24.1.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 19/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat, Aussenstelle Linz (Oostenrijk) op 3 oktober 2008 — Haribo Lakritzen Hans Riegel BetriebsgmbH/Finanzamt Linz
(Zaak C-436/08)
(2009/C 19/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Unabhängige Finanzsenat, Aussenstelle Linz
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Haribo Lakritzen Hans Riegel BetriebsgmbH
Verwerende partij: Finanzamt Linz
Prejudiciële vragen
1)
Is het in strijd met het gemeenschapsrecht wanneer een nationale overheid ter vermijding van discriminatie van buitenlandse deelnemingen die volgens de wettekst in tegenstelling tot binnenlandse deelnemingen pas vanaf een deelneming van 25 % (thans 10 %) zijn vrijgesteld van belasting, de verrekeningsmethode toepast, omdat dit resultaat volgens een beslissing van het Oostenrijkse Verwaltungsgerichtshof het meest aansluit bij de (hypothetische) wil van de wetgever, terwijl buitenlandse deelnemingen zouden zijn vrijgesteld van belasting wanneer de tot discriminatie leidende deelnemingsdrempel van 25 % (10 %) gewoon niet wordt toegepast?
2)
Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, wanneer binnenlandse deelnemingen algemeen zijn vrijgesteld, terwijl bij buitenlandse deelnemingen van minder dan 25 % (10 %) de verrekeningsmethode wordt toegepast en het door de aandeelhouders te leveren bewijs van de eerder geheven buitenlandse (vennootschaps)belasting niet of slechts met onevenredige inspanningen kan worden geleverd
—
respectievelijk wanneer binnenlandse deelnemingen van minder dan 25 % (10 %) zijn vrijgesteld en wanneer bij buitenlandse deelnemingen van minder dan 25 % (10 %) de verrekeningsmethode wordt toegepast en het door de aandeelhouders te leveren bewijs niet of slechts met onevenredige inspanningen kan worden geleverd
—
respectievelijk, wanneer binnenlandse deelnemingen algemeen en buitenlandse deelnemingen vanaf 25 % (10 %) zijn vrijgesteld, terwijl bij buitenlandse deelnemingen van minder dan 25 % (10 %) de verrekeningsmethode wordt toegepast en het door de aandeelhouders te leveren bewijs niet of slechts met onevenredige inspanningen kan worden geleverd?
2.1.
Voor zover vraag 2 ontkennend wordt beantwoord: Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, wanneer de belastingplichtige ter vermijding van economische dubbele belasting het bewijs moet leveren van de eerder geheven buitenlandse (vennootschaps)belasting, hoewel hij dit bewijs niet of slechts met onevenredige inspanningen kan leveren, terwijl het bewijs door de overheid met de middelen van de richtlijn betreffende wederzijdse bijstand zou kunnen worden geleverd?
3)
Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, wanneer voor deelnemingen in derde landen van minder dan 25 % (10 %) die binnen de werkingssfeer van het vrije verkeer van kapitaal vallen de verrekeningsmethode is voorzien, waarbij het bewijs van de eerder in het buitenland betaalde (vennootschaps)belasting door de geringe omvang van de deelneming niet of slechts met onevenredige inspanningen kan worden geleverd, terwijl voor binnenlandse deelnemingen algemeen, dat wil zeggen ongeacht de omvang van de deelneming, de vrijstellingsmethode is voorzien en er dus in elk geval sprake is van een vermijding van de dubbele economische belasting?
3.1.
Voor zover vraag 3 bevestigend wordt beantwoord: Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, wanneer opbrengsten uit deelnemingen in derde landen voor zover de omvang van de deelneming minder dan 25 % (10 %) is, niet worden vrijgesteld, ofschoon voor de vrijstelling van opbrengsten uit deelnemingen van meer dan 25 % (10 %) geen bijzondere voorwaarden worden gesteld, waarvan de eerbiediging alleen kan worden gecontroleerd door inlichtingen in te winnen bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken staat, maar de vrijstelling in deze gevallen zonder verdere voorwaarde wordt toegekend?
3.2.
Voor zover vraag 3 ontkennend wordt beantwoord: Is het in strijd met het gemeenschapsrecht, wanneer bij opbrengsten uit deelnemingen in derde landen geen verrekening van de buitenlandse vennootschapsbelasting mag plaatsvinden voor zover de omvang van de deelneming minder dan 25 % (10 %) is, ofschoon voor de belastingvrijstelling van opbrengsten uit deelnemingen boven die drempel geen bijzondere voorwaarden gelden, waarvan de eerbiediging alleen kan worden gecontroleerd door inlichtingen in te winnen bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken staat, maar de vrijstelling in deze gevallen zonder verdere voorwaarde wordt toegekend?
Full & Egal Universal Law Academy