25.10.2008
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 272/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus (Finland) op 5 september 2008 — Strafzaak tegen Artur Leymann en Aleksei Pustovarov
(Zaak C-388/08)
(2008/C 272/23)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Artur Leymann en Aleksei Pustovarov
Prejudiciële vragen
1)
Hoe moet de in artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit (1) gebruikte uitdrukking „enig ander […] feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest” worden uitgelegd; meer bepaald, welke criteria zijn doorslaggevend bij de beoordeling of de omschrijving van het feit die ten grondslag ligt aan de vervolging zodanig afwijkt van de omschrijving van het feit die ten grondslag lag aan de overlevering, dat ervan moet worden uitgegaan dat het gaat om „enig ander feit” in de zin van artikel 27, lid 2, zodat voor vervolging de toestemming is vereist als bedoeld in artikel 27, lid 3, sub g, en lid 4?
2)
Moet artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit aldus worden uitgelegd dat de toestemmingsprocedure als bedoeld in artikel 27, lid 3, sub g, en lid 4, moet worden toegepast in een situatie waarin zowel aan het aanhoudingsbevel als aan de definitieve tenlastelegging een (zwaar) drugsdelict ten grondslag was gelegd, maar de omschrijving van het feit in de tenlastelegging vervolgens aldus werd gewijzigd dat de tenlastelegging betrekking had op een ander soort verdovend middel dan de in het aanhoudingsbevel genoemde soort?
3)
Hoe moet artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit worden uitgelegd, volgens hetwelk een overgeleverd persoon niet wordt vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander feit, in het bijzonder gelet op de toestemmingsprocedure als bedoeld in artikel 27, lid 4, en rekening houdend met het bepaalde in artikel 27, lid 3, sub c, volgens hetwelk het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is wanneer de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid beperkt?
a)
Moeten de bovengenoemde bepalingen, in gevallen waarvoor de toestemmingsprocedure geldt, aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat wegens het betrokken strafbaar feit vervolging wordt ingesteld, een proces wordt gevoerd of uitspraak wordt gedaan vóórdat de toestemming is gegeven, op voorwaarde dat de verdachte niet op grond van verdenking van het betrokken strafbaar feit wordt onderworpen aan maatregelen waardoor hij van zijn vrijheid wordt beroofd of zijn vrijheid wordt beperkt?
b)
Welk belang moet worden gehecht aan de omstandigheid dat een strafvervolging die een beperking van de vrijheid meebrengt, betrekking heeft op meerdere strafbare feiten, waarvan er een is onderworpen aan de toestemmingsprocedure? Moeten de bovengenoemde bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat wegens het betrokken strafbaar feit, waarvoor de toestemmingsprocedure geldt, vervolging wordt ingesteld, een proces wordt gevoerd of uitspraak wordt gedaan vóórdat reeds de toestemming is gegeven, ook al is de verdachte in verband met het proces een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, voor zover de beperking van de vrijheid op een wettelijke grondslag berust wegens de andere ten laste gelegde feiten?
(1) Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy