van staatswege op deze organisaties bewijst dat zij openbare taken vervullen. Ten eerste kan het uiteindelijke besluit tot weigering van het vignet uitsluitend worden genomen door de bevoegde instantie (dat wil zeggen de tot toelating bevoegde instantie) van de desbetreffende deelstaat en niet door de controleorganisatie. De controleorganisaties vervullen tegenover de tot toelating bevoegde instantie veeleer een ondersteunende en voorbereidende rol. Ten tweede kan uit het feit dat de staat toezicht uitoefent op bepaalde instellingen, ook niet worden geconcludeerd dat alle werkzaamheden die worden uitgevoerd door dergelijke onder toezicht staande instellingen, verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag. Al zouden werkzaamheden van de controleorganisatie incidenteel als uitoefening van het openbaar gezag moeten worden gezien, dan zou het te ver voeren om de technische voertuigcontroles uit te sluiten van de toepassing van de vrijheid van vestiging en zou het doel van de in artikel 45 EG vastgelegde uitzondering in aanzienlijke mate voorbij worden gegaan. De voertuigcontroles zijn een louter technische taak, die weliswaar publiekrechtelijke gevolgen heeft, maar niet als rechtstreekse uitoefening van het openbaar gezag kan worden behandeld.
Aangaande artikel 46 EG, dat voorziet in de mogelijkheid om ongelijke behandeling te rechtvaardigen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, moet er volgens de rechtspraak van het Hof, om een beroep te kunnen doen op deze rechtvaardigingsgrond, sprake zijn van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een van de genoemde fundamentele belangen raakt. Aangezien de Duitse autoriteiten een dergelijke bedreiging niet hebben aangetoond, is niet voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de uitzonderingsregeling van artikel 46 EG. De Commissie is ervan overtuigd dat het met de litigieuze maatregel nagestreefde doel, namelijk de handhaving van de verkeersveiligheid, ook met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt, zoals bijvoorbeeld met een passend toezichtssysteem voor alle controletechnici en controleorganisaties in Duitsland.
Full & Egal Universal Law Academy