10.1.2009
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 6/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) op 16 oktober 2008 — Emilia Flores Fanega/Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS), Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS) y Bolumburu S.A.
(Zaak C-452/08)
(2009/C 6/21)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Emilia Flores Fanega
Verwerende partijen: Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS), Tesorería General de la Seguridad Social (TGSS) y Bolumburu S.A.
Prejudiciële vragen
1)
Dient clausule 2, punt 6, van richtlijn 96/34/EG (1) van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, aldus te worden uitgelegd dat het waarborgen van de rechten in wording mede geldt voor een levenslange uitkering wegens volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid voor de gewone beroepswerkzaamheden, die in de periode van een jaar ouderschapsverlof in de vorm van arbeidstijdsverkorting en loonsvermindering is ontstaan ten gevolge van een beroepsziekte die is opgelopen bij het verrichten van de arbeid in dienst van de werkgever die het ouderschapsverlof verleende, en die zich tijdens dat verlof heeft geopenbaard, in aanmerking nemend dat de betaling van de uitkering door de sociale zekerheid geschiedt in de plaats van de werkgever op grond van de uit hoofde van de verplichte werknemersverzekering tegen het risico van bedrijfsongevallen en beroepsziekten bestaande relatie?
2)
Wanneer de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Dient genoemd punt 6 van clausule 2 aldus te worden uitgelegd dat de hierin voorziene waarborg wordt aangetast door een bepaling van nationaal recht die voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering bij volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, uitgaat van het door de getroffen werknemer ontvangen loon en de reëel betaalde premies en bijdragen over de twaalf maanden voorafgaand aan het feit dat tot die arbeidsongeschiktheid heeft geleid, waarin hij voor het merendeel ouderschapsverlof genoot en korter werkte, minder verdiende en op een lagere grondslag premies afdroeg, zonder daarop een correctiefactor toe te passen teneinde erin te voorzien dat wordt voldaan aan het door de raamovereenkomst beoogde doel?
3)
Afgezien hiervan en ongeacht het antwoord op de voorgaande vragen: Dient punt 8 van voormelde clausule van de richtlijn en punt 2 van clausule 4 van deze richtlijn aldus te worden uitgelegd dat de hierin vervatte verplichtingen en voorzieningen onverenigbaar zijn met de toepassing van een berekeningsmaatstaf als hiervoor beschreven?
4)
Los van het antwoord op de voorgaande vragen: Dient artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG (2) van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, in verbinding met het bepaalde in artikel 5, aldus te worden uitgelegd dat de gelijke behandeling bij de berekening van de uitkeringen zich verzet tegen een berekeningsformule als de hiervoor vermelde, in aanmerking genomen dat het volgens de statistieken in overgrote meerderheid vrouwelijke werknemers zijn die gebruikmaken van de mogelijkheid om ouderschapsverlof op te nemen in de vorm als hierboven beschreven?
(1) Richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB L 145, blz. 4).
(2) PB 5, 2002, blz. 174.
Full & Egal Universal Law Academy